Bronteksten
Advent, tweede preek
(Guerric van Igny)
1.De bode van de Heiland brengt vreugde aan de ziel die naar God dorst."Zie de koning komt: laten we onze Redder (Salvator) tegemoet snellen" (Invitatorium in Dom 1 Adventu).Prachtig zegt Salomo: "Koud water voor de dorstige ziel is de goede bode uit een ver land." Zeker, goed is de bode, die de komst van de Redder (Salvator) meldt, de verzoening van de wereld, de goede dingen van de wereld die op het punt staat te komen. "Hoe prachtig de voeten van degenen die vrede aankondigen, goede dingen aankondigen." Véle toch, niet één, véle, zeg ik, bodes komen op ons af, maar in één geest, in een lange reeks, vanaf het begin van de wereld; en de boodschap/stem (vox) van allen is gelijk één zin: "Hij komt, zie, Hij komt." En waarvandaan, vraag ik je, komen deze bodes? Zoals geschreven staat: uit een ver land, namelijk uit het land der levenden, dat door een grote tussentijd (interstitium) gescheiden is van dit land der stervenden. Want tussen ons en hen is tot nog toe een afgrond (chaos) gegrondvest. Vandaar toch worden de profeten, zoals ook de engelen, tot ons gezonden; omdat, hoewel ze in dit lichaam rondgingen, ze in de geest daarheen werden opgenomen, wanneer zij gezonden moesten worden, en dáár hoorden en zagen ze wat ze hìer zouden moeten berichten. Bodes van dien aard zijn koel water en een drank van heilzame wijsheid voor de ziel, die dorst naar God. Degene die hem de boodschap meldt van de komst van de Heer of van andere mysterieën, put voor hem en geeft hem wateren te drinken ‘in vreugde’ (in gaudio) uit de bronnen van de Redder (Salvator). Zó zelfs dat die ziel lijkt te antwoorden aan die boodschapper, hetzij aan Jesaja, hetzij wie dan ook van de profeten, met de woorden van Elisabeth, omdat zij (die ziel) met dezelfde Geest gedrenkt is als Elisabeth: "En vanwaar geschiedt dit aan mij, dat mijn Heer tot mij komt? Want zie, zodra de stem (vox) van uw aankondiging in mijn oren klonk, juichte mijn ziel in vreugde (in gaudio) in mijn hart, heftig verlangend (gestiens) om God, haar redder (=redder van mijn ziel), tegemoet te snellen."
2.Wij moeten onze Heiland vol vreugde teruggroeten, tegemoetsnellen.-(salus, salutare etc: heil, groet …) En waarlijk, broeders, het is in gejuich van geest dat wij de Christus, die komt, tegemoet snellen; en Hij moet reeds nu, van verre, begroet worden, of liever: teruggegroet worden, Hij, die groeten bracht aan Jakob. Door een vriend te begroeten zul je niet beschaamd worden, zegt de wijze (=Jezus Sirach); hoeveel te meer geldt dat voor teruggroeten? O heil (salutare) voor mijn gelaat en mijn God; hoe grote achting was het, dat Gij de slaven groette(salutasti), maar hoe groter dat Gij heil bracht (salvasti)? Want het heil (salus) zou voor ons niet geheel af (integra) zijn, als Gij heil (salutes) bóódschapte maar niet gàf. Maar Gij gaf het; niet slechts hebt Gij ons heil gebracht (salutare) door vredestichtende woorden en vervolgens door heil te brengen (salutare) in een vredeskus, namelijk door de ‘eenheid van vlees’ (per unionem carnis), maar zelfs door heil te bewerken door de kruisdood. Laat derhalve onze geest opspringen in levendige vreugde (in gaudio), en laat zij (=onze geest) haar Redder (Salvator) tegemoetsnellen, en laat zij Hem, de Komende, reeds van verre beminnen (adorare) en groeten (salutare), tot