Bronteksten

Veertigdagentijd, tweede preek

(Guerric van Igny)

1. O gelukkige nederigheid der boetelingen, o zalige hoop der belijders. Hoe machtig zijt ge bij de Almachtige: hoe makkelijk overwint ge de onoverwinnelijke; hoe snel converteert ge de vreeswekkende rechter in een allerliefdevolste (piissimus) Vader. Die verkwistende zoon, van wie we vandaag tot onze grote lering de beklagenswaardige peregrinatio hoorden, de penitentie der tranen, de glorieuze ontvangst, die verkwister had zijn schuld nog niet beleden maar slechts beraadslaagd het te belijden; nog had hij geen genoegdoening gegeven maar slechts zijn ziel ertoe genegen m voldoening te brengen; en bijna alleen door het voornemen van de pas begonnen nederigheid (conceptae humilitatis) verkreeg hij terstond vergeving, (vergeving) die zoveel tijd met zoveel wensen (votum) verlangd wordt (expetere), met zoveel tranen afgesmeekt wordt, met zoveel offers getracht te krijgen. Belijdenis (confessio) alleen gaf absolutie aan de rover op het kruis, aan deze hier alleen al de wil om te belijden.

'Ik zei', sprak hij, 'ik zal mijn ongerechtgheid tegen mij belijden voor de Heer; en Gij hebt de on-vroomheid van mijn zonde vergeven.'

Overal voorkomt de barmhartigheid. Hij voorkomt de wil om te belijden zelf door te inspireren; hij voorkomt ook de stem der belijdenis wat hij moest belijden door indulgentie te verlenen. Toen hij, tot hier toe, nog ver weg was, zag zijn vader hem en werd door barmhartigheid bewogen, en tegemoetsnellend viel Hij om zijn hals en kuste hem. Deze woorden schijnen zoveel te zeggen, dat (het leek dat trager/later venia gegeven te hebben dan venia ontvangen te hebben) Het leek voor de zoon lang te duren voordat hij vergeving kreeg, maar voor de vader leek het nog langer te duren voor hij eindelijk aan de zoon vergeving kon geven. (...) Zó haastte Hij zich om de schuldige te absolveren van de marteling van zijn geweten, alsof het meelijden met de ellendige de barmhartige méér kwelde dan dat de ellendige zèlf (gekweld werd) door zijn eigen 'passio'. En dit zeggen we niet om daardoor menselijke affecten te plaatsen in de onveranderlijke natuur; maar opdat ons affect verzoet in amor tot die hoogste bonitas, wanneer we uit de menselijke gelijkenis leren dat zij (bonitas) meer van ons houdt dan wij van onszelf.

2. Zie echter hoe, -waar het delict overvloedig was- de genade nog overvloediger werd. De schuldige kon nauwelijks op venia hopen; de rechter, ja niet meer rechter, maar advocaat, accumuleerde genade. Snel, zei hij, brengt het beste overkleed (stola) en trekt het hem aan, en geeft een ring aan zijn hand en schoeisel aan zijn voeten; en voer het gemeste stierkalf aan en slacht het, en laten we eten en fesstmalen, want deze zoon van mij was dood en hij is herleefd. Maar (verum) laten we voorbijgaan aan dit alles, namelijk: de beste stola, dit is de heiligmaking van de Geest waarmee de gedoopte gekleed en de boeteling herkleed wordt de ring van van het geloof waarmee hij zich verbindt de schoenen waarmee hij gesterkt wordt om op de giftige slang te trappen of waarmee hij bereid wordt om te evangeliseren het gemeste kalf dat voor hem op het altaar wordt geofferd die feestvreugden die in heel de hemel gevierd worden voor de ontvangst van de zoon

dat wij over dit alles zwijgen en het bewaren voor de meer geleerden om te behandelen; die omhelzing en die kus van vaderlijke pietas, wat had die nìet van gratie en zoetheid, wat had die nìet van allergelukkigste vreugde, van allerheiligste wellust?

Hij viel hem om de hals en hij kuste hem. Toen Hij hem zo aangreep, wat deed Hij –omhelzend en kussend- anders dan dat hem voor Zich en Zichzelf voor hem insinueerde, Zich aan/in hem inspirireerde; opdat Hij, door aan te kleven aan Hemzelf, één geest met hem zou worden zoals hij, door hoeren aan te kleven, met hen één lichaam was geworden? Weinig was het voor die allerhoogste barmhartigheid om de ingewanden van zijn erbarmen niet te sluíten voor de ellendigen. Hij tròk hen (zelfs) in zijn viscera en bracht ze in zijn ledematen in. Hij kon ons niet nòg nauwer aan zich sluiten, Hij kon ons niet nog meer intiem hebben dan dat Hij (ons) in zich incorporeerde, en zowel door onuitsprekelijke caritas als deugdkracht ons niet alleen naar het lichaam opnam maar zelfs verenigde met zijn eigen Geest.

Wat, als zó groot de genade der/voor boetelingen is, hoe groot zal dan de glorie van de heersers zijn? Als zodanig de vertroostingen der ellendigen zijn, hoe zullen de vreugden der gelukzaligen zijn? En Wie dit uitdeelt (praerogare) op weg, wat zal Hij bewaren voor in het vaderland? Och mocht ('t zijn dat) wat in geen mensenhart opkomt: dat we Hem gelijk zullen zijn en dat God alles in allen moge zijn.

