Bronteksten
Advent, eerste preek
(Guerric van Igny)
1.Naar de Redder (Salvator) zien wij uit (expectare).Waarlijk, het verwachten (expectare) van de gerechtigen is vreugde, zij, die uitzien naar de zalige hoop, en naar de komst van de glorie van de grote God en onze Redder (Salvator) Jezus Christus.
"Wat is mijn uitzien (expectatio)?" zegt de gerechte, "Is het niet de Heer?"
En, gekeerd naar de Heer: "Ik weet," zegt hij, "dat Gij mij niet beschamen zal in mijn verwachting (expectatio); want reeds is mijn wezen (substantia) bij U; want onze natuur, uit ons genomen en voor ons opgedragen, is bij U verheerlijkt, hoop aan ons verlenend, omdat naar U alle vlees komt, en de ledematen zullen het hoofd volgen, opdat het brandoffer (holocaustum) compleet zal worden.
Met voller vertrouwen toch –want met veiliger geweten- kan degene de Heer verwachten (expectare) aan wie het gegeven is te zeggen: "Het wezen (substantia) van mijn bezittinkjes, o Heer, is bij U. Want mijn mogelijkheden (facultates) òf omwille van U weggegeven, òf omwille van U versmaad, heb ik in de hemelen als een schat verzameld, en voor uw voeten heb ik al het mijne gedeponeerd (deponere), wetend dat Gij bij machte zijt mijn deposito (depositum) niet alleen te bewaren, maar zelfs in honderdvoud terug te geven (restituere), en het eeuwig leven toe te voegen. Hoe zalig zijn jullie, armen van geest, die volgens de raad van de bewonderenswaardige Raadgever, schatten voor jullie hebt verzameld in de hemel; opdat niet, indien jullie schatten op aarde zouden blijven, tegelijk ook jullie harten zouden wegrotten. Want Hij zegt: "Waar je schat is, daar is ook je hart". Laat jullie harten dus achter jullie schatten heengaan, laat jullie gedachte gehecht zijn aan wat omhoog is, laat wat jullie verwachten (expectatio) van God afhangen, opdat het ook voor jullie passend is om met de Apostel te zeggen: "Onze levenswandel (conversatio) is in de hemel; van daar ook zien uit (expectamus) wij naar onze Redder (Salvator) uit."
O verwachting (expectatio) van de volkeren, allen die naar U uitzien (expectare) zullen niet beschaamd worden. Naar U hebben onze vaderen uitgezien(expectare), alle rechtvaardigen hebben vanaf de oorsprong van de wereld op U gehoopt en zijn niet beschaamd. Want reeds zingt, ontvangen hebbend uw barmhartigheid, in het midden van de tempel, het koor van hen die zich verheugen en verblijden: "Gezegend die komt in de Naam van de Heer". Uitziend (expectare) verwachtte ik (expectare) de Heer en Hij richtte zich naar mij. En, terwijl zij in de nederigheid van het vlees de majesteit van de goddelijkheid herkennen, zeggen zij: "Zie, Deze is onze God; wij zagen uit (expectare) naar Hem en Hij zal ons redden (salvare). Deze is de Heer; we hebben Hem afgewacht (sustinere); we zullen juichen en ons verheugen in zijn heil."
2.Zoals nu de kerk in de aloude (antiquus) gerechtigen uitzag naar de eerste komst (adventum), zo ziet zij, in de nieuwe gerechtigen uit naar de tweede komst; zoals zij, de kerk, in de eerste komst zeker was van de prijs (pretium) van de loskoping (redemptio), zo is zij in de tweede komst zeker van de premie (praemium) van de beloning (remuneratio), en, door het uitzien (expectatio) naa rdeze hoop afgehouden wordend van de aardse dingen, smacht zij (inhiare) zowel gelukzalig alswel vurig, naar wat eeuwig is. Terwijl dus anderen, zich haastend om zich gelukkig te maken met wat er nu is (praesens), en zonder het plan (consilium) van de Heer af te wachten, rennen om te vechten om de buit van deze wereld-zalig de mens voor wie de Naam van de Heer zijn hoop is, en die niet omkijkt naar ijdelheden en valse dwaasheden, hij onthoudt zich van hun wegen als van onreinen, wetende dat het beter is om vernederd te worden met de zachtmoedigen, dan te de buit verdelen met de hoogmoedigen. En sprekende met zichzelf troost hij zich en zegt: "Mijn aandeel (pars) is de Heer, zegt mijn ziel, daarom zal ik naar Hem uitzien. Goed is de Heer voor wie op Hem hopen, voor de ziel die naar Hem zoekt. Goed is het in stilte het heil van de Heer te verbeiden. Kwijnend verlangt mijn ziel naar uw heil, o Heer, maar op uw woord heb ik boven alles gehoopt (supersperare). Hoop nu, die uitgesteld wordt, maakt –zoals geschreven is- de ziel terneergeslagen (affligere). Maar ofschoon zij, de ziel, afgemat raakt vanwege het uitstel van het verlangen, is zij toch zeker (securus) vanwege de belofte (promissio). Op haar, de belofte, niet slechts hopend (sperans), maar boven àlles hopend (supersperans) stapel ik hoop op hoop, gelijk er ook aanhoudend kwelling op kwelling (tribulatio) wordt gestapeld, uitstel op uitstel (dilatio). Want ik ben er zeker van dat Hij zal verschijnen op het einde, en niet zal liegen; en daarom, ook al laat Hij op zich wachten, ik