Bronteksten

Uiteenzetting over het hooglied

(Willem van St.Thierry)

Inhoudsopgave

  1. Inleiding

Eerste lied

  1. Eerste strofe
  2. Tweede strofe
  3. Derde strofe
  4. Vierde strofe
  5. Vijfde strofe
  6. Zesde strofe
  7. Zevende strofe
  8. Achtste strofe
  9. Negende strofe
  10. Tiende strofe
  11. Elfde strofe
  12. Twaalfde strofe

Tweede lied

  1. Eerste strofe
  2. Tweede strofe
  3. Derde strofe
  4. Vierde strofe
  5. Vijfde strofe
  6. Zesde strofe
  7. Zevende strofe

1. Heer onze God, die ons geschapen hebt naar uw beeld en gelijkenis om U te beschouwen en U te genieten, U die niemand genietend kan beschouwen tenzij in zover hij op U gelijkt. O glans van het Hoogste Goed, die iedere redelijke ziel door verlangen naar U aantrekt, en des te vuriger naar U toe, naarmate ze innerlijk zuiverder is, en des te zuiverder naarmate ze vrijer is van het lichamelijke ten voordele van het geestelijke: bevrijd van de slavernij aan het bederf datgene in ons wat U alleen moet dienen, onze liefde. Want als de liefde vrij is, bewerkt zij in ons deze gelijkenis op U, in zover wij U met dit zintuig van het leven aanraken, en daardoor U ervaren. Ieder die leeft uit de geest van het leven, die -zoals de Apostel zegt- met onverhuld gelaat de glorie van de Heer aanschouwt, wordt in datzelfde beeld omgevormd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Geest van de Heer .

2. Als we immers een schepsel liefhebben, niet als een weg naar U toe, maar als een genieting op zichzelf, dan is die liefde geen liefde meer, maar begeerte of lust of iets van die aard. En met het verlies van haar vrijheid, verliest ze ook het voorrecht zich liefde te mogen noemen. En de armzalige mens komt terecht op het niveau van de redeloze dieren en wordt huns gelijke . Dit is heel zijn zonde, dat hij op een verkeerde manier geniet en gebruikt; dat hij iets geschapens of een medemens of zichzelf bemint, niet om tot U te komen, maar om in zichzelf ervan te genieten. Al kan men ook van de evenmens en van zichzelf genieten, maar alleen in U, Uzelf echter, o leven van al wat leeft, en goedheid van al wat goed is, U kan men genieten én in U én in zichzelf. En dit is dan de liefde, levend en lichtend, vrij en van het bederf bevrijdend. Bekoorlijker naarmate ze zuiverder is, standvastiger in haar uitwerking naarmate ze sterker is in haar aanhankelijkheid. En terwijl ze in haar zielegrond teder wordt door de godsvrucht, wordt ze juist op het vlak van de daad krachtig door de gerechtigheid.

3. Heer, maak haar vrij in ons; dat met zuivere minne U moge liefhebben uw Bruid, de christenziel, zo rijk begiftigd met uw Bloed als bruidsschat en uw Geest als onderpand; dat ze onder de kommervolle beklemmingen van dit leven, afkerig van haar zwerftocht ver van U, en een al te langdurig verblijf in het vreemde land, voor U haar minnelied zingen mag, dat ze mag herademen, en de pijn haar lichter wordt. Moge zij van U doordrongen worden en ondertussen vergeten waar ze is. Moge zij iets ontvangen, waardoor zij inziet wat haar ontbreekt. Nu is het tijd om barmhartig te zijn, nu is de tijd gekomen. Ge hebt haar meegelokt en weggevoerd de eenzaamheid in, om daar tot haar hart te spreken.

Spreek dan en zeg tot haar, zeg tot haar hart: "Ik ben uw heil", spreek zodat ze het hoort, begeester haar zodat ze het ervaart, geef haar zodat ze bezit, zodat heel haar binnenste U kan zegenen en heel haar gebeente U kan zeggen: "Heer, wie is aan U gelijk?", o Gij, haar helper en ondersteuner , en op een woord van U alleen mogen in verwarring beschaamd staan de velen die tegen haar zeggen, dat er voor haar geen heil is in haar God. Als er nog geen liefde is, kan die er door het gesprek met U komen; als ze er wel is, moge ze dan groeien en sterk worden, totdat uw gevangengenomen dienstmaagd, veroverd krachtens oorlogsrecht en het lot van de overwinning, genade vindt in Uw ogen door waardige vruchten van boetvaardigheid. Dat ze, overeenkomstig de wet, door U ontdaan van al haar overtolligheden, zich overgeeft aan de omhelzing van de Overwinnaar, in eeuwige liefde en onverbreekbare verbintenis.

4. Daarom, nu we op het punt staan te gaan spreken over de bruidszang, het huwelijkslied, het lied van Bruidegom en Bruid, en uw werk, o Heilige Geest, opnieuw gaan lezen en beschouwen, roepen wij U aan: dat we met uw liefde vervuld mogen worden, o Liefde, om het lied der Liefde te begrijpen; dat ook wij enigermate mogen deelnemen aan de heilige gesprekken van Bruidegom en Bruid: dat hetgeen door ons gelezen wordt, zich ook in ons moge voltrekken. Waar het immers gaat over zielsontroeringen, is het niet gemakkelijk te begrijpen wat er gezegd wordt, tenzij door iemand die zelf zulke ontroeringen kent. Doordring ons dan van U, o Heilige Geest; heilige Parakleet, heilige Trooster, troost ons in de armoede van onze eenzaamheid, die geen enkele verkwikking zoekt buiten U. Verlicht en verlevendig het hunkerend verlangen, opdat het worden mag: genietende liefde. Wees aanwezig, opdat we waarlijk liefhebben; dat al wat wij voelen en zeggen, moge voortkomen uit de bron van uw liefde. Moge uw liefdezang zó door ons gelezen worden, dat ze de liefde zelf in ons ontsteekt; ja, dat die liefde voor ons wordt: de tolk van haar eigen lied.

5. We wagen ons echter niet aan de diepere mysteriën over Christus en de Kerk, die er in vervat liggen. Maar we houden ons in en blijven bij onze eigen maat, en vanwege ons armzalig inzicht roeren we van Bruidegom en Bruid, van Christus en de christelijke ziel, slechts vluchtig een morele betekenis aan, hetgeen aan allen is geoorloofd. En als vrucht van onze arbeid zoeken we niets anders dan datgene wat overeenkomt met ons onderwerp, namelijk de liefde zelf.

6. Dit boek van Koning Salomo draagt als titel: Lied der liederen. Enerzijds omdat het door de adeldom van de gevoelens en de verhevenheid van het onderwerp schijnt uit te munten boven alle oude liederen van patriarchen en profeten, want het gaat over de Bruidegom en de Bruid, over Christus en de redelijke ziel. Anderzijds omdat er meer een overeenstemming van heilige ontroeringen uitgejubeld wordt door een gelukkig volk dat weet wat blijdschap is, en dat wandelt in het licht van Gods gelaat, dan dat er eenstemmig gezongen wordt op verschillende melodieën. Het gaat immers over de liefde tot God: over de liefde die gericht staat op God, én over de Liefde als Naam van God Zelf. Of die nu minne (amor) wordt genoemd, of liefde (caritas), of liefde van voorkeur (dilectio), het doet er niet toe, tenzij met dit voorbehoud, dat het woord minne schijnt te wijzen op een zekere tedere zielsgesteltenis van een minnaar, die er zich moeite voor geeft en ernaar dingt, in het woord liefde daarentegen is het meer een geestelijke genegenheid of de vreugde van het genieten; in liefde van voorkeur echter is het een natuurlijk verlangen naar het aangename voorwerp. Maar dit alles ligt vervat in de liefde van Bruidegom en Bruid, en is het werk van één en dezelfde Geest.

Welnu, om het nieuwe lied te zingen, staan de zielehoudingen van alle heilige deugden aan de liefde van Bruidegom en Bruid zó ten dienste dat, als ze goed en geleidelijk opklimmen, ze alle zichzelf overstijgen en uitlopen in wat ze beogen: de liefde. Al het overige verliest zijn kracht, de liefde vergaat nimmer.

7. Het kan ook wel "Lied der liederen" worden genoemd, omdat het vier gezangen schijnt te bevatten. Inderdaad kan men er vier delen in onderscheiden, die elk eindigen in een samen rusten, dat wil zeggen: in een vereniging van Bruidegom en Bruid. Omwille van de eerbied voor het grote mysterie in Christus en de Kerk, heeft de Heilige Geest deze vereniging willen eren met een meer eerbaar woord, en heeft Hij liever willen spreken over "samen rusten" (accubitus), dan over "samen vrijen" (concubitus). De Bruid drukt het zó uit: "Terwijl de Koning op zijn rustbed lag, verspreidde mijn nardus zijn geur". Telkens wordt het samen rusten ingeleid door een eigen bruidszang, een huwelijkslied, waaronder Bruidegom en Bruid als het ware geleid worden naar het bruidsvertrek, waar tot besluit aan de Bruid die ligt in de armen van de Bruidegom, vrede en rustige geborgenheid worden gegeven. Dit is het werk van de Bruidegom Zelf, die met aandrang zegt: "Ik bezweer u dochters van Jeruzalem, maak mijn vriendin niet wakker, en wek haar niet totdat ze het zelf wilt”. Het vierde en laatste schijnt anders te eindigen, in een dieper mysterie. Want terwijl de eerste drie de indruk wekken dat ze een blij feestlied aanheffen op de vereniging van Bruidegom en Bruid, eindigt dit vierde lied in een vlucht, die de Bruid dringend aanraadt aan de Bruidegom, als ze uitroept en zegt: "Vlucht, mijn liefste, en spring weg als een gazel of het jong van een hert". Wat dit betekent, zullen we verderop ter plaatse verklaren, als de Bruidegom het Zelf aan ons wil openbaren.

8. Dit lied is geschreven als een toneelstuk en in de stijl van een toneelspel, alsof het door spelers en handelingen opgevoerd moet worden. Zoals er in toneelspelen verschillende personen en verschillende handelingen zijn, zo wordt het ook in dit lied voorgesteld, dat personen en gevoelens elkaar treffen, om het begonnen liefdespel te voltooien, het mystieke verbond van de Goddelijke en menselijke éénwording. Er zijn vier rollen: de Bruidegom en zijn vrienden, de Bruid en een koor van jonge meisjes. De vrienden van de Bruidegom zijn de engelen, die samen met ons blij zijn om ons geluk, en die hier graag de rol vervullen van geschikte helpers. De jonge meisjes stellen verder de broze nieuwelingen voor. Ze hebben zich aangemeld, om in de leer en de praktijk van de geestelijke liefde met dienstbare nederigheid en ijverige navolging, zich blijmoedig te hechten aan de Bruid, dat wil zeggen: aan de gevorderden. Zó toch wordt heel de liefdes-bezigheid overgelaten aan de verliefden, dat de medespelers in het liefdespel zwijgend staan te luisteren en zich van harte verheugen om de stem van Bruidegom en Bruid, en er in dit hele lied nauwelijks een woord of klank wordt gehoord, dat niet van Bruidegom of Bruid afkomstig is.

9. Het toneelstuk, of het nu historisch is of een fabel of een gelijkenis, kan dit als onderwerp hebben: koning Salomo huwt een dochter van de Egyptische Farao. Eerst heeft hij haar de aanzienlijke gunst bewezen van zijn verlovingsliefde en van de kus. Maar toen, nadat hij haar iets had laten zien van zijn rijkdom en van zijn glorie, heeft hij de wederkerige verbondenheid en de heerlijke kus aan haar onttrokken, totdat zij de donkere huidskleur van een Egyptische en de gewoonten van een vreemde natie heeft afgelegd. Dán zal zij waardig zijn, om toegang te krijgen tot het koninklijk bruidsvertrek.

10. En dit is de geestelijke betekenis ervan. Gekeerd naar God om het Woord van God te huwen, wordt de ziel eerst het inzicht bijgebracht in de rijkdom van de genade die haar voorkomt, en mag ze de zoetheid van de Heer proeven . Maar daarna wordt ze naar huis gestuurd, naar haar zielegrond, om er -gehoor gevend aan de liefde- onderricht en gelouterd te worden, volkomen gezuiverd van ondeugden, en opgesmukt met deugden. Dán zal ze waardig gekeurd worden om toegang te krijgen tot de geestelijke genade van de godsvrucht, tot de liefde voor de deugd. En dat is het bruidsvertrek van de Bruidegom.

11. Dit moest eerst voorop gesteld worden. Als de weg eenmaal gebaand is, kunnen we met grote stappen het geurig spoor van de Bruidegom achterna gaan, onder deze voorwaarde echter dat, als wij van tijd tot tijd de mooie weg hier en daar wat al te weetgierig bezichtigen, onze medereiziger daar geen aanstoot aan zal nemen.

12. Nog een woord voordat we de reis gaan ondernemen. Aangezien alle delen van dit Lied blijkbaar een uiteenzetting vormen over de verschillende toestanden van degenen die bidden ofwel over de vorm, het motief of het onderwerp van het gebed, lijkt het op zijn plaats om iets te zeggen over de verschillende wijzen van gebed. De ijverige en eerbiedige lezer, die al lezend dit Lied doorloopt, zal dan altijd weer tot zichzelf terugkeren, en in zijn eigen hart herkennen, wat hij heeft gevonden in het heilige Lied.

13. Het is duidelijk, dat er drie toestanden zijn waarnaar de bidders zowel als de gebeden worden ingedeeld: de natuurlijke, de verstandelijke en de geestelijke. Iedereen vormt zich op eigen manier een voorstelling van zijn God, want zoals de bidder zelf is, zo'n beeld heeft hij ook van God tot Wie hij bidt. Inderdaad, zoals iemand die gelovig bidt, altijd probeert in het gebed aan God iets degelijks aan te bieden, iets dat waardig is aan God te worden aangeboden, zo houdt hij toch een angstig en argwanend hart, totdat hij enigermate iemand voor zich ziet, waarvoor hij zijn gaven kan neerleggen of waaraan hij die kan toevertrouwen.

14. De natuurlijke mens bidt wel tot God, maar hij weet niet hoe hij behoort te bidden. Hij vraagt aan God niet om Hemzelf of om wat tot Hem leidt, maar om hoger op te klimmen in rang, en om onder zijn tijdgenoten door te gaan voor een kundig man, en niet om een geweten dat zuiver is van zondige daden, noch om een hart dat vrij is van verkeerde gedachten. En zo biedt hij zich aan God aan zoals hij is, een mens die naar van alles verlangt en er om vraagt, maar niet om God Zelf; die slechts een God zoekt, gevormd naar zijn eigen beeld, een God die alles geeft wat men Hem vraagt, behalve Zichzelf. Als deze mens soms zijn aandacht schijnt te vestigen op het Wezen tot Wie hij bidt, stelt hij zich ermee tevreden zich God voor te stellen, terwijl de ogen van zijn hart als het ware gesloten blijven, of te denken aan Hem, die niet gedacht, niet gezien, niet begrepen kan worden. Hij komt er niet toe aan God te denken of Hem te beschouwen zoals Hij is in Zichzelf, maar hij denkt alleen aan zijn macht om het gevraagde te verlenen.

Zo'n mens bidt soms wel met zijn geest, maar zonder verstand. Zijn geest, dat wil zeggen zijn wil is aan het bidden, maar het verstand trekt er geen vrucht uit. En toch, als men zich werkelijk richt tot God, doet men dit nooit zonder vrucht voor het verstand, ook al vraagt men om iets anders dan om Hemzelf, als het maar een redelijke vraag is. Als deze mens bidt, vermenigvuldigt hij zijn dikwijls zinloze woorden en inhoudloze gedachten; een gevoel of een zielsbeweging naar God zoekt hij niet, en als hem zo iets als het ware spontaan overkomt, richt hij het op wat anders. En daarom, zoals vroeger voor het zinnelijke Israël, is de God tot Wie hij bidt, voor hem altijd in een wolk.

15. Voor deze gebedsvorm echter is er geen plaats in het lied der liefde, waarin slechts één vraag wordt geuit, één bede, één verlangen, één liefde. Ook de heiligen kennen in zekere zin het natuurlijk gebed. En hoewel dit soms gebeden wordt ook ten gunste van mensen die ongerechtigheden begaan, -zoals een gebed om vredige tijden, om vruchtbaarheid voor de aarde, om lichamelijke gezondheid,- verenigen de heiligen zich toch niet met de voorkeurverlangens van die mensen. Want al vragen ze om iets anders dan om God zelf, de reden en het doel van hun vragen is God alleen. Godvruchtig en heilig vertrouwen zij alles aan God toe, en geven zich over aan de wil van Hem tot Wie ze bidden, of hun smeekbede wordt verhoord of niet.

16. Zo nu en aan haalt iemand die zo gesteld is, zich zijn Heer en Redder in menselijke gestalte voor de ogen van zijn geest. Zoals hij spreekt van mens tot mens, zo hult hij zich in een menselijk, om zo te zeggen lichamelijk gebedsgevoel. Hij stelt zich Degene voor tot Wie hij bidt, én zich-zelf in gebed, en tussen hen in de zaak waarom het gaat. En volgens de vorm van zijn schema richt hij zijn wijze van bidden in.

Deze manier van bidden komt gewoonlijk meer voort uit eenvoudige godsvrucht, die nog geen weet heeft van de dingen die op God betrekking hebben, dan uit een natuurlijke traagheid of uit menselijke verstandigheid. Die eenvoudige ziel stalt voor Jezus, de goede rechter, gelovig uit wat er aan gevoelens in haar leeft. Ze gaat aan zijn voeten zitten, en wast die voeten met haar tranen en zalft ze op geestelijke wijze met de balsem van een tedere godsvrucht. Dit stelt ze zich wel meer lichamelijk voor, maar juist uit het smaken van die zintuiglijke verbeelding zelf, verdient ze toch dikwijls verlichtingen te krijgen en een warm verlangen naar het geestelijk gebed en de beschouwing. Zonder dat ze zelf weet hoe, geven die lichamelijke verbeeldingen haar enig inzicht in sommige geheimen van het gebedsleven. Dat dit gebeurt in een eenvoudig hart, wordt veel meer bewerkt door de genade van Hem die ze geeft, dan door de ijverige toeleg van hem die er om bidt. Zo iemand bemint immers veel! En daarom wordt hem veel gegeven en vergeven. Zelfs in zijn gebeden voor uiterlijke zaken verdient hij dikwijls verhoord te worden.

17. Ook deze manier van tot God naderen is godsvrucht. Job zegt: "Als de mens zijn eigen beeld in God ziet - wanneer hij namelijk denkt aan zijn gelijkenis met Hem - dan zondigt hij niet". God, de Heer van alles, moet aanbeden en vereerd worden onder de gestalten van vele verschijningsvormen. Maar toch, ook vandaag nog zegt Jezus aan zijn leerlingen: "Het is goed voor u dat Ik heenga, dat Ik aan uw ogen de gestalte van mijn menselijkheid onttrek. Want als Ik niet ga, zal de Trooster niet tot u komen". Zolang iemand immers in het gebed iets lichamelijks toedenkt aan Hem tot Wie hij bidt, is zijn gebed niet echt geestelijk, hoe godvruchtig het ook is. "God is immers geest, en wie Hem aanbidt, moet dit doen in geest en waarheid".

18. Deze eerste vorm van gebed wordt gewoonlijk geïnspireerd door de geloofsbelijdenis, het symbolum. Omwille van de aanhankelijkheid aan het christelijke geloof, heeft men datgene wat men met een trouw hart gelooft, waarachtig en eenvoudig lief. En het beeld dat men zich vormt van de lichamelijke heilsdaden van de Heer Jezus, komt men tot liefde voor Hem.

19. Een verstandig man, die zich door het verstand laat leiden, zet zich in dit opzicht daarom in voor zichzelf. Dit doet hij op aanraden van zijn verstand en met moeitevolle inspanning; en hij heeft de handen vol aan zichzelf, totdat hij als overwinnaar op zichzelf boven heel die beeldenwinkel uitkomt en binnengaat in het rijk van de geest. De goede wil wordt nu een goede gezindheid. Het verlangen van de bidder wordt het inzicht van de schouwer, ja zelfs de liefde van een genietend minnaar. Daar de Heilige Geest de mens in zijn zwakheid te hulp komt begint hij zich te hernieuwen naar het beeld van God. De genade die het verstand, de geest, het leven, de gewoonten en zelfs het fysieke temperament overstroomt, mist zijn uitwerking niet en ordent alles samen tot die ene trek naar het gebed, dat ene ideaal van de liefde, dat ene gelaat van de Godzoeker. Tegelijkertijd is die mens er op uit om God te leren kennen -voor zover Hij het hem toelaat- én zich door Hem te laten kennen. Hij ijvert ervoor, dat het gelaat van Gods schoonheid zich aan hem zal openbaren, ja, dat God Zelf zich zal bekendmaken in zijn zielegrond. Als hij God zó heeft Ieren kennen en zich door Hem gekend weet, zal hij tot Hem kunnen bidden en Hem aanbidden zoals het behoort: in geest en waarheid.

20. En hier hebt u dan de Bruidegom én de Bruid én hun gesprek met elkaar. Immers zoals de Heer het heeft beloofd aan zijn minnaar, begint de goddelijke Majesteit bij hem zijn intrek te nemen en Zich tot op zekere hoogte aan hem kenbaar maken. Omdat de mens niet Gods aanschijn kan zien en in leven blijven, dat wil zeggen: in dit leven God niet ten volle kan leren kennen, daarom drukt God in het hart van zijn minnaar een zekere afbeelding van zijn kennis en vertrouwt die aan hem toe. Dit is niet iets van een vermetel droombeeld, maar van een godvruchtig gemoed. Nog levend in dit lichaam kan de mens zo iets wel vatten en dragen. Dit zijn de eerstelingen van de Geest, het handgeld en de bruidsschat die horen bij het bruidsvertrek, des te eervolIer en overvloediger naarmate de Bruid beter voorbereid is en dichter genaderd tot het bruidsvertrek van de Bruidegom.

21. De man van verlangens vertrouwt dit beeld dat hij van God ontving, niet zo zeer toe aan de eigen willekeur in zijn geheugen, maar aan de genade van God in zijn zielegrond. Daar roept hij het uit op, als hij weer gaat bidden, en omdat hij nu mét zijn smeekbede ook de waarborg van Gods genade onder het oog van zijn Schepper kan brengen, komt hij met groter vertrouwen voor zijn aanschijn. Hoe veelvuldiger dit beeld met toegewijde trouw wordt teruggebracht bij het Origineel, en de trekken opnieuw worden ingegrift, des te meer wordt het God waardig, en des te weldadiger is de uitwerking voor degene die het bezit. Want dit is ook de gang van zaken in de gewone kennis van welk ding dan ook, dat er een kenbeeld van is in de geest of in het geheugen; en het kenvoorwerp zal des te meer vertrouwd zijn, naarmate iemand een duidelijker beeld ervan heeft.

Als het gaat over het kennen van God door de mens, kan het gebeuren dat in het hart soms een grote gelijkenis wordt ingedrukt met het Goddelijke, dat men op de een of andere manier heeft leren kennen. Geen enkele fantasievoorstelling speelt hierin een rol. Maar de zuiverheid van een eenvoudige genegenheid voor God, en een hart, verlicht door de liefde, vervullen dezelfde taak, die men de verbeelding ziet vervullen ten aanzien van de algemene kennis der dingen.

Toch ligt er ook een groot verschil in gelijkenis in tengevolge van Gods verheven natuur. Want die gelijkenis is des te geringer, naarmate ze wordt ingedrukt in een lagere natuur, en des te meer verschillend, naarmate de stof waarin ze gedrukt wordt, verschillend is. Het gaat hier immers over het beeld van de Schepper in het schepsel, van God in de ziel. Maar omgekeerd geeft die genade waardoor men God leert kennen en die, zoals we al hebben gezegd, alleen in de ervaring of het inzicht van de verlichte liefde werkt, een rijkdom van binnen uit, die alle kennis van het geschapene te boven gaat, en hij die haar kent, wordt door haar gelukkig gemaakt. Zij daalt af naar zijn niveau en tilt hem op naar het hare. Voor hem verandert zij de majesteit van haar verheven afkomst in gevoelens van vertrouwelijke en vriendschappelijke genegenheid, en in ervaringen van de goddelijke bekoorlijkheid en goedheid. Zij legt er een des te grotere gelukzaligheid in, naarmate hij arm van geest, nederig en rustig is, vol ontzag voor het woord van God en eenvoudig van hart, een vertrouwde gesprekspartner van de Heilige Geest, iemand die ten aanzien van de eerbiedwaardigheid van de kennis en dat inzicht, oprechter en eerbiediger de zwakke kanten heeft erkend van zijn armoe, zijn geringheid en zijn simpelheid, en die hierbij gevoelens toont, die juist door hun grotere eenvoud fijner aanvoelen; iemand die niet zo zeer steunt op boekenwijsheid, als wel op de macht van de Heer en op zijn gerechtigheid alleen.