3. Verder, jij, zalige zondaar (ofschoon je niet zalig bent omdat je zondaar bent, maar omdat je boetend aangaande de zonde bent), wat, vraag ik, was 'van je ziel' tijdens de omhelzing van de vader en de kussen, toen je –bijna desparaat- opgewarmd werd, toen je, een rein hart vernieuwend voor jou, de vreugde van zijn heil voor jou ingegoten kreeg? Hoe, zegt hij, zal een sermo kunnen uitleggen wat de geest (mens) niet vat? Onuitsprekelijk de verzuchtingen en onuitlegbaar de gevoelens, waar de geïmpregneerde ziel (animus) zwanger is van het onbegrijpelijke. Het mensenhart is er te nauw voor, vandaar ook ontledigd het zichzelf, gescheurd; en het vuur dat 't concipiëert maar niet vat, evaporeert en verteert ht op welke wijze het maar kan, tranen, zuchten, verzuchtingen ... Zij die dit vaker en overvloediger hebben ervaren weten dit beter.

Nu ook, wanneer je, weggezonden na die omhelzingen en kussen, ook jezelf overweegt, wanneer je je zaak nagaat, hoe of hoedanig hij zal zijn door Hem geoordeeld, en wanneer van daar de overvloed van de delicten, en vanhier de over-overvloed van de genade weegt, wat zal jou, dring ik aan, je overweging dan baren? Zal niet een intolerabel vuur in mijn meditatie ontbranden, dáár door smart en schaamte, hier in vreugde en amor? Ik zou niet menen een mens te zijn maar een steen, als ik zó van een hard hart zou zijn, dat ik mijzelf niet zo betreuren of schamen, of als ik zo slecht en ondankbaar was dat ik niet eens geheel in vreugde of amor voor die vader zou smelten.

4. Bewaak dus, o gelukkige zondaar, bewaak zorgvuldig en waakzaam deze geest van jou, dit affect allerrechtvaardigst van nederigheid en piëteit, waardoor je altijd zo over jezelf gevoelt in nederigheid, en over de Heer in goedheid. Niets is groter van de gaven der Heilige Geest, niets kostbaarder in de schatten Gods, niets heiliger tussen alle charismata, niets heilzamer tussen alle sacramenten. Bewaak, als je zèlf bewaakt wil worden, de nederigheid in deze zin en stem waarin je aan de vader belijdt en zegt: Vader, ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden; maak me als een van uw dagloners. Niets maakt zich zo verdienstelijk jegens de vader als het affect van deze stem, en je maakt je niet beter als zoon waardig, wanneer je je zo altijd onwaardig belijdt. Deze nederigheid rechtvaardigt niet alleen de zondaars, maar voltooit ook de gerechten en accumuleert gerechtigheid voor hen op, als ze namelijk zich nederige knechten noemen zelfs als ze wat voorgeschreven is allemaal gedaan hebben.

Jouw zonde zij altijd voor je en wees volgens de raad van de wijze zelfs over der vergeven zonde zonder vrees (Sirach). Onzeker en verborgen zijn de oordelen Gods; men mag zich er niet zomaar over aanmatigen, want niet weten we er zekerder van dat vor Gods Aanschijn geen levende gerechtvaardigd zal worden, tenzij in de mate waarin hij zich zondaar oordeelt. Anders is heel onze gerechtigheid als een menstruatiedoek. Vriendelijk neemt de barmhartigheid je op, vroom warmt ze je op; vrees het oordeel, opdat niet de genade, die gegeven is aan de nederige, ontnomen wordt aan de hoogmoedige. Je hebt gekozen om abject (neergeworpen, vernederd) te zijn in het huis van je vader; je was tevreden om als één van de loonwerkers te worden; sta in dat gevoelen (in die zin), opdat je, zelfs als je gepromoot bent, nog naar grotere wordt voortgetrokken. Neem altijd de laatste plaats of verlang er althans (certe) naar; reken jezelf de dienstbaarheid van een loonwerker, niet de vrijheid toe. Vereer de Vader met de devotie van een zoon, ervan bewust dat Hij dat van je verdient; maar wees content met de nederigheid en labor van een loonwerker, bewust dat jijzelf dat verdient. Nooit te behagen en zonder welke je begint te mishagen, hoeveel je ook sterk schijnt te zijn door deugden of hoeveel je ook de Vader gedienstig lijkt te gehoorzamen.

De nederigheid is de grootste van alle deugden, ofschoon het evenwel nite weet dat het een deugd is. Zij is zo ongeveer de wortel en de kweekplaats van alle (deugden), brandstof en prikkel, zij de top en de spits, bewaking en discipline. Vanuit haar begonnen ze, door haar komen ze vooruit, in haar worden ze voltooid, door haar worden ze bewaard. En terwijl ze maakt dat alle deugden zijn, compenseert ze zèlf, als iets van hen ontbreekt of minder perfect is, baat trekkend van het defect van de ander, de schade van de ander uit zichzelf.

Terug

zoeken