Bronteksten
Pachomius - Hoe hij christen wordt en als monnik begint
Fragment uit het leven van Pachomius (292-346)
De grote Constantijn werd keizer; hij is de eerste christen in de serie der Romeinse keizers. Al in het begin van zijn regering viel een tiran der Perzen hem aan, om hem de macht te ontnemen. Aanstonds gaf hij in zijn hele rijk order, grote en sterke mannen op te roepen, om ten strijde te trekken tegen Gods vijand. Met dat keizerlijk decreet trokken de groten van het hof uit over alle streken, steden en dorpen, en verzamelden ze bruikbare mannen. Ook de jonge Pachomius, toen twintig jaar oud, werd opgeroepen; in feite was hij niet zo heel sterk; maar, gezien het buitengewoon groot aantal dat gevorderd moest worden, werd ook hij opgeroepen. ... Per schip voeren zij noordwaarts, en aangekomen in Sné (= Né), de hoofdstad van het oude koninkrijk, werden allen binnen de stad gebracht en er in de gevangenis opgesloten. Dezelfde avond nog kwamen burgers uit die stad hun brood en andere levensmiddelen aanbieden; zij drongen bij de opgeroepenen erop aan, te eten, daar ze bemerkten, dat allen droef te moede waren. Toen hij hen zag, vroeg de jonge Pachomius aan zijn gezellen: "Waarom zijn die mensen zo vriendelijk tegenover ons? Zij kennen ons niet eens." Zij antwoordden: "Dat zijn christenen en zij behandelen ons zo vriendelijk omwille van de God van de hemel." Hij zonderde zich een beetje af en bleef de hele nacht tot God bidden: "Mijn Heer Jezus Christus, God van alle heiligen, moge uw goedheid mij snel bereiken; bevrijd mij uit deze moeilijkheden; ik van mijn kant beloof U, het mensdom dienstig te zijn alle dagen van mijn leven." ... Nog tijdens hun oponthoud te Antinoé slaagde de vrome keizer Constantijn met Gods hulp erin zijn aanvallers te verslaan. Terstond kondigde hij in heel de wereld een decreet af, om alle opgeroepenen uit de dienst te ontslaan. Eenmaal vrij, ging iedereen vol vreugde weer naar huis. Ook de jonge Pachomius trok naar het zuiden, totdat hij Sjeneset bereikte, een verlaten dorp, verschroeid door de grote hitte. Hij nam de plaats zorgvuldig op; er woonden niet veel mensen, slechts enkelen. Hij ging naar de rivier en trad er een kleine tempel binnen, door de ouden Pmampisarapis genaamd. Rechtop staande bad hij; en Gods Geest kwam over hem en sprak tot hem: "Strijd en houd hier uw verblijf." Dat beviel hem; hij vestigde zich op die plaats en verzorgde er enige groenten en palmbomen, om voedsel te hebben voor zichzelf en voor een of andere arme uit het dorp, en ook voor het geval dat een reiziger op de weg of per boot langs kwam. Hij had inderdaad de gewoonte met een groot aantal om te gaan, zodat velen zelfs hun woonplaats verlieten om in dat dorp te komen wonen, vanwege de manier waarop hij hun moed insprak.
Enige tijd later leidde men hem naar de kerk en werd hij er gedoopt, opdat hij waardig zou zijn de heilige Mysteriën te ontvangen, het Lichaam namelijk en het Bloed van Christus. In de nacht van zijn Doopsel kreeg hij een visioen: hemelse dauw daalde neer op zijn hoofd en verdichtte zich tot een honingraat in zijn rechterhand; op het moment dat hij ernaar keek, viel de dauw op de grond en verspreidde zich over de oppervlakte van heel de aarde. Terwijl hij daarover nog geheel buiten zichzelf was, kwam er tot hem een stem uit de hemel: "Begrijp het wel, Pachomius, zoiets zal zich binnenkort voor u verwezenlijken." Hij maakte veel vorderingen in dat dorp door zijn liefdadigheid jegens allen, en hij wist moed in te spreken aan alwie maar tot hem kwam, zodat zijn roem velen bereikte, en ze terwille van hem in het dorp kwamen wonen.
(