22. Dit is de witte steen uit het Boek der Openbaring, waarop een naam geschreven staat die niemand kent, dan hij die hem krijgt. Dit is het verrukkelijke! En tot lof van de Wijsheid staat hiervan geschreven: "in het land van hen die een fijn leven leiden, wordt het niet gevonden".

Of iemand nu bidt met zijn verstand -dit wil zeggen zolang hij nog met behulp van zijn verstand zich op het gebed toelegt,- ofwel dat hij bidt met zijn geest -dit wil zeggen als hij het gebed reeds heeft verworven en in zover hij het heeft verworven, - hoe hij nu ook bidt, hij heeft, zei ik, een gelijkenis en een beeld van God in zijn geest, dank zij de scheppende kracht van de genade. Hoe groter het bevattingsvermogen voor het eeuwige is, hoe beter de gelijkenis zal zijn, en hoe groter de verwantschap aan de kennis van God. En het bevattingsvermogen voor het eeuwige zal des te groter zijn naarmate het meer gelouterd is ten aanzien van de vergankelijke dingen van deze wereld.

Dat is de uitwerking van de verlichtende genade. Zolang God Zich immers slechts laat zien als in een spiegel en in een raadsel, kan de mens Hem alleen beschouwen door middel van innerlijke beelden. Men kan het een spiegel noemen of een raadsel en dan wijst het op een minder of meer verborgen beeld; in ieder geval, zolang de mens hier op aarde leeft, komt hij er niet zonder gebruik te maken van een beeld. Maar hoe getrouwer de geest de waardigheid en de echtheid van het beeld van God in zich heeft verworven, des te meer ook zullen de beelden waarlangs hij tot God opklimt een getrouwere weergave zijn en dichter bij de waarheid komen. Dit gebeurt niet door een vermetele fantasie of bijgelovigheid, die iets verzinnen in God of over God in de eigen geest, wat niet bestaat, maar door middel en naarmate van dat ingegrifte beeld wordt het hem gegeven te kunnen naderen tot Hem die is.

23. Beloven of hopen dat God in dit leven ten volle gezien of gekend kan worden, is immers een allerijdelste verwaandheid. Het verstand, de geestelijke vooruitgang en het liefdesverlangen vermanen, onderrichten en vormen een dergelijke mens, zodat hij God in het gebed God laat zijn. Hij vormt zichzelf naar God, en niet God naar zichzelf. Hij vraagt om niets anders dan om Hem Zelf en om datgene wat tot Hem leidt. Hij stemt er in toe nergens van te genieten dan van Hem en in Hem. Zelfs nergens gebruik van te maken, als dit niet leidt naar Hem toe.

Zolang een mens nog werkt aan zijn loutering is hij, zoals we al zeiden, in die fase van het gebed die we de verstandelijke noemden. Is het werk van de loutering eenmaal volbracht, dan komt hij in de geestelijke fase. Maar evenals het voordelig is, dat iemand die nog in de verstandelijke fase is, steeds vorderingen maakt in de richting van de geestelijke, zo is het ook noodzakelijk dat iemand die reeds in de geestelijke fase is, soms terugkeert naar de verstandelijke. Want dat een geestelijk mens altijd geestelijk voortgestuwd wordt, is niet voor dit leven. Wel moet een man Gods altijd in zijn verlangens handelen overeenkomstig de verstandelijke fase, ofwel in zijn toeleg op de liefde overeenkomstig de geestelijke fase.

Soms heeft hij de indruk, dat hij in het gebed heel de wolk van de verbeelding die komt opzetten, kan overwinnen en te boven komen, al moet hij er dan ook met moeite en strijd tegen worstelen. Menigmaal echter is het uitsluitend het werk van de genade, dat de plichtsgetrouwe inspanning van de goede wil niet belemmerd wordt door de verbeelding en niet vastloopt in de duisternis. Maar plotseling, als hij het niet verwachtte, stijgt in hem tijdens het gebed die diepe ontroering op. Als dan de verbeelding opkomt, dient ze eerder tot hulp, dan dat ze een belemmering vormt. De bemiddeling van de verbeelding is immers soms nuttig en voordelig voor de zwakkere ogen. Ze is een vervoermiddel dat door het lichaam wordt aangeboden. Vertrouwd met het waarnemen en overdenken van stoffelijke voorwerpen en hun eigenschappen, komt de geest die zich overgeeft aan gebed en contemplatie, door het gebruik van dit vervoermiddel tot de waarheid. Het is dan wel in een beeld, maar toch komt de mens door middel van zo'n gedachte-beeld tot de kern van de waarheid, die hem aantrekt.

24. Daarom heeft de Heilige Geest, toen Hij op het punt stond om het lied van de geestelijke liefde aan de mensen in handen te geven, heel het geestelijke en goddelijke van zijn innerlijke werkzaamheid omkleed met beelden, ontleend aan de lichamelijke liefde. Daar alleen de liefde ten volle het Goddelijke kan begrijpen, zal de lichamelijke liefde, als ze opgeleid is en omgevormd in de geestelijke liefde, vlug in zich opnemen waar ze van nature op gelijkt. En daar het onmogelijk is dat echte liefde, die hunkert naar waarheid, langdurig blijft hangen en rusten in beelden, zal ze nog vlugger langs de voor haar bekende weg het doel bereiken, waartoe de beelden uitnodigen.

Maar al is iemand ook nog zo'n geestelijk mens, toch heeft hij zijn natuurlijke vreugden van de lichamelijke liefde, die voortvloeien uit het samenleven met zijn lichaam. Als deze eenmaal geboeid zijn door de Heilige Geest, zal hij ze inschakelen in dienst van de geestelijke liefde. Vandaar dat hier een onbekende als uit een schuilhoek onbeschroomd te voorschijn springt, en niet zegt wie ze is, noch waar ze vandaan komt, noch tot wie ze het woord richt, maar volgens de tekst dit roept: "Dat Hij mij kusse met een kus van zijn mond".

25. 0 Liefde, waaraan iedere liefde
haar naamt ontleent,
ook de lichamelijke,
en zelfs de ontaarde liefde,
Heilige en heiligmakende Liefde,
zuiver en zuiverend,
levenschenkend leven,
open voor ons uw heilig lied,
ontsluier het mysterie van uw kus,
en de diepe zin van uw gefluister,
waarmee Ge in het hart van uw zonen
betoverend zingt over uw kracht
en het zalig genieten van U.

Leer ons uw geheime wenken verstaan, waardoor U zich bekend maakt aan Uw vertrouwelingen, aan hen die U eerst zuivert van onreinheden, opdat ze de ontvankelijkheid voor U verwerven. Samenwonen met onzuivere begeerten en genoegens acht U beneden uw waardigheid en dat bent U ook aan niemand verschuldigd, want U bent van omhoog en U trekt mee naar boven. Maar zij zijn allen van beneden.

Leer ons dat oord binnengaan, waar die bewonderenswaardige Woontent staat, en doordringen tot aan het verblijf van God, met een stem die de klank heeft van iemand, die aan een feestmaal deelneemt onder gejubel en lofprijzing. Leer ons binnengaan in die toestand van de geest, waarin de tafelgenoot, - of liever hij die van tafel opstaat met nog grotere honger - uitroept: "Dat Hij mij kusse met een kus van zijn mond".

Terug naar de index

Eerste lied

26. Uit de volgorde van de feiten en de vorm van de gesprekken kunnen we het volgende opmaken: zoals eertijds die Egyptische naar Salomo is gekomen, zo is het schuldige, maar bekeerde hart tot Christus gekomen. Plechtig is ze als Bruid onthaald, ze heeft een ruime bruidsschat ontvangen, en is binnengeleid in de voorraadkamers, waar de goddelijke rijkdommen worden bewaard. Daar is ze gevoed met melk aan de borsten van de Bruidegom, en doortrokken met de geur van de reukwerken. De naam van de Bruidegom is haar bekendgemaakt en tevens het geheim van die naam. En toen het hart van de Bruid als van liefdevuur ontvlamd was, heeft de Bruidegom plotseling het vertrek verlaten en is weggegaan. En mét Hem is ook heel de aantrekkelijkheid en de glans van de voorraadkamers verdwenen. Hij is heengegaan zoals Jezus van de Joden heenging en heeft Zich verborgen voor haar, door aan haar zijn bekoorlijke nabijheid en de vreugde van zijn gelaat te onttrekken.

27. Toch moeten we daarom niet voorbij lopen aan de vorstelijk-rijke en heerlijke voorraden van onze koning, die liggen opgeslagen in de voorraadkamers. Ze zijn degelijk en voedzaam in het gebruik en van een levenskrachtig genot. Wie ervan eet, komt weer tot leven; wie ervan drinkt, wordt er blij van; ze voeden én versterken. Hij die deze spijs eet en er van geniet, ervaart diep in zichzelf heel het nut en alle vrucht er van. Ze zijn niet te vergelijken met goud en zilver en dergelijke zaken die geen ander nut hebben, dan om er naar te kijken en ze in bezit te hebben.

Maar van deze goederen ligt een gedeelte in de voorraadkamers en een ander deel in de wijnkelder. De voorraadkamers echter en de wijnkelder liggen zeer ver uit elkaar, niet door een plaatselijke afstand, maar door het verschil in verdienste, genade en waardigheid. Hiervan immers zegt de profeet: "Wijsheid en wetenschap, dat zijn schatten van het heil” (Jesaja 33,6). In de uitdrukking 'voorraadkamers' wordt de wetenschap voorgesteld, met alles wat uit haar voortvloeit. Daarom wordt ze ook aangeduid met een meervoudige naam, want een andere profeet zegt: "De tijden verglijden en de wetenschap zal zich uitbreiden" (Daniël 12,4). Voor de wijsheid, die wordt voorgesteld door de wijnkelder, is slechts één ding nodig.

De wetenschap die wij op het oog hebben vloeit voort uit de christelijke levenshouding. Ze is niet trots, maar bouwt op in een liefde die inzicht heeft in de Schrift, en die in haar geloof, in haar gedrag en haar leven onderricht is door de voorzichtigheid. In de menselijke ziel is dit het aandeel van het verstand, dat de eigen werkplaats is van geloof en hoop. Ofschoon de liefde er niet geheel en al afwezig is, heeft zij haar eigenlijke woning in de wijnkelder.

28. Want zoals het onmogelijk is God te beminnen zonder in Hem te geloven, zo is het ook volstrekt onmogelijk Hem niet te beminnen, als men waarachtig in Hem gelooft, op Hem hoopt en Hem kent.

De wijnkelder stelt echter de wijsheid voor. Dat is de godsvrucht die wijst op de eredienst van God, en het hart dat zich heeft opgericht van het lagere naar het hogere, niet door een hoogmoedige kennis, maar door een vrome liefde. Dit gebeurt als de geest van de mens zich richt naar de geestelijke toppen, zodat hij een onveranderlijke kennis krijgt van de eeuwige onveranderlijkheid van God voor zover dit recht gegeven wordt aan de veranderlijke mens, en als hij leert de veranderlijke dingen te beoordelen naar Gods onveranderlijke raadsbesluiten. Deze gaan weliswaar de mens te boven, maar toch zijn ze niet geheel en al vreemd aan de natuur van het menselijke verstand. Dat blijkt hieruit, dat degenen die door een verkeerde levenswandel tegen die raadsbesluiten ingaan, toch meestal -dank zij hen- tot eerlijke en rechtvaardige meningen en oordelen komen. Heel het oprechte menselijke handelen en ervaren, wordt naar vorm en inhoud afgeleid van de goddelijke raadsbesluiten. Want daaruit bestaat alles, en daarin bestaat het voort, en de kringloop van alles wat bestaat richt zich daarnaar.

Zoals het eigen is aan de wetenschap en aan het geloof, zich Christus in te denken en te ervaren overeenkomstig datgene wat zich in zijn Mensheid openbaart, zo is het eigen aan de wijsheid en de liefde in Hem de glorie van Gods Majesteit te smaken en te beschouwen, en zelfs in zijn menselijke handelingen de kracht van zijn goddelijke werkzaamheid te zien. In de levenswijze van de mens vervullen wetenschap en verstand ten opzichte van de daad dezelfde rol als de wijsheid ten opzichte van het gevoelsleven. De wetenschap verzamelt, maar niet voor zichzelf. Ze maakt honing zoals de bijen, maar voor een ander. Van alles wat ze verzameld heeft, wordt haar slechts enig uitwendig gebruik toegestaan, terwijl de innerlijke smaak ervan wordt voorbehouden aan een andere persoon en voor een andere plaats.

De studie van deze wetenschap vereist de regelmaat van het gemeenschapsleven. Voor de volmaakte wijsheid daarentegen is de eenzame afzondering of tenminste een hart, dat zelf in de massa eenzaam is, een vereiste.

29. Eenmaal in de voorraadkamers binnengeleid, leerde de Bruid veel over de Bruidegom en veel over zichzelf. De melk van de borsten, de geur van de reukwerken, de naam van de Bruidegom, die haar is meegedeeld, en het uitgieten van zijn balsem, dit alles wat haar daar gegeven is bij de eerste ontmoeting met de Bruidegom, was een opwekken van de liefde en een lokaas van de goddelijke Ontvoerder.

Maar toen is Hij het werk van de zuivering aan haar begonnen, om haar op de proef te stellen en haar te louteren, maar zonder haar echter voorgoed in de steek te laten. Want de Bruidegom heeft het vertrek verlaten en is weggegaan. Juist nu zij door de liefde gewond is, en ze brandt van verlangen naar de Afwezige, nu ze zacht ontroerd is door het ongewoon heilige, verjongd door het fijne voorproefje, nu voelt ze zich plotseling opzij geschoven en op zichzelf teruggewezen. Ze heeft al genoeg gekregen van die voorraadkamers, die haar voorkomen als leeg en verlaten. Bij afwezigheid van de Bruidegom namelijk brengt de wetenschap niets anders dan smart, zoals er geschreven staat: "Wie kennis vermeerdert, vermeerdert de smart". Samen met haar jonge gezellinnen, die tot op zekere hoogte haar deelgenoten waren in de gunst die ze ontving in de voorraadkamers, loopt ze naar buiten en gaat het geurige spoor achterna van haar Geliefde, die haar ontsnapt is. En in de hitte van haar verlangen heft ze het heilig Lied aan en stoot ze deze kreet uit: "Dat hij mij kusse met een kus van zijn mond”.

Terug naar de index

Eerste strofe


Dat Hij mij kusse met een kus van zijn mond!
Want beter dan wijn zijn uw borsten,
Geurend van heerlijke balsem.

Uw naam is als uitgegoten olie.

Daarom hebben de meisjes U lief:
Trek me mee in uw spoor,
we zullen voortsnellen
in de geur van uw balsems.

30. Ik heb zijn gelaat zien lichten over mij, zegt ze. De vreugde van zijn aanschijn heb ik ontvangen. Ik heb gevoeld dat de genade ligt uitgestort op zijn lippen. Laat niemand er zich in mengen, laat niemand tussenbeide komen. Maar laat Hij Zelf me kussen met een kus van zijn mond. Want ik verdraag verder al niets meer, de adem van de kus van een ander laat ik niet toe. Alle andere kussen hebben voor mij een kwalijke geur. Alleen de kus van de Bruidegom ademt iets Goddelijks uit.

De kus als liefdevolle en uitwendige lichamelijke vereniging dringt aan op een innerlijke vereniging, waarvan ze het teken is. Wat met behulp van de mond wordt uitgedrukt, beoogt niet slechts een samenvoegen van lichamen, maar ook een wederkerige uitwisseling, een samensmelten van geesten.

Christus, de Bruidegom, heeft aan zijn Kerk, de Bruid, om zo te zeggen een kus uit de hemel aangeboden, toen het Woord vlees werd. Zo dicht is Hij tot haar genaderd, dat Hij Zich met haar verbonden heeft. Zo intiem is die verbondenheid, dat Hij één werd met haar, zodat God mens en de mens God is geworden. Aan de trouwe ziel, zijn Bruid, biedt Hij diezelfde kus ook aan. En Hij geeft haar die, als Hij haar de genade van zijn liefde instort, en haar daarbij een geheel eigen en persoonlijke vreugde meedeelt, als zij de weldaden overdenkt die aan allen geschonken worden. Hij trekt haar geest naar zich toe en stort haar zijn eigen Geest in, zodat ze onderling één geest zijn.

31. Bij het heengaan heeft de Bruidegom zijn Bruid vluchtig gekust in de voorraadkamers, en nu is ze ontbrand van verlangen naar de volledige kus en naar de volle zoetheid ervan. Hierover zei onze Heer tot Zijn Vader toen Hij bad voor zijn leerlingen: "Vader, Ik wil dat zoals Gij en Ik één zijn, ook zij één zijn in Ons; opdat de liefde waarmee Gij Mij bemind hebt in hen moge zijn, en Ik in hen". Wat wil dat anders zeggen dan dat zij uit zijn volheid heeft ontvangen, genade op genade, te weten: na de geloofsgenade ook de genade van zijn liefde. Nu verlangt ze naar de volheid ervan, de volheid namelijk van de Heilige Geest die de eenheid is én de liefde van de Vader en de Zoon, en in Hem naar de volle vreugde die niemand haar ontnemen kan. Ze zou ontbonden willen zijn om met Christus te zijn. Na het hoogste goed gesmaakt te hebben, vindt ze het voor zichzelf niet meer nodig nog Ianger in het lichaam te blijven.

32. Dat ze in de leer gaan, zij die hier geen weet van hebben, dat ze zich omkeren om het te zien. Mogen ze ijver krijgen om te leren ervaren, hoe dit zich afspeelt in het gedrag en het bewustzijn van hen die zich bekeerd hebben tot de Heer, en een nieuw leven leiden. Hun hart en hun hele leven wordt verdeeld tussen dat verdriet en die vreugde: verdriet om de afwezigheid van de Bruidegom, vreugde om zijn aanwezigheid. En het enige waarnaar ze uitzien is de eeuwige vreugde van zijn Aanschouwing. Bij hen gebeurt zo iets niet één enkele maal of op één enkele manier, maar het overkomt hen dikwijls en op vele en verschillende manieren. En heel deze moeitevolle oefening in het beminnend hart en in het omhoogstrevend leven is niet iets van één dag, maar van veel tijd. Het voltrekt zich op vele en velerlei manieren naargelang de tederheid van de verschillende gevoelens en overeenkomstig de gemaakte vorderingen.

33. 0 Bruidegom van zuivere zielen, zo lang al duurt het dat U zegt tot de Bruid: "Ik ga heen en Ik kom terug", en dat U niet voorgoed bij haar blijft. Terwijl uw zonen zolang al in ballingschap zijn, in een land dat het hunne niet is, o Vader der wezen, laat U toe dat ze menigmaal gekweld worden door de pijn van hun heimwee. Als bannelingen versmachten ze van liefde naar uw liefde. Door deze vooruitziende beschikking van Uw wijsheid loutert U hen in de vuuroven van hun eigen armzaligheid, en de moeite waaraan ze onderhevig zijn trekt hen krachtiger naar U toe, juist omdat het zo moeilijk is door U aangenomen te worden. Van tijd tot tijd echter zet U, uit louter goedheid, spontaan een deur open voor uw kleintjes en stuurt ze niet weg als ze bij U komen. En U staat hen toe in Uw schoot te liggen schreien. Ze willen daar niet getroost worden in hun tranen, want dan zouden ze niet meer schreien bij U. En ze beschouwen het juist als een zeer hoge gave van U, te kùnnen schreien bij U. Deze tranen gestort voor Uw aanschijn, hun Heer en God, Die hen gemaakt heeft, beschouwen ze als mateloos goed en zoet. En daartoe juist geeft U hen een vorming: om te schreien bij U.

Als Ge U gewaardigt de stromende tranen af te drogen dan vloeien ze nog overvloediger. Deze hand van Hem die de tranen droogt, roept in hen zoiets als een zoete pijn op, en vervult hen bovendien met een gevoel van welbehagen, en schenkt hun in het bewustzijn van een goede hoop de grootste troost in datgene waarover ze de grootste droefheid voelen. Enerzijds immers is die vreugde-schenkende onstuimigheid van de tranenvloed een duidelijk teken van uw aanwezigheid; en anderzijds kan de ballingschap van uw zonen in den vreemde hen niet doen vergeten, dat ze onderweg zijn.

Dat samentreffen van die vreugde en die smart doet die zalige en heerlijke tranen uitstromen. Tranen van smart, maar zo zoet vanwege de liefde, van liefde voor U, o Liefde. Treuren om U is een grote vreugde, schreien om U een zeer grote troost, zich verheugen in U is allerhoogste zaligheid.

34. Dit zoete liefdespel tussen troost en treurnis, verlokken en achterna snellen, woord en wederwoord, liefkozing en liefde, vormt de hele verdere inhoud van dit Lied zowel in de woorden als in de handelingen. Maar ditzelfde speelt zich ook voortdurend af in de zielegrond en in het hart van de Bruid, wie zij ook is, als zij voor haar Heer en God haar ziel uitstort en met vreugde luistert naar wat God de Heer spreekt in haar. Het gesprek tussen Bruidegom en Bruid is een getuigenis en tevens een toewijding van een liefdevol hart. De Bruidegom getuigt diep in het hart van de Bruid van haar verdienste; en de dankbare toewijding van de Bruid geeft op haar beurt aan de Bruidegom de gevoelens van trouw die Hem toekomen.

35. De Bruid is dus weggegaan uit de voorraadkamers van de koning waarin ze was binnengeleid om de beminnelijkheid van de Bruidegom te beschouwen. Door het proeven van zijn goedheid en door die heerlijke ervaring, verlangt ze nog slechts naar Hem die zo beminnelijk is en die Zich zo bemind weet te maken. Als onderpand heeft zij de Geest ontvangen, en kwijnt ze weg van verlangen naar het Heil van God. Ze heeft genoeg van deze voorraadkamers, zegt ze, die leeg zijn nu de Bruidegom afwezig is. Ze heeft genoeg van deze dagelijks herhaalde beloften, van deze duistere geheimen, van deze vergelijkingen en spreuken, van spiegel en raadsel.

Ik verlang naar het Mysterie van het Rijk Gods. Dringend vraag ik, dat de Vader Zich aan mij openlijk bekend zal maken, van aangezicht tot aangezicht, oog in oog, kus op kus: Dat Hij mij kusse met een kus van zijn mond.

36. Maar waarom spreekt ze als over een afwezige en zegt ze: "Dat Hij mij kusse", in plaats van: "Kus mij?” In de voorraadkamers heeft ze zich vermoedelijk reeds veel ingespannen om Hem te kennen zoals zij zelf door Hem gekend is. Dit is de kus der volmaaktheid. Maar bij monde van de profeten, de apostelen en andere leraars, en door de kennis der Schriften, heeft de Bruidegom haar als het ware al verschillende kussen van zijn genade aangeboden. En zo -als was zij voldaan- heeft Hij zich van haar teruggetrokken en is weggegaan.

Zij begint nu echter bitter te klagen, zoals men klaagt over een afwezige, en ze roept Hem ongeduldig achterna met de woorden: "Dat Hij mij kusse met een kus van zijn mond.” Alsof ze wil zeggen: Hoe lang moet ik me tevreden stellen met de kus der wetenschap, die de kus is van een vreemde, en die mijn smart alleen maar groter maakt? Al verdien ik die kus van volmaaktheid niet, laat Hij mij toch tenminste een of andere kus van zijn mond geven alvorens Hij van mij weggaat. Een kus, die mij wordt overgebracht, is ook wel goed. Maar bij het overgieten van het ene vat in het andere heeft ze merkbaar ingeboet aan de volle kracht van haar bekoorlijkheid. Wat zijn dienaar te bieden heeft, dat is kennis. Maar wat de adem van zijn mond en van zijn kus toeademt, dat is de smaak. Pas als ik in Hem mijn volle vreugde zal vinden, zal die kus me ook ten volle smaken.

37. Nu de Bruidegom is weggegaan, volgt ze Hem met een blik van de ogen, waar ze maar kan. En ze vindt het heerlijk tot Hem te spreken, al hoort Hij het niet meer. "Want uw borsten zijn beter aan wijn", zegt ze. Alsof haar gevraagd is: Waar haalt u zo gauw de overmoed vandaan, die zo vastberaden om de kus vraagt?, zegt ze: "Aan de borsten van uw vertroosting, Heer”, want uw borsten zijn beter aan wijn. Ze zijn heerlijker om eraan te zuigen, méér in staat om vreugde te schenken, en ze voeren gemakkelijker tot dronkenschap. Door hen ben ik gevoed, zodat ik naar de kus verlang, door hen ben ik bedwelmd, zodat ik er aanspraak op durf maken.

38. Zolang als er hier op aarde geleefd en gezwoegd wordt, welke de charismatische gaven en soorten vertroostingen ook zijn, die U geeft aan de zonen van uw welbehagen, in de verdeling van de genadegaven, in het maken van vorderingen of in de groei der deugden, in de glans van de goddelijke verlichting, in gevoelens van innige rouwmoed, en in verrukkingen van goddelijke contemplatie, in dat alles zijn het uw borsten, o goddelijke Wijsheid, die uw kleintjes voeden zolang ze nog zuigelingen zijn ten aanzien van de heiligheid, uw borsten die getuigen tot aan de voltooiing der tijden, dat uw aanwezigheid hun niet zal ontbreken.