Hem roepend en zeggend: "O Heer, breng mij heil (salvum me fac): -(prosper etc)O Heer, het ga U goed (prosperare). Gezegend Gij die komt in de Naam van de Heer." Heil (salve), Gij die komt om ons heil te brengen (salvare): Gezegend (benedictus) Gij die komt om te zegenen (benedicere). Daarom, o Heer, het ga U goed, Gij die zo gelukkig makend (prosper) en heilzaam (salutaris) tot het menselijk geslacht komt (advenire); richt U op, kom gelukkig makend naar voren, en heers (intende, prospere, procede et regna). Laat de Vader voor U een gelukkig makende weg maken, de God van ons heil. Hij zal gelukkig maken, zegt de Vader, in die dingen waarvoor Ik Hem heb gezonden, niet ten behoeve van de wensen van de vleselijken (pro votis carnalium), niet ter tegemoetkoming aan de wil van Petrus, die het verafschuwde dat Hij leed. En al wat Hij zal doen zal gelukkig maken, niet volgens de overijlde wil van de mensen, maar tot hun ware heil (salus). Ijdel immers is het heil van de mens; maar van de Heer komt het heil, die het heil bewerkt door zijn Bloed, het vergietend tot losprijs (pretium) en het als drank te drinken gevend. Kom dus, o Heer, breng mij heil en ik zal geheeld zijn (salvum me fac et salvus ero): kom en toon uw gelaat en wij zullen geheeld zijn. Want U hebben we verwacht; wees ons heil in tijd van nood (tribulatio). Zo zijn de profeten en rechvaardigen, met een zó groot verlangen (desiderium) en aandoening (affectus), toegesneld vóór de komst van Christus, verlangend of het zou kunnen gebeuren om met de ogen te zien wat zij in de geest voorzien hadden. Vandaar zei de Heer tot zijn leerlingen: "Gelukkig de ogen die zien wat jullie zien. Want Ik zeg jullie, dat vele profeten en rechtvaardigen wilden zien wat jullie zien, maar zij zagen het niet." Ook Abraham, onze vader, heeft zich verheugd om de dag van Christus te zien. Hij zag hem, maar vanuit de onderwereld, en hij was verheugd (gavisus est) (Johannes 8,56). En daar (in de onderwereld) zal onze lauwheid en verstoktheid van hart beschimpt worden (sugillare): als wij namelijk niet met geestelijke vreugde (cum gaudio) de verjaardag van Christus’ geboorte verwachten, Hij die ons beloofd is spoedig (in proximo) te zien, als de Heer het toestaat (Domino annuente).
3.Ook de eerste komst moeten we in het hart, in vreugde, tegemoet snellen; op ‘wolken’, als bij de tweede komst, opgeheven door de stem der profeten/apostelen door ons offer van lof, en zo komt Hij ‘tussentijds’ óók, opdat we gelijken op de eerste komst en voorbereid zijn op de laatste komst: ‘adventus familiaris’De Schrift lijkt een dergelijke vreugde (gaudium) van ons te eisen, dat onze geest, zich boven zichzelf verheffend, verlangt om hoe dan ook de komende Christus tegemoet te snellen, uit verlangen zich naar voren uitstrekkend, en oponthouden niet verdragend, spant hij zich in om de komende dingen reeds te zien. Ik meen echter dat dit niet alleen bij de tweede komst passend is, maar ook voor de eerste, dienaangaande we door zoveel plaatsen in de Schriften worden vermaand Hem tegemoet te snellen. Hoe? vraagt gij. Zó dat, namelijk, zoals we de tweede komst tegemoet snellen door bewogenheid en jubel van het lichaam, we zo óók de eerste tegemoetsnellen door aandoening (affectus) en jubel van het hart. (RB Prol 40). Want jullie weten dat, nadat we bij de verrijzenis nieuwe lichamen