Bronteksten
Waarmee bidden? Het hart.
Hoofdstuk 2 uit het boek 'Heer leer ons bidden'(1993):
WAARMEE BIDDEN?
De voornaamste reden waarom bidden vandaag zo moeilijk lijkt (en ook het spreken over het gebed), is dat we eigenlijk niet goed weten waarmee we moeten bidden. Waar vinden we in ons lichaam het gebedsorgaan? Onze lippen en onze mond zeggen gebeden op, ons verstand doet aan overweging en meditatie, onze geest en ons hart verheffen zich tot God. Deze taal is ons vertrouwd. Maar wat bedoelen we met deze begrippen? Lippen, mond, verstand, hart en ziel ? Waarmee bidden we eigenlijk ?
Het gebedsorgaan: ons hart
Elke mens heeft van de schepper een orgaan meegekregen dat in eerste plaats bedoeld is om hem aan het bidden te zetten. In het scheppingsverhaal wordt verteld hoe God de mens schiep door hem zijn levensgeest in te blazen (Gen. 2,7) en - voegt St. Paulus er aan toe - de mens werd een levende ziel (1 Cor. 15,45). Adam was de voorafbeelding van Hem die komen moest: Jezus, de tweede Adam, naar wiens beeld de eerste mens geschapen is. Dit wil zeggen dat de relatie tot de H. Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, fundamenteel tot ons wezen behoort. De levensgeest van God is in ons de bron van het gebed.
In de loop van de eeuwen heeft dit orgaan, in uiteenlopende culturen en talen, zeer verschillende namen ontvangen. Maar eigenlijk bedoelen ze allemaal hetzelfde. Laten we overeenkomen om dit orgaan hier te noemen met de oudste naam die het ooit gekregen heeft, en die in de Bijbel een centrale plaats inneemt: het hart. In het Oude Testament duidt het hart het innerlijke van de mens aan. Het Nieuwe Testament zal op dit begrip verder bouwen en het vervolmaken.
De Heer is het die hart en nieren doorgrondt (Jer. 11,20), niets is voor Hem verborgen. "Heer, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan... Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten" (Ps. 139). Met het hart verlangt men: God vervult de wens van het hart (Ps. 21,3). Ook het karakter van de mens is volgens de Bijbel in dit centrum gelokaliseerd: uit het hart komen de gedachten voort, de zonden, de goede en de slechte neigingen: afgunst en nijd, vreugde, vrede en barmhartigheid. Het hart kan ook de gehele persoon uitdrukken, bijvoorbeeld in het gebod van Jozua aan de Israëlieten, bij de inbezitneming van het beloofde land: "Volbrengt zeer nauwgezet het gebod en de Wet, welke Mozes, de knecht des Heren u geboden heeft: dat gij de Heer uw God zoudt liefhebben, in al zijn wegen wandelen, zijn geboden onderhouden, Hem aanhangen, en Hem dienen met geheel uw hart en met geheel uw ziel" (Joz. 22,5).
Maar een deel van het uitverkoren volk heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven en heeft zijn hart verre van de Heer gekeerd: "Dit volk nadert Mij slechts met woorden en eert Mij met lippen terwijl zij hun hart verre van Mij houden" (Jes. 29,13). De Israëlieten zijn verstokt van hart geworden (Ez. 2,3). Keer op keer wekt God profeten op die niet zullen aflaten deze afval te prediken: "Ook nu nog luidt het Woord des Heten: bekeert u tot Mij met uw ganse hart, met vasten en geween en met rouwbeklag. Scheurt uw hart en niet uw klederen " (Joël 2, 12), want de Heer kan deze ontrouw niet aanzien. Hij die Israël met een eeuwige liefde bemint, is een jaloerse God. En de profeet laat ons zien hoe ook het hart van God zich omkeert en zijn barmhartigheid (erbarming-van-het-hart) opgewekt wordt (cf. Hos. 11,8). Nooit zal Zijn liefde zich van Zijn volk afkeren: "Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik mij over u, zegt uw Verlosser, de Heer" (Jes. 54, 7-8).