Maar als hun tijd eenmaal gekomen is, de tijd van uw welbehagen, laat dan niet toe dat hun mond onwaardig wordt geoordeeld om uw mond te kussen, dat wil zeggen, te komen tot de volheid van de volmaakte kennis van U. U hebt hen immers ten tijde van hun geduldige lijdzaamheid door middel van deze borsten de melk van uw hart gegeven als voedsel voor geestelijke kennis, en om vooruitgang te maken in uw volmaaktheid. Want als zij soms elders een of ander vergif hebben opgezogen, is het noodzakelijk dat ze genezen en gezuiverd worden door het aanraken van deze heilige borsten, en door de geneeskrachtige geur van uw heilzame balsems. Omdat de Bruid dus in haar menselijke zwakheid die altijddurende en gelukzalige vereniging en die kus van de eeuwigheid niet verkrijgen kan, nestelt ze zich aan deze borsten. En omdat ze niet bij uw mond kan komen, brengt ze haar mond aan uw borsten, en daar komt ze tot rust en zegt: "Uw borsten zijn beter dan wijn".

39. Merk tevens ook op, dat in de vraag om de kus -de hoogste uitdrukking van liefde waartoe de mens biddend in staat is- hij zijn blik gericht houdt op dat licht van Gods aanschijn. Maar door de terugkaatsende schittering van die liefde buigt hij zich spoedig neer in de meer gewone deugden en oefent zich daarin, als hij zegt: "Uw borsten zijn beter dan wijn. Geurend van heerlijke balsems. Uw Naam is als uitgegoten olie". Toen ik tot U kwam, hebt U me aanstonds de borst gegeven van uw zoetheid. Dat was het eerste voedsel van uw genade. En als gevolg van uw verrukkelijke zoetheid én van de goede grond van het hart, gaf uw borst mij iets dat beter is dan alle wijn van wereldse wijsheid of het genoegen van lichamelijk genot. Ze wasemen de geur uit van de beste balsems van de zeven gaven van de Geest.

Die gaven zijn onder uw inwerking in mij gekomen in hun eigen volgorde. Op de eerste plaats grijpt het ontzag voor U me aan en stuwt me op een nogal strenge manier naar U toe. Vervolgens komt de godsvrucht me tegemoet, die me een goede ontvangst in U bereidt. Daar ze volgens de Schrift uw eredienst is -want zoals Job zegt is de godsvrucht de eredienst van God- heeft ze, toen ze mij leerde U te eren, mij in de Heilige Geest leren zeggen: Heer Jezus. En aanstonds is de olie van Uw Naam uitgestort door U en ingestort in mij als een heerlijke geur en als een bron van gezondheid, die heel mijn stijfheid lenig maakt, die mijn scherpe kanten bijschaaft, en mijn ziekten geneest. Het juk van mijn vroegere gevangenschap blijkt verrot te zijn, als het in aanraking komt met de olie van deze Naam. Maar uw juk, Heer, is mij zoet geworden en uw last licht.

Het horen van uw Naam, of het nu 'Heer' is, of ‘Jezus' of 'Christus', geeft onmiddellijk vreugde en blijdschap aan mijn oren . Want zodra die Naam weerklinkt in het oor, schittert ook het geheim van die Naam in het hart, straalt de liefde in het gemoed en wekt op tot toegewijde dienstbaarheid aan de Heer, tot godsvrucht en liefde voor de Verlosser -want dat is de betekenis van ‘Jezus'- en tot gehoorzaamheid en ontzag voor Koning Christus.

40. Het is terecht, Heer Jezus, dat voor elk van Uw Namen iedere knie zich buigt in de hemel, op de aarde en in de onderwereld . Want hoe U ook genoemd wordt, altijd drukt die Naam een verhouding uit tot ons. En elke verhouding, uitgedrukt door zo'n Naam van U, brengt iets naar ons over van een van Uw goede gaven. Want 'Heer' betekent dat U heerst door Uw weldaden; 'Jezus' dat U redt; ‘Christus' dat wil zeggen 'gezalfde', dat U als koning regeert en als priester verzoent. Want dat U Zoon van God geworden bent met macht bekleed, daartoe had de verhouding van Zoon tot Vader U al aangewezen. En degenen die in de Heilige Geest hebben leren roepen "Abba, Vader" weten dit. Ze zien in dat ze juist hierdoor zonen van God en uw broers geworden zijn, en dat de olie die is uitgegoten over Hem, ook ons in zo grote maat ten deel kan vallen. Juist hiervoor hebt U ons vrijgekocht, o goede Broer. Als U ons niet zou verlossen, dan zou er geen mens, geen engel, geen enkel schepsel zijn, dat ons zou vrijkopen. U kwam immers als de eniggeboren Zoon, maar U hebt niet de enige willen zijn. Een groot aantal zonen hebt U de glorie binnengeleid en U hebt zich niet geschaamd hen broers te noemen, toen U zei: "Ik zal uw Naam bekend maken aan mijn broers".

41. Daarom zegt de Bruid: Omwille van de zoetheid van uw borsten, omwille van de geneeskracht, verbonden aan de olie van uw Naam, hebben ook de jonge meisjes die met mij samen zijn, U lief. Jonge planten zijn ze in uw dienst, jonge zielen vernieuwd in hun geestelijke gezindheid. In nieuwheid van geest gaan ze voort en ordenen de geestelijke opgang in hun hart. Ze gaan van deugd tot deugd, komen van klaarheid tot klaarheid, als bewogen door de Geest van de Heer. leder van hen apart zegt: "Trek me mee in uw spoor". En samen zeggen ze: "In de geur van uw balsems zullen wij voortsnellen".

42. De geur van de balsems, dat is bij de Bruidegom de faam van zijn deugden, die een heerlijke geur verspreiden voor de jonge meisjes die op tocht zijn. De aantrekkingskracht, dat is de lokroep van de liefde. Maar de zalving, die de Bruid alles leert, blijft. En tussen die geur en die zalving is er een grote afstand.

Nu de Bruid toch van de voorraadkamers is buitengesloten en verlaten is door de Bruidegom, valt zij onder een bijna gelijke voorwaarde als de meisjes, daar ook zij slechts teert op de geur van de Bruidegom. Dit is blijkbaar ook de reden waarom zij zich bij hen voegt en zegt: "In de geur van uw balsems zullen wij voortsnellen". Zij die zich vrijwillig laat verlokken, ondergaat in haar vaart zijn aantrekkingskracht. Zolang als haar, in de bekoorlijkheid van de geur, de kracht van de zalving toewaait, is er in haar streven naar geestelijke vooruitgang geen oponthoud of moeilijkheid. Ze volgt de wegvliedende Bruidegom door het belijden en herdenken van zijn weldaden: zijn borsten, zijn balsems, de geur en de uitgegoten olie. Het dankbaar gedenken van vroegere weldaden is immers een zeer goede en wijze manier om te bidden, aangenaam aan God en geschikt om nieuwe weldaden voor de toekomst te verkrijgen.

43. "Trek mij in uw spoor", zegt de Bruid, "in de geur van uw balsems zullen we voortsnellen". Zie nu hoe ze moe is en bezwijkt, en hoe ze er behoefte aan heeft, om getrokken te worden. Alleen de geur van Hem, die ze niet meer ziet, trekt haar nog aan, en doet haar voortsnellen. Daarom ook zegt ze: "In de geur van uw balsems zullen we voortsnellen". Alsof ze zei: Ofschoon ik voorlopig de vreugde van uw gelaat niet verdien te aanschouwen, noch de kus te ontvangen van uw mond, onttrek me tenminste niet de geur van uw balsems.

De aanwezigheid van de Bruidegom, dat is: de weldadige herinnering aan Hem; dat is een geest die bestraald wordt door het licht van zijn gelaat; dat is de zalving van de H.Geest, die alles leert.

De geur van de balsems die zijn spoor aangeven, dat is een zekere indruk van de wegebbende zoetheid, die nog in het geheugen is blijven hangen, en een feestelijke herinnering in wat er over is van de ervaring, bij het zich te binnen brengen van de ondervonden troost. "In de geur van uw balsems dus, zegt ze, zullen wij voortsnellen". Als die geur ons blijft trekken, blijven wij lopen. Maar als die geur ons ontvalt, moeten wij wel bezwijken. Daarom voegt ze er deze woorden aan toe, terugdenkend aan de ontvangen weldaden: "De Koning heeft me binnengeleid in zijn voorraadkamers".

Terug naar de index

Tweede strofe


De Koning heeft me binnengeleid
in zijn voorraadkamers.

Wij willen dansen
en in U ons verblijden,
denkend aan uw borsten,
meer dan aan wijn.

Oprechten beminnen U.

44. Op de eerste plaats is het haar een vreugde Hém Koning te noemen, door Wie ze geleid wenst te worden. In de Heilige Geest zegt ze dan ook: ‘Heer Jezus', tegen Hem, dien ze graag wil dienen, en spreekt zodoende haar gezindheid en bereidwilligheid uit met de klank van haar stem. Hierdoor krijgt ze dan een ruimere hoop, en juist door die hoop ontbrandt ze dan weer in een nog grotere liefde voor de Afwezige. En als keek ze hem achterna, zegt ze: "Wij willen dansen en in U ons verblijden, denkend aan uw borsten". Door hun melk ben ik gevoed, met hun balsems ingewreven, door hun geur versterkt.

Kijk nu eens, hoe ze zich inspant, hoe ze angstig is. Nu eens spreekt ze Hem aan, en dan weer spreekt ze over Hem. Iemand die bemint heeft niet genoeg aan een enkele weg om te benaderen wat hij liefheeft. Daarom smacht ze met grotere hunkering naar de beschouwing van Hem, die nu afwezig is. En ze zegt: "Oprechten beminnen U”.

45. Alle dieren staan van nature gebogen naar hun buik en naar de grond. De mens alléén staat door zijn rechte lichaamshouding gericht naar de hemel, en toont daardoor dat hij van nature iets gemeen heeft met de hemelingen. "0prechten beminnen U”, zegt ze. En daarmee bedoelt ze de mensen. Want wie in zijn liefde voor U niet oprecht is, is geen mens, maar een stuk vee.

46. De herinnering aan de ontvangen weldaden, de hoop op de toekomstige weldaden en een oprechte liefde in haar dank voor beide, deze drie moeten we onderzoeken en nagaan waarin hun verscheidenheid bestaat. Ze staan in verband met de voorraadkamers van de Koning en het past niet ze verborgen te houden. Ze zegt: "We willen dansen en in U ons verblijden". Dit heeft betrekking op de toekomst. Aangaande het verleden zegt ze: "Denkend aan uw borsten". De derde uitspraak is "Oprechten beminnen U”.

De herinnering aan vroegere weldaden maakt ons aanhankelijk aan de Heer onze God. De hoop op de toekomst weerhoudt er ons van, Hem te willen verlaten. De oprechte liefde versterkt ons, zodat we dat zelfs niet meer kunnen. De herinnering aan de voorraadkamers echter tijdens de afwezigheid van de Bruidegom, is een aanmaning voor de zonen van de Bruidegom, om hun toevlucht te zoeken in de vertroosting van de Schriften, als de genade van de geestelijke vertroosting hun onttrokken wordt.

Zo is immers degene die Bruid is: als ze buiten haar zinnen is, is het om God, en het Lam volgend waar Het gaat, geeft ze zich geheel over aan de liefde. Maar als ze weer nuchter tot zich zelf komt, moet zij zich helemaal bergen in het verstand, en haar vastende geest voeden met de vrucht van de geestelijke kennis. Ze moet terugkeren naar de herinnering aan de voorraadkamers en de borsten, dat is, zoals we gezegd hebben: haar toevlucht nemen tot de troost der Schriften . De beide Testamenten zijn daar voor haar de twee borsten van de Bruidegom. Hieruit wordt de melk gezogen van alle heilsdaden die voltrokken zijn in de tijd, ten bate van ons heil in de eeuwigheid, om te komen tot die vaste spijs, die het Woord van God is, God bij God. De nederige Christus immers is onze melk. Als God aan God gelijk, is Hij voor ons een vaste spijs. De melk voedt, de vaste spijs doet groeien.

Het zuigen aan deze borsten gebeurt in de voorraadkamers: Want in de Schriften leert men die heilsdaden kennen. De Bruid begint inzicht te krijgen, dat is de betekenis van het zuigen aan de borsten. Wat ze met het verstand heeft ingezien, overweegt ze. Dat wordt bedoeld met de herinnering aan de borsten. Daarin vindt ze een reden voor haar lichaam om te dansen, voor haar geest om blij te zijn. Want voor haar lichaam is er de belofte van onbederflijkheid, nadat het door het bederf is heengegaan; voor haar geest is er de toezegging God te aanschouwen, en in de liefde tot God wordt haar oprechtheid ingeschakeld.

Terug naar de index

Derde strofe


Zwart ben ik, maar toch mooi gevormd,
dochters van Jeruzalem,
als de tenten van Kedar,
als de paviljoenen van Salomo.

Let er niet op dat ik zwart ben,
en door de zon ben verbrand.
De zonen van mijn moeder bestreden mij,
en lieten mij de wijngaard bewaken;
mijn eigen wijngaard bewaakte ik niet.

47. Maar zoals nu eenmaal op de ondergang van de zon de nacht moet volgen, zo begint ook de Bruid na het heengaan en het wegblijven van de Bruidegom haar vroegere schoonheid te verliezen. De donkerte doordringt haar en ontneemt aan al haar daden hun aantrekkelijkheid. In het hart is er niet meer de vroegere warmte, en haar daden zijn kleurloos. Immers dat uitwendige licht is in zekere zin de koningin van alle kleuren. Als dat ontbreekt heeft geen enkele kleur schoonheid of kracht. Op dezelfde wijze is de verlichtende genade de kracht van alle deugden en het licht van alle goede daden. Zonder haar missen de deugden hun uitwerking en zijn de goede daden onvruchtbaar. En ook al schijnt het tegendeel, dan zijn ze toch niet krachtig, dan maken ze niet blij, ze hebben niet die vreugde-olie, niet die leerzame zalving, niet de smaak van goddelijke zoetheid, niet de geur van de eeuwigheid, niet die doeltreffende ervaring van de geestelijke zintuigen.

48. Daarom bloost ze over zichzelf en voelt zich ook beschroomd voor de jonge meisjes, door wie ze gewend is nagevolgd en bewonderd te worden. "Zwart ben ik", zegt ze, "maar toch mooi gevormd, dochters van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, als de paviljoenen van Salomo". Die zien er eerder nuttig uit dan mooi. Alsof ze wil zeggen: Mijn mooie gestalte blijft immers gaaf, alhoewel de kleur is veranderd, want de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Het geloof is standvastig, maar het inzicht is verduisterd. De wil is nog dezelfde, maar het gemoed is verlamd. Ze bekent dat ze zwart is door de donkerte van haar verward geweten, alhoewel ze haar mooie gestalte niet ontkennen kan ten gevolge van de oprechtheid van het geloof.

Door haar opvoeding in de voorraadkamers van de koning, weet ze dat het ontkennen van haar geloof geen nederigheid is, maar goddeloosheid. Zoals het immers dodelijk is, als iemand niet alleen het geloof niet heeft, maar evenmin de hoop en de goede wil, zo is het ook misdadig, als iemand die deze deugden wel heeft, ze ontkent. De Bruid is immers altijd mooi gevormd in de rechte gestalte van haar geloof, in de zuiverheid van de bedoeling en in de toewijding van de wil, zolang ze niet ophoudt Bruid te zijn, noch dit ooit ontkent. Maar dit belet haar niet zich soms nederig 'zwart' te bekennen, door het bewustzijn van vroegere zonden, door de opwelling van de ondeugden, of door de blindheid van menselijke onwetendheid.

49. "Als de tenten van Kedar, als de paviljoenen van Salomo". 'Kedar' wordt vertaald door duisternis. De Bruid wil hierdoor uitdrukken, dat er duisternis is in haar zielegrond en donkerte in haar verstand. Door de woorden 'tenten' of ‘paviljoenen', dat wil zeggen, de dierenhuiden van de verplaatsbare tenten, duidt ze op de onstandvastigheid van de geest. Hoezeer die tenten en paviljoenen de beschouwing van het innerlijk licht hinderen is duidelijk. Dan pas zijn ze van Salomo, dat wil zeggen, van Hem die waarachtig vreedzaam is, als ze de krijgsdienst van de broederschap en de vrede van de gemeenschap dienen.

50. Een tedere liefde legt zich toch altijd toe op voorzichtigheid, opdat ze niet door haar onbedachtzame nederigheid iemand schade doet, en de bekentenis van haar schuld en haar zwakheid niet een voorbeeld of een aanleiding wordt voor de val van een medemens. Daarom voegt de Bruid eraan toe: "Let er niet op dat ik zwart ben, en door de zon ben verbrand". Mijn donkerte is niet die van een blinde, alsof ik niet kan beschikken over de ogen van het verstand. Maar de zon der gerechtigheid heeft me het licht van zijn genade onttrokken. En als dat ontbreekt, staat ieder oog tevergeefs open, heeft geen enkele kleur kracht, verkilt iedere warmte. Ik was een stuk gloeiende houtskool, maar nu ben ik uitgedoofd. Zolang ik in het vuur schitterde, straalde ik warmte en licht uit. Maar nu het vuur zich terugtrekt ben ik zwart. Toch blijft mijn mooie gestalte steeds ongeschonden en bied ik ze u aan als model. Weliswaar zonder kleur, maar niet geheel zonder warmte, want hoewel de glans van de liefde van me is afgevallen, is toch de liefde zelf gebleven.

51. Daarom moet u niet verwonderd zijn, dat ik in de afwezigheid van de Bruidegom een prooi ben geworden voor iedereen. "Want ook de zonen van mijn moeder bestreden mij". Hoe? "Ze lieten mij de wijngaard bewaken; mijn eigen wijngaard bewaakte ik niet".

Het is een gewoonte in de Schrift om de vreugde uit te drukken door de wijn, die het mensenhart blij maakt. Want zoals de wijnstok de moeder van de wijn is, zo is de wereldse vrede de moeder van de wereldse vrolijkheid. Maar de geestelijke vrede is de moeder van de geestelijke vreugde.

Dus, ofwel de zonen van mijn moeder, de erflijke begeerlijkheden van de menselijke natuur namelijk, die mij bestrijden, bewerkten in mij dat ik leiding wilde geven aan de mensen; ofwel de zonen van mijn Moeder, de Kerk, hebben me aan mezelf ontrukt, en hebben mij aangesteld tot hun hoofd. En om hun vleselijke genietingen te voeden, hebben ze mij gemaakt tot de bewaakster van hun uitwendige vrede. Terwijl ik daar oplettend op waakte, ben ik er toe gekomen, door het veronachtzamen van mijn eigen innerlijke vrede, ook mijn innerlijke vreugden te verwaarlozen. Zo is mijn huid door de zon verkleurd, terwijl de zorg voor de broederlijke liefde door een wolk van bekommernissen om hen, de glans van mijn innerlijke zuiverheid heeft verduisterd.

52. Dit moet zó verstaan worden dat de Bruid, als ze wordt rondgeleid en onderwezen, en ervaring opdoet door allerlei beproevingen, zij ook stuit op de noodzaak een overheidsfunctie te moeten vervullen. Hierdoor raakt ze verstrooid door veel zorgen, en kan niet genoeg aandacht besteden aan elk afzonderlijk. En terwijl ze zeer zorgvuldig waakt over de vooruitgang van anderen, schiet ze tekort jegens zichzelf. En aangaande haar persoonlijke verliezen wordt ze ongerust in haar geweten. Zie, hoe ze aan zichzelf is overgelaten, besluiteloos, onzeker. Ze wil bidden en kan er niet genoeg bij blijven. Ze wil iets in zichzelf overdenken, en ze is uitgedroogd. Ze spreekt tot de Aanwezige als was Hij afwezig, en tot de Afwezige als was Hij aanwezig. En toch, als een leerlinge van de koninklijke voorraadkamers, verwaarloost ze niet de raad van de apostel, die zegt: "Beken elkaar uw zonden". In de kwellingen van haar beproevingen schaamt ze zich niet de bekentenis te gebruiken als een versterkend middel en aarzelt ze niet aan haar gezellinnen de verborgen fouten van haar geweten bloot te leggen, als ze zegt: "Wel ben ik zwart, maar toch mooi gevormd, dochters van Jeruzalem". En na die bekentenis keert ze dan ook weer des te vuriger terug in het gebed, met de woorden: "Zeg tot mij, o mijn zielsbeminde, waar U weidt, waar U rust in de middag".

Terug naar de index

Vierde strofe


Zeg tot mij,
o mijn zielsbeminde,
waar U weidt,
waar U rust in de middag;
om niet te gaan zwerven
achter de kudden van uw gezellen.

53. Zie nu hoe duidelijk de genade werkt. Na haar bekentenis is ze gaan bidden. En plotseling verdient ze de Bruidegom naar Wie ze op zoek is te vinden. Met heel haar liefde omhelst ze Hem en trekt Hem in haar hart. Ze biedt Hem als het ware haar mond aan voor de kus, als ze zegt: "O mijn zielsbeminde". Volgens de historische betekenis is het eigenlijk de Bruidegom die zich aanbiedt aan de Bruid, die Hem liefheeft en Hem zoekt. Maar Hij doet nog alsof Hij Zich van haar afkeert en Zich losrukt van haar. Hij beproeft haar midden in de storm, in een kus van tegenspraak. Maar zij, brandend van liefde, komt naderbij en zegt: "O mijn zielsbeminde". Hierin wordt het allereerst duidelijk dat de Heilige Geest reeds de zwakheid van de bidder te hulp komt. Want de Heilige Geest Zelf is die liefde, waardoor de Bruid zegt: "O mijn zielsbeminde".

54. "Mijn zielsbeminde". De ziel, dat is bijna geheel de mens. Het lichaam is slechts een zeer klein deel van hem. Daarom, als de ziel van uw Bruid U liefheeft, Heer Jezus, volgt ze U totaal. Ze verwaarloost daarbij haar lichaam en werpt het als het ware van zich af, in haar verlangen om de ganse dag gedood te worden, om Uwentwil. Ze wil zichzelf graag verliezen in deze wereld, om in het eeuwige leven zichzelf te mogen bezitten in U.

Er is geen twijfel aan, ééns heeft dat aanschijn van uw schoonheid gestraald over haar, dat ze U nu zo bemint. Eéns moet ze enigermate door de adem van uw mond beroerd zijn, dat ze nu zo hunkert naar U. Eéns heeft ze de zoetheid van uw omhelzingen ervaren, dat ze reeds zó vertrouwelijk is opgegaan in U. Als ze nu immers liefheeft kan ze dit slechts door U. U bent juist die liefde, waarmee ze U bemint. En zozeer bemint ze U in zichzelf, dat ze zichzelf in niemand anders liefheeft dan in U. Als men immers het schone bemint, bent U de Schoonheid van alle schoonheid. Gaat de liefde uit naar het goede, dan bent U het Goede van alle goedheid. Bemint men het nuttige, dan bent U Degene die gebruikt wordt door iedere mens, zelfs door hem die U haat. Maar ieder die U liefheeft, geniet van U.

55. "Zeg tot mij", zegt ze, "o mijn zielsbeminde, waar U weidt, waar U rust in de middag". Merk op hoe de kracht en de nederigheid van de belijdenis de Bruid vooruitstuwen. Ofschoon ze eerder al vroeg om de kus van de Bruidegom en er zich op voorbereidde, lag toch die top der beschouwing niet binnen haar bereik, namelijk het rusten in de schoot van Jezus, zoals eens die beminde leerling er rustte. Daar schouwde hij dat verhevenste Begin, en het Woord in dat Begin, en het Woord bij God.

"Zeg tot mij", zegt ze. Spreek diep in mijn hart tot mij, zegt ze, opdat ik het in mijzelf mag gewaarworden door de ondervinding van een heel duidelijke ervaring. Beadem mij, opdat ik door de ervaring van het genietend hart mag weten, door welke levenswijze en zielehouding, door welke geestesgesteltenis en genadegave in het gemoed van hem, die door U hiervoor waardig gemaakt wordt, U het verstand van uw minnaar voedt met de kennis van uw waarheid en de overvloed van uw heerlijkheid. Dit is immers niet afhankelijk van de wil of het tempo van de mens, maar van uw erbarming. Want U ontfermt Zich over wie U Zich wilt ontfermen. En U heiligt zijn geheugen voor Uzelf, om er voortdurend en heerlijk in te rusten. Ten aanzien van zijn brandende liefde bent U voor hem tegelijk de middaghitte en de koelte, de stralende middagzon en de schaduw.

