Bronteksten
Inspelen op genade
Nawoord bij het boek 'Inspelen op genade. Over God-zoeken.' 1984, p. 194-196
Wanneer gelovige kunstenaars uit de vijftiende en de zestiende eeuw iets wilden zeggen over geëngageerd geloof, namen ze meestal hun toevlucht tot een merkwaardig gebeuren uit het leven van de heilige Hieronymus. De meeste musea in Vlaanderen, en ook sommige kerken, hebben hiervan getuigenissen bewaard. Met het relaas van dit gebeuren willen we dit boek besluiten, want duidelijker kan het niet.
Lang vóór hij een geleerd en befaamd schriftkenner zou worden en op de Aventijn te Rome mocht floreren als geestelijke leider van een groep dames uit de hoge Romeinse sociëteit, had Hieronymus het eerst geprobeerd als kluizenaar in één van de toen al voor haar grotten en spelonken bekende wadi's van de Woestijn van Juda. Deze poging viel echter niet mee. Met de overmoed eigen aan die leeftijd had de nog jonge Hieronymus zich vlijtig toegelegd op de vele vormen van ascese die bij de monniken in gebruik waren. De vrucht hiervan liet echter op zich wachten. De tijd zou trouwens vrij vlug uitmaken dat zijn ware roeping elders lag in de Kerk, en dat zijn verblijf tussen de monniken van Palestina hierop slechts het voorspel zou zijn.
Toch had Hieronymus nog veel te leren, want ondertussen zat hij als jonge novice hopeloos vast. Al zijn edelmoedige inspanningen ten spijt kwam er uit de hemel helemaal geen antwoord meer. Hij zwalpte stuurloos rond op de stormen van zijn gemoed, zodat de gebruikelijke en reeds lang vertrouwde bekoringen weer onvermoeid om het hoekje kwamen kijken. Hieronymus had de moed verloren. Wanneer had hij de bal mis geslagen? Waar lag de oorzaak van deze kortsluiting met God? En hoe kon hij weer aansluiting krijgen op de genade?
Zo piekerde Hieronymus verder, tot hij plots een kruisbeeld bemerkte, dat zich was komen opstellen tussen de dorre takken van een dode boom. Hieronymus wierp zich op de grond neer en klopte met een fors en weids gebaar op zijn borst. Het is in die ootmoedige maar tevens aandringende houding, dat de meeste schilders hem uitbeelden.
Het duurde niet lang of Jezus verbrak de stilte en sprak Hieroymus vanaf zijn kruis toe:
"Hieronymus," zei Hij, "wat heb je Me te geven? Wat krijg Ik van je?"
Alleen al die stem van Jezus sprak Hieronymus weer moed in, en hij dacht onmiddellijk na over wat hij zijn gekruisigde vriend wel zou kunnen aanbieden.
"De eenzaamheid, Heer," antwoordde hij, "waarmee ik zit te worstelen."
"Uitstekend, Hieronymus," antwoordde Jezus, "en dank je zeer. Je hebt inderdaad je best gedaan. Maar heb je Me nog meer te geven?"
Hieronymus twijfelde er geen ogenblik aan of hij had Jezus nog veel meer te bieden.
"Natuurlijk, Heer," hernam hij, "mijn vasten, honger en dorst: ik eet pas na zonsondergang!"
En opnieuw antwoordde Jezus:
"Uitstekend, Hieronymus, en dank je zeer. Ik weet het: je hebt écht je best gedaan. Maar heb je Me nog meer te geven ?"
Opnieuw bedacht Hieronymus wat hij nog aan Jezus zou kunnen geven. En achtereenvolgens kwam hij aandraven met zijn nachtwaken, zijn lang psalmgebed, zijn studie van de Bijbel dag en nacht, het celibaat waarop hij zich zo goed en zo kwaad als het ging probeerde toe te leggen, het gebrek aan comfort, de armoede, de meest onvoorziene gasten die hij zonder tegenpruttelen en met een niet al te nors gezicht probeerde te ontvangen, de hitte van de dag tenslotte en de kilte van de nacht.
Telkens wenste Jezus hem geluk en bedankte Hij. Hij wist het al lang: Hieronymus bedoelde het toch zo goed. Maar telkens opnieuw ook, met een monkel om de lippen, drong Hij nog verder aan en eiste meer:
"Hieronymus, heb je Me soms niet nog meer te geven?"
Ten langen laatste had Hieronymus alles opgesomd wat hij aan goede werken uit zijn geheugen had kunnen bijeenrakelen, en toen Jezus een laatste keer dezelfde vraag stelde, bleef er hem niets anders meer over dan ten einde raad en bijna ontmoedigd tegen te stribbelen:
"Heer, ik heb toch alles gegeven. Er blijft me helemaal niets meer over."
Toen hernam Jezus - en het werd doodstil in de kluis en in de ganse Woestijn van Juda - en sprak:
"Toch wel, Hieronymus, iets ben je vergeten: geef Me ook je zonden dat ik ze moge vergeven."