hebben herkregen, we volgens de leer van de Apostel worden ontrukt, op wolken, Christus tegemoet in de lucht (aera), en zo zullen we altijd bij Christus zijn. Zo ontbreken ook nú niet de wolken, die onze geesten, als ze niet te lui of teveel aan de aarde gebonden zullen blijken te zijn, opnemen naar de hogere dingen; en zo zullen ze misschien wel een half uur bij de Heer zijn. Uw ervaring herkent, als ik me niet vergis, datgene waarover ik spreek: ooit, toen de wolken hun stem (vox) gaven, dat wil zeggen toen de stemmen van de profeten en apostelen in de kerk weerklonken, tot welk ’n hoogten (ad quam sublimia) waren toen jullie gewaarwordingen (sensus), als het ware op een wolkenwagen, tot het hogere omhooggevoerd, en zijn ze daar niet weinige keren heengegaan, opdat ze ’t zouden verkrijgen om, hoe weinig ook, de glorie van de Heer te aanschouwen. Toen werd, als ik me niet vergis, de waarheid aan jullie bekend van die preek (sermo), die de Heer deed regenen uit die wolk, die Hij dagelijks voor ons plaatst als de weg waarlangs men opklimt (ascensus): "Een offer van lof zal Mij eren; en dáár is de weg (iter) waarlangs Ik hem zal tonen het heil van God." (psalm 50,23) Zó gebeurt het dus, dat de Heer vóór zijn komst tot jullie komt en vóórdat Hij tot geheel de wereld komt, jullie familiair (familiariter=vertrouwelijk, huiselijk, vriendschappelijk) bezoekt. Hij zegt: "Ik laat jullie niet achter als wezen; Ik ga, en Ik zal tot jullie komen." En deze tussentijdse komst van de Heer gebeurt veelvuldig aan ieder afzonderlijk (unusquisque) naar de verdienste of ijver van eenieder. …
Deze komst in de tussentijd tussen de eerste en de laatste komst maakt ons gelijkvormig aan de eerste komst en bereid ons voor op de laatste komst. En híerom komt Hij nu IN ons, opdat Hij bij de eerste komst niet tevergeefs TOT ons zal komen, en dat Hij bij de laatste komst niet vertoornd JEGENS ons zal komen. In deze tussentijdse komst spant Hij zich in om het gevoel (sensus) van onze hoogmoed te hervormen, gelijkvormig gemaakt (configuratum) aan zíjn gevoel (sensus) van nederigheid, dat Hij toonde, toen Hij voor het eerst kwam; opdat Hij, op gelijke wijze, het lichaam van onze nederigheid zou hervormen, gelijkvormig gemaakt aan het lichaam van zijn heerlijkheid (claritas), dat Hij ons opnieuw zal tonen als Hij wederkeert.
Kortom: met alle verlangens moet gevraagd worden en met alle ijver moet gezocht worden naar deze familiaire komst, die ons de genade verleent van de eerste komst en de glorie beloofd van de laatste komst. Want omdat God de barmhartigheid en de waarheid bemint, zal de Heer genade en glorie schenken, uit hoofde van barmhartigheid deelt Hij genade uit, uit hoofde van de waarheid verleent Hij glorie.
4.Deze heilzame tussentijdse komst is middelaar tussen eerste en laatste komst, en we moeten ernaar verlangen. Beschouwing over de 3 komsten. De tussentijdse komst ‘transformeert’ons.Voorts, zowel door de schikking (dispositio) in de tijd, alswel door de evenredigheid van overeenkomst, bevindt zich deze geestelijke komst (advent) tussen de beide lichamelijke komsten, en neemt als het ware als een soort middelaar (mediator) deel aan elk van beide. De eerste komst is verborgen en nederig; de laatste is manifest en bewonderenswaard (admirabile); deze tussentijdse komst is echter weliswaar verborgen, maar wonderlijk.
