Bronteksten

Aankondiging preek 3, 3-6

(Guerric van Igny)

3. Het eerste teken echter, dat de Vader en de Zoon tot ontsteltenis van de ongelovigen bewerkt hebben, om te getuigen van hun macht en om ons heil te bewerken is, volgens mij, het feit dat de maagd vandaag heeft ontvangen. Want nadat hij in verband hiermee eerst gezegd had: 'De Heer zal een teken geven', vervolgt de tekst van de profeet, alsof hij wilde antwoorden op de vraag: 'welk teken' met de woorden van de evangelist: 'Zie, de maagd zal ontvangen en een Zoon baren'. Zo wordt duidelijk dat ofwel de tekstsamenhang mist of niet strookt met de waarheid, ofwel, wat waarschijnlijker is, dat de leugen van de joden niet verontschuldigd kan worden. Omdat een slecht en overspelig geslacht een teken verlangt, wordt hen dan ook heel terecht geen teken meer gegeven, 'tenzij het teken van Jona' (Mt. 12,39; 16,4); zo is het duidelijk dat zij, die vanwege hun verkeerde instelling niet gesticht worden door het teken van macht, aanstoot nemen aan het teken van zwakheid, namelijk aan de drie dagen begrafenis en dood. Want spreken over het kruis en de dood, is voor de joden die verloren gaan, een ergernis, 'maar voor hen die gered worden, voor ons, is zij Gods kracht' (1 Kor. 1,18).

Voor ons is het verblijf van de Mensenzoon in de schoot van de aarde (vgl. Mt. 12,40) niet geringer en zwakker, dan wanneer Hij zetelt aan de rechterhand van de Vader. Want het teken dat zij afwezen, 'hetzij uit de diepte van de onderwereld of uit de hoogte daarboven' (Jes. 7,11) aanvaarden wij in vol vertrouwen en in toegenegen eerbied. Wij erkennen dat de Zoon, die door de maagd is ontvangen, voor ons in de diepte van de onderwereld een teken van bevrijding en genade is, in de hoogte daarboven een teken en een onderpand van jubel en heerlijkheid. Want 'Hij is eerst in de diepte afgedaald' (Ef. 4,9), om 'het bloed van' zijn 'verbond laat Ik uw gevangenen vrij uit de put zonder water' (Zach. 9,11), 'Hij is dezelfde die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen, om het heelal te vervullen' (Ef. 4,10). De Heer heeft al een teken opgericht, allereerst op het kruishout, daarna op de troon van Zijn heerschappij. Hij heeft het teken onder de heidense volkeren verhoogt (vgl. Jes. 11,12), omdat Hij van het joodse volk tegenspraak ondervonden heeft. En dagelijks verzamelt Hij vanuit 'de vier windstreken' (Mt. 24,31) de leerlingen van het ware Isra'l rond dit teken.

'O, wortel van Jesse, gij staat als een banier voor de volkeren opgericht, voor wie de koningen reeds hun mond sluiten' (Jes. 52,15). Moge ook de mond van hen gesloten worden 'die kwaad spreken' (ps. 66,12), namelijk de mond van de lasterende joden die altijd nog het teken van de onbevlekte ontvangenis tegenspreken en de engel Gabri'l niet geloven, 'dat bij God niets onmogelijk is' (Lc. 1,37).

'Gezegend zij, die geloofd heeft' (Lc. 1,45), voor wie deze verklaring voldoende was. Nadat zij gevraagd had, hoe zij een Zoon zou ontvangen, 'daar zij geen man bekende' (Lc. 1,34) ontving zij daarna de zekerheid, zowel over haar maagdelijkheid als ook over haar Zoon.

