Eenzaamheid
Wat is een monnik? Naar mijn mening iemand die één is met de Ene.’ Aldus een oude woestijnmonnik. Daarin klinkt eenzaamheid op zijn best. In de praktijk van alledag is het hier in de abdij half om half; de helft van de dag ben je eenzaam, vooral in de nachtelijke en vroege uren. En in die uren wordt je teruggeworpen op de Ene, om in heel je lijf, je ziel te gaan voelen hoe dat is; eenzaamheid op zijn best. Eén met de Ene. De momenten dat je dat gegeven wordt, springen alle luikjes open die je kennelijk dicht had gehouden. Je wordt verliefd op elke mens, elk schepsel dat je tegenkomt. En het lijkt alsof er niets is dat jullie van elkaar scheiden kan. Eenzaamheid, hoezo?
Aan de hand van enkele eerste citaten, willen we je kennis laten maken met wat er vanuit de traditie over gezegd wordt. De citaten leiden je verder naar de bronteksten.
In deze woestijn van ons hebben we wèl de rust van de eenzaamheid, en ontberen toch niet de troost van een aangename en heilige gemeenschap. Het is eenieder toegestaan in eenzaamheid te zitten en te zwijgen, waardoor hij niet te lijden heeft dat iemand hem stoort. Toch gaat het ‘wee de eenzame’ niet op, alsof je hier niemand zou hebben om je te verkwikken, of, als je zou vallen, je op te richten [Prediker 4,10]. We leven als het ware in een stad, toch lijden we geen enkel tumult, zodat de stem van de roepende in de woestijn niet gehoord zou worden door ons, als we tenminste van binnen de stilte hebben zoals die buiten ons is. En ook nu, als je met al wat in je is [omnia interiora tua] het stille van de holst van de nacht vasthoudt, zulllen machtige woorden je heimelijk toevallen vanaf de vaderlijke zetel [Wijsheid 18,14-15]. Gelukkig ben je dus wanneer je je, wegvluchtend, zó ver van het tumult van de wereld terugtrekt tot in de verborgenheid en eenzaamheid [solitudo] van de geestelijke rust [quietas mentis], dat je ’t verwerft om niet alleen Johannes de Doper te horen, die de klànk [vox] van het Woord is, maar ook Jezus, het Woord zèlf.
Guerric van Igny, Advent 4,2.
Lees de hele brontekst