56. Een andere uitleg is: in het lijden van de beproeving vraagt de Bruid haar einde te mogen kennen, en te mogen weten hoeveel tijd haar nog rest. Als troost in haar wankelmoedigheid bidt ze haar de eeuwige dag te openbaren. Niet een dag die 's morgens begint en 's avonds ophoudt, maar een dag die op de middaghoogte blijft in warmte en licht, in wijsheid en verstand, in liefde en gelukkig genieten. Een dag waarop aan het volk Gods de sabbatviering wordt gegeven, om zich neer te leggen en uit te rusten van zijn werkzaamheden, zoals ook God uitrustte van de Zijne. Een dag waarop God in het eeuwig geluk Zichzelf als spijs geeft aan engelen en heiligen tot verzadigens toe; de volheid van het geluk voldoet hen altijd ten volle, en de vrome verrukking van de liefde doet hen altijd verlangen te schouwen naar Hem.

57. (later toegevoegd door Willem) Of nog een andere uitleg kan zijn: "O mijn zielsbeminde", zeg aan mijn ziel die U liefheeft door de ingeving van de genade en de ingestorte ervaring, welke die geestestoestand is, welke zoetheid men voelt, welke vreugde men smaakt, als in het U liefhebbend geloof, -voor zover het geloof kan liefhebben,- dat schouwen wordt ingestort in de maat dat het in dit sterfelijk leven mogelijk is, en in uw minnaar werkelijkheid wordt, wat U eens over hem gezegd hebt: "Wie mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden. En ook Ik zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren". Want eens komt de dag, dat hij door zo'n liefde zich de weldaad van een meer verheven genade heeft verworven, en dat hij al minnende begint te ervaren wederkerig bemind te worden.

Van nu af aan begint de Bruid met het zintuig van de verlichte liefde overvloediger en heerlijker de vriendschapsbetuigingen te ondervinden van de Bruidegom, die haar liefheeft. En in haar voltrekt zich wat de Apostel zegt: "De liefde van God is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest die ons is gegeven". Ze begint nu ten volle te kennen zoals ze zelf het eerst gekend is. En volgens de maat van haar kennis, begint ze ten volle te beminnen, zoals ze zelf het eerst bemind is. Want in de verhouding van Bruidegom tot Bruid is de eerste kennis de gave van de goddelijke Wijsheid, en de eerste liefde de gratuïte instorting van de Heilige Geest. Maar in de verhouding van Bruid tot Bruidegom zijn kennis en liefde hetzelfde, want in dit geval is de liefde zelf de kennis.

Als door een overvloed van genade dit voor een ogenblik, voor een tijd bewerkt wordt in het hart van de Bruid, wordt datgene verwezenlijkt, wat ze met zo'n grote moeite en angst in dit leven zoekt: een middagrust van de Bruidegom bij de Bruid, de rust van het middaglicht in de gedachte, van de middaghitte in de liefde. Een rust waarin de liefde terugkeert naar haar bron en de Bruidegom tegelijkertijd voedsel nuttigt én voedsel geeft. Het werkwoord voeden heeft immers een dubbele betekenis.

58. Of nog een andere uitleg is: als U mij dan uw kus niet waardig keurt, noch uw woord, noch de adem van uw mond, wijs mij dan tenminste een mens van U aan, in wie ik kan vinden, niet het licht van een nieuwe dageraad, niet een dalende avondschemer, maar het standvastige middaglicht, en de vurige gloed van uw liefde; een mens in wiens hart U slaapt en rust, een mens door wie U mij voedt, als hij mij onderricht in wat hij zelf van U geleerd heeft.

59. Ofwel: De Bruid verlangt vervuld te worden van de Bruidegom en het lukt haar niet. Ze wil dat het hart blij is in het licht van zijn Aanschijn en het wordt duister in haar zelf. En daar ze er niet in slaagt innerlijk zichzelf op te wekken tot dit verlangde gevoel van liefde, en ze geen vrede vindt in zichzelf, snakt ze ernaar uit te gaan uit zichzelf naar een of andere uitwendige bezigheid van die liefde, waarin de goede hartegrond van de liefhebbende Bruid de Bruidegom kan vinden om haar te voeden en bij haar te rusten.

Iets hiervan dus, ofwel dit alles, verlangt ze te weten als ze zegt: "Zeg tot mij, o mijn zielsbeminde, waar U rust, waar U weidt in de middag".

60. "Om niet te gaan zwerven achter de kudden van uw gezellen". Ze is nog niet aan het zwerven, maar ze vreest te gaan zwerven. Ze heeft nog geen liefde voor een ander, behalve voor de Bruidegom. Als ze immers iemand anders zou liefhebben, zou ze niet de Bruid zijn. De liefde is immers de drijfveer van al onze zielsbewegingen. Wie door één enkele liefde wordt voortgestuwd, wankelt niet, zwerft niet rond. Daarom, wie langs de ene rechte weg gaat en zijn doel wil bereiken, zwerft niet rond en verdwaalt niet, maar komt eens aan de eindpaal. Voor wie van de weg afgaat echter, staat het veld van de dwaling onbegrensd open. Dwalen, dat is: de vervalsing waarheid noemen.

Er gaat nog wel wat om in haar gedachten, "zoals de tenten van Kedar, zoals de paviljoenen van Salomo", die telkens verplaatst worden. En ze wordt aangevallen door haar begeerten, zoals ze zegt: "De zonen van mijn moeder bestreden mij". Maar nog houdt het oordeel van de liefde stand en wankelt niet. Maar het vraagt om licht en verlangt naar kracht. Ik bemin, zegt ze, of liever: ik verlang. Want met het geestesoog, dat gekweld wordt door de aandrang van de begeerte, en door het fantasiebeeld van allerlei gedachten zie ik Hém niet, Die ik bemin. Met een bedwelmd verstand begrijp ik niet wat ik verlang. En daarom weifel ik ook en word onzeker in mijn liefde. ik laat Hem niet in de steek, maar om bij Hem te komen, loop ik verschillende wegen af. En zo word ik ook hier onzeker. Niet omdat ik hang tussen willen en niet-willen, maar omdat ik zoek naar een weg die korter is, en meer geschikt voor mij om het doel te bereiken, dat ik standvastig en met uitsluiting van al het andere nastreef. Mijn wilsgesteltenis blijft wel altijd dezelfde. Maar zolang die goede wilsgesteltenis nog niet is overgegaan in een goede geesteshouding, blijft mijn verlangen altijd levend. In zover het voorwerp van mijn verlangen niet altijd aanwezig is in mijn liefde, schijnt het mij toe dat ik niet altijd bemin.

Want een verlangende liefde is iets anders als een genietende liefde. De verlangende liefde blijft ook in het donker brandend, maar geeft geen licht. De genietende liefde daarentegen staat geheel in het licht, want juist dat genieten is een licht voor de minnaar.

Wat zal ik nog meer zeggen? De Bruid die er naar hunkert God te zien, verlangt een zuiver hart, een zuiver geweten, een zuiver gevoel, een zuiver verstand, een totale zuiverheid. Noch vuur, noch zwaard, noch enig gevaar kan de kracht van de liefde vertroebelen. Maar het genieten van haar geneugten vraagt om een vreedzaam hart en een serene geest.

61. "Om niet te gaan zwerven achter de kudden van uw gezellen". Degenen die niet dwalen, weten hoe groot de kudden zijn, die de dwaling zich verworven heeft in de wereld. Een menigte mensen, talrijke volken kiezen de dood voor zichzelf onder het mom van leven, omhelzen de ellende onder de schijn van geluk. Ze zetten God aan de kant, beminnen zichzelf, bewandelen de gladde wegen van deze wereld en gaan troepsgewijze de hel in. En hun sporen laten ze achter. De vorst van de geestelijke ongerechtigheid, die zijn werk verricht in de zonen van de ontrouw, trekt hen achter zich aan. Hij maakte zichzelf tot gezel van de Bruidegom en zei: "Ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste". Hij is de vorst van deze wereld. Hij schijnt de wereld of de tijd met de Bruidegom te delen in bijna gelijke delen. Maar men ontdekt dat de troepen van de afgedwaalden die hij voor zichzelf vormt, veel groter en dichter zijn.

Maar ook in het hart van haar die reeds Bruid mag zijn, blijft het geestesoog soms in gebreke in het zoeken naar de enige waarheid. Dan wacht aanstonds een grote verscheidenheid van gedachten haar op. De geest raakt er in verstrooid en begint te dwalen. Even zoveel fantasie-gedachten als er zijn om haar af te leiden van de oprechtheid van haar goede gezindheid, even zoveel dwaalwegen zijn er, waarlangs ze wordt weggevoerd van haar zelf. Want juist die verschillende gedachten vormen zelf grote en verschillende kudden, en maken zich als het ware tot gezellen van de Bruidegom. Ze verdelen de geest van de Bruid tussen Hem en zichzelf, hun wisselvalligheden en hun tijdsomstandigheden, en dwingen haar hun te dienen.

Terug naar de index

Vijfde strofe


Als u uzelf niet kent,
o beeldschone vrouw,
ga dan uit, en ga weg,
het spoor van de kudden achterna;
en hoed uw geiten
bij de tenten der herders. (Hoogl. 1,7)

62. De tekst vervolgt: "Als u uzelf niet kent, o beeldschone vrouw, ga dan uit, en ga weg, het spoor van de kudden achterna". Dat wil zeggen: Wat u mij vraagt om u te leren, kent u al. Maar u kent uzelf niet. Daarom immers hebt u de indruk dat u mij niet kent, omdat u uzelf niet kent. En u kent uzelf niet, omdat u uit uzelf bent weggegaan.

63. Maar laten we eerst aandacht schenken aan hun wederzijds minnekozen. "O mijn zielsbeminde”, zegt de Bruid. "O beeldschone vrouw, o mijn vriendin", zegt de Bruidegom. Als iemand in het heetst der beproeving deze wederzijdse woorden van liefde en lof oprecht in de grond van zijn hart meent te horen klinken, zijn dit geen tekenen van verlatenheid of ontrouw. Gelukkig het hart dat bij al wat erop afkomt, bij al wat het overvalt, altijd gelijkmoedig zegt: "Heer Jezus”, dat met onveranderde trouw het "o mijn zielsbeminde" uitspreekt. Wat er ook gebeurt, zijn geloof, getoetst aan het getuigenis van de waarheid, lijdt geen enkele schade aan zijn schoonheid of zijn lofprijzing. "Beeldschone vrouw", zegt de Bruidegom, sterk onder de zwakken -het woord ‘mulier' (vrouw) is immers afgeleid van 'mollities' (zwakheid)- maagd onder hen, die in verwachting zijn, en aan wie de Heer ellende voorspelt als Hij zegt: "Wee de zwangere en zogende vrouwen in die dagen".

"Mooi”, zegt Hij, omwille van de mooi gevormde gestalte. Maar u hebt deze mooie gestalte in de mate dat uw ziel mij liefheeft door de genade die u hiertoe vormde. Mooi, ofschoon uw tint enigszins donker is, in zover de verlichtende genade ontbreekt.

64. "Als ge uzelf niet kent, o beeldschone vrouw, ga dan uit". Dit in herinnering brengen van haar schoonheid, kan ook gezien worden als een verwijt voor een verwaarloosde schoonheid. Zoals ook de woorden "ga dan uit", niet de raad van een vriend weergeven, maar als het ware de toestemming van een mens in toorn. "Als u uzelf niet kent, ga dan uit", zegt Hij. Dat wil zeggen: daarom gaat u uit uzelf weg omdat u uzelf niet kent. Maar ken uzelf, mijn beeld! En zo kunt u Mij leren kennen, Wiens beeld u bent. En in uzelf zult u Mij vinden. Als u bij Me bent, zal Ik daar in uw geest bij u rusten en u dan voeden.

Zoek dus God in eenvoud, houd Hem voor ogen in rechtschapenheid, streef ernaar Hem voortdurend in gedachten te hebben, en zowel door de liefde het inzicht te krijgen, als door het inzicht de liefde. Als u Hem voor ogen houdt in rechtschapenheid, zult u ook de eeuwigheid voor ogen houden, een daarop afgestemde levenswijze krijgen en een goede zielsgesteltenis.

65. "Als u uzelf niet kent, ga dan uit". Waar zal ik heengaan, Heer? Als ik ben weggegaan, weggejaagd van uw Aanschijn zoals Kaïn, zal de eerste die me tegenkomt me doden. "Ga dan uit, en ga weg". Alsof Hij zei: "Ga weg van Mij, van de gelijkenis met Mij, naar de plaats van de ongelijkendheid”. Dat betekent in werkelijkheid: ga weg van uzelf en ga de dwaalweg op van begeerlijkheid en nieuwsgierigheid. "Ga weg", zegt Hij dus, "en hoed uw bokjes" die bestemd zijn voor de linkerkant, uw ongeregelde neigingen namelijk. Laat die gaan weiden buiten uzelf. "Ga de sporen van de kudden achterna", van de massa die bezig is te gronde te gaan. Ga naar de weilanden van hen die zichzelf weiden, die zichzelf beminnen. Ga zwerven rondom hun woontenten, die ze hebben opgezet van geslacht op geslacht. Op hun eigen landgoederen hebben ze hun eigen namen uitgeroepen, zoals de psalmist het zegt, maar ze hebben hun namen niet ingeschreven in de hemel.

66. Maar handel zo niet, o Bruid van Christus, niet zo. Leer liever uzelf kennen. Wees bij uzelf aanwezig om inzicht te krijgen in uzelf. Als u wilt, dat de Koning, de Heer uw God verliefd wordt op uw schoonheid, vergeet dan in uw opgang naar Hem uw volk en het huis van uw vader. Vergeet de voorwerpen waaraan u door de lichamelijke zintuigen gewoon was, vergeet de vreugden in hen aan wie u door de liefde verbonden was. Vergeet de beelden van hen, die u uit verlangen ervan te genieten, dieper in het geheugen hebt geprent. Hierlangs immers bent u uitgegaan uit uzelf en weggegaan van uzelf. Door de hartstocht voor de voetsporen van de kudden van uw neigingen, hebt u ze zo ingeprent, dat zelfs bij afwezigheid van de voorwerpen, de herinneringen eraan, niet afwezig zijn. Als de handelingen ophouden, dan blijven de hartstochten ervoor nog voortduren. Als de stemmen zwijgen, dan maken hun bedoelingen nog veel lawaai. Zuiver u, oefen u in het gebed, en u zult het Rijk Gods vinden in uzelf.

O beeld van God, erken uw waardigheid. Laat de afdruk van uw Maker in uzelf weerkaatsen. Voor uzelf bent u armzalig, maar toch bent u kostbaar. Hoe meer u zich hebt afgekeerd van Hem Wiens beeld u bent, des te meer bent u besmet met andere beelden. Maar wanneer u begint te ademen in de lucht waarin u geschapen bent, en als u de opvoeding dapper aanvaardt, zult u de oppervlakkige verguldsels van de bedrieglijke beelden, die niet goed vastzitten, even vlug losslaan als ontvluchten. Wees dus helemaal bij uzelf en gebruik u hele zelf om te leren kennen wie u bent en Wiens beeld u bent, om zo ook te komen tot het onderscheid en tot het inzicht van wat u bent en kunt in Hem, Wiens beeld u bent.

Blijf staan op uw eigen plaats zonder te bezwijken of te ontaarden. De kennis van de genade is uw kracht op uw wachtpost. Als u tenminste niet ondankbaar bent, want u bent van te voren gezien en voorbestemd, uitgekozen en gekend. De voorkennis van God aangaande u, is zijn goedheid rondom u. De voorbestemming is zijn goedheid, die al aan het werk is. De uitverkiezing is het werk zelf. De kennis is het zegel van de genade, waarvan de Apostel zegt: "Gods grondsteen staat ongeschokt en draagt als stempel: De Heer kent de zijnen". Als u kennis hebt, weet dan dat u van te voren bent gekend. Als u uitkiest, weet dan dat u van te voren bent uitgekozen. Als u gelooft, is het omdat u daarvoor geschapen bent. Als u bemint, is het omdat u daartoe gevormd bent. En als de Bruidegom u zo bewerkt, rust Hij in u. Als Hij zo op u inwerkt, rust u bij Hem en Hijzelf voedt u. De ervaring van het middaglicht en de middagwarmte is daar uw leerschool, als men in Gods licht het licht ziet, als de Heilige Geest vanuit de grootheid en de zuiverheid van de liefde getuigenis aflegt aan het hart van de mens, dat hij zoon van God is. "Niemand immers kent de Vader, tenzij de Zoon, en hij aan wie de Zoon het heeft willen openbaren".

67. Het licht van Gods Gelaat alleen geeft deze les. Handelend vanuit de Geest van het leven, wijst het zintuig van het leven hier de weg. Genade op genade. Een intens genieten van het Hoogste Goed als beloning voor een intens verlangen. En nooit kent de ziel zichzelf -haar wezen en haar mogelijkheden- tenzij ze zichzelf hierin vindt. En ze voelt er niets voor uit te gaan uit zichzelf, ergens anders heen, zolang het haar gegeven wordt hierin haar geneugten te vinden. Tweevoudig gelukkig is de mens die deze glorie en de rijkdom van deze genade bezit in het huis van zijn hart, in de schatkist van zijn zielegrond. Zijn hart is bevestigd en wankelt niet, dat wil zeggen het zal niet uitgaan naar elders noch naar zijn begeerten, noch door nieuwsgierige daden. Thuis is zijn rijkdom te vinden, en in een goed geweten vindt hij vrede en vroomheid gepaard met tevredenheid.

Het zijn de armen van geest die deze schatten bezitten. Zij zijn het die in eenvoud van hart God zoeken. Zij handelen standvastig volgens de geboden. Met een sterk geloof verwachten zij de vervulling van de beloften. Hun vaste hoop geeft hun reeds een voorsmaak van wat ze verwachten. En daarom houden ze dat voor ogen in rechtschapenheid. Deze rijkdom is niet voor de hooghartigen, maar voor hen die omgaan met de eenvoudigen, die het juk van de Heer niet afwijzen en niet terugslaan tegen de prikkel van zijn tucht. De geest van deze wereld en de slimheid als haar verkoopster ervan, de opgeblazenheid der Assyriërs en hun bombastische welbespraaktheid staan hier ver van af.

68. Deze armen van geest vormen uw ruiterij, o Gij, die Israël bestuurt. Niet met paarden van hoogmoed en wagens van ijdelheid, maar in de Naam van de Heer, in de vaart van de voortsnellende Geest, en in de kracht van uw liefde. Ze weten dat ze door U ontrukt zijn aan Farao, wiens naam betekent: hij die uitdrijft. Ze weten dat ze ontsnapt zijn aan Egypte, het rijk der duisternis. Zij zijn de Hebreeën, -dat wil zeggen: degenen die voorbij trekken- die met het uitstorten van het bloed en het mysterie van het Paaslam haastig Pasen vieren, dat wil zeggen: de voorbijgang van de Heer. Zij zijn degenen die voorttrekken van de ondeugden naar de deugden, van het tijdelijke naar het eeuwige, van de aarde naar de hemel, van zichzelf naar God, zodra ze de zonden en ondeugden die hen achtervolgen hebben ondergedompeld in de rode golven van het bloed van het Lam. In tegenspoed, die te vergelijken is met het angstaanjagende van de nacht, is het vuur en de kracht van de Heilige Geest als een vuurkolom hun tot licht. In voorspoed echter, die overeenkomt met het daglicht, is de kracht van de Allerhoogste als een wolk die hen overschaduwt.

Terug naar de index

Zesde strofe


Met mijn span in Farao's wagens
vergelijk ik u, mijn vriendin.
Uw wangen zijn mooi
als die van een tortel;
uw hals is als een kralensnoer.
Gouden halssnoeren zullen wij u maken,
dooraderd met zilver.

69. Daarom gaat de Bruidegom verder en zegt: "Met mijn span in Farao's wagens vergelijk ik u, mijn vriendin". We moeten er niet aan voorbijgaan, dat Hij haar eerst een beeldschone vrouw noemt, en nu zijn vriendin. Hierin ligt alles samengevat, zodat men hieruit kan begrijpen, dat de maat van de vriendschap zal worden afgemeten naar de graad van de schoonheid.

In die woorden: "Met mijn span vergelijk ik u, mijn vriendin" voegt de liefdevolle wijsheid van de Bruidegom er nog de gunst aan toe om de Bruid, die uit zichzelf was uitgegaan, weer tot zichzelf terug te roepen. En daar waar zij zichzelf voor zeer wijs aanziet, overtuigt Hij haar van haar zeer grote domheid. Hij wijst haar op het gevaar voor het leven en de afbreuk aan de liefde, waarvan ze uitsluitend het genot zoekt en de inspanning ontvlucht.

Gewoonlijk immers bevangt deze zorgeloosheid van geest de zwakke en argeloze zielen van de beginnelingen, en houdt hen af van het doel der volmaaktheid. Want nauwelijks hebben ze iets geproefd van de ongekende heerlijkheden van de contemplatie en de verrukkelijke ervaringen, of aanstonds menen ze dat ze ontkomen zijn aan alle verplichtingen om de ondeugden van lichaam en geest te bestrijden. Ze dromen slechts van de bekoorlijke deugden, die van nature aangenaam zijn, maar ze verwaarlozen zich hechte en betrouwbare deugd te verwerven. Ze ontvluchten de noodzakelijke inoefening ervan, en stellen hun vertrouwen op de geproefde zoetheid, die echter veeleer te danken is aan de barmhartigheid van God, dan aan hun eigen wilskracht en inzet. Als gevolg daarvan halen ze de schouders op voor de ernstige gevaren, die in henzelf de wapenen vinden om hen te bestrijden.

Als dan ook de weg naar de zuiverheid is aangewezen, als de poort naar de contemplatieve vrijheid is opengezet, voegt de Bruidegom er deze woorden aan toe: "Met mijn span in Farao's wagens vergelijk ik u, mijn vriendin". U bent wél mijn vriendin, en zelfs mijn intieme vriendin, maar toch moet u weten, dat u nog moet trekken en lopen, werken en strijden. Maar u blijft toch evenzeer mijn vriendin. U moet wel op uw hoede zijn voor de ondeugd van de nieuwsgierigheid en voor de ongeregelde zucht naar de wereld en naar het vlees, die er altijd mee samengaat. Maar de noodzakelijke bezigheden of de eisen van de liefde moet u toch niet afwijzen, noch ten aanzien van uzelf, noch ten aanzien van uw broeders.

70. Nu volgen de woorden: "Uw wangen zijn mooi als die van de tortel". De wangen van de Bruid en haar altijd open gezicht, gekeerd naar de Bruidegom, dat is haar zuiver geweten. Een liefdevol berouw en een heilige huiver voor Hem die haar berispt, geven aan haar gezicht een uitdrukking van bescheidenheid. Want zolang de getrouwe ziel zwoegt in de bekoringen, weet ze niet wat er in haar zelf gebeurt. Dikwijls maakt ze, ook al weet ze het niet, vooruitgang. Ze wordt aanvaard, terwijl ze meent dat ze wordt afgewezen. Als ze immers terneergeslagen is, vernedert ze zich. En in haar vernedering wordt ze gelouterd. Terwijl de in haar gegroeide nederigheid haar innerlijk een lagere plaats geeft, wordt in haar -niet door haar- te midden van menigvuldige pijnen die heilige eenvoud gevormd, waarvan geschreven staat: "Zoekt Hem in eenvoud van hart". En omdat ze zichzelf aanziet voor iemand die berisping en vernedering verdiend heeft, neemt tegenover haar rechter de godvruchtige grond van haar hart de zuivere en beminnelijke gelaatsuitdrukking van bescheidenheid aan. Hierdoor wordt ze genezen van het vroegere overmoedige zelfvertrouwen, en mag nu horen: "Uw wangen zijn mooi als van de tortel".

Zie nu, hoe juist in het beslissend moment van de naderende bekoring, plotseling het hulpmiddel van de goddelijke vertroosting te hulp komt. En aan de veIe pijnen die ze leed in haar hart, beantwoorden nu de vertroostingen van de Heer, die haar ziel blij maken. Immers, op de tijd God Zich heeft afgekeerd, vormt de geest onder invloed van het vlees, samen met dat vlees onder invloed van de zonde, in haar de trekken van een gier. Maar op het uur waarop de genade haar bezoekt, vormt de geest die nu vervuld is van God, samen met het vlees vervuld van de geest, in haar de trekken van een duif, die nederigheid, kuisheid en de bekoorlijkheid van een heilige eenvoud uitdrukken.

Want zoals het geweten voor zichzelf de meest betrouwbare tolk is van de aanrakingen der genade, zo leggen de uiterlijke gelaatstrekken gewoonlijk getuigenis af voor het oog van de mensen van de goede gesteltenis van het geweten. Ja, de schroom die op het gezicht ligt, is gewoonlijk een aanwijzing, dat er iets goeds verborgen is in het hart. Als de ziel gedwongen wordt iets te zien wat ze haar blik niet waardig keurt, ofwel ze acht zichzelf onwaardig het te zien, dan vlucht ze in zichzelf, zoals de dokters het uitdrukken, en hult zich in de natuurlijke sluier van het bloed. Op dat ogenblik ziet men het gezicht rood worden van verlegenheid. Hierdoor wordt een innerlijke kuisheid uitgedrukt, of de afkeer die men heeft voor het oneerbare dat zich voordoet. Of ook wel is het nederigheid of schuchterheid voor een aangeboden eerbetuiging. En heel terecht wordt de Bruid vergeleken met de tortel, die in haar verdriet om het verlies van het mannetje geen ander zoekt, maar in klagen haar troost vindt.