Juist als het joodse volk in de diepste ellende zit, de babylonische gevangenschap, verkondigt de profeet Ezechiël een nieuw verbond: "Ik zal rein water over u sprengen, en ge zult rein worden; van al uw ongerechtigheden en vanaf uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven" (Ez. 36, 25-27).
Alleen een hart van vlees kan echt kloppen, kan leven geven aan het hele lichaam. Pas in zo'n hart kan de Geest zijn intrek nemen en het hart, eens gesloten voor de overvloed der genade, opent zich opnieuw voor Zijn liefdesplan: zijn Wil, het Woord, de Geest.
Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, heeft ons dit Nieuwe Verbond gebracht. God zelf is tussenbeide gekomen om het hart van de mens te openen en het opnieuw ontvankelijk te maken voor Zijn Woord (Hand. 16,14). Ten hemel opgestegen heeft Hij ons een andere Parakleet gezonden (Jn. 14,16), die troost, sterkt en aanspoort, de Zalving die ons in alles onderricht (1 Joh. 2,27), de Heilige Geest die ons in herinnering brengt alles wat Jezus ons gezegd heeft (Joh. 14,26). "Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden" (Rom. 10,9). Hart en lippen, inwendige overgave en uitwendige belijdenis, gaan hier reeds samen op hetzelfde ritme. Hier wordt straks ook het gebed geboren.
De zaligsprekingen vatten in enkele zinnen de geestelijke Wet van het Nieuwe Verbond samen: "Zalig de armen van geest... zalig zij die wenen... zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien" (Mt. 5,3-12). Als niets ons hart meer verduistert, zal het geheel kunnen ontluiken voor het Licht, want God is Liefde en God is Licht.
Het is misschien duidelijk geworden dat het hart, in de aloude betekenis van het woord, niet ons discursief verstand is waarmee we redeneren; ook niet ons gevoelsleven, waarmee we ons afstemmen op de ander; ook niet de oppervlakkige gevoeligheid die we de sentimentaliteit noemen. Het hart is iets wat nog veel dieper in ons ligt, de diepste kern van ons zijn, de wortel van ons bestaan, of, omgekeerd, ons toppunt, wat de Franse mystici noemen 'la fine pointe de I' âme' of 'la cime de l' esprit'.
In ons alledaagse leven blijft ons hart gewoonlijk verborgen. Het komt nauwelijks aan de oppervlakte van het bewustzijn. We vertoeven het meest en het liefst in onze uiterlijke zintuigen, in onze indrukken en gevoelens, in alles wat ons aantrekt of tegenstaat. En als we op een dieper niveau van onze persoon willen gaan leven dan komen we gewoonlijk in de abstractie terecht: we overwegen, we stellen samen, we vergelijken, we trekken logische conclusies. Maar ondertussen sluimert ons hart en klopt het nog niet op het ritme van de Geest.
Jezus heeft het ons vaak verweten: ons hart is blind, verstokt en gesloten (Mc. 8,17). Het is traag en lui (Lc. 24,25), vol duisternis. Het wordt bezwaard in plezier en zorgen (Mt. 13,15). Ons hart moet besneden worden. "Besnijdt dan de voorhuid van uw harten, om de Heer uw God lief te hebben en Hem te dienen met uw ganse hart en uw ganse ziel" (Deut. 10, 12-22). Liefde tot God en tot de naaste zullen dan de vruchten zijn, want uit een goed hart komen goede vruchten voort (Mt. 7,17). Het is een grote opgave voor elke mens om de weg terug te vinden naar zijn hart. Hij is op speurtocht naar die ongekende, innerlijke ruimte. Hij is een pelgrim op zoek naar zijn hart, naar zijn diepste wezen. Iedereen draagt in zich, volgens de wondermooie uitdrukking van de H. Petrus in zijn eerste brief, "de verborgen mens van het hart" (3,4). Hij is onze diepste werkelijkheid: hem zijn we zonder meer. Daar ontmoet God ons, en van daaruit alleen kunnen wij op onze beurt mensen ontmoeten. Daar spreekt God ons aan, en van daaruit kunnen wij ook de mensen aanspreken. Daar ontvangen we van Hem een nieuwe en nog ongekende naam, die Hij alleen kent, en die onze naam zal zijn voor eeuwig in zijn Liefde; en van daaruit alleen kunnen wij straks de naam van een ander noemen, in dezelfde Liefde.