zal uitzien naar Hem, want 'komende zal Hij komen' (=Hij zal zeker komen) en Hij zal niet talmen tot na het moment dat vooraf vastgesteld is (praestitum) dan wel het meest geschikt is (opportunum). Welk geschikt moment? Wanneer het getal van onze broeders vol zal zijn gemaakt, en de tijd van barmhartigheid voleindigd zal zijn (consumare), die toegelaten was tot boetedoening (poenitentia). Luister naar Jesaja –die al vaker toegelaten werd tot de raadsbesluiten van boven- omwille van welk raadsbesluit de Heer het oordeel heeft uitgesteld. Dáárom, zegt hij, ziet de Heer (afwachtend) uit (expectare): omdat Hij barmhartig wil zijn voor jullie, en daarom ook zal Hij verheerlijkt worden: omdat Hij jullie spaart; want God is de Heer van het oordeel; zalig allen die uitzien naar Hem.
3.Daarom, als je wijs bent (sapere), zie vooruit voor jezelf, hoe je de rust van dit uitstel benut; hoe dan ook, het koste wat het wil, als je zondaar bent benut het uitstel dan voor boetedoening (poenitentia), niet voor onachtzaamheid; als je heilig bent, benut het uitstel dan zó dat je vooruitgaat in heiligheid, en niet zo, dat je ontrouw wordt aan het geloof. Want als die slechte knecht in zijn hart zal zeggen: "Mijn Heer laat op zich wachten met te komen", en begint hij zijn medeknechten te slaan, eet hij zelfs en drinkt hij met dronkaards, dan zal de Heer van die knecht komen op een dag waarop die knecht het niet gehoopt had, en op een dag die hij niet kent, en Hij zal hem splijten (dividere) en hem zijn deel (pars) geven bij de huichelaars. Daar zal geween zijn en geknars van tanden. Van deze slechte en ontrouwe knecht schijnt die stem van walging en wanhoop te zijn, waarvan men bij Jesaja leest, -terwijl de Heer op zich laat wachten, de ongelovigen en spotters zijn vaak komende (frequens) bodes schijnen te bedriegen: "Geef als boodschap, geef opnieuw als boodschap (manda, remanda), geef als boodschap, geef opnieuw als boodschap; zie uit, zie opnieuw uit (expecta, reexpecta), zie uit, zie opnieuw uit, een beetje hier, een beetje daar". Maar welke straf volgt voor de ellendigen verzwijgt de profeet niet: "Geef als boodschap, geef opnieuw als boodschap (manda, remanda), geef als boodschap, geef opnieuw als boodschap; zie uit, zie opnieuw uit (expecta, reexpecta), zie uit, zie opnieuw uit, een beetje hier, een beetje daar –laat ze gaan en achterovervallen en dat ze stuk mogen vallen dat ze verstrikt raken en gegrepen mogen worden." Ze gaan achterover door geloofsafval (apostasia); ze vallen in misdadigheden (criminalia); ze raken verstrikt in 'n dodelijke verlekkerdheid (delectatio) of in een of andere onontkoombate dwangmatigheid om te zondigen, zodat ze noch willen, noch kunnen boetedoen (poenitere); ze worden gegrepen door een onvoorziene dood; ze worden gebroken door de eeuwige verdoemenis (damnatio). Want de mens kent zijn einde niet; maar als vissen worden zij gegrepen door de haak en als vogels door de strik, zo worden de mensen, zegt Salomo, gegrepen door de slechte tijd, wanneer die onverwacht (extemplo) over hen komt. Daarom, het is duidelijk dat, opdat ons geloof niet lauw begint te worden (tepescere) vanwege het uitstel van de hoop, of ons geduld koken gaat, en wij beginnen te worden zoals diegenen die een tijd (ad tempus) geloven, maar in de tijd van beproeving terugwijken, Hij ons roept vanuit de hemel, Hij die ons geloof geeft, die het gegevene beproeft, en het beproefde bekroont: 'Wie gelooft,' zegt Hij, 'Haast zich niet' (Qui crediderit non festinet): namelijk om te zien wat hij gelooft. Want als wij hopen op iets wat wij niet zien, zien wij er met geduld naar uit. Ook aan zijn bruid, met wie Hij zich heeft verloofd in geloof, geeft de Heer via Hosea als boodschap (mandare): "Vele dagen zul je uitzien naar Mij; niet zul je overspel plegen en niet zul je met een man zijn." Dit namelijk is waarlijk uitzien naar de Heer, als wij het geloof in Hem bewaren, zodat, ofschoon wij de vertroosting van zijn aanwezigheid ontberen, wij de echtbreker toch niet navolgen –maar laten wij hangen aan (pendere ad) zijn terugkeer. Want zo zegt de Heer het ook bij dezelfde profeet: "Het volk zal hangen aan (pendere ad) mijn terugkeer."Geheel prachtig mooi en passend zal het hangen (pendere) als tussen hemel en aarde, zodat, ofschoon het nog niet in staat is de hemelse dingen te vatten (apprehendere) , het toch ook niet de aardse dingen wil aanraken (tangere). En àls het ooit het aardse aanraakt, dan niet tenzij met het topje van de vingers en tenen (summis articulis) dat is: met de uiterste delen van de ziel, wegens de noodzaak namelijk van het bederf (corruptio) van de natuur, waaraan wij gedwongen worden dienstbaar te zijn zolang het schepsel, zonder te willen, onderworpen is aan de ijdelheid (vanitas).