71. Reeds beproefd en waardig gekeurd, wordt ze in het licht van de genade goedgunstig omhooggetild door de lofspraak van de Bruidegom. Dat wil zeggen, ze wordt overladen met geschenken die passen bij de prijzende woorden van de Bruidegom. Daarom voegt Hij er aan toe: "Uw hals is als een kralensnoer". De hals van de Bruid, dat is de goede mening. Hierdoor wordt het hele lichaam van de inspanning, verbonden aan het Hoofd, Christus. Hij, ons Hoofd, zegt ons daarvan: "Als uw oog, de bedoeling waarmee u zich inspant eenvoudig is, zal uw hele lichaam in het licht staan".

Zoals een kralensnoer een sieraad is voor de hals, zo vormen de juwelen van de heilige deugden een sieraad voor de goede bedoelingen. Kralen hebben de eigenschap de hals te sieren. Bij de Bruid daarentegen is de hals zelf het sieraad van al haar deugden. En daarom is de hals van de Bruid als een echt kralensnoer. Als deugden immers niet berusten op een oprechte bedoeling, missen ze het bewijs voor de echtheid van hun glans en schoonheid, en zelfs de aanspraak op de naam 'deugden'. Of anders gezegd: het is de liefde voor de Bruidegom die het sieraad vormt voor de hals van de Bruid, want zonder die liefde is iedere bedoeling vuil en verdraaid. Maar als de bedoeling overgaat in liefde, dan wordt de hals zelf van de Bruid als haar eigen kralensnoer.

72. Vervolgens, alsof Hij haar zijn eigen sieraden aandoet, zegt de Bruidegom: "Gouden halssnoeren zullen wij u maken, dooraderd met zilver". Met het goud wordt de wijsheid bedoeld, want volgens het woord van de Apostel is Christus ons tot wijsheid geworden. Dit gebeurde in de tijd dat Hij gelijk is geworden aan de mensen en uiterlijk als een mens werd bevonden. Toen bleek het dat Hij in zijn zwakheid sterker en in zijn dwaasheid wijzer was dan alle mensen. Ofwel gebeurt het vanaf het ogenblik dat wij Hem beginnen aan te hangen om wijs te worden in Hem. Hij doet dus Zelf de gouden sieraden om de hals van de Bruid, als Hij aan haar heilige bedoeling de genade van de wijsheid toevoegt, zodat haar streven niet alleen vurig is, maar ook wijs.

Het goud is dooraderd met zilver, daar de Bruid, om de heerlijkheid van de Bruidegom te verkondigen, begiftigd is met de gave van een heldere en krachtige prediking en oordeelkundig over haar woorden beschikt. Zoals de halssnoeren door het zilver -we zeiden het al- de glanzende welsprekendheid voorstellen, zo zijn ze daarin ook een beeld van de lankmoedige volharding in het goede, en hun ronde vorm duidt op de volmaaktheid.

Maar waarom 'dooraderd'? Om de welsprekendheid aan te manen, dat ze bij het zien van de aders die op wormen lijken, zich zal hoeden voor de ondeugd van de grootspraak. Iedere houtsoort, iedere vrucht immers, heeft zijn eigen worm als een natuurlijke vijand van zijn gaafheid. Zo heeft ook iedere deugd, iedere goede geestesgesteldheid een eigen vijand onder de ondeugden. Daarom staat er geschreven: "De worm van de rijkdom is de trots". Zoals de trots de eigen worm van de rijkdom is, zo is de grootspraak de eigen worm van de welsprekendheid. Men moet ervoor op zijn hoede zijn, want anders zal alles wat ze aan schoonheid, kracht of nut schijnt te hebben, noodzakelijk bedorven worden. Maar alles ligt vervat in goud, zowel in de lengte als in de rondte. Want er kan geen sprake zijn van volharding in het goede, van volmaaktheid, van schoonheid of nuttigheid, tenzij ze gevestigd zijn in de wijsheid, dat wil zeggen in de liefde tot God en in de zin voor het geestelijke.

73. Maar Hij zegt: "Wij zullen maken". Gaat het hier over meerderen? Of over één persoon? In elk geval is Hij het die verklaart aangaande zijn uitverkorene: "Wij zullen tot hem komen en ons een verblijf bij hem maken". Dit zijn dan: De Heer Jezus Christus, God de Vader en de Heilige Geest.

Ofwel Hij zegt: "Ik zal maken met de hulp van de Engelen, die Mij hierin ijverig dienen". De trouwe Engelen verheugen zich immers over het goede in de mensen, en zij wijden zich graag aan het dienstbetoon tot hun heil. Zij zijn hen altijd behulpzaam, als zij zich met heilige ijver toeleggen op het godsdienstige, al zijn zij niet altijd zichtbaar. Vandaar ook zegt men, als ze plotseling door sommigen worden gezien, dat ze 'verschijnen'. Deze uitdrukking wordt dan eigenlijk toegepast op iemand die op verborgen wijze aanwezig is, en zichzelf plotseling zichtbaar vertoont.

De geestelijke macht van de Engelen heeft van nature een zeker vermogen om aan elkaar en aan de menselijke geest in te geven en mee te delen wat ze willen. De profeet zegt hiervan: "De Engel die in mij sprak is uitgegaan", en: "De ene Engel zei tot de andere: Snel heen en zeg het aan die jonge man". Deze verborgen aanduidingen waardoor zij hun ingevingen meedelen -de goede Engelen volgens Gods Wil voor het goede, en de kwade engelen met Gods toelating voor het kwade- schijnt Sint Paulus de taal der Engelen te noemen: "Al spreek ik de taal der Engelen, als ik de liefde niet heb, ben ik niets". Door hun aansporing en hun medewerking zijn dus Gods Engelen altijd aanwezig bij hen die zich vurig inspannen om vooruitgang te maken. Ze verheugen zich des te inniger over de sieraden van de Bruid, naarmate ze in hen waarachtiger het werk van Gods Vingers zien en het Kunstwerk van de Heilige Geest. Zij zijn echter niet alleen. Ook de heilige leraren in Gods Kerk moeten gezien worden als medewerkers van de Bruidegom voor de bruidstooi.

Terug naar de index

Zevende strofe


Toen de Koning op zijn rustbed lag,
verspreidde mijn nardus haar geur.
Een bundeltje mirre
is mijn Beminde voor mij;
tussen mijn borsten zal Hij rusten.
Een cypertros is mijn Beminde voor mij,
in de wijngaarden van Engedi.

74. Het lied vervolgt: "Toen de Koning op zijn rustbed lag, verspreidde mijn nardus haar geur". Degenen die verstand hebben van boogschieten zeggen, dat er in de hand van de boogschutter een zeker aanvoelen is, waardoor hij dikwijls weet dat de pijl -ook al is hij buiten het gezichtsveld- niet tevergeefs is weggeschoten door de hand van de schutter. Op dezelfde manier stelt men vast, dat soms een zeker religieus aanvoelen aanwezig is in de gelovige, die trouw bidt, waardoor hij weet dat zijn gebed God bereikt. Door het antwoord van de verlichtende genade en het zintuig van het goede geweten, twijfelt hij volstrekt niet aan de verhoring. Zo komt het dus dat de Bruid, die het onderwijs ontving op een school van straffe tucht, nu prijkt met de gave van wijsheid. En terwijl ze het kleed van de liefde aantrekt, begint ze zichzelf al beter te kennen. Ze begint in te zien en te onderscheiden wat er omgaat in haar zelf.

En op aanwijzing van de Bruidegom, dat wil zeggen door de verlichtende genade, begint ze bij zichzelf te vinden wat ze als het ware elders zocht, toen ze zei: "Zeg mij, o mijn zielsbeminde, waar U weidt, waar U rust in de middag".

In zichzelf namelijk vindt ze het Rijk van God, een plaats voor de Heer, een tabernakel voor de God van Jakob. En ze komt tot de beschouwing. Niet die vorm van beschouwing waar ze zich had ingegooid in een eerste overmoed van jeugdige vurigheid. Toen ze die beschouwing had ontvangen, door een genade die haar onverdiend geschonken was, heeft ze die eerder in onstuimigheid dan in wijsheid opgebruikt.

Maar hier gaat het over dat beschouwend gebed, dat vanzelf begint open te gaan voor de ziel die beproefd is in bekoringen, onderricht in strenge tucht en verlicht door de verdienste van een zuiverder geweten.

75. Daarom voegt ze er de woorden aan toe: "Toen de Koning op zijn rustbed lag, verspreidde mijn nardus haar geur”. Op twee manieren kan men samen rusten: Ofwel om bijeen te zijn in vleselijke wellust, ofwel om voedsel te nuttigen. Naar beide was de Bruid op zoek, maar dan op geestelijke wijze, toen ze in het voorafgaande vragend zei: "Zeg mij waar U weidt, waar U rust in de middag?"

76. Het rustbed waar Bruidegom en Bruid samen rusten is te vinden in het geheugen, in het verstand en in de liefde. Hierin rusten Bruidegom en Bruid samen: Hij, door haar zijn genade in te storten, en zij, door de gedachten eraan godvruchtig in het geheugen te bewaren, ze nederig met het verstand te aanvaarden en vurig op te nemen in haar liefde. Deze plaats voor God werd met zorgvolle toewijding gezocht door de psalmist, die zei. "Ik zal mijn ogen geen slaap gunnen, mijn wimpers geen sluimer, voordat ik een plaats heb gevonden voor de Heer, een woning voor de God van Jacob". In zover zijn hart brandde van dit heilig verlangen was het voorzeker reeds een plaats van God. Maar hij verlangde daar te blijven staan om te genieten, en er bestendig te genieten.

Het verlangen, dat wil zeggen: een hevige wil, een kruisigende wil, vervulde reeds het geheugen en legde er ten volle beslag op. Maar omdat aan het verstand zijn licht ontbrak, kon de liefde in het genieten geenszins haar vreugde vinden, waarover de psalmist zegt in een volgend vers: "We zullen aanbidden op de plaats waar zijn voeten hebben gestaan".

Immers, als iemand die bidt, geen juiste opvatting heeft over Gods tegenwoordigheid, bidt hij onrustig. Maar wie in zijn tegenwoordigheid gelooft, die geniet van de Aanwezige, die aanbidt met vreugde. Toen de Bruid zich dan ook de Bruidegom herinnerde, toen ze over Hem dacht om Hem te begrijpen, hield ze Hem voor afwezig, zolang haar kennis niet overging in liefde. Maar de goede wil is reeds het begin van de liefde. Als het een hevige wil is, die zich richt op een afwezige, dan spreekt men van een verlangen. Omringt hij de aanwezige met genegenheid, dan is het liefde. Bij iemand die liefheeft, is het voorwerp van zijn liefde aanwezig in zijn kennis. De liefde tot God nu, is juist die kennis. Men kent God alleen als de door Hem beminde, en men bemint Hem slechts als de door Hem gekende. We kunnen dus zeggen dat men Hem kent in zover men Hem liefheeft, en dat men Hem liefheeft in zover men Hem kent.

De Bruidegom rust dus samen met de Bruid, als Hij Zich eerst haar vrije wilsbeschikking toeheiligt door een gratuïte genade. Maar de Bruid heeft niet de indruk dat zij rust aan zijn zijde, zolang haar kennis geen vreugde vindt in de liefde, en de liefde niet het liefdesgenot kent; zolang zij zingt in de geest, maar zonder inzicht voor het verstand; zolang zij bidt in de geest, maar het verstand het niet begrijpt. Haar geest zingt of bidt dan wel, maar dat lied en dat gebed blijven zonder vrucht voor het verstand. Reeds werkt de verborgen genade machtig in haar. Maar zij schijnt voor haar zelf geen rust te vinden bij Hem die rust, totdat zij zich volkomen overgeeft aan Hem die werkt. Daarom zegt ze: "Toen de Koning op zijn rustbed lag, verspreidde mijn nardus haar geur". Op 'zijn' rustbed, zegt ze, niet op het 'onze'. Dat betekent, dat zij in deze rust door de Bruidegom wel tot zijn Bruid wordt gemaakt, maar dat Hij haar verlangens nog niet vervult, zoals later, wanneer ze spreekt over het bed als over 'ons' bloemenbed.

77. "Mijn nardus verspreidde haar geur". De nardus is een klein gewas met overvloedig veel vezels en aren. Hierdoor is zij het symbool van de nederigheid, die vruchtbaar is in deugden. Zij is warm, en wijst daardoor op de vurigheid van het heilige verlangen. Ze is geschikt om er balsem van te maken, dat wil zeggen, dat geen enkel godvruchtig gevoel iets te betekenen heeft voor God zonder de deugd van nederigheid. Haar bijzonder fijne geur verzinnebeeldt in de nederigheid de belijdenis van de zonden. Hiermee staat ook in verband die albasten vaas met kostbare balsem van onvervalste nardusaren. Omdat de nederige toewijding van een vrouw haar uitstortte over het lichaam van Jezus, diende ze al op voorhand als balsem voor zijn begrafenis. En omwille van de geur van de geringe nardus, dat wil zeggen: omwille van de godvruchtige belijdenis, daarom wordt er aan toegevoegd: "En het huis werd vervuld van de balsemgeur".

78. Ik, zegt de Bruid, ik zocht buiten mij, als naar een afwezige, naarHem die ik in mij reeds aanwezig had, rustend en mij voedend. Dat Hij rustte in mijn hart werd merkbaar aan de toewijding van mijn goede wil. Het uitspreken van een aan God welgevallige belijdenis bewees dat Hij mij innerlijk voedde met het voedsel van een genade, die dit in mij bewerkte. Maar de plaats waar Hij mij voedde waar Hij rustte, kende ik niet. Want hoewel dit alles zich in mij voltrok door het vaste besluit van de wil en door het oordeel van het verstand, had ik toch niet de ervaring van de geestelijke liefde, waarin men de verrukking van zijn tegenwoordigheid smaakt.

79. De Bruid beschrijft vervolgens met grotere nauwkeurigheid de gunst van dit samen rusten. Om te beginnen bundelt ze onder dankbetuigingen haar genietingen samen, en biedt ze aan het geheugen aan zeggend: "Een bundeltje mirre is mijn Beminde voor mij. Tussen mijn borsten zal Hij rusten". Vervolgens zet zij het oog van het geestelijk inzicht open voor het licht van de genade en zegt: "Een cypertros is mijn Beminde voor mij". Tenslotte vat ze haar geneugte samen in het zintuig van de liefde en zegt: "in de wijngaarden van Engedi". Een geheugen immers, dat niet ondankbaar is voor de weldaden van God, verdient spoedig de vreugde van het geestelijk inzicht, dat rechtstreeks uitmondt in verrukkelijke liefdeservaringen, die zich veeleer afspelen in de genieting zelf dan in de kennis ervan.

80. Inderdaad, als een ruimere genade van de Heilige Geest het geestelijk inzicht begint te verlichten, werkt het in de menselijke ziel op een heel andere manier dan het menselijk inzicht. En deze werking is des te verhevener, naarmate de aard van dit onbeschrijflijk licht verschilt van de aard van de ziel zelf. Wat de ziel immers begrijpt met het natuurlijk inzicht, daar maakt ze zich meester van. Maar wat ze begrijpt door het geestelijk inzicht, dat overmeestert haar veeleer. Wat ze zich op natuurlijke wijze door het inzicht eigen maakt, daarin maakt ze onderscheid met behulp van het verstand. Maar wat ze niet kan doorzien, daarin is het ook onmogelijk iets te onderscheiden.

Zoals de Heilige Geest waait waar Hij wil, zo doet Hij dat ook wanneer Hij wil, zoals en zoveel Hij wil. De mens hoort wel zijn Stem, dat wil zeggen: hij ervaart de genade van de Geest die in hem werkt, maar hij weet niet waar Hij vandaan komt of waarheen Hij gaat. Want zijn eigen macht of willekeur hebben geen enkeIe invloed op de aanvang het einde van de maat van die inwerking. Hij weet niet vanwaar de Geest komt of waarheen Hij gaat. Voor Hem is er slechts de ervaring van een zekere goddelijke vreugde, van een verlichtende en gelukkigmakende genade, een ervaring die aan de verlichte liefde alleen wordt toegestaan. Iets heerlijks, dat de liefde heeft verworven, en zelf heeft bewerkt, iets dat voor het gewone verstand onbekend is, maar dat door de minne ervaren wordt. Een zeer vaste grond voor wat men hoopt, een overtuiging aangaande onzichtbare dingen. Een getuigenis van de Heer aan het christelijk geloof, betrouwbaar, en wijsheid schenkend aan eenvoudigen. Want de geproefde heerlijkheid van God smaakt hem die ervan proeft zo goed, dat alle zoetheid van het natuurlijke leven, van het vlees, van de wereld en van al het geschapene hem smakeloos wordt; zo dat hij dan zou willen sterven, als hij maar in dat heerlijke mag blijven.

En omdat hij iets ongekends ervaart, bidt hij zonder te weten wat hij zegt, want het is de Geest die namens hem smeekbeden vormt volgens Gods Wil, en niet volgens die van de mens. Het is de Geest die het hem laat gewaarworden, en die hem doet vragen en verlangen juist naar dat ongekende in de ervaring, én tevens naar die ervaring van het ongekende. Alleen Degene die het hart doorvorst, weet wat de Geest verlangt, dat wil zeggen, waarop de Geest het verzuchten van de verlangende mens richt.

Dit speelt zich af zowel mét de ziel als in de ziel, die waardig is om Bruid te worden, als zij uit de heilsfeiten van Christus' Mensheid die gebeurtenissen kiest waarover de Heer zegt: "Voorzeker, wat op Mij betrekking heeft loopt ten einde". Hieruit, en uit de veelvuldige weldaden die er voor ons uit voortvloeien, verzamelt ze een bundeltje mirre als een herkenningsteken van het geloof. Dit legt ze op haar boezem, in haar hart, in de veilige zetel van haar geheugen, en in de tederheid van een goed gestemde zielegrond. Ze legt het dáár, waar de bekoring van de vijand niet gemakkelijk toegang heeft, en waar juist die tederheid van de liefde niet het minste letsel duldt aan het geloof.

81. Met mirre worden de lichamen der overledenen gebalsemd. De bittere smaak beantwoordt aan de bitterheid van het lijden, dat de Heer voor ons ondergaan heeft. De goede geur komt overeen met de zoetheid van de liefde, waarmee Hij ons heeft bemind. Zie nu de aantrekkelijke geneugten van de geestelijke liefde. Eerst kreeg ze sieraden en halskettingen. Toen de gave van wijsheid. Daarna de gunst van welsprekendheid. Nu wordt er zoiets als een reukkussentje aan toegevoegd, dat ze op haar borst moet bevestigen, om voortdurend de godvruchtige overdenkingen van de Bruid met een heerlijke geur te vervullen, en onophoudelijk de liefde uit te wasemen, die vervat ligt in het lijden en de dood van de Heer. Want men zegt ook dat het mirre van nature eigen is, dat haar smaak het geheugen sterker maakt.

82. Een bundeltje! Niet een schoof. Want geen enkele menselijke kracht zou de hele schoof van het lijden van de Heer kunnen torsen. Dit bundeltje is echt om van te genieten. Want de goedheid van Hem die leed, de reden waarom Hij leed, en de zoetheid van zijn liefde godvruchtig gedenken en innig overdenken, drukt niet terneer. Integendeel! Hij die dit bundeltje draagt, wordt er door opgetild. Het bevat het heilsgeheim van de Verlossing, het voorbeeld van nederigheid, de lokroep van de liefde, en de kracht van de Verrijzenis. Maar als wij, zoals de Apostel zegt, "zo'n groot redmiddel veronachtzaamd zullen hebben”, en voor de rechtbank van de Gekruisigde ons rekenschap gevraagd zal worden van zijn Kruis en zijn Lijden en zijn Bloed, dat wij met voeten hebben getreden, Heer, Heer, wie zal dan standhouden? Verschrikkelijk is die verwachting van het oordeel, dat de weerspannigen zal verslinden.

Maar ook hij die in het zeer diepe Geheim van de twee naturen in Christus met de kracht van het natuurlijk verstand overmoedig hoopt door te dringen, streeft eerzuchtig iets na wat hem te boven gaat, en legt zichzelf een zware schoof op de schouders, waaronder hij heel zeker zal bezwijken. Want groot is dat Geheim van ons geloof, voltrokken in Christus, zoals de Apostel zegt. Alhoewel het zich geopenbaard heeft in het vlees, wordt het alleen gerechtvaardigd in de geest. Dat wil zeggen, dat er over de gerechtigheid als vrucht van het geloof, aan geen enkele mens en door geen enkele mens ook maar enige rekenschap kan worden afgelegd, die voldoende beantwoordt aan het verheven Geheim. Uitgezonderd aan de mens, aan wie de Heilige Geest Zich verwaardigd heeft het te openbaren.

83. De Bruid echter wordt niet moe bij het dragen van haar bundeltje, omdat ze liefheeft. Want voor wie bemint, telt geen vermoeienis. Maar daarom ook staat er in de tekst, dat de Bruid de gedachte aan de Bruidegom midden op haar boezem legt, en daar ook bewaart, opdat de zonen van de Bruidegom daar de melk van een heilige voeding kunnen zuigen. De beide borsten van de Bruid zijn immers wijsheid en wetenschap, waarover de Apostel zegt: "Aan sommigen wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven, aan anderen een woord van kennis". Daar putten de zonen van de Bruidegom de steun voor het waarachtige leven, namelijk de liefde van God.

Zeker, we waren geschapen naar het beeld en de gelijkenis van de Schepper. Maar door de zonde zijn we omlaaggestort: van God in ons zelf, en van ons zelf tot beneden ons zelf, in zo'n diepe afgrond van ongelijkendheid, dat er geen enkele hoop meer was. Maar de Zoon van God, de eeuwige wijsheid, kwam. Hij boog de hemelen neer en daalde af. Hij maakte van Zichzelf iets in ons om aan ons gelijk te zijn, binnen ons bereik, én gelijkend op Hem, opdat wij erdoor omhooggeheven zouden worden en het voortdurend herdenken van dit mysterie voor ons een voortdurend geneesmiddel zou zijn. Het bundeltje mirre kunnen we grijpen, maar door de cypertros worden wij omhooggeheven. Hierover sprekend voegt de Bruid er aan toe: "Een cypertros is mijn Beminde voor mij in de wijngaarden van Engedi".

84. Wie door de bitterheid van de mirre treurig wordt, wordt door de wijn weer opgevrolijkt. Met 'mirre' wordt immers de bitterheid van het Lijden bedoeld, en met de wijn uit de tros: de vreugde van de Verrijzenis. Alwat er in Christus is geweest aan menselijke lijdelijkheid en sterflijkheid, wordt door het gelovig herdenken verzinnebeeld in het bundeltje mirre. De vreugde, gewekt door de kracht van de Verrijzenis wordt door de hoop en het verstand herkend in de wijn uit de tros. En in de wijngaarden van Engedi en in de balsem ziet de liefde de geestelijke zalving door de Heilige God en de vreugde in de heilige Geest.

85. Cyprus, een eiland in de zee, en Engedi, een plaats in Judea, liggen ver van elkaar verwijderd, zowel door de afstand van de plaats als door de verscheidenheid in de vruchtbaarheid van het gewas. Want de vruchtbaarheid van de wijnstok maakt Cyprus beroemd. Engedi daarentegen is bekend om zijn fijne balsem.

Maar zij worden verenigd tot één Sacrament van de liefde, opdat de cypertros en de vreugde-schenkende wijn de bitterheid van de mirre, die ontstaat door de smart van zijn Lijden zouden temperen, omwille van de kracht en de vreugde van de verrijzenis. En de balsem van Engedi wordt eraan toegevoegd, om alles te voltooien en te volmaken door de instorting van de heilige Geest.

86. Het bundeltje mirre en de cypertros blijven midden op de boezem van de Bruid, wanneer de herinnering, die vol is van de Bruidegom, zich nu eens terneergeslagen voelt door de mirre, en dan weer zich opricht door de druiventros. Deze wisselwerking wordt echter niet verkregen zonder de balsem van Engedi, als niet de Heilige Geest met zijn genade de ziel bezoekt om op het geheugen in te werken, het verstand te verlichten en de liefde te ontvlammen. De druiventros met zijn vele druiven stelt bovendien de overvloed van vreugde voor, die besloten ligt in de herinnering aan de Bruidegom.