Maar zover zijn we nu nog niet. Wij zijn slechts op weg naar ons hart. Maar de wondere wereld die ons daar wacht maakt het de grootste moeite waard.
In staat van gebed
Want ons hart bevindt zich daar reeds in staat van gebed. Het gebed hebben we, samen met de genade, in ons doopsel ontvangen. Staat van genade, zoals we dit noemen, betekent immers op het niveau van ons hart staat van gebed. Daar, in de diepste diepten van onszelf hebben we sindsdien voortdurend contact met God. De Heilige Geest van God heeft er beslag op ons gelegd, heeft ons helemaal in bezit genomen; hij is de adem geworden van onze adem, en de Geest van onze geest. Hij neemt ons hart op sleeptouw naar die gekeerdheid tot God. Hij is de Geest die, volgens Paulus, zonder ophouden tot onze eigen geest spreekt, en getuigenis aflegt van het feit dat wij kinderen zijn van God. Voortdurend immers roept de Geest in ons en bidt hij, Abba-Vader, in gesmeek en gezucht dat niet onder woorden te brengen is, maar geen ogenblik aflaat in ons hart (Rom. 8,15; Gal. 4,6).
Deze staat van gebed in ons dragen we altijd met ons mee, als een verborgen schat, waarvan we ons echter niet bewust zijn, of slechts ternauwernood. Ons hart draait ergens op volle toeren, maar wij voelen het niet. Wij zijn doof voor ons biddende hart, wij smaken de liefde niet, wij zien het licht niet waarin wij leven.
Want ons hart, ons echte hart, slaapt, en het moet wakker gemaakt worden, langzaamaan - een heel mensenleven lang. Bidden is daarom eigenlijk niet moeilijk. Het is ons allang gegeven. Maar zeer zelden is men zich van zijn eigen gebed bewust. Elke gebedstechniek is daarop afgestemd. Wij moeten bewust worden van wat we reeds ontvangen hebben, leren aanvoelen, onderscheiden, in de volle en rustige zekerheid van de Geest, dit gebed dat ergens diep in ons wortelt en werkt. Het moet aan de oppervlakte komen van ons bewustzijn. Het zal geleidelijk al onze vermogens doordrenken en inpalmen, geest, ziel en lichaam. Onze psyche en ook ons lichaam moeten gaan meetrillen op het ritme van dit gebed, zullen van binnenuit tot gebed aangeroerd worden, in gebed gezet worden, zoals een droge houtblok aan het branden gezet wordt. Een oudvader drukte dit kernachtig uit: "De ascese van de monnik: hout in lichterlaaie zetten" .
Het gebed is dan niets anders dan die onbewuste staat van gebed, die na verloop van tijd helemaal bewust geworden is. Gebed is de ‘abundantia cordis’, volgens het evangelische en Vlaamse spreekwoord: "waar het hart van vol is loopt de mond van over" (Mt. 12,34; Lc. 6,45). Gebed is een hart dat overloopt van vreugde, van eucharistie, van lof en dank. Het is de overvloed van een hart dat goed wakker is.
Wakker worden
Voorwaarde daartoe is dan ook dat ons hart ontwaakt. Want zolang ons hart nog slaapt gaan we vergeefs op zoek naar het orgaan van het gebed in ons. We kunnen het langs verschillende kanten proberen, maar het resultaat is veelal ontmoedigend. Sommigen doen daarbij vooral een beroep op hun verbeelding, maar het gevaar is groot dat zij dan alleen maar verstrooidheid vinden. Anderen proberen het met hun religieus gevoel, maar vergaan algauw in sentimentaliteit. Weer anderen schakelen meer hun verstand in en proberen tot duidelijker inzichten te komen, maar hun gebed blijft dor en koud en komt uiteindelijk buiten hun concrete leven terecht. Verbeelding, gevoel en verstand zijn niet uit den boze. Maar ze kunnen slechts vrucht dragen wanneer, veel dieper in ons, ons hart wakker geworden is, en zij, aangevreten door de vlam van dit geestelijke vuur, zelf in gloed geraken.