Meestal wordt er gezegd: Ongunstig (male) ziet degene uit (expectare) die hangt (pendere). Ik echter zeg: Gelukkig (feliciter) ziet degene uit (expectare) die ZO hangt.
En daarom heeft mijn ziel dit hangen blijven (suspendium) gekozen, en hebben mijn botten in dit hangen blijven de dood gekozen (Job 7,15), opdat ik de verdienste verwerf volhardend aan dit kruis te blijven hangen (pendere), totdat ik sterf.
4. O Heer Jezus: toen Gij op het punt stond –bij machte- om uw ziel af te leggen,en aan U de beslissing was op welke wijze Gij dit wilde doen, heeft uw ziel het hangen blijven gekozen, opdat Gij, uitgeheven boven de aarde, ook ons naar U zoudt toe trekken en Gij ons boven het aardse zoudt ophangen.Maar bovendien hebt Gij niet geduld dat Gij vóór uw dood ervan afgenomen zoudt worden, -opdat ook wíj tot aan de dood op het kruis zouden volharden, als vanaf een hogere trede, de opstijging naar de hemel makkelijker zou zijn.
Dankzij U, Heer Jezus, zijn wij daar, zien wij daar uit naar U: Niet zien we uit naar Elia, opdat die zou komen om ons eraf te nemen, maar naar Eli zien wij uit, dat is: onze Heer, opdat Hij ons zal opnemen.
'Een beetje hier, een beetje daar':aangezien toch Gij een boodschap geeft (mandare) en opnieuw een boodschap geeft (remandare), heb ik eens en voorgoed (semel) uw boodschappen geloofd; maar kom mijn ongelovigheid te hulp, opdat ik, onbeweeglijk, dáár naar U uitzie, opnieuw uitzie, totdat ik wat ik geloof zal zien. Want ik geloof dat ik de goede dingen van de Heer zal zien in het land van de levenden.
Geloof jij ook?Zie dan uit naar de Heer, handel krachtig (viriliter) laat je hart zich versterken en wacht (sustinere) de Heer af. Wee hen die het afwachten hebben verloren en weg zijn gegaan (divertere), slechte wegen op. En wat zullen zij doen als de Heer begint te inspecteren? Hij toch die boodschapt dat Hij lankmoedig naar zich uit laat zien, belooft elders dat Hij snèl zal komen; door het ene (het uitstel namelijk) vormt Hij het uithoudingsvermogen in ons; door het andere (de snelle komst) sterkt Hij de kleinmoedigen, schrikt Hij de onvoorbereiden op, en brengt Hij de luiaards in beweging.
"Zie," zegt Hij, "Ik kom snel en mijn loon is bij Mij, om te geven aan eenieder alnaargelang zijn werken." En tot Jeruzalem zegt Hij: "Snel zal komen uw heil; waarom zoudt ge door neerslachtigheid verteerd worden?" En waarlijk, de tijd is kort, ten zeerste voor eenieder van ons, ofschoon de tijd lang lijkt voor degene die gloeit hetzij wegens de inspanning (labor) hetzij wegens liefde (amor).
En daarom is elk van beide nodig: dat wij èn vrees hebben voor de rechter die nabij is en wellicht voor mij, wellicht voor jou voor de deur staat;Èn dat wij lankmoedig uit blijven zien als Hij op zich laat wachten.
Komende zal Hij komen (=Hij zal zeker komen), die Heer,Onze vrees, ons verlangen, rust (requiem) en loon, van wie zich inspannen, zoetheid en omhelzing (amplexus) voor de minnenden, zaligheid (beatitudo) voor allen, onze Redder (Salvator) Jezus Christus, die leeft en heerst door alle eeuwen der eeuwen.
Amen.