De naam Cyprus drukt uit, dat de kwaliteit uitstekend is. De balsem van Engedi wijst op iets dat edeler en waardiger is dan elke soort wijn, dat wil zeggen, iets dat elk genoegen van dit leven te boven gaat. Hiermee is bedoeld de vreugde-olie en de zalving van de heilige Geest, waarmee God de Vader ook de Bruidegom -die Zelf eveneens God is- heeft gezalfd, méér dan zijn broers.

Wat opbloeit uit geloof en hoop, uit herinnering en inzicht, schijnt reeds een zeker gevoel van liefde en vreugde te bevatten. Maar de vreugde in de Heilige Geest, in de volheid van de liefde, richt zich op een zekere uitbloei van het geluk, die hoog uitgaat boven elke vreugde. Ze vindt haar voltooiing "in wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geen enkel mensenhart is opgekomen", in die Stad van God waarover in de psalm gezegd wordt: "Als vreugdevolle mensen wonen allen in U". Als vreugdevolle mensen zegt hij, want het gaat niet gewoon maar over blije mensen, maar over heel wat meer dan dat. En die vreugde heeft geen naam. Er kan slechts sprake zijn van een vergelijking: als vreugde, of meer dan vreugde.

Deze uitleg schijnt ook nog bevestigd te worden door de schijnbare gelijkenis tussen de wijngaarden van Cyprus en die van Engedi. Maar ze verschillen veel van elkaar, zoals gezegd is, door het verschil in adel van hun vruchten. Inderdaad gelijkt een aanplanting van balsembomen op een aanplanting van de wijnstok hierin, dat men ze evenals de wijnstok tot twee el de hoogte in ziet gaan. Maar zij kunnen het zonder stutten, iets wat de wijnstok niet kan. Ook hun bessen schijnen in geur en smaak de druif na te bootsen. Door hun altijddurende bladerenweelde echter overtreffen zij de wijnstok. Ze lopen daardoor vooruit op, én wijzen tevens heen naar de vreugde van het eeuwig geluk, dat ook geen enkele hulp nodig heeft om stand te houden, omdat het zijn vreugde uit niets anders put dan alleen uit zichzelf.

87. 'Engedi' wordt ook vertaald door 'bokkenbron', dat wil (hier) zeggen 'Genadebron'. De bok, die in deze bron oversteekt van de linkerkant naar de rechterkant, wordt een lam. De lammeren krijgen immers een plaats aan de rechterkant, de bokken aan de linkerkant.

Er wordt een snede gemaakt in de tak van de balsemboom en de balsem vloeit eruit. Dit duidt op de lanssteek in de zijde van de Heer, waaruit het Sacrament voortvloeide. Of ook wel op de vermorzeling van hart, waaruit de vergiffenis der zonde voortkomt. Of op wat Salomon zegt: "Wie in het oog prikt, doet tranen vloeien, wie in het hart prikt, wekt gevoeligheid op".

Terug naar de index

Achtste strofe


Zie toch eens, hoe mooi u bent,
mijn vriendin,
zie toch eens, hoe mooi;
uw ogen zijn als duivenogen.
En zie eens, hoe mooi U bent,
mijn Geliefde,
en hoe bekoorlijk.
Ons bedje is bloemrijk;
de binten van onze woningen
zijn van cederhout,
onze wanden van cypressen.

88. De tekst vervolgt: "Zie toch eens, hoe mooi u bent, mijn vriendin, zie toch eens, hoe mooi". ‘Zie', dat wil zeggen, zie het in deze ervaring van godsvrucht, in deze mooie vorm van lofprijzing, in deze mooie gestalte van volmaaktheid, als beeld van God.

De mens is juist daarom geschapen als beeld van God, opdat hij een bestaan zou leiden als redelijk wezen. Dat betekent, dat hij door zich godvruchtig God te herinneren, tot inzicht zou komen. Dat hij door dit nederige inzicht zou komen tot liefde, en door een vurige en wijze liefde tot de ervaring van de genieting.

Hierin bestaat het vrezen van God en het onderhouden van zijn geboden, en dat is heel de mens. En dit is dan het beeld en de gelijkenis van God in de mens, zoals en voor zover het verwezenlijkt kan worden in een materie, die zo verschilt van het model.

89. In het verstand immers zetelt die gelijkenis, waardoor de mens onderscheiden wordt van het dier. Want het is niet eigen aan het dier zich God te herinneren. Zich Hem herinneren, zonder tot inzicht te komen, gaat een beetje boven het dier uit, maar blijft beneden de mens. Zich Hem herinneren, om tot inzicht te komen, behoort tot de mens. Het inzicht dat voert naar de liefde, en een liefde die opgaat in genieting, dat is reeds het terrein van het volmaakt menselijk verstand. Ja, het godvruchtig herdenken wordt spoedig verhelderd door een zeker inzicht aangaande God en een logische gedachtengang. En dit zuivere inzicht of dat logische denken wordt terstond warm in de liefde; en de liefde op haar beurt bekleedt zich door de aanhankelijkheid aan het goede aanstonds met het beeld van het Hoogste Goed, zoals en voor zover dit bij haar past. Dit Beeld reikt de helpende hand aan het geheugen, als dit ermee instemt. Eveneens is het hulpvaardig aanwezig bij het zuivere intellect door de inschakeling van het denkvermogen, en bij de diepgevoelde liefde door de ervaring van de genieting. Bij de minne, dat wil zeggen bij de liefhebbende Bruid, gebeurt dit door haar zielehouding. Maar bij de anderen door het streven van hun goede wil. Want voor de Bruid is het zich herinneren van de Bruidegom hetzelfde als de Bruidegom zoeken in eenvoud van hart. Inzicht krijgen is: Hem voor ogen houden in rechtschapenheid, Hem liefhebben: van Hem vervuld worden, Hem genieten, zijn zoals Hij is.

90. AIs de Bruidegom de Bruid vindt in deze toestand of zielehouding, zegt Hij: "Zie toch eens, hoe mooi u bent, mijn vriendin, zie toch eens, hoe mooi". Want al wat kleurloos was geworden in de schoonheid van de Bruid, heeft door de zon der gerechtigheid weer opnieuw kleur gekregen. Wat was afgekoeld tijdens zijn afwezigheid, is weer warm geworden in zijn aanwezigheid. De Apostel zegt: "Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt". Dit betekent met betrekking tot de Bruid, dat zij haar eigen voortreffelijke grondkleuren heeft, namelijk haar deugden. Zoals reeds gezegd is, kunnen die aan kleur verliezen of herwinnen, naargelang ze bestraald worden door de verlichtende genade of er van verstoken zijn.

91. Als dan de Bruidegom het gelaat van de Bruid ziet, dat zijn kleur herwonnen heeft, prijst Hij haar opgetogen en zegt: "Zie eens, hoe mooi u bent, mijn vriendin, zie toch eens, hoe mooi!". Deze herhaling wijst op een bevestiging, ofwel op de verrijking van haar stijgende schoonheid. Ofwel zegt Hij: "U bent mooi in uw daden, mooi in uw genegenheid, mooi van gestalte, mooi van tint". "Zie dus, hoe mooi u bent, mijn vriendin", zegt Hij, terwijl u het geheugen zuiverde voor Mij, het verstand vernederde voor Mij en de liefde richtte op Mij, "Zie toch eens, hoe mooi". En de maat van uw schoonheid, is de maat van onze vriendschap.

92. Omdat hierin de volmaaktheid van de contemplatief bestaat, voegt Hij er aangaande haar nog dit aan toe: "Uw ogen zijn als duivenogen". De beschouwing heeft twee ogen: de rede en de liefde. Hierover zegt ook de Profeet: "De rijkdommen van het heil zijn wijsheid en wetenschap". Het ene oog doorvorst met behulp van de wetenschap het menselijke. Het andere oog doorvorst met behulp van de wijsheid het goddelijke. Als ze echter verlicht worden door de genade, zijn ze elkaar wederkerig veel tot hulp. Want de liefde brengt de rede tot leven, en de rede geeft licht aan de liefde. Hun ogen krijgen de uitdrukking van duivenogen, eenvoudig schouwend, met een voorzichtige behoedzaamheid. En dikwijls worden die twee ogen één enkel oog als ze getrouw samenwerken. Dit gebeurt, als in het schouwen van God -dat bij uitstek het werk van de liefde is- de rede overgaat in liefde, en wordt omgevormd in een zeker geestelijk en goddelijk inzicht, dat de rede volkomen overtreft en opslorpt. Hierover zegt verderop de Bruidegom tot de Bruid: "U hebt mijn hart gewond met één blik van uw ogen en met één haar van uw hals"

93. Als de Bruid dan door de Bruidegom om haar schoonheid is geprezen, zwaait ze Hem eenzelfde lof toe met de woorden: "Zie eens, hoe mooi U bent, mijn Geliefde, en hoe bekoorlijk". Het is een wederkerige uitwisseling: de Bruid wordt 'mooi' genoemd, een schoonheid, een vriendin, maar ook de Bruidegom wordt 'mooi' genoemd, een bekoorlijke Geliefde.

Nu de Bruid onderricht is door beproevingen, gezuiverd door boete, door God verlicht, begint ze zichzelf te kennen, en Hem die ze zocht, begint ze in zichzelf te vinden. In de vriendschap, in het vertrouwelijk gesprek raken ze reeds bij elkaar thuis, bevallen elkaar, prijzen elkaar, en lopen vooruit op de vreugde van de wederkerige verbondenheid.

En terwijl het liefdespel zich aldus afspeelt, terwijl het zich aan alle kanten stap voor stap ontwikkelt, tot aan de maat van de volmaaktheid die door God gegeven wordt, spreken Bruidegom en Bruid met elkaar.

De Bruid spreekt door haar liefdevolle toewijding en de Bruidegom door wat de inwerkende genade tot stand brengt. Of anders gezegd, het woord van de Bruidegom, dat is: het werk van de 'bezielende' genade. En het antwoord van de Bruid is die vreugde van een hartegrond, die met goede gevoelens 'bezield' is. Ofwel, spreken tot de Bruidegom betekent: voor de Bruid, dat ze voor zijn ogen verschijnt juist zoals ze is. Omgekeerd betekent het spreken tot de Bruid, dat de Bruidegom orde schept in haar, dat is in haar verstand, haar inzichten over haarzelf ordent en regelt. Al wat hier de Bruidegom zegt tot lof van de Bruid, is ook een getuigenis van het goede geweten. En wat de Bruid zegt tot de Bruidegom is liefdevolle toewijding en godvruchtige contemplatie. Immers, er is geen enkel mens zo slecht van hart noch afgewend van God, of hij blijft bevattelijk voor een beetje redelijkheid, en God spreekt soms in hem. Geldt dit dan niet nog meer voor de Bruid, die met God één Geest is geworden, zoals de vrouw één vlees is geworden met de man?

94. Ze is dus 'mooi' genoemd, een schoonheid, een vriendin. In een wederkerige lofprijzing noemt zij met dankbare aanhankelijkheid de Bruidegom schoon, bekoorlijk, Geliefde. Dit betekent, dat zij begrijpt en vast gelooft dat ze, al wat ze aan lofwaardigs heeft, te danken heeft aan Hem, die het goede is van al het goede, en de schoonheid van al het schone, aan Hem voor wie 'iemand prijzen' gelijk staat met 'iemand prijzenswaardig maken'. Deze uitwisseling van welwillende woorden tussen hen beiden komt voort uit de wederzijdse gelijkenis in schoonheid en het wederzijds genieten bij elkaar van Bruidegom en Bruid. En daar hebben we het juist over. Want niet alleen wij vinden geneugte in God, maar ook God geniet van het goede in ons, voor zover Hij zich gewaardigt er zijn vermaak en zijn genoegen in te vinden.

De maat van de geneugte staat in verhouding tot de maat van de geestelijke vooruitgang, en van het lijken op Hem. Want het kan niet anders of de gelijkenis vervult haar met vreugde, en de vreugde wordt opgeroepen door de gelijkenis. Iedere ziel immers, die tot haar nut een genade ontvangt van Gods vrijgevigheid, leert mét de gave ook de Gever kennen, opdat de mens niet ondankbaar zal zijn tegenover God, maar zich altijd zal wenden tot de Gever. Als de nederige liefde zich vuriger richt op Hem, wordt ze gevormd naar Hem op Wie ze gericht staat, en door zich zo te richten, wordt door Hemzelf die vorming ter hand genomen. En terwijl de gelijkenis met de Maker tot stand komt, wordt de mens iemand die is van God. Dat betekent: één van geest met God, mooi in zijn schoonheid, goed in zijn goedheid.

En dit voltrekt zich overeenkomstig de kracht van zijn geloof, het licht van zijn verstand en de maat van zijn liefde. Deze mens leidt door de genade in God hetzelfde leven als God van nature eigen is. Want het gebeurt inderdaad, dat de overvloed van genade een uitgesproken duidelijke ervaring schenkt van iets goddelijks. Dan wordt het van licht overstroomde zintuig van de liefde plotseling en op een nieuwe manier iets gewaar, dat de verwachting van elk lichamelijk zintuig overtreft, dat elke redenering te boven gaat, dat door geen enkel inzicht te vatten is, dan alleen door het inzicht van de verlichte liefde. In zo'n toestand is voor die man Gods een Godservaring niets anders als naar het gehalte van de ervaren schoonheid en van de ervarende liefde, de gelijkenis op Hem zich eigen te maken.

Dit doet hij door middel van een liefde, die geboren is uit een gelukkige ondervinding. Immers, in zintuiglijke zaken gebeurt voor de waarnemer de ervaring door middel van het lichaam. Het gehalte van het waarnemende zintuig en van het waarneembare voorwerp worden door middel van het fantasiebeeld toegeëigend door een zekere gelijkenis ervan, die men in de geest heeft. Als het bijvoorbeeld een waarneming betreft van het gezicht kan hij die kijkt, volstrekt niets herkennen, als er niet eerst een gelijkend beeld wordt gevormd in de geest van de toeschouwer. Door dit fantasiebeeld wordt hij omgevormd in datgene wat hij waarneemt, zíet hij.

Iets dergelijks, maar in een hogere graad, werkt het zien van God uit in het zintuig van de liefde, waarmee men God ziet. Dit is zelfs het geval met de lichamelijke zintuigen, waarbij het zintuig nauwelijks iets kan verrichten, als niet ook de liefde er mee samengaat: de waarnemer trekt zich meteen terug, als niet een of ander hartsverlangen hem vasthecht aan wat hij waarneemt.

Maar bij het zien van God, waarbij de liefde alléén werkzaam is zonder de medewerking van een of ander zintuig, gebeurt dit op een wijze, die in waardigheid en fijngevoeligheid, niet te vergelijken is met heel de zintuigelijke beeldenwinkel. De zuiverheid van de liefde en de aantrekkingskracht van God verrichten hier hetzelfde werk. De beïnvloeding is méér innemend, de aantrekkingskracht is sterker, en het vermogen om hem die dit ervaart te boeien heeft een grotere bekoorlijkheid. Ze 'smelten' de trouwe minnaar om in God, heel en al, met geest en daad. Ze sterken en vormen hem, maken hem levend om te kunnen genieten. Over deze geneugte voegt de Bruid er aanstonds de woorden bij: "Ons bed is bloemrijk".

95. Het bloemrijke bed is de lieflijke hartegrond; het is de vreugde van de Geest daarin; het is voortdurend de waarheid smaken aan zijn eigen bron zelf. Hiervan zegt de Bruidegom: "Op wie anders zal mijn Geest rusten dan op de nederige en de vreedzame, op hem die ontzag heeft voor mijn woorden?" Graag blijven we stilstaan bij de luister van het bloemrijke bed en graag zoeken we naar de heerlijke geneugten ervan: de lentetooi van zuiverheid en liefde, de bekoorlijke geur van geestelijke gevoelens en gedachten, de winden die de geur van het goddelijke en de kracht van de eeuwigheid met zich meedragen. Want dit bloemrijke bed is de plaats van die wonderbare vereniging, van het verrukkelijke genieten van elkaar, van de vreugde die elk begrip en elke gedachte te boven gaat, zelfs voor hen in wie deze vreugde werkzaam is.

En dit voltrekt zich tussen God en de mens op weg naar God, tussen de geschapen geest en de Ongeschapene. Zoekend naar woorden, waarmee de menselijke taal op een of andere manier de heerlijkheid en de verrukking van die vereniging kan uitdrukken, worden ze Bruidegom en Bruid genoemd.

Deze vereniging is niets anders dan de eenheid tussen de Vader en de Zoon, de Kus van Hen, die omhelzing, die liefde, die goedheid en al wat Zij in die zo enkelvoudige Eenheid samen gemeenschappelijk hebben.

Dit alles is de Heilige Geest, God, Liefde, tegelijkertijd Gever en Gave.

Daar, in dat bloemrijke bed, geven ze elkaar die omhelzing en die kus, waardoor de Bruid begint te kennen zoals ze zelf gekend wordt. En zoals gewoonlijk geliefden in hun kussen door een heerlijke wederzijdse overgave hun geest in elkaar overgieten, zo stort de geschapen geest zichzelf geheel en al uit in hem daartoe scheppende Geest. Wederkerig stort de Heilige Geest, de Schepper, Zich uit in de geest van de mens, naargelang Hijzelf het beschikt. En de mens wordt één geest met God.

96. Hier vinden de zonen van de Bruidegom, te midden van de verdrietelijkheden van dit leven, het enige toevluchtsoord tegen de vervolgingen en verdrukkingen, de enige rust in hun inspanning, een troost in hun lijden, de spiegel van het leven, de kracht van het geloof, het onderpand van de hoop, de verrukkelijke minnespijs, het voedsel van de liefde op weg naar God. Het uitverkoren Vat (Paulus) heeft eens -naar zijn eigen woorden- zichzelf aanbevolen als dienaar van God: door groot geduld, in kwellingen, nood en benauwdheid, in slagen, gevangenschap en woelingen, in arbeid, nachtwaken en vasten, door reinheid, kennis en lankmoedigheid. Toen hij als het ware vermoeid was van zoveel werk, is hij ook naar dat bloemenbed gegaan en heeft zijn toevlucht gezocht in de rust ervan. Vandaar ook voegt hij aan de opsomming toe: "In goedheid, in de heilige Geest".

97. Gelukkig de ziel, die -in haar grond altijd op zoek naar het gelaat van de Heer,- na de last van het lichamelijk werk en na de moeilijkheden van de geestelijke oefeningen, altijd bij zichzelf die woning van geestelijke vrede vindt en dat bloemrijke bed. Dat wil zeggen: die intieme vreugde van het eigen getuigenis, waarover ook de Leraar der heidenen zegt: "Dit is onze roem, de getuigenis van ons geweten". Ja, gelukkig het hart dat, als het de vreugde van dit innerlijk smaken heeft verlaten, om op aandringen van de liefde ergens een noodzakelijk werk te verrichten, altijd daar, in die vreugde, een terugkeer bereid houdt. Dit is niet altijd gemakkelijk bij degene, die telkens als hij uit die vreugde moet weggaan, er geheel en al uitgaat. Want al moet het tere zorgenkind soms het bloemenbed verlaten om in de vreemde te gaan, toch moet het er nooit helemaal aan vervreemden. Maar iets van zichzelf moet het daar altijd achterlaten, om er voor zichzelf het eigen plaatsje trouw te bewaken. En als het genoodzaakt wordt uit te gaan, moet het zich door een sterke liefdeband hieraan vasthechten, om niet te ver weg te gaan.

Moge de liefde voor de waarheid altijd innerlijk aanwezig blijven, ook dan, als men door de noodzaak van de liefde wordt opgevorderd om uit te gaan naar andere bezigheden. En de hevigheid van de uitwendige noodzakelijkheid moge niet zozeer overheersen, dat de geest van de Bruid geheel wordt afgetrokken van de kracht van de innerlijke geneugte.

98. Maar als tezamen met de gedaante van deze wereld ook iedere ongerechtigheid voorbij zal zijn gegaan, dan zal ook elke noodwendigheid voorbijgaan. Dan zullen Bruidegom en Bruid ten volle en voor eeuwig verenigd worden in een volkomen gelijkenis. Niet alleen zal de Bruidegom gezien worden zoals Hij is, maar ieder die verdiend heeft Bruid te zijn, zal zijn zoals Hij is. En ook de kus zal zijn volheid krijgen, als mond-aan-mond en met ineengestrengelde armen er een eeuwige en volle genieting zal zijn. Dan zal niemand meer de Bruid doen opstaan, noch haar wakker maken, totdat zij het zelf wil. Maar zij zal voortaan niet meer willen.

99. In afwachting hiervan wordt er –te midden van de kwellingen van dit leven als hulp bij het werk, en als troost voor het uitstel- aan de geest die in goede gesteltenis is, een paradijs aangewezen, en voor het goedgestemde hart wordt er een bloemrijk bed in orde gebracht. Daarin vindt de Bruid wel niet die eeuwige kus en die volmaakte vereniging. Maar ze vindt er een min of meer gelijkende afbeelding van die kus en die volmaaktheid, en iets dat overeenkomst vertoont met die eenwording en die gelijkenis. Want voor de geest van de mens en voor het zintuig van de verlichte liefde, die soms even, zo nu en dan, dit bloemenbed aanraken onder de inwerking van de Heilige Geest, wordt er iets onzegbaar heerlijks gevonden. En de minnaar voelt zich veeleer overweldigd door hetgeen hij in liefde smaakt, dan door hetgeen hij in gedachte kent.

En zo vindt, bij tijd en wijle, hij die liefheeft: vervulling, en hij die vooruitstreeft: vastheid. Zodat het niet alleen meer in hoop is, maar als het ware in werkelijkheid, in zekere zin bewezen door een geloofservaring, dat hij de indruk heeft met eigen ogen te zien en met zijn handen te tasten en te bevoelen, wat hij verhoopt aangaan het Woord van het Leven.

100. Dit is immers uw vertroosting, o Vader, die u beloofd hebt aan uw kinderen met de woorden: "Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik ga, maar Ik kom tot u terug”. Want voor uw kinderen die geboeid zijn in de kerker van dit ballingsoord, maar die leven uit de hoop, buigt uw hemel zich neer en daalt U af, om onder hen te wonen en te wandelen.

En overeenkomstig hun geloof, dat Uzelf eerst in hun harten hebt gelegd, vormt U stilaan uw genade, en geeft zodoende genade op genade.

Onder de inwerking hiervan maken zij hun geest en hun leven er aan gelijkvormig, en zo komt die gelijkenis tot stand, die op de voet gevolgd wordt door die geneugte. Want U bent een goede Vader en een goede Heer, en goed-zijn is al wat U bent. Om hun liefde op te wekken toont en openbaart U, dat uw Wezen goedheid is. En daar er altijd een kracht van U uitgaat om onze ziekelijkheden te genezen, vervult U hen door een zekere aanraking en ervaring van uw goedheid, en maakt hen -geheel uit Uzelf- goed. En zo wordt U, de Goede, bemind door hen die goed zijn. Uzelf bent in hen de liefde voor U. U vervult hen barmhartig en goedig met iets van Uzelf, en U bemint Uzelf oprecht, billijk en wijs in hen.

Wat U smaakt, is niet onbekend met U. Wat U grijpt is niet ver van U, verondersteld tenminste dat het U grijpt, U Die door geen enkele plaats wordt vastgehouden, noch zintuiglijk, noch geestelijk; U, Die niet valt binnen het bereik van welk zintuig dan ook, of het nu gebruik maakt van het lichaam als instrument, of van het inzicht dat voortkomt uit de redenering. Maar het hart dat verruimd is door de liefde, rekt zich uit naar de maat van uw liefde. En terwijl het U bemint, of er naar hunkert U te beminnen, hoe groot U ook bent, grijpt zo'n hart de Ongrijpbare en begrijpt de Onbegrijpelijke.

Maar wat zeggen we daar? 'Grijpt' het? Is het niet veeleer de liefde zelf die grijpt? En die liefde bent U Zelf, uw Heilige Geest, o Vader, die voortkomt van U en van de Zoon, en met wie U en de Zoon een Eenheid bent. Als de menselijke geest verdient nauw met Hem verbonden te worden, geest met Geest, liefde met Liefde, dan wordt de menselijke liefde in zekere zin vergoddelijkt. Weliswaar is de mens dan werkzaam in het minnen van God, maar het is God Zelf die dit bewerkt. Het is immers niet Paulus die het doet, maar Gods genade met hem.

101. "Ons bed", zegt ze dus, "is bloemrijk". Ze biedt de Bruidegom aan wat ze van Hem wenst te ontvangen. Wat ze Hem aanbiedt, dat is het eerbiedige gebed. De liefde bloeit immers weer op bij iets wat op bijzondere wijze de Geliefde in herinnering brengt. En het innige gebed is het sterke verlangen van hem, die zich aan zo'n herinnering overgeeft. Die herdenking is niets anders, dan dat de gelouterde ziel haar Vertrouweling uitnodigt bij haar binnen te komen. Ze heeft reeds de bloemen voor het bloemenbed, dat wil zeggen, ze bezit de bekoorlijkheid van de heilige deugden. Die zijn een geschenk van de Bruidegom, en aanvaard met toestemming van de goede wil. Maar het genot van hun aantrekkingskracht kan zij niet ervaren, als de Bruidegom niet bij haar is, en als zij in Hem niet bij zichzelf is.