Elke methode voor gebed heeft slechts één objectief: het hart vinden en het wakker maken. Zij moet een vorm zijn van innerlijke waakzaamheid. Jezus zelf heeft reeds waken en bidden naast elkaar gezet. De formule 'waakt en bidt' klimt zeker tot Hem persoonlijk op (Mt. 26,41; Mc. 13,33). Slechts diepe en rustige aandacht kan ons brengen op het spoor van ons hart, en van het gebed daarin.
Al wakende moeten wij dus eerst de weg naar ons hart terug vinden om het vrij te maken en het te ontdoen van alles waarmee we het ingekapseld hebben. Hiertoe moeten we ons bekeren, tot inkeer komen, teruggaan tot het ware centrum van onze persoon, ‘redire ad cor’ (cf. Jes. 46,8), terugkeren naar het hart, zoals men het in de middeleeuwen zo graag zei. In het hart komen geest en lichaam samen, het is het middelpunt van ons wezen. Tot dit middelpunt teruggekeerd leven we op een dieper niveau, daar waar we in rust zijn, in harmonie met alles en allen, in de eerste plaats met onszelf.
Deze terugkeer is inkeer. Zij schept ingetogenheid en ingekeerdheid . Zij steekt door tot ons diepste ik, tot het beeld van God in ons. Tot die ontologische kern, waar we voortdurend aan Gods scheppende hand ontspringen, en naar Zijn schoot terugvloeien. Bidden leert ons leven van binnen, inwendig leven. Iedere man van gebed heeft, zoals van de H. Bruno gezegd werd, een ‘cor profundum’, een grondeloos diep hart .
De parabel van de verloren zoon wordt door enkele kerkvaders in deze zin uitgelegd (Lc. 15,11-32). De jongste zoon eist zijn erfdeel op en vertrekt naar het buitenland, waar hij zijn geld verkwist in een losbandig leven. "Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een felle hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden... Toen kwam hij tot inkeer (lett.: hij keerde in zich) en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed". Paus Gregorius de Grote past die tekst toe op de H. Benedictus, de vader der westerse monniken, waarvan hij het kluizenaarsleven beschrijft: "Als de verloren zoon met zichzelf geweest was, vanwaar zou hij dan tot zich teruggekeerd zijn? Daarentegen heb ik van deze eerbiedwaardige man (Benedictus) kunnen zeggen, dat hij met zichzelf woonde (habitare secum), want voortdurend op zichzelf wakende, bleef hij steeds in de tegenwoordigheid van zijn Schepper. Hij ondervroeg zich zonder ophouden en liet de blik van zijn hart niet naar buiten afleiden ". Deze tekst laat zien waar de H. Benedictus de rust vond. Hij vlucht niet naar buiten in een activiteit die hem van zijn echte werk afhoudt, maar voortdurend keert hij zich tot zijn hart. Daar ligt zijn ware arbeid; de strijd tegen alles wat hem van zijn enig Goed wil afhouden.
Een kartuizermonnik uit de twaalfde eeuw heeft dan ook kunnen zeggen: Niets doet de monnik meer zwoegen, dan niet te werken, (Nihil laboriosius est quam non laborare ) en zo vrij te blijven voor het gebed, te verstillen in Jezus en in zijn Woord. Met andere woorden van dezelfde kartuizer: zo wordt hij ‘quietus Christo’, stil en rustig voor Christus (Ep. 1). Dit was ook de enige zorg van Benedictus: zijn hart vrij te houden onder de blik van Hem die steunt en liefde schenkt.
Op deze ascese - en speciaal de wake - als gebedstechniek komen we verder in dit boek terug. Hier volstaan we met te onderlijnen dat het gebed reeds in ons hart gegeven is, zij het op een verborgen manier. Onwillekeurig komt hier het beeld van de schat in de akker. Dit beeld is inderdaad op het gebed toegepast geweest. Een cisterciënzer monnik uit de twaalfde eeuw, Guerricus van Igny, vergelijkt het hart met een akker. De akker van het hart moet omgespit worden: "O, wat een schat van goede werken, wat een rijkdom aan geestelijke vruchten zijn er verborgen in de akker van het mensenlichaam en hoeveel te meer nog in zijn hart, als hij het maar omspit en doorgraaft. Ik wil hiermee niet zoals Plato beweren, dat, alvorens in dit lichaam te wonen, de ziel reeds kennis had, die na in het vergeetboek geraakt te zijn en verborgen onder het gewicht der zinnen, daarna blootgelegd wordt door geestelijke lezing (discipline) en ascese (labor). Maar ik bedoel dat de rede en het verstand die eigen zijn aan de mens, als ze geholpen worden door de genade, de bron kunnen worden van alle goede werken. Als ge u dus in uw hart keert, als ge uw lichaam onder handen neemt, wanhoop niet er schatten in te vinden die de moeite waard zijn" (Sermoen 1 voor Driekoningen).
