Bronteksten
Advent, vierde preek
(Guerric van Igny)
1.Johannes de Doper en de profeten, maar vooral de Heer heeft de woestijn voor ons bereid. De Heer vastte, maar gaf het volk te eten. Zo zal ook voor ons de Schrift vol van betekenis worden.
De stem van een roepende in de woestijn: "Bereidt de weg van de Heer!" Ik ben van oordeel (arbitror) dat het eerst van alles de genade van de woestijn (desertum) overwogen moet worden, de schoonheid van de woestijn (eremus), die vanaf het begin van de genade het zich verwierf om te worden geconsacreerd tot rustplaats van de heiligen. De stem van een roepende in de woestijn heeft inderdaad de woning van de woestijn voor ons geconsacreerd, Johannes, predikend en het doopsel van boete (poenitentia) toedienend in de woestijn; ofschoon ook vóór hem de eenzaamheid (solitudo) altijd de vriend was voor de allerheiligste der profeten, als een hulp voor de geest/Geest (adiutorium spiritus) (1 Koningen 17,2-6; 19,3-14). Evenwel kwam er een heiligmakende genade, die verre verhevener en goddelijker was tot die plaats, toen Jezus Johannes opvolgde (succedere); die, voordat Hij begon te prediken tot de boetelingen (poenitentes), heeft gemeend een plaats te moeten bereiden voor de boetelingen; en Hij heeft gedurende de 40 dagen, die Hij doorbracht in de woestijn –als het ware een plaats louterend (purificare) en een nieuwe plaats wijdend voor het nieuwe leven- de tyran die daar huisde (incubare) met al zijn slechtheid en listigheid (malitia et subtilitas) -niet zozeer voor zichzelf, alswel voor hen die de toekomstige bewoners (accola) van de woestijn waren- overwonnen.
Indien je je dus, al vluchtende, hebt verwijderd, en in de eenzaamheid (solitudo) verblijft, vestig je daar dan; verwacht dáár Hem die jou redding (salvum) zal brengen uit kleinmoedigheid van geest en uit de storm (pusillanimitate spiritus et tempestate). Hoeveel ook de storm der oorlogen op je aanstormt, hoeveel je ook moet lijden in de verlatenheid (desertum), zelfs gebrek aan levensmiddelen, wil toch niet in de geest (mente) teruggaan naar Egypte in kleinmoedigheid van geest. Het manna van de woestijn zal je veel gelukzaliger voeden, dat is het brood der engelen, dan de vleespotten (olla) van Egypte. Jezus zelf toch heeft in de woestijn gevast; maar Hij heeft de menigte van die Hem volgden in de woestijn vaak en wonderlijk gevoed (pascere, pavi, pastum). Vaker echter en wonderlijker zal Hij jou verzadigen, jij die Hem gevolgd bent in de woestijn, door zoveel aangenamer verdienste naarmate het door heiliger voornemen is (tanto gratiore merito quanto sanctiore proposito). Want wanneer je meent dat Hij je reeds lang vergeten heeft, zal Hijzelf je troosten, zijn goedheid zeker niet vergetend, en Hij zal je zeggen: "Ik heb me jou herinnerd (re-cor-datus sum), erbarmen hebbend (miserans) over je jeugd (adolescentia) en de liefde van je verloving (caritas desponsationis), toen je me was gevolgd in de woestijn." Dan maakt Hij in één woord (plane) jouw woestijn als de heerlijkheden van het paradijs; en zelf zul je belijden dat de glorie van de Libanon hem (=de woestijn) is gegeven, de pracht van de Karmel en de Saron. Want ZOALS we heden op vele plaatsen –zelfs volgens de letter- deze profetie vervuld zien worden: de weides (speciosum) van de verlatenheid (desertum) zijn vet geworden; en de verlatenheden, in vruchtbaarheid gekeerd, geven voedsel aan de vreemdelingen (advena); ZO wordt elke plaats van de Schrift die je tevoren steriel en droog toescheen, plotseling, tijdens de zegening van God (ad benedictionem Dei) wonderlijk vol voor jou, met een vruchtbaarheid en vetheid van geest; opdat je uit de verzadiging van geest een hymne van lof zou ontrukken: "Wij loven, zeggen zij, de Heer, om zijn barmhartigheid, en zijn wonderen voor de zonen der mensen: want Hij heeft de lege (inanis) ziel verzadigd, en de hongerende ziel verzadigd met goede dingen."