Ze biedt dus het bed aan, zij nodigt uit erheen te komen. Ze smeekt onder tranen om bij Hem te mogen rusten: ze verlangt in vrede, samen met Hem, te rusten. Door de voortdurende aanwezigheid van de Bruidegom en de verlichtende genade die daaruit voortspruit, wil ze standvastig en liefdevol met haar herinnering in God gevestigd blijven, en het verstand door Hem laten verlichten. Ze verlangt een liefde jegens Hem, die de kennis overtreft, en in de deugdbeoefening wil ze onophoudelijk de heerlijke stuwkracht van de genade ervaren.

102. "Ons bed is bloemrijk". Zoals de bloem ernaar streeft rijp te worden in de vrucht, zo streeft de goede wil naar de ervaarbare liefde. Daar legt de Bruid zich op toe, daarvoor lijdt ze barensweeën, daarvoor doorstaat ze angsten. Ze wil liefhebben, ze verlangt naar geneugte. En dit niet in de toeleg van de wil, maar in de gesteltenis van de geest. Dit bedoelt ze, als ze haar verlangen uitdrukt naar het bloemenbed. Want in het gevoel van de Godzoekende ziel waarin de gelijkenis met Hem nog voltrokken moet worden, kan dat onverschuldigde genieten van God niet plaats hebben.

103. Daarom zegt ze: "Ons bed". Als het, zegt ze, van 'ons' is, zal het voor mij en voor U samen zijn, zal het heilige vreugden uitwasemen, en zal het warm zijn van wederkerige liefde. Zolang het ‘mijn bed' is, waarin ik 's nachts de Geliefde tevergeefs zoek, heeft het geen bloemen, geen heerlijke geur, weinig bekoorlijkheden en nog minder vreugde. Het is een bed voor de nacht, niet voor overdag. Het is helemaal koud, en wee de eenzame die erin ligt te rusten, want er is niemand om hem te verwarmen. Ze zegt daarom niet 'mijn bed', maar 'ons bed' is bloemrijk.

104. Omdat de Bruid soms wat liefde van de Bruidegom heeft ondervonden, hunkert ze nu naar het rustbed. Omdat ze een uurtje gedeeltelijk ervan heeft genoten, verlangt ze nu naar de volheid van dit samen-rusten. Want in de beschouwing van het Hoogste Goed, wordt het wegens de aantrekkelijkheid van het natuurlijk goed zelf, voor de gelovige spoedig een gewoonte, alles te verhopen wat het minnend hart bekoort... Zoals er in het licht van Gods gelaat geen liefde kan zijn zonder object, zo kan er ook geen kennis zijn zonder hoop.

105. Nu volgen de woorden: "De binten van onze woningen zijn van cederhout". Ze zegt niet alleen het bed, maar ook onze woningen verafschuwen de eenzaamheid. Het 'wee de eenzame' geldt immers evenzeer voor het bed als voor de woning.

Maar de Bruid heeft niet slechts één enkele woning. Zoveel deugden als ze heeft, zoveel huizen heeft ze ook waar ze wonen kan en samen-wonen met de Bruidegom. De heilige deugden vormen het huis van de Bruid, waarover in de psalm te lezen staat: "God zal gekend worden in haar woningen -in die van de Bruid namelijk- als Hij Zelf, als de Bruidegom haar ontvangen zal". Ja, als de Bruid de genade van zijn tegenwoordigheid heeft ontvangen en aanvaard, en zij er haar welbehagen in vindt, zodat haar woningen hierdoor overstraald worden, dan wordt de Bruidegom er in gekend.

De kuisheid die voortkomt uit de liefde is wel degelijk iets anders als de kuisheid die voortkomt louter uit de onthouding. Als men alle deugden bij elkaar en iedere deugd apart beschouwt, zijn ze anders als ze alleen steunen op het streven van de wil, die bewogen wordt door het oordeel van het verstand, dan wanneer ze hun stuwkracht vinden in de liefde als gevolg van een levengevende genade. Zolang Bruidegom en Bruid hun huizen, de huizen der deugden gemeenschappelijk bezitten, hebben ze een uitstekende beschutting: 'binten van cederhout', en een inwendige schoonheid: 'wanden van cypressen'. In de huizen der deugden vormen het geloof en de hoop op de eeuwigheid de binten van onverslijtbaar cederhout. Onder het dak van Gods hemelse bescherming staan ze opgericht naar de hemel door de kracht van een oprechte gezindheid.

De wanden van cypressen wijzen door hun sierlijke plaatsing en de krachtige geur op de innerlijke schoonheid die bestaat in de zorg om de eenheid van geest te bewaren. Die eenheid in de onderlinge liefde voor elkaar van de zonen van de Bruidegom, waardoor ze, steunend op de liefde van God, elkaar beminnen en elkaar aanvaarden, zoals in de wanden de planken zich in elkaar voegen, om de innerlijke schoonheid te voltooien, en tevens de innerlijke sterkte. Niets zal dan binnensluipen of binnendringen wat de bewoners kan bedroeven, want die ene, wederzijdse liefde maakt hen voor elkaar ontvankelijk én aanvaardbaar.

Sommige ongelovigen schijnen weliswaar ook deugden in hun ziel te hebben, maar geen enkele ervan kan als deugd bewezen worden, als ze niet op God staan gericht door het geloof en de hoop, en als ze niet opgenomen zijn binnen de ene godsdienstige familie-band van de Kerk. Wel schijnt die natuurlijke schoonheid van de deugden voor alle mensen uitnodigend en verlokkend te zijn, maar als God er niet wordt gekend, omvat hun liefde maar weinig mensen, en hun waarachtigheid geen enkele. Daarom, zoals reeds gezegd is, schijnen ook de buitenstaanders van het geloof soms enige deugden te hebben in hun handelwijze, in hun wil, en zelfs

in hun liefde, zodanig dat er iemand onder hen wordt gevonden, die alleen die mensen goed noemt, die uit liefde voor de deugd de zonde haten. Maar voor hen, die Christus beschouwen als de Wijsheid, is Hij Zelf ook de hele deugdzaamheid. In de wijsheid immers ligt de hele volheid van de deugden vervat. En alleen maar dan bezit men deugden, als hun wijsheid smaakt naar Hem, die de Wijsheid is van alle deugden. Zoals in Hem de echte, degelijke deugd niet alleen toeleg op de daad of ijver van de wil is, maar genegenheid van het hart en een goede geesteshouding, zo ook is in de toekeer naar Hem de waarachtige en levende liefde te vinden, als bij de minnaar de Geliefde tegenwoordig is door het inzicht van het verstand of door het gevoel van de liefde. En dan kan er sprake zijn van 'ons bed', dat tevens een bloemrijk bed is.

106. Zo is dan alles wat er door de Bruid tot de Bruidegom gezegd is over het bloemenbed en over de huizen met binten en wanden, niets anders als een uitnodiging die opwelt uit de liefdevolle grond van haar ziel en zich richt tot God, haar Vertrouweling, om binnen te komen in haar hart. Onder de binten van geloof en hoop, -een beeld van het gemeenschappelijk leven van de gelovigen- zoekt de Bruid naar het bloemenbed. En tussen de wanden van het sociale leven zoekt ze de veilige woning van een vast verblijf, om aan die woning het grotere geheim toe te vertrouwen van de omgang met de Bruidegom in geneugte en liefde. Maar zo iets vraagt om een geschiktere plaats, die aantrekkelijker is om er zich neer te vleien, een meer verborgen plaats om er de geneugte te smaken en er veiliger te verblijven.

Die plaats, dat is de liefde uit een zuiver hart, uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof. Die plaats, dat is een hart, dat zowel in de eenzaamheid als in de drukte met God alleen is.

Terug naar de index

Negende strofe


Ik ben een veldbloem
en een Ielie der dalen.
Zoals een lelie tussen de doornen,
zo is mijn vriendin onder de meisjes.

Zoals een appelboom
tussen de bomen van het bos,
zo is mijn geliefde onder de jongemannen.
Ik smacht ernaar in zijn schaduw te zitten.
Zijn vrucht is zoet voor mijn mond.

107. Het lied vervolgt: "Ik ben een veldbloem en een lelie der dalen". De Geest van wijsheid heeft de gewoonte om degene die Hij wil verrijken, eerst arm te maken; en wie Hij wil verheffen, eerst nederig te maken. Zo vestigt Hij het hoge gebouw van waarachtige volmaaktheid op het fundament van waarachtige nederigheid. De Bruidegom bereidt Zich voor om de Bruid binnen te leiden in de wijnkelder. Maar in deze plaats worden geen onbekende hoogheden ontvangen. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor haar over wie gezegd wordt: "Hoe groter u bent, des te meer moet u zich vernederen in alles". Want zoals de kracht zich eerst ten volle openbaart in zwakheid, zo bereikt de gerechtigheid haar volheid in de nederigheid. Daarom zei de Heer bij zijn Doop in de Jordaan tot Johannes: "Laat het nu toe; want zo behoort het, dat wij de gerechtigheid ten volle volbrengen".

De Bruidegom wijst dus niet zozeer op het volbrengen van de gerechtigheid in de Bruid, maar bewijst veeleer de kracht van de nederigheid met de woorden: "Ik ben een veldbloem en een lelie der dalen. Zoals een lelie tussen de doornen, zo is mijn vriendin onder de meisjes". Alsof Hij wil zeggen: "Als u haakt naar de volheid der genieting, zet u er dan voor in en doe uw best om een volledige gelijkenis met Mij te verwerven, dat wil zeggen: de deugd van volmaakte nederigheid in alle volheid, waarvan Ik een voorbeeld ben voor u, Ik de veldbloem en de lelie der dalen".

108. Het verschil tussen een veldbloem en een lelie der dalen is niet gering. Ongetwijfeld is er een nederigheid die bloeit op het veld en in de vlakte. Niemand die de naam 'Christen' draagt, kan zich hiervan ontslagen achten. Alle mensen doen eraan mee volgens het natuurlijk oordeel van het verstand, door zich namelijk te onderwerpen aan de meerdere, en zich niet te verheffen boven zijns gelijke.

Er is ook een andere, meer verheven nederigheid, die hoopt op de palm van de volmaaktheid, namelijk: zich om God ondergeschikt maken aan de mindere, en aan zijns gelijke de voorrang geven boven zichzelf. En dit niet alleen door een verstandelijk oordeel, maar ook met die genegenheid, die komt uit de grond van het hart. Dat is de lelie der dalen, de lelie die opbloeit uit diepe harten, uit heilige zielen, uit volmaakte mensen die elkaar voorkómen met eerbewijzen en die wederkerig elkaar als hun meerdere beschouwen. Want de diepte van het dal scheidt, de bodem ervan verenigt de bergen. Ongetwijfeld heeft de Apostel het over die zielen als hij zegt: "Er is verscheidenheid in gaven en genaden, maar de Geest is dezelfde".

Over hen ook zegt de psalmist: "Gij zendt de bronnen in de dalen”. En op een andere plaats: "De dalen lopen over van koren.”

De toppen van de verschillende vormen van heiligheid scheiden deze mensen naar boven toe volgens hun verschillende verdiensten. Maar naar beneden, waar ze zich vernederen diep in de grond van hun hart, brengt het waarde-oordeel van de liefde hen weer bij elkaar. Hoe hoger in hen de top van de heiligheid is, des te dieper is het dal van de nederigheid. Daar lijkt de lelie op de Lelie. Daar wordt de kopie gelijkvormig en tevens nauw verbonden aan het model van de goddelijke nederigheid in Christus.

De nederigheid van iemand die enkel mens is, en die vanuit zijn menselijk bestaan en zijn zelfkennis zich geringschat ten aanzien van God en de medemens, is wel heel iets anders als de nederigheid van de Godmens, die om de mens op te heffen Zich vrijwillig ontledigde tot de diepte van het menselijk bestaan. In de Middelaar tussen God en mens is deze afdaling van God naar de mensen -die alleen voortvloeit uit de bron van Goedheid- veeleer een vernedering dan nederigheid. Daarom zegt de Apostel: "Hij heeft Zichzelf vernederd." Maar in de mens is zelfkennis altijd nederigheid. Wijst iemand de zelfkennis onwillig af, dan roept hij noodzakelijk verwarring op, maar aanvaardt hij haar gewillig, dan is dat een deugdzame houding.

109. Hij is dus een veldbloem, dat wil zeggen: de mens Christus is verschenen als een voorbeeld van deemoed voor allen. Van Hem staat geschreven: "Hij was zijn ouders onderdanig." Ten aanzien van de belastingplicht heeft Hij niet geweigerd het lot van Petrus te delen, noch in het betalen ervan, noch in de grootte van de som. Toen de bedienaren van het aardse rijk de belasting kwamen eisen, zei Hij tot Petrus: "Ga naar het meer, werp de hengel uit en grijp de eerste vis, die boven komt; open zijn bek en ge zult een stater vinden. Geef hun die voor Mij en voor u".

110. Hij was ook een lelie der dalen toen Hij als mens aan de mensen de voorrang gaf boven Zichzelf, en om de goddelozen in leven te laten er in toestemde Zelf te sterven. Eveneens toen Hij als Godmens vrijwillig onderdanig was aan slechte mensen en door hen onrechtvaardig veroordeeld werd.

In Mij dus, zegt Hij, vinden het gewone vlakke leven, zowel als de roeping tot een hoger leven een voorbeeld dat nagevolgd kan worden, als het gaat over de deugd van nederigheid. Voor sommigen een veldbloem, voor anderen een lelie die de overige bloemen overtreft, is mijn optreden een voorbeeld van volmaaktheid. Ofschoon Ik Gods gestalte bezat, en mijn gelijkheid met God geen roof hoefde te achten, heb Ik er Mezelf van ontledigd, Ik heb me op één lijn gesteld met de mensen en ging door voor een mens. Wat u betreft, u die streeft naar de schoonheid, opdat het schone ook u mooi zal maken, u hebt door het zintuig van de liefde in uzelf ervaren, wat u door het zintuig van het geloof hebt ervaren in Mij. Geplant bij de lelie, bent u zelf een lelie geworden. Noch de vrouwelijke fijnheid, -die wordt opgeroepen door het vermelden van de meisjes- noch de scherpe punten van de doornen, - de boosaardigheid van de medebewoners namelijk- hebben er u van afgebracht om Mij rechtlijnig na te volgen. Immers een goed leven leiden te midden van slechte mensen is reeds een hoogtepunt in de volmaaktheid.

Hoewel voor een mens het hoogste voorbeeld van nederigheid altijd komt van Christus, moet men toch weten dat de nederigheid in Christus verschilt van de nederigheid in de christen. In iedereen die louter mens is, bestaat immers de waarachtige nederigheid hierin, dat hij zichzelf schat op wat hij in werkelijkheid is, en dat hij als gevolg van die zelfkennis gering wordt in eigen ogen. Maar ofschoon Jezus Christus meer dan de andere mensen de nederigheid beoefende en onderwees, kon Hij alleen Zichzelf schatten op wat Hij werkelijk is, Hij de Waarachtigheid zelf. Want al was Hij God en mens tegelijk, toch was die mens God zo waardig, dat er niets in Hem was, waarom Hij Zichzelf gering zou achten. Voor Hem lag de nederigheid dus niet in de beoordeling van Zichzelf, maar in de daad. En hierin heeft Hij Zich vernederd, dat Hij niet alleen de ootmoed onderwees, maar ook meer dan alle andere mensen deed en leed wat het allergeringste was, en aan zijn Majesteit het meest onwaardig.

111. De Bruidegom is dus een veldbloem en een lelie der dalen. De Bruid daarentegen lijkt op de lelie. Wél omhelst ze de ootmoed van de navolging en van de trouwe gelijkenis, maar ze schrikt terug voor de hoogte van de gelijkheid. En daarom wijst de Bruid het niet af om te lijken op de nederige maar onvruchtbare lelie. De Bruidegom echter vergelijkt ze met een grote en vruchtbare appelboom, in wiens schaduw zij beschutting vindt, en met wiens vrucht zij zich voedt: "Zoals een appelboom tussen de bomen van het bos, zo is mijn geliefde onder de jonge mannen. Ik smacht ernaar onder zijn schaduw te zitten. Zijn vrucht is zoet voor mijn mond".

112. Nooit kan een mens vergeleken worden met God, zelfs niet in die deemoed waarin hij op Hem gelijkt. Zoals immers de macht van zijn goddelijke almacht, zijn ondoorgrondelijke majesteit, zijn niet te schatten kracht en zijn onvoorstelbare wijsheid geen punt van vergelijking hebben, zo is Hij ook, toen Hij in onze wereld kwam, in zijn zwakheid sterker gebleken, in zijn dwaasheid wijzer en in zijn geringheid verhevener dan alle mensen. Daarom zei de Heer Zelf, toen Hij sprak over Johannes: "Onder de kinderen der vrouwen is er geen opgestaan, groter dan Johannes de Doper," wel te verstaan: in nederigheid. Wie echter kleiner –dat wil zeggen nederiger- is in het Rijk der hemelen, is groter dan hij. Waarin dat? In de nederigheid. In het Rijk der hemelen, in de Kerk namelijk, heeft de nederigheid van Johannes voorzeker een grote kracht gehad. Maar toch, in datzelfde Rijk is Iemand opgetreden die groter was dan Johannes: Hij, de grootste van allen, die zich gedroeg als de geringste. Naarmate Hij van een grotere hoogte afdaalde naar onze laagheid, trad Hij in deze wereld op met een grotere nederigheid dan allen die nederig zijn. Daarom roept de Bruid onder het beeld van een hoge appelboom de herinnering op aan de Heer met zijn leerlingen, aanliggend in het huis van de farizeeër, waarbij zij zelf binnenkomt als de zondares en de Heer haar vrijspreekt. Zij, die onderricht is door de Bruidegom en gevormd in de beproeving, die er met toewijding naar streeft op Hem te gelijken, maar die door een siddering bevangen wordt als het gaat over een gelijkheid met Hem, zij past heel dat vrome evangelieverhaal op zichzelf toe en zegt: "Zoals een vruchtbare appelboom onder de onvruchtbare bomen van het bos" hun allen tot sieraad strekt door zijn schoonheid, vreugde over hen verspreidt door zijn geur, hun allen tot eer is door zijn vrucht, "zo is mijn Geliefde onder de jonge mannen", teder in genegenheid en mannelijk in kracht.

Onder die jonge mannen worden de apostelen verstaan, die bij Hem zijn en die Hij overstraalt met zijn deugden, versterkt met zijn voorbeelden, bevestigt door zijn daden en vreugde schenkt door zijn onderrichting.

Maar 'in de schaduw' van zijn verdediging zoek ik angstig beschermd en verborgen te worden, terwijl de farizeeër me veroordeelt. Als ik dan uit zijn mond het oordeel hoor over hen die de Naam van de Heer liefhebben, zit ik gerust. Hij zei immers: "Vele zonden zijn haar vergeven, omdat ze veel heeft liefgehad.”

113. "En zijn vrucht is zoet voor mijn mond", dat is: de smaak van zijn liefde, die mijn verlangen naar geluk bevredigt, als de volheid van zijn vergiffenis mij tot in de grond van mijn ziel gelukkig maakt met de woorden: "Ga in vrede, uw geloof heeft u gered".

Ik heb ernaar verlangd toen ik het najoeg in geloof en hoop. Ik ben gaan zitten, toen ik door de geestelijke liefde rust vond in Hem; en zijn vrucht werd zoet voor mijn mond, toen ik door de kracht van de verlichte liefde de verrukkelijke ervaringen begon te smaken van zijn bekoorlijkheid.

Terug naar de index

Tiende strofe


De Koning heeft me binnengeleid
in de wijnkelder.
Hij heeft in mij de liefde geordend.

Ondersteun mij met bloemen,
versterk mij met appels,
want ik kwijn weg van liefde.

114. De tekst vervolgt: "De Koning heeft me binnengeleid in de wijnkelder". Vroeger, in de eerste vurigheid, is zij immers de voorraadkamers uitgegaan, gekweld door haar verlangen naar beschouwing. Nu ze in alle opzichten beproefd is en door en door gelouterd, en een ootmoedigheid heeft verworven die daarmee overeenstemt, zet ze haar eerste stappen in die bewonderenswaardige woontent, om te gaan tot waar God verblijf houdt en zich neer te vleien in genieting. Dit verbeidde ze vroeger al met een zo hevig ongeduld, toen ze zei: 'Wijs mij, o mijn zielsbeminde, waar u weidt, waar u rust in de middag".

115. Zoals in het voorafgaande reeds gezegd is, spreekt de Profeet over de rijkdom van de Bruidegom, als hij zegt: "De schatten van het heil zijn wijsheid en wetenschap". In de wetenschap, dat wil zeggen in de voorraadkamers, worden de rede en het verstand gevoed. In de wijsheid, dat wil zeggen in de wijnkelder vinden de liefde en de diepe genegenheid hun voedsel. In het eerste geval doet men kennis op, in het tweede krijgt men er smaak in. In de voorraadkamers is het de ijverige inzet om bekwaam onderscheid te maken, in de wijnkelder is het de vreugdevolle ervaring van de genietende minnaar. Niet iedereen is in het bezit van de wetenschap, maar de leerlingen moeten haar moeizaam, als het ware van buiten af, in zich opnemen. De kinderen Gods echter, ook de heel eenvoudigen, die de Heer voor ogen houden in rechtschapenheid en God zoeken in oprechtheid van hart, zij vinden de wijsheid in zichzelf, als een groeiproces dat van nature en zonder barensweeën wordt voortgebracht.

Ja, de wijnkelder is zo iets als de geheime schuilplaats van Gods wijsheid. Het is de ziele-toestand van een algeheel vervuld zijn van God. Alleen door het voorhangsel van de sterfelijkheid wordt hij gescheiden van de hemelingen, zoals Gods tempel gescheiden was van het Heilige der Heiligen. Hij kan echter rekenen op een vertrouwelijke omgang met de hemelingen volgens de maat van zijn geestelijke vooruitgang en de gave van de verlichtende genade. Daar is het bloemenbed, het bed van geneugte. De Bruid zocht nog kort van te voren de toegang ervan onder de binten van geloof en hoop, maar in de volheid van de liefde, in de wijnkelder, zal zij het krijgen.

116. Want de liefde, of het zich goed bewust zijn van haar volmaaktheid, dat is de wijnkelder. En de wijn van deze wijnkelder is de vreugde van de Heilige Geest. In de wijnkelder is dus niets anders te vinden dan wijn. Alles wat daar binnengaat, alles wat er binnen wordt gebracht, is wijn of wordt wijn, omdat het vuur van Gods liefde het helemaal in zich opneemt, het verteert en tot vuur maakt, zoals het ook gebeurt bij het natuurlijke vuur. Want voor wie God liefheeft, werkt alles mee ten goede.

117. Daar ontbrandt de liefde bovenmate door de grote voorraad wijn, door de overvloed van Gods huis en door de stroom van geneugte. Daar vloeit ze over in haar verrukkingen en vindt ze haar vreugde in wat haar hart begeert. En als de Koning de orde niet zou herstellen, zou het zeer dikwijls een ongeordende liefde lijken, zoals bijvoorbeeld bij Paulus, die wenst gescheiden te zijn van Christus omwille van zijn broeders, en zoals bij Mozes, die verlangt uitgewist te worden uit het boek des levens, als het volk Gods geen vergiffenis krijgt van de dodelijke zonde.

Maar ook als een hart, dat in zijn grond goed geordend is op God, soms op een dergelijke manier omwilIe van de liefde de droefheid meevoelt, als het mee-lijdt, als het mee-treurt, dan wordt toch zijn vreugde niet kleiner, maar juist groter. Want de vreugde van de Heer, die in de goede grond van het hart haar verblijf heeft gevestigd, wordt door geen enkele treurigheid van deze wereld afgebroken, noch verduisterd door leeg plezier. Maar hecht en sterk wordt haar draad er voortdurend mee samengeweven, rustigweg, altijd en overal. En hoewel zij zich leent voor velerlei dingen, blijft zij zelf onveranderd. Drukke mensen en twistende tongen hebben daar geen invloed. Het lege plezier en allerlei treurigheid zijn ver verwijderd van deze plaats, waar -als heel de oude mens gedood is -de genotzin en het religieuze gevoel uitsluitend leven van de smaak van het allerhoogste Goed.