4. Wat de goddeloosheid van de ongelovigen ook voor onzin uitkraamt, moge de maagd voor ons haar Zoon ontvangen en ter wereld brengen. Immers, wij erkennen zowel de Moeder als de Zoon als een teken ten zegen. Voor ons is de moeder ontegenzeggelijk helemaal een wonder, vermits zij op een unieke manier en zonder antecedent (voorafgaand voorbeeld), moeder en maagd is. Voor ons is ook de Zoon een volledig wonder. Hij is niet alleen op een unieke maar ook op een niet te begrijpen wijze God en mens. De moeder die ontvangt en baart als maagd is voor ons een teken, dat deze mens die ontvangen en geboren wordt, God is. De Zoon die goddelijke daden volbrengt en het menselijk lijden ondergaat is voor ons een teken dat Hij de mens, voor wie Hij ontvangen en geboren werd, ook tot God zal leiden. Van alle menselijke zwakheden of beledigingen die God zich verwaardigde voor ons te dragen, was de eerste in de tijd, en men zou kunnen zeggen, ook de grootste in nederigheid, denk ik, dat de onbegrensde Majesteit het verdroeg om in de schoot ontvangen te worden en ingesloten te worden in de schoot, negen maanden lang. Waar anders heeft Hij zichzelf zo ontledigd of waar heeft men gezien dat zij (de majesteit) zich zo volkomen ontdaan heeft van zichzelf? Gedurende gans die tijd heeft de Wijsheid geen woord gesproken en heeft de Macht niets in het openbaar verricht. Door geen enkel zichtbaar teken manifesteert zich de Majesteit die zich opsluit en verbergt. Zelfs op het kruis heeft Hij zich niet zo zwak getoond, vermits wat zwak was in Hem zich onmiddellijk sterker toonde dan de mensen: stervend beloofde Hij de (goede) moordenaar de heerlijkheid (vgl. Lc. 23,40-43). En toen Hij de Geest gaf, schonk Hij de honderdman het geloof (vgl. Lc. 23,4) De droefheid van zijn lijdensuur deed de natuurelementen meelijden (vgl. Mt. 27,45.51), maar ook de vijandige machten heeft Hij gedwongen het lijden van de eeuwige smarten te verduren. Maar in de schoot is Hij, alsof Hij er niet was (vgl. Jes. 40,17); zo ziet de Almachtige af van zijn macht, alsof die tot niets in staat is, en het eeuwige woord hult zichzelf in zwijgen.

5. Tot u nochtans, broeders, spreekt de stilte van het Woord; ja, het beveelt u de leerschool van het zwijgen aan. 'Want in stilte en hoop ligt uw kracht', zoals Jesaja belooft (Jes. 30,15) die de stilte als de oefenschool der gerechtigheid omschreef (vgl. Jes. 32,17). Zoals dit Kind nadat het in de schoot ontvangen was, naar het moment van de geboorte toegroeit in lange, diepe stilte, zo voedt de oefening van de stilte de geest van de mens, vormt en maakt hem krachtig en verleent hem groeikracht, die des te betrouwbaarder en heilzamer is in de mate dat het meer verborgen gebeurt. Een ongeestelijk mens (animalis) die niet begrijpt wat van Gods Geest komt (vgl. 1 Kor. 2,14) kent de weg van de Geest niet en weet niet hoe de ledematen van het kind gevormd worden in de schoot van een zwangere vrouw (vgl. Sir. 11,5). Maar, zo spreekt een heilige tot God, 'mijn gebeente was U niet verborgen, toen Gij mijn geest in het verborgene, in de diepte der stilte gevormd hebt' (ps. 139,15).

Maar ook voor u, mijn broeders, is dit geheim niet verborgen. Uw ervaringen en bekentenissen zijn mijn getuigen, hoe een rustige bescheiden geest gesterkt en vruchtbaar wordt en openbloeit in de stilte, maar hoe hij onder invloed van het praten als het ware verlamd, zijn kracht verliest, vergaat, hoe hij wegkwijnt, verslapt en verdort. Vervolgens als de stilte niet onze kracht zou zijn, dan zou Salomo geenszins gezegd hebben: 'Zoals een open stad zonder ringmuren, zo is een man die zijn geest niet kan beheersen, als hij spreekt' (Spr. 25,28). Voor het overige, als u mij vraagt waarmee gij u in de stilte moet bezighouden, dan leg ik niets lastigs op. 'Eet uw brood, zoals de Heer Zelf door zijn voorbeeld het u toonde bij Zijn ontvangenis. Inderdaad, wat zei de profeet over Hem toen Hij sprak over de oosterpoort, die altijd gesloten was in het huis van de Heer en die toch de God van Isra'l liet in- en uitgaan? Hij zei: 'De vorst zelf zal er plaatsnemen om zijn brood te eten 'voor het aangezicht van de Heer' (Ez. 44,1-3). 'Hij zal er plaatsnemen', zegt hij, omdat Hij er rusten zal.

En van de poort verklaart Hij zelf: 'Dat is de plaats van mijn rust' (ps. 132,14). 'Hij zal er plaatsnemen' als op een grote troon, die zoals ik eerder gezegd heb, koning Salomo zich uit ivoor liet vervaardigen (vgl. 1 Kon. 10,18).

Als u zich de beperktheid van de moederschoot indenkt, dan is de ruimte zeker klein. Als u echter de wijdte van het hart beschouwt, dan is het een imposante troon. Om die reden is de schoot ook bij machte zo'n grote majesteit te bevatten. De vorst heeft er dus plaats genomen en er zijn brood gegeten. Hij zegt immers: 'Als iemand mij opendoet, zal Ik bij hem binnenkomen, en wij zullen maaltijd houden, Ik met hem en hij met Mij' (Apoc. 3,20).