2.Wij zijn eenzaam-in-gemeenschap (en in stilte) om het Woord te horen. Volg de Heer, de Weg, en je vindt vrede. Vandaar dat zondaars gekweld worden om ze te redden. En als het ze goed gaat: ze gaan hun dood tegemoet, wees niet afgunstig dus. Maar de onbevlekten gaan de 'via passionis', die tot het gasthuis leidt.
Het is zeker de voorziening van de wonderlijke genade van de goddelijke beschikking, dat wij in deze verlatenheid van ons ook de rust van de eenzaamheid hebben, en toch niet de troost van een aangename en heilige gemeenschap ontberen. Het is eenieder toegestaan in eenzaamheid te zitten en te zwijgen, waardoor hij niet te lijden heeft dat iemand hem stoort; maar toch geen 'wee de eenzame', omdat hij niemand zou hebben om hem te verkwikken, of, als hij zou vallen, hem op te richten (Prediker 4,10). We bevinden ons in een massa mensen (in frequentia hominum sumus) èn we zijn vrij van rumoer. We leven als het ware in een stad (velut in urbe versamur), toch lijden we geen enkel tumult, zodat de stem van de roepende in de woestijn niet gehoord zou worden door ons, als we tenminste van binnen de stilte hebben zoals die buiten ons is. Want, zegt Salomo, de woorden van de wijzen worden gehoord in de stilte, méér dan het geschreeuw van de vorst temidden van dwazen (plus quam clamor principis inter stultos). En nu ook, als al je innerlijkheden de midden-stilte (=de nachtstilte) vasthouden, zal de almachtige preek (sermo) je heimelijk invallen vanaf de vaderlijke zetel (Wijsheid 18,14-15). Gelukkig dus degene die zich al vluchtend (fugiens) zó ver van het tumult van de wereld heeft teruggetrokken in heimelijkheid en eenzaamheid van de geestelijke rust (secretum et solitudinem quietae mentis), dat hij 't verwerft om niet alleen de klànk (vox) van het Woord maar ook het Woord zèlf, niet Johannes maar Jezus, te horen.
Laten wij inmiddels evenwel luisteren naar wat de stem van het Woord ons toeroept; opdat we ooit eens voortgang maken van de stem naar het Woord. Hij zegt: "Bereidt de weg voor de Heer; maakt de paden recht voor Hem". Hij bereidt de weg, die het leven corrigeert; hij maakt de paden recht, die zijn leven strikter leidt. Ja, het gecorrigeerde leven is de rechte weg (correcta vita=via recta) waarover de Heer tot ons zal komen, Hij die ons voorkomt 'in deze', hierin (in hoc ipsum praevenit nos). Door de Heer moeten de schreden van de mens gericht worden; en zo zal Hij zijn weg wìllen (et sic viam eius volet), zo dat Hij, met graagte over haar (=die weg) komend naar de mens, met hem steeds zal wandelen. Want tenzij Hijzelf ons voorkomt bij zijn komst naar ons, Hij, die de Weg, de Waarheid en het Leven is, kan onze weg niet gecorrigeerd wordne volgens de regel der waarheid, en daardoor ook niet geleid worden naar het