Ik heb haar ‘verborgen’ genoemd niet omdat zij onkenbaar is voor degene tot wie zij komt; maar omdat zij heimelijk (secretus) tot hem komt; vandaar ook zegt, verheerlijkend, die verheerlijkte (gloriosa) ziel bij zichzelf: "Mijn geheim is aan mij, mijn geheim is aan mij." (Jesaja 24,16 vulgaat). Maar de tussentijdse komst kan door degene zelf, tot wie zij komt, pas worden waargenomen wanneer er contact is (sed nec, ab ipso cui advenit, potest ante videri quam teneri ) overeenkomstig wat de zalige Job aangaande zichzelf beleed: "Als hij tot me zal zijn gekomen, zal ik hem niet niet zien; als hij weggegaan zal zijn, zal ik hem niet waarnemen (intelligere)" (Job 9,11). Ja inderdaad, komende wordt hij niet gezien, en zich terugtrekkend wordt hij niet waargenomen (intelligere); hij die alleen dan wanneer hij aanwezig is, licht is voor de ziel en het intellect, waardoor het onzichtbare wordt begrepen (intelligere). Overigens, hóe bewonderenswaardig is deze komst (advent) van de Heer, ofschoon hij verborgen is; hoe zoet en gelukkig neemt hij de ziel van degene die contempleert op in stomme verbazing (stupor) en weegt hij haar (expendere; de:erfassen; fr:ravir); hoe roepen alle botten van de innerlijke mens tot hem: "Heer, wie is uw gelijke!"; zij die het ondervonden weten weten het (norunt quidem experti): maar och, mochten toch zij die het niet ondervonden, voldoende verlangen, zó evenwel, dat niet de roekeloze nieuwsgierigheid maakt dat zij, door de majesteit te doorgronden, overstèlpt worden door de glorie, maar zó, dat de minnelijke liefde (pia caritatis) maakt dat zij, smachtend naar de Beminde, worden opgenomen door de genade. Want de Heer neemt de zachtmoedigen op, de zondaars echter vernedert Hij tot op de grond, Hij weerstaat de hoogmoedigen, aan de nederigen echter geeft Hij genade.
Terwijl nu de eerste komst genade is, en de laatste komst glorie, is deze tussentijdse komst gelijkelijk èn van genade èn van glorie, waarin ons namelijk zo goed als kan, een voorproef van de toekomstige glorie wordt gegeven door middel van de troostende genade. Wanneer nu de God van de majesteit bij de eerste komst zichtbaar was als iets verachtelijks/ onbetekenends (contemptibilis), bij de laatste komst echter zal het verschrikkelijk zijn om te zien, in deze tussentijdse komst wordt hij –de majesteit Gods- wonderlijk en beminnelijk gezien; zodat zij niet, wegens de achting voor de genade, waardoor zij zich beminnelijk betoont, kan worden veracht, maar veeleer bewonderd; en ook niet, wegens de grootsheid van de glorie, waardoor zij wonderlijk verschijnt, een verschrikking zou zijn, maar veeleer een troost. Over de eerste zei de jood(Iudaeus): "We zien hem, maar er was aan hem luister noch pracht; daarom hadden we ook geen achting voor hem." Voor de laatste komst is zelfs de rechtvaardige bevreesd. Hij zegt: "En wie zal blijven staan om hem te zien?" Over deze tussentijdse komst echter zegt de Apostel: "Terwijl wij de glorie van de Heer aanschouwen, worden wij in dat beeld getransformeerd, door de glorie in glorie, zoals door de Geest van de Heer."
Kortom, wonderlijk en beminnelijk: wanneer God als liefde (Deus amor) de zintuigen (sensus) van de beminnende binnenvalt; wanneer de Bruidegom de bruid in geestelijke vereniging omhelst; en in hetzelfde beeld (imago) wordt getransformeerd, waardoor zij, als het ware in een spiegel, de glorie van de Heer aanschouwt. Hoe gelukzalig zijn zij, wier brandende liefde (ardens caritas) dit voorrecht reeds verdienden te verkrijgen; maar ook zíj zijn zo gelukzalig, wier heilige eenvoud (simplicitas sancta) hetzelfde ooit eens kan verhopen. En eerstgenoemden hebben weliswaar reeds de troost der inspanning (solatium laboris) gekregen uit de vrucht van hun liefde; laatstgenoemden echter, wier verdienste wellicht groter is naarmate de tussentijdse vertroosting minder is, dragen het gewicht van de dag en de hitte, en verwachten de komst van de beloning. Laat dan, broeders, zolang een dergelijke verheven ervaring ons niet troost, en opdat wij geduldig zijn tot de komst van de Heer, laat dan inmiddels het zekere geloof en het zuivere geweten ons troosten, die –even gelukkig als vertrouwvol- samen met Paulus zeggen: "Ik weet aan Wie ik me heb toevertrouwd (credidi) en ik ben er zeker van dat Hij machtig is om hetgeen ik bij Hem neerlegde (depositum meum) te bewaren tot die dag, die dag namelijk, van de komst van de grote glorie Gods en van onze Redder (Salvator) Jezus Christus, aan Wie de glorie, in de eeuwen der eeuwen. Amen.