6. Deze maaltijd is niet zonder brood, dat Hij die de maaltijd houdt, Zelf het Brood des Levens is, het Brood dat 'heden uit de hemel neerdaalt en het leven geeft aan de wereld' (Jo. 6,33). En d·t is het wonder: Hij die eet en wat als spijs wordt voorgezet, is een en dezelfde. En Hij die eet is Zelf het Brood, dat door Hem gegeten wordt. Waarlijk, het is wonderbaarlijk, maar het is de werkelijkheid, want Christus voedt zich met geen ander brood dan met Zichzelf. Want zelf is Hij helemaal brood: Hij is het Woord omwille van Zichzelf en vlees omwille van Zijn vereniging met het Woord.

Voor het overige is het vlees van geen nut (vgl. Jo. 6,63), omdat 'de Geest het is die levend maakt' (Jo. 6,63). En omdat de mens 'niet van brood alleen leeft, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt' (Dt. 8,3). Ieder woord dat uit de mond van God voortkomt, is het enige en eniggeboren Woord van de Vader, dat in zijn eenvoud toch het fundament en de vorm van ieder goddelijk woord in zich sluit. Het Woord voedt zich dus met het Woord; de Zoon heeft het leven in Zichzelf. Want 'zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo gaf Hij ook de Zoon leven in Zichzelf te hebben' (Jo. 5,26).

Nochtans op een andere wijze, maar toch in een onuitsprekelijk geluk en een onvergelijkelijke zaligheid zat die vorst in de poort van de schoot van de maagd en at het brood van het Woord voor het aanschijn van de Heer (vgl. Ez. 44,1-3). Zie, met deze taak zult ook u, als u wijs bent, zich met ijver bezighouden. Gestadig zal dit in de stilte uw grote bekommernis zijn: het brood van het goddelijk Woord eten voor Gods aanschijn en evenals Maria alles wat over Christus gezegd wordt, bewaren en in uw hart overwegen (vgl. Lc. 2,19).

Christus zal zich verheugen met u dit Brood te eten, en Hij die u voedt, zal Zichzelf voeden in u. Hoe meer dit Brood dat Hijzelf is, gegeten wordt, des te meer zal het in overvloed als spijs voorradig zijn, omdat de genade niet vermindert door het gebruik, maar toeneemt.

7. Bovendien moge Jezus die in de schoot werd ontvangen en gedragen, ook hierin voor u een voorbeeld zijn: zoals die lichte en zoete last (vgl. Mt. 11,30) de schoot van Maria niet bezwaarde (gravavit), hoewel zij zwanger was (gravidavit), moge zo ook de (moeder)schoot van de Kerk voor u geen last en geen hinder zijn. De Kerk is niet zoals Maria van Jezus alleen zwanger, mijn broeders, maar zoals Rebecca met Jakob en Ezau (vgl. Gen. 25,24-26), namelijk niet alleen van 'goeden en geduldigen maar ook met moeilijken' (1 Petr. 2,18) en wanordelijke mensen. Ook deze mensen neemt de Kerk in haar binnenste op en slaat de armen om hen heen omwille van de Naam van Jezus of misschien omwille van een pril begin van Zijn aanwezigheid in hen (aliquid initium substantiae eius). Toen echter de tweelingbroers reeds in botsing kwamen met elkaar in de schoot van Rebecca die nochtans aanvankelijk gebeden had om de genade van de zwangerschap, was zij bedroefd dat haar binnenste gekweld werd door rampspoed en kommer (vgl. ps. 106,39). Ze betreurde het bijna dat zij zwanger was geworden. Zij zei: 'Als het mij zo moet vergaan, waarom moest ik dan zwanger worden?' (Gen. 25,22). Als het zou gebeurd zijn, broeders, dat de schoot van onze moeder zich over één van ons op deze manier zou moeten beklagen, dan vrees ik, 'dat het voor die mensen beter zou zijn, als hij niet ontvangen was' (Mt. 26,24), Hij echter, die uit stenen kinderen van Abraham kan verwekken (vgl. Mt. 3,9) zal het niet toestaan, dat wij over zulke mensen wanhopen; moge Hij dan het hart van steen in hen vermurwen, zodat zij de moederschoot niet kwellen. Moge Hijzelf het hart van de moeder moed inspreken, opdat zij niet vermoeid wordt om hen te dragen, hoe slecht zij ook mogen zijn, totdat Christus in hen gevormd (formetur) wordt, Hij de volmaakte God en de volmaakte mens, die leeft en heerst in alle eeuwigheid. Amen.

Terug

zoeken