Bronteksten
Brief 142 aan abdij 'In de Alpen'
Aan de monniken van de abdij ‘In de Alpen’
De H. Bernardus prijst de monniken in de Alpen, die zich door het klooster Klarendal hadden aangesloten bij de Orde van Citeaux, en hij troost hen over het verlies van hun vader, die voor de vervulling van een hogere functie was weggeroepen. Hij spoort hen aan tot het kiezen van een nieuwe abt.
Bernardus van Clairvaux Brief 142
1. Uw goede Vader Abt, die ook de mijne is, is door Gods beschikking tot een verhevener taak uitgezonden. Laten we dus doen, mijne geliefden, zoals de profeet zegt: “De zon heeft zich opgetrokken; nu staat de maan op haar plaats”. (Hab. 3,11) De zon, dat is de man door wien de communiteit van de Alpen overal luisterrijk bekend staat, zoals de maan door de zon. Nu hij dan verheven is tot een hogere positie, sta ik in zijn plaats, ik, die liever een verschoppeling wilde zijn in het huis van onzen Heer dan te wonen in de tenten der zondaars. (Psalm 84,11)
Onze Orde immers wil zeggen: verworpenheid, nederigheid, vrijwillige armoede, gehoorzaamheid, vrede, vreugde in den Heiligen Geest. Onze Orde betekent: leven onder een Overste, onder een Abt, onder een Regel, onder tucht. Onze Orde sluit in: zich toeleggen op het stilzwijgen, zoals ook zich oefenen in het vasten, het nachtwaken, het gebed, de handenarbeid; en boven dat alles: de koninklijke weg bewandelen, dat is de beoefening van de liefde. En dan verder in al deze observanties van dag tot dag voortgang maken en daarin volharden tot aan onze laatste snik.
Welnu, ik ben ervan overtuigd, dat gij dit onophoudelijk in praktijk brengt.
2. Slechts één werk hebt gij verricht en allen staan verbaasd, namelijk, dat gij, hoewel gij heilig zijt, uw heiligheid niet hebt geteld maar die van een ander hebt willen delen om nog heiliger te worden. Nu is het woord in vervulling gegaan: “Wanneer gij alles hebt gedaan wat u bevolen is, moet gij zeggen: we zijn onnutte knechten”. (Lucas 17,10) Gij houdt u voor onnuttig en gij zijt ootmoedig bevonden. Deugdzaam leven en zich toch voor onnuttig houden, treft men bij weinigen aan, en daarom wordt het door velen bewonderd. Dit is het juist, wat u van aanzienlijk tot nog aanzienlijker maakt, van heilig tot nog heiliger. En overal waar deze roep zich heeft verbreid, heeft hij alles met zoete geur vervuld. Deze nederige dunk over zichzelf moet mijns inziens hoger worden aan geslagen dan langdurig vasten en uitgerekt nachtwaken en ook dan alle lichamelijke oefeningen, want de nederigheid is de ware godsvrucht die tot alles in staat is.
Hoe blij heeft de communiteit van Citeaux u in haar schoot opgenomen! Met wat stralend gelaat heeft de verheven schare der engelen dit schouwspel gezien! Die hemelgeesten toch weten wel dat aan God boven alles behaagt de broederlijke eensgezindheid en gemeenschappelijkheid, daar Hij zegt bij monde van de profeet: “De lijm is goed”(Jes. 41,7), en bij een andere: “Zie hoe goed en lieflijk het is, als broeders eendrachtig samen zijn” (Psalm 133,1), en nog eens: “Twee broeders die elkaar helpen zijn een troost voor elkaar”. (Spr. 18,19)
3. Het valt ook iedereen op, dat deze stap van u een blijk is van nederigheid. En hoe aangenaam deze is aan de goddelijke Majesteit leert ons Degene die zegt: “God weerstaat aan de hovaardigen; aan de nederigen geeft hij zijn genade”. (Jak. 4,6) Ook de Leraar zelf der nederigheid geeft ons dit te kennen: “Leert van Mij, omdat ik zachtmoedig ben en nederig van harte”. (Mat. 11,29) Wat zal ik zeggen van onze kleine kudde te Klarendal, waaraan gij u door heel bijzondere banden hebt willen verbinden? Met hoe grote en innige genegenheid omhelst die u niet? Het is met geen woorden uit te drukken, wat een uitwerking aan onderlinge liefde de instorting van den Heiligen Geest op wonderbare wijze tussen ons tot stand brengt.
Er blijft u enkel over, Broeders, om na aanroeping van dien Heiligen Geest, hoe eerder hoe beter, een nieuwe Vader Abt te kiezen. Want als u op mij moet wachten, ben ik bang, dat mijn komst nogal wat vertraging zal vinden, en dat uitstel zou voor u noodlottig wezen. Roept dan liever mijn geliefden Broeder Godfried er bij, de Prior van Klarendal, die mij in deze aangelegenheid zal vervangen, zoals hij dat in andere ook doet. Op zijn advies of op dat van de religieuzen die hij namens zichzelf zal sturen, ingeval hij zelf ook niet kan komen, alsmede op de raad van uw Vader Guarinus, moogt gij dan een zodanig persoon kiezen, waarmee Gods eer en uw zaligheid het meest gebaat is. Wilt aan mij denken, Broeders!