eeuwig leven. Welnu, waardoor corrigeert de jongere (adolescentior) zijn weg, tenzij door het bewaken van zijn (s)preken (sermones); tenzij in het volgen van zijn sporen, van Hem die zichzelf tot de Weg gemaakt heeft waarlangs wij tot Hem komen kunnen? Och, mochten mijn wegen geleid worden tot het bewaken(=onderhouden) van ùw wegen, o Heer; opdat ik, wegens het woord van uw lippen zelf de harde/zware wegen zel bewaken. En indien ze zwaar lijken voor het vlees, dat zwak is, zullen ze zacht en schoon lijken voor de geest, die vastberaden (promptus) is. Hij zegt(=de Heer, Geest): "Zijn wegen zijn schoon, en al zijn paden vredebrengend." De wegen van de wijze zijn niet alleen vreedzaam (pacatus) maar zelfs vredebrengend (pacificatus); omdat hij, als de wegen van een mens aan God behagen, Hij zelfs zijn vijanden tot vrede bekeert. Hij zegt: "Als Israël op mijn wegen wandelt, zal Ik wellicht tot niets zijn vijanden vernederen; en tegen degenen die hen kwellen zal Ik mijn hand zenden. Want waarom is er gebrokenheid (contritio) en ongelukkigheid op hun wegen, tenzij omdat zij de weg van vrede niet kennen? Daarom ook, denk ik -wanneer ik een mens zie die onrustig is, hooghartig (contumax), twistziek, die door een zware beproeving gekweld wordt, of door een kwelling geplaagd- terug aan dat spreekwoord: "De boze zoekt altijd twist (iurgium) een wrede engel wordt er echter naar hem gezonden" (Spreuken 17,11); aan wie hij wellicht overgeleverd wordt ter aandoening (afflictio) van het vlees, 'opdat zijn geest gered zal zijn op de dag van de Heer'. Als het evenwel eens de weg van de goddelozen wèl gaat, wilt dan niet jaloers zijn op hem, die het wèl gaat op zijn weg, op de mens die ongerechtigheid doet; omdat die weg van hen tot een struikelblok voor henzelf is; zodat hoe vrijelijker ze de dood in rennen, zoveel te minder de weg voor hen belemmerd wordt (saepio IV) waarover ze gaan. Over dezen zegt de wijze: "De weg van de zondaars is geëffend met stenen; maar tot slot zijn er voor hen de hel, de duisternissen en de straffen (Jezus Sirach 21,11). Ze slijten hun dagen (ducere dies suos) met het goede; maar in een ogenblik (punctum) dalen ze af naar de hel. Zalig dus de onbevlekten op weg, die wandelen in de wet van de Heer; omdat, ook als ze onderweg uit de (berg)stroom drinken, ze dáárdoor hun hoofd zullen heffen; omdat zij hun Hoofd, dat zij volgen via de weg van het lijden (per viam passionis) in het eind van het gasthuis bereiken (consequi).
3.We moeten onbevlekt zijn voor de Heer (ons wassen in doopsel van Johannes), zoals de Maagd moet onze ziel zijn, maar ook de andere deugden zijn nodig! Behalve onbevlekt mag onze weg niet duister of glibberig zijn, niet krom of ruw: in 1.verlangen, 2.zeden, 3.door onkunde, of 4.ongedurigheid.
Dus, wat jullie ook op de weg van de Heer tegenkomt, broeders, rent met een blij en ruim hart de weg van Gods geboden; want, ook al lijkt de weg nauw voor de kleinzielige, toch is hij recht; ook al lijkt hij zwaar, toch is hij onbevlekt. Ja, zalig de onbevlekten op weg, die de weg van de wereld over een zó onbevlekt pad (callis) gaan, dat ze hun kleren niet bezoedelen (inquinare); of die tenminste (certe), als ze ze hebben bezoedeld, niet de tweede plaats van zaligheid verlaten (secundum beatitudinis non amittunt locum –ne perdent pas le second rang dans la béatitude), maar hun kleren wassen in het doopsel van boete (poenitentia), waarmee Johannes doopte in de woestijn, een weg bereidend voor de Heer. Een onbevlekte weg is de kuisheid (castitas), een aangename weg waarover de God der genade genadig (dignanter) over gaat, de God tot Wie de profeet zingt: 'Mijn God, onbevlekt is zijn weg (impolluta) (psalm 18,31). Onbevlekt is de kuisheid van de Maagd, waardoor Hij in haar schoot komt: het is nodig, dat de kuisheid van de mens onbevlekt is, waardoor Hij in zijn ziel kan komen. Gelukkig het bewust-geweten (conscientia) op wie deze stem (vox) van toepassing is: "God heeft mij omgord met de deugd-kracht der onthouding (continentia), en Hij heeft mijn weg onbevlekt gemaakt" (psalm 18,33). Evenwel, opdat je niet glorieert over je kuisheid zonder de andere deugdkrachten, alsof je reeds een onbevlekte weg voor de Heer zou hebben bereid, weet, dat het niet minder nodig is dat deze weg ook recht is, vlak is, dat zij ook znder duisternissen en glibberigheden (lubrica) is. Want de weg van de Heer achtervolgt hen. En 'de weg van de goddelozen is duister; zij weten niet waar zij ineenstorten' (corruere). Menen wij, broeders, dat er tot nu toe ergens in ons iets scheefs (pravis) gevonden wordt in onze verlangens (voluntas), iets ruws in onze zeden, iets duisters door de onwetendheid (ignorantia) van onze zinnen (sensus), iets glibberigs (lubricum) door onstandvastigheid van daad (per inconstantiam actus)? Hoe zullen we echter de Schrift vervullen aangaande het bereiden van de weg, tenzij we doen zoals geschreven is, dat de kromme rechte moeten zijn en de ruwe in vlakke wegen?
4. Punt 1: Zorg dat je wil (voluntas) recht is, zonder kwaadwilligheid; Punt 2: wees 'n gelijkmatige weg in je gedrag omwille van de Heer, de Nederige en Zachtmoedige; Punt 3: laat het Woord Gods je pad verlichten (door kennis –scientia- en lezing –lectio), dan is ons pad niet duister meer door onwetendheid.
(...)
5. De weg mag ook niet glad zijn door ongedurigheid (inconstantia), anders vallen we met de ogen open. Maar al steunen we op ons goede voornemen, we struikelen 7x daags, zolang we nog 'hier' leven, in dit lichaam van slijk. Sta ook weer op! De Heer richt je op, als je maar blijft roepen. Zo gaan we vallend en opstaand de Weg om tot Hem te komen, Weg, Waarheid, Leven.
Maar och! mocht toch deze weg, waarlangs wij het heil en de Heiland moeten ontvangen, zoals zij niet meer duister is door de onkunde van het ware (verum), zo ook niet glibberig zijn door ongedurigheid (inconstantia) van de werken. Maar zoals Balaam, terwijl hij viel, de ogen open had (Numeri 24,16), zo zien ook wij met open ogen door de wetenschap (scientia) en vallen wij door onachtzaamheid. Willende en wetende zondigen wij, en gewillig (libens) glijden wij uit. Maar niet kunnen wij ons zozeer over de gladheid van de weg beklagen (causari, als reden voorwenden), alswel over het goede voornemen van de geest –dat is de voet waarop we steunen. Want wie wandelt niet in het gladde, zolang hij in de wereld, in het modderlichaam leeft? Het is dus niet zozeer de weg, alswel de voet die schuldig is, en die minder stevig staat op de weg Gods. Maar wie valt, en voegt er niet aan toe dat hij weer opstaat? Zevenmaal per dag valt de rechtvaardige, en zevenmaal staat hij weer op (Spreuken 24,26); want de Heer richt de verdrukten weer op, de Heer leidt de recthvaardigen. Want als ik zeg, mijn voet is bewogen, komt uw barmhartigheid, Heer, mij te hulp. Wanneer je dus niet anders kunt, bewandel de weg vallend en opstaand, evenwel altijd roepend tot Hem die je volgt en die je verlangt te bereiken(consequi): Volmaak mijn schreden op uw paden, opdat mijn sporen niet bewogen worden! Ook als de weg der zonde in mij is, zoals de menselijke zwakheid is- leid mij op de eeuwige weg! Opdat ik door U, die de Weg en Waarheid zijt, U bereik, die de Waarheid en het eeuwig Leven zijt: aan U de glorie in eeuwige eeuwen. Amen.