Een schat is dus in de akker van ons hart verborgen, en als de koopman van het evangelie zullen we alles moeten verkopen om die akker in bezit te kunnen nemen en de schat te kunnen opgraven.
Soms geeft God ons een glimp op te vangen van die schat. Veel arbeid zal gevraagd worden om de akker te bewerken. Het gaat nu niet om het ontginnen van de aarde, door de Schepper aan de eerste mens toevertrouwd, een opdracht die nog steeds van kracht is. Maar het zweet des aanschijns wordt ook gevraagd om ons eigen innerlijk te ontginnen en dit braak liggende terrein in cultuur te brengen. Ons zwoegen zal echter beloond worden en meer dan dat: deze geestelijke arbeid zelf is reeds een vreugde en geeft ons de ware vrede.
Iemand wiens hart zo vrij geworden is, zal zijn hart kunnen beluisteren: het hart bidt reeds zonder dat wij het wisten. Wij kunnen als het ware ons hart op heterdaad van gebed betrappen. De geest van Jezus stamelt er ons het gebed al voor. Om ons aan dit gebed te kunnen overgeven, moeten we onszelf opgeven en geen muur willen optrekken tussen ons hart en ons ik. Wij zijn niet ons persoontje, de image, die we met zoveel moeite hebben opgebouwd. Pas als we dit masker tegenover God hebben afgelegd, zullen we onze ware ik gaan ontdekken. Verwonderd zullen we opkijken, want hebben we ooit kunnen vermoeden hoe we in werkelijkheid waren en wat God voor ons had verkozen? Hoe mooi ons ware beeld is, dat God altijd al in zich draagt, en dat Hij zozeer verlangt ons te tonen! Uit liefde respecteerde Hij onze wil, en wachtte af. Dit beeld kan niets anders zijn dan de gelijkenis aan zijn Zoon, die ons het ware zoonschap voorgeleefd heeft, en die gehoorzaam geweest is aan de wil van de Vader, tot aan de dood aan het kruis. Van Zijn gebed, van Zijn strijden, leven en sterven, leren wij bidden.
Geleidelijk aan moeten we verder gaan op de weg naar het gebed. Steeds weer dezelfde techniek. Ons hart van zijn kapsels ontdoen; naar ons hart luisteren, daar waar het reeds bidt; onszelf overgeven aan dit gebed, totdat het gebed van de Geest ons eigen gebed wordt.
Zoals een monnik uit de byzantijnse middeleeuwen het leerde: "Wie zorgvuldig op zijn hart let en er geen andere beelden en fantasieën in toelaat, zal snel bemerken hoe zijn hart van nature licht voortbrengt. Zoals een kooi in brand schiet, zoals vuur de kaars aansteekt, zo steekt God ons hart in vlam voor de beschouwing, Hij die sinds ons doopsel ons hart bewoont ".
Een monnik uit deze tijd gebruikte een ander beeld om hetzelfde te zeggen. Hij is een man van buitengewoon gebed, iemand die het gebed gewoonweg overrompeld heeft en hem voortdurend bezighoudt. Men vroeg hem hoe hij daartoe gekomen was. Zijn antwoord was dat hij het moeilijk kon verklaren. "Vandaag" zei hij, "heb ik de indruk dat ik het gebed al lange jaren in mijn hart droeg, maar toen wist ik het niet. Het was net als een bron, maar waarop toen een steen lag. Op een gegeven ogenblik heeft Jezus die steen weggenomen. Toen is de bron aan het vloeien gegaan en vloeit nog steeds."