Ver verwijderd ook zijn de flauwe en beuzelachtige vrolijkheidjes, die gewoonlijk van buitenaf binnenkomen, die zich wel aftekenen op het gezicht, maar het hart niet vullen, die wel de huid doortintelen, maar het binnenste niet doordringen. Dit zijn immers de verwoestende genoegens van de wereld, die slechts schijnbeelden van genot aanbieden. Al wat er aan kracht of deugd in de ziel was, nemen ze weg. Ze gaan voorbij en verdwijnen, en zijn verderfelijker dan elke soort van treurigheid. Maar de vreugde van de Heer is een ernstige zaak. Haar werk, dat geheel en al gekenmerkt is door ernst, komt toe aan hen, die blij zijn en juichen, niet alleen als ze horen dat hun namen staan opgeschreven in de hemel en hun beloning overvloedig is, maar ook als ze behoren tot degenen over wie allerlei beproevingen komen, die door de wereld worden gehaat, door de mensen uitgebannen, en wier namen gehoond worden omwilIe van de God die zij liefhebben. Immers, de vreugde die van buitenaf komt, keert gemakkelijk weer naar buiten terug. De geheiligde hartegrond daarentegen is altijd verheugd, omdat hij zijn vreugde niet elders vandaan heeft, maar de vreugde-bron vindt binnen in zichzelf.

118. Het is een veilig bezit van het huis, dat geluk van een goed geordende hartegrond. De Profeet spreekt erover, als hij de mens, die de Heer vreest, gelukkig noemt: "Roem en rijkdom zijn in zijn huis". En de Apostel zegt:"Onze glorie, dat is de getuigenis van ons goede geweten". Maar wat is een goed geweten? Is het niet de harte-grond die in de liefde tot God zijn voldoening vindt, en in een trouwe dienstbaarheid aan die liefde goed verantwoord is tegenover zichzelf? Deze vreugde ligt niet in het lachen van de mond, maar in de jubel van het hart. Hij die deze vreugde kent is altijd, bij al wat hem bedreigt en al wat bij hem binnenstormt, vanuit de goede grond van zijn hart blij en gerust. Rechtop en gericht op God, staat hij uit boven al wat op hem afkomt. Een edel genieten van wat men liefheeft, dat is: vreugde.

119. Hierom gaan de maat en de kwaliteit van de liefde hand in hand met de maat en de kwaliteit van de vreugde. Een liefde die hechter gegrond is, heeft gewoonlijk een sterkere vreugde tot gevolg. Daarom heeft de liefde tot God haar eigen vreugde, een vreugde in de Heilige Geest, die door niemand aan de minnaar ontnomen wordt, omdat ze de zijne is, omdat hij in de grond van zijn hart er zeker van is, haar te bezitten. Dit nu is de wijn uit de wijnkelder. Hiervan was Paulus dronken, toen hij zei: "Wie zal ons scheiden van Gods liefde? Wederwaardigheden of benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard? Ik ben er zeker van dat dood noch leven, engelen noch heerschappijen, machten noch krachten, heden noch toekomst, geen sterkte, hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van Gods liefde, die is in Jezus Christus onze Heer”. En de Psalmist zegt: "Hoe kostbaar is mijn bedwelmende beker". Ja, dit is de wijn die reeds krachtig bruist van die nieuwe wijn, die Jezus drinkt met zijn leerlingen in het Rijk van zijn Vader. De wijn die, zoals de Profeet zegt: "Maagden doet opbloeien" en volgens de Psalmist "een brandende wijn", "maar die het hart van de mens verheugt". Er schijnt weliswaar een zekere tegenstelling te liggen tussen het pijnlijk brandend verlangen en de genietende vreugde. Maar toch komen ze beide voort uit de ene liefde-bron, en horen ze beide thuis zowel in de wijnkelder als in het goede geweten.

120. De Bruid wordt dus binnengeleid in het huis van de wijn, in de vreugde van de Heer haar Bruidegom. Maar daar ze de maat en de wijnsoort niet kan verdragen, is ze bij de eerste ervaring van dat geluk door een overvloed van wijn buiten haar zinnen geraakt. Ze is bedwelmd door een hevige vurigheid. Ze is uitgeput in haar menselijke zwakheid, die wegkwijnt van verlangen naar het heil van God. Want ze bemint en ze bemint veel, maar ze is in de liefde zelf ongeordend. Als ze in haar liefde bedachtzaam en matig, krachtig en evenwichtig zou zijn, zou ze niet wegkwijnen. Waardoor wordt immers in het lichaam de ziekte veroorzaakt? Komt het niet door een stoornis in de sappen? Welnu, de natuurlijke orde van de heilige liefde is deze: voorzichtig komen tot begrijpen en smaken, maar met soberheid, dat wil zeggen: matig. Krachtig handelen om het verkregen inzicht in daden om te zetten, maar met rechtvaardigheid. Als het bedachtzaam proeven de soberheid uit het oog verliest, als de kracht de rechtvaardigheid voorbijschiet, komt er een algehele wanorde en treedt de 'ziekte' op. Want een ongeordende liefde veroorzaakt een totale wanorde. En omdat ze lukraak achter de Beminde aangaat, bereikt ze Hem niet, maar bezwijkt en verkwijnt. Haar streven is soms al te vurig. In zover ze zich bewust is van haar eigen zuiverheid, duldt ze geen ordebewaarder, maar is ze in haar overmoedigheid zichzelf tot wet en tot orde.

Toch, als de Koning regeert en orde schept, verloopt het ziekte-proces in de patiënt in zo'n goede orde dat, ook al wordt de zieke op iedere mogelijke manier gekweld en doorzeefd van pijn, heel die barmhartige tuchtiging van dat lijden en die heilzame beproeving voor hem veeleer een bron van vreugde dan van verdriet zijn. Want tussen die vreugde en die smart, tussen de tedere liefde van het genietend hart en de onrustige honger van het verlangend hart is er een heel goede verstandhouding. Ze fungeren als het ware als tegenstellingen, die elkaar bijzonder harmonieus in evenwicht houden. Daarom wil degene die lijdt niet genezen, en degene die treurt niet getroost worden. Dat zijn kracht bezwijkt in de liefde, verheugt hem veeleer, want hij ervaart dat in het afnemen van zijn eigen kracht, de liefde zelf toeneemt. Nu hij een beetje geproefd heeft, hoe zoet de Heer is en hij in rechtschapenheid de Heer voor ogen begint te houden, gaat hij enigszins het hoogste Goed ervaren, het schoonste Schoon zien en beschouwen. En daar hij reeds ten dele geniet, krijgt hij langs verstandelijke weg ook reeds enig inzicht in het geluk en de vreugde van de onbederflijkheid en de onveranderlijkheid.

121. En als de mens die nog bederflijk en veranderlijk is, er heel en al naar haakt om op te klimmen naar dat doel, en hij ervaart dat hij dat niet kan, wordt de bederflijkheid van zijn sterflijk lichaam hem tot een hevige walg. En als hij dan hoort zeggen: "Geen mens kan Mij zien en in leven blijven", begint hij zijn leven, hoe het ook is, ten zeerste te haten, omdat het hem tegenhoudt en hem afhoudt van het Godschouwende leven. Hij zou wel willen sterven, maar het is hem niet mogelijk. Sterven voor Christus, en er wordt hem geen gelegenheid gegeven. Sterven in Christus, maar dat wordt uitgesteld. Zijn leven ordenen in Christus, en zijn inzicht is in duisternis gehuld. Vrij zijn voor God, en zijn eigen onrust laat het hem niet toe. Werken, en er is geen arbeidsterrein voor hem. Hij wil zich inzetten, en hij weet niet waarvoor. Zichzelf wegschenken en helemaal opofferen, en hij vindt er geen gelegenheid voor. Hij zegt, hij roept: "Heer, wat wilt Ge dat ik doe?" en er is geen antwoord. "Wat wilt Ge dat ik word?”, en hij wordt aan zichzelf overgelaten.

Hij wil dan rechtvaardig handelen krachtens zijn verstandelijke redenering, en zijn oordeel schiet te kort. Hij wil een rechtvaardige worden door er zich van harte op toe te leggen, en hij kan niets tenzij God het hem geeft. Aan de zieke wordt zijn recept voorgelezen, en hij luistert niet. Aan de liefde wordt haar eigen wet voorgehouden, en ze begrijpt het niet, de uitzinnige wordt tot de orde geroepen, en ze slaat er geen acht op. Er bestaat immers een gebod de Heer zijn God te beminnen met heel zijn hart en heel zijn ziel, met heel zijn geest en al zijn krachten, en zijn naaste als zichzelf. Maar daar de onstuimigheid van de liefde hem heel en al overheerst, is hij soms niet in staat zichzelf of de naaste te beminnen wegens zijn liefde tot God, of soms God of de naaste wegens zijn liefde tot zichzelf, of soms nog God of zichzelf wegens zijn liefde tot de naaste, terwijl toch, wanneer de waarachtige liefde tot zichzelf en de naaste de haar eigen orde en maat volgt, zij niet onderscheiden is van de liefde tot God. Dit is het lijden van de Bruid, die wegkwijnt van liefde. Dit is de liefde, sterk als de dood. Dit is de wedijver, hard als de hel. Dit is de dronkenschap van de overvloed van Gods Huis en van de stroom van zijn geneugte.

122. Er is nog een andere pijn waar de Bruid onder lijdt als ze denkt aan de Bruidegom. Want als gevolg van de fout, dat zij soms de grond van haar hart veronachtzaamt, is het geheugen verontreinigd door beelden van elders, het verstand verduisterd, en kwijnt de liefde weg. Het zijn immers deze drie vermogens: geheugen, verstand en liefde, die -elk volgens eigen hoedanigheid en grootheid- de Godsidee vormen. Als het geheugen vervalt in vreemdsoortige gedachten over God of in verstrooiingen, als het verslapt, nalatig of ontrouw is, dan wordt het op de voet gevolgd door het onverstand of door een oppervlakkig en zwak verstand, dat geneigd is tot dwaling, en daarmee samengaande: door on-liefde of vervalste liefde. Het denken over God staat dan namelijk op iets anders gericht als op de liefde tot Hem, ofwel God wordt bemind om iets anders dan om Hemzelf.

Als daarentegen het geheugen zich verwarmt in een gelovig denken, met de bedoeling om tot inzicht te komen, en als het hierin niet zijn einddoel stelt, maar ernaar streeft om door dit inzicht te komen tot liefde, dan heeft de zich uitslovende minnaar dikwijls een gelukkige ervaring, waarin voor hem aanwezig komt wat hij zoekt.

Dit gebeurt als het inzicht liefde wordt, of als de liefde inzicht schenkt overeenkomstig de genade van de Gever en de godvruchtige toeleg van degene die dit ontvangt. Zoals uitbreiding van wetenschap vergroting van smart betekent, zo betekent een groei van de wijsheid vermeerdering van liefde. Zo ook, als het verstand ergens iets wel ziet, maar het niet ten volle doorschouwt, is het verheugd dat het iets ziet, maar lijdt het eronder dat het niet ten volle kan doorschouwen. En daar het niet voldoende rust vindt in wat het reeds gedeeltelijk gekregen heeft, blijft het gekweld hunkeren naar het volmaakte wat het nog niet heeft ontvangen.

Want de liefde veronderstelt inzicht, en om tot inzicht te komen moet men nadenken. Als het geheugen het voorwerp van de liefde niet oproept voor de minnaar, als het verstand het niet doet kennen, dan vervaagt en verkwijnt de liefde. Vooral als het gaat over die zaken, waarin uitsluitend door het geheugen en het verstand aan de liefde haar geneugte wordt bereid, zoals dat het geval is op het gebied van het verstandelijke, en meer nog op dat van het geestelijke, maar bovenal op het plan van het Goddelijke.

De ziel waarin de liefde voor het Vaderland en voor God de Vader diep geworteld is, voelt een hevige afkeer voor haar geheugen dat rondzwerft in de vreemde, en voor haar verstand dat bezig is met andere dingen. Wanneer de liefde er niet in slaagt zich hieruit volkomen los te rukken, omdat ze er door de vleselijke drift tegen haar zin aan vast zit, teert ze smartelijk uit. Dat zegt ook de Profeet: "De Heer leeft! Zijn vuur is op Sion en zijn vuuroven in Jeruzalem". Vuur vlamt van nature altijd omhoog. Opgesloten in de vuuroven raast het inwendig des te heviger naarmate het krachtiger wordt beteugeld door de wanden van de oven. Een bergstroom die tegengehouden wordt, vloeit daarna heviger uit. Opgesloten brandt een vuur krachtiger. Maar de liefde van de Bruid is zich zelf niet meer meester als ze wordt weerhouden. Zij duldt geen wet, en omdat zij weerhouden wordt door de band van het vlees en niet kan gaan waarheen ze zich heel en al getrokken voelt, grijpt ze zoals vuur om zich heen, en de minnende ziel stort al haar gevoelens uit over de naaste, in de hoop dal zij door deze kortere weg misschien verdient in grotere zuiverheid op te klimmen naar God.

123. Daarom zegt de Bruid: -en ze keert zich daarbij tot de jonge meisjes, dochters van Jeruzalem én dochters van de hemelse vrede, die met haar het verlangen delen, en haar lotgenoten zijn in het liefdesavontuur- "ondersteun mij met bloemen, verkwik mij met appels, want ik kwijn weg van liefde".

Ze moet het goede wel beminnen in de anderen, en daar haalt ze de bijzondere innerlijke troost voor haar verdriet. De echte minnaar van God bemint en omhelst zijn liefde, waar hij die ook maar vindt. Als hij er een vorm van opmerkt in de evenmens, bevalt het hem dikwijls beter, dan wanneer hij haar waarneemt in zichzelf. Want alleen bij zichzelf kan hij de grond van het hart zien, en hij ziet er tegelijkertijd zowel wat zichtbaar is voor de mensen, als wat voor hen verborgen is. In de evenmens merkt hij alleen op wat zichtbaar is. Hij ziet namelijk sommige vruchten van de Geest, of van de liefde, en komt daardoor tot het vermoeden, dat er in de ander een innerlijke liefde is, en hij voelt genegenheid voor deze verborgen liefde. In zichzelf ziet hij wat hij heeft en wat hij niet heeft. In de evenmens daarentegen kan hij alleen oordelen over wat hij ziet. Bovendien gaat hij zichzelf met een strikte rechtvaardigheid na. Maar in de evenmens legt hij met een welwillende liefde alles uit ten goede. Daarom beleeft hij dikwijls meer genoegen aan het beetje goeds in de evenmens, wiens innerlijke mengelmoes hij niet ziet, dan aan het vele goede in zichzelf.

Want hij alleen ondergaat de kwelling van dat mengelmoes in zichzelf. Het beginnelingenwerk in de ander bevalt hem beter dan zijn eigen geestelijke vooruitgang. En de vorderingen die de ander maakt, geven hem meer vreugde dan zijn eigen volmaaktheid. Door de welwillende houding van de broederlijke liefde vindt hij een vreugde in de evenmens, die hij niet vindt in zichzelf, ook al is er in hem meer goeds dan in de ander. Want, zoals reeds gezegd is, de hartegrond van de ander blijft verborgen en alleen het gelaat van het goede is zichtbaar. En de minnaar van God omhelst dit goede in de ander met een gelukwens van broederlijke liefde, als was het het goede in hemzelf. Maar in zichzelf buigt hij zich slechts in zoverre over zichzelf, als zijn geweten hem aanklaagt. En ook al is er misschien iets in te vinden dat hem bevallen kan, dan durft het zich toch niet te vertonen voor de ogen van iemand, die zo'n streng rechter is voor zichzelf.

De Schepper van de liefde ordent dus hierin de liefde van de Bruid. Vol afkeer van haar eigen tekorten, verlaat de Bruid zichzelf geheel en al, en gaat op in gelukwensen voor de vooruitgang van anderen. En zoals reeds gezegd is, ze heeft meer goedkeuring voor de eerste stapjes die de ander zet, dan voor haar zelf als ze haar doel bereikt, en meer lof voor de vooruitgang van de ander dan voor haar eigen volmaaktheid.

124. De bloemen die in zich de verwachting van vruchten dragen, wijzen op de goede hoop van de beginnelingen, terwijl de appels duiden op de vruchten der volmaakten. De bloemen vormen een steun met het oog op de genieting, de appels geven kracht om zich op de deugd toe te leggen. De bloemen van de nieuwe schepping in Christus verspreiden voor de Bruid een zoetere geur bij de beginnelingen dan de vruchten van haar eigen volmaaktheid in haar zelf; en de vruchten van de rechtvaardigheid in de ander bevallen haar beter dan het bewustzijn van eigen heiligheid, welke graad die dan ook heeft. Van de bloemen krijgt ze dus een aansporing tot deugdbeoefening, van de vruchten een hartversterking.

125. Maar ook beoordeeld naar het uiterlijk, heeft jeugdige heiligheid in haar beleving van de godsvrucht in zekere zin het voorrecht van de charme. En de heilige ouderdom heeft in zijn eerbiedwaardigheid de kracht van een meer overtuigd geloof. Inderdaad, de prille jeugd is fris bouwmateriaal, geschikt voor van alles. Als zachte was neemt ze iedere indruk gemakkelijk in zich op, houdt hem beter vast, vooral als men haar iets natuurlijks inprent, dat wil zeggen iets deugdzaams. Zoals de deugd glans verleent aan de Ieeftijd, zo schenkt de bloei der jaren aan de deugd een fijnere charme. De leeftijd die gevorderd is in het goede maakt zich dan ook bemind bij elk gewetensvol hart, waarin enige liefde voor het goede is. Vanwege het verleden maakt het voorbije leven hem lofwaardig, en wat de toekomst betreft: de beproefde deugd stelt hem vrij van iedere verdenking van veranderlijkheid. Ook krachtens het natuurrecht vraagt de verdienstvolle hoge leeftijd eerbied voor zichzelf. En zoals in de jonge jaren de deugd meer bevalligheid vertoont, zo is zij op de oude dag meer uitgewogen en mooier, als het ware bevestigd in zichzelf.

126. De Bruid wordt dus gesteund door de bloemen van de jongeren, maar verkwikt door de appels van de ouderen. Ze vindt haar vermaak in de jongeren, en haar sterkte in de ouderen, en de vorderingen van beiden zijn haar tot troost in haar eigen tekorten. Daar de man Gods de evenmens voor beter houdt dan zichzelf, bemint hij hem niet alleen zoals zichzelf, maar eerbiedigt hem ook meer dan zichzelf.

127. Dit is dan de orde der liefde en de gewettigde eindpaal der liefdesmart.

Op de eerste plaats bemint men God de Heer uit geheel het hart, zodat men de gedachte aan Hem voortdurend trouw bewaart; men bemint Hem met geheel de ziel, om altijd te leven in Hem en naar Hem toe; men bemint Hem met alle menselijke krachten om ze getrouw in zijn dienst te stellen; men bemint Hem met heel de geest, om Hem volmaakt en verstandig lief te hebben.

Vervolgens moet men zich verbonden weten -zowel van nature als door de goede wil- met iedere mens die leeft volgens Gods bedoeling; en de uitingen van een heilige liefde moet men schenken aan zichzelf, en aan de evenmens zoals aan zichzelf. Iedere huisgenoot van het geloof moet beschouwd worden als de naaste. En onder deze naasten moet diegene meer bemind worden -als iemand die meer nabij is- die om zijn verdienstelijke levenshouding en zijn warme godsvrucht meer verbonden blijkt te zijn met God. In Hem immers is hij de naaste en in Hem wordt hij bemind.

128. Maar de minnaar, die tevens de beminde van God is, bemint zichzelf goed en geordend als hij zijn lichaam verzorgt, niet in dienst van zijn begeerlijkheid, maar omwille van de geest; en als hij zijn eigen geest liefheeft in de Heilige Geest omwille van God. Al leven we niet voor het lichaam, we kunnen ook niet leven zonder het lichaam. We leven echter om met onze geest God aan te hangen. Door een eerbiedige en oprechte liefde voor Hem, matigheid jegens ons zelf, rechtvaardigheid tegenover de naaste en een rechtschapen levenshouding gericht op God, kunnen we, als we ons leven zo inrichten, verdienen, ooit gelukkig en eeuwig te leven in God.

Uit het woord van de Apostel: "Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat" volgt dat het voldoende is het lichaam niet te haten. Men moet er zelfs zorg voor hebben, maar er niet aan verslaafd zijn. Voor zijn geest echter moet men liefde hebben. Men moet hem de vorming geven die hem toekomt, en die gaat tot aan de algehele onderwerping van het lichaam. De geest is slechts enige zorg verplicht aan het lichaam, om het lichaam in leven te houden. Maar het lichaam moet de geest op allerlei manieren dienen, opdat de geest zich kan ontplooien. En God heeft recht op beide, opdat de hele mens God zal dienen. Zo bemint hij, in wie de liefde geordend is, de Heer zijn God, en in Hem zichzelf en zijn naaste zoals zichzelf, met een liefde van dat gehalte en die maat. Want ofschoon in hemzelf de liefde misschien volmaakter is dan in de naaste, verlangt hij toch ten zeerste dat de liefde in de naaste die van zijn eigen hart zal evenaren. En als hij bij de naaste een grotere liefde aantreft of veronderstelt, geniet hij in God daarvan met grotere geneugte, en acht hij die evenmens hoger dan zichzelf, zoals reeds gezegd is.

129. Dit is dan de opdracht voor de mens: God beminnen als zijn Heer en God, zichzelf oprecht liefhebben, en zijn naaste als zichzelf. Dit is de orde van de liefde, door de Geest van het leven als een wet vastgelegd en in de heilige Geest uitgevaardigd door het Woord van God. Neergeschreven door de Vinger Gods in het geordend hart van de minnaar, en door God als een schets getekend in het natuurlijk verstand van de mens. Daardoor merkt het verstandelijk oordeel die orde op en stemmen de gevoelens van de goede wil er mee in. Maar de liefdesuitingen van het goede hart houden er zich niet aan, als het niet door de genade van de heilige Geest wordt ingegeven.

130. Zo wordt de Bruid dus eerst binnengeleid in de wijnkelder, en vervolgens wordt de liefde in haar geordend. Als ze amper binnen is en nog ongeordend, streeft ze bedwelmd naar meer dan ze kan, en als in één stormloop van liefde werpt ze zich op de vervulling van Gods wil. Maar ze bezwijkt en kwijnt weg in verlangen naar het heil van God, totdat de Koning de liefde in haar ordent en zij, dank zij nieuwe vorderingen en een gelukkige vooruitgang, bovendien ook begint te willen wat God wil. Dan wordt de mens door de gelijkenis van de wil één geest met God. Hij komt van dronkenschap tot matigheid, van een kwijnend bestaan tot gezondheid, van onstuimigheid tot orde. In zijn dronkenschap stort hij zich in de slaap, als een zieke gooit hij zich op het met bloemen gesierde rustbed, en in zijn onstuimigheid werpt hij zich in de omhelzing. En zo komt die overheerlijke vereniging tot stand tussen Bruidegom en Bruid.

131. O Liefde-God, Heilige Geest, Minnaar van de Vader en de Zoon, en Wil die tot uw Wezen behoort, woon in ons, en orden ons opdat uw Wil in ons geschiede. Moge uw Wil onze wil worden. Mogen wij, die voornemens zijn de Wil te doen van de Heer onze God, midden in ons hart zijn wet en zijn orde vinden. Geef ons verlichte ogen van het hart, waarmee we kunnen schouwen in het licht van Uw onveranderlijke waarheid, opdat onze veranderlijkheid, en onze wisselvallige en weifelende wil daarnaar gevormd en geordend worden. Uw Bruid, onze ziel die U liefheeft, moge in uw liefde zelf gaan inzien wat ze doen moet met betrekking tot haar zelf. Of liever: U, God, Die woont in haar, U Die Zelf in haar uw liefde bent, bewerk in haar dat zij U liefheeft door U, haar Liefde, dat U in haar Uzelf bemint door haar, en dat U door haar en in haar alles doet en ordent naar uw eigen Beeld.

Daarom zei U eertijds aan uw dienaar Mozes: "Zie toe, en doe alles naar het voorbeeld dat u getoond is op de berg". Inderdaad werd er op de berg aan Mozes een voorbeeld getoond van leven en van heiligheid, toen op de top van de contemplatie aan hem de orde van de hoogste onveranderlijkheid werd geopenbaard, opdat hij in alle omstandigheden zijn uitwendige activiteit zou ordenen naar wat hij innerlijk schouwde. Laat ook uw Bruid, de U toegewijde ziel, wie ze ook is, zó handelen, als ze wordt binnengeleid in het intieme vertrek van de Bruidegom, zij, de dienstmaagd, in de vreugde van haar Heer. In de ervaring van uw goedheid is het de vreugde om uw liefde, die haar heel en al ordent naar het model van uw goedheid, en haar vormt naar zichzelf.

Daar is geen sprake meer van een gebod of verbod. Maar als er iets is dat enige afbreuk doet aan de harmonische orde of aan de diepere grond van die vreugde, vindt het geen genade en heeft het geen aantrekkingskracht onder de aanraking van de verlichte liefde. Tot in de grond toe gelukkig is het hart, dat in deze wereld zowel bij voorspoed als bij tegenspoed de gebruiksaanwijzing en de leefwijze ontleent aan de hemel. En waar het zich ook op richt, van uw Aanschijn, o God, gaat zijn oordeel uit, om zo in gelijkheid van hetzelfde willen voor altijd verbonden te worden met U, van wie men alleen afwijkt door de ongelijkheid van wil. Daarom heeft elke Bruid slechts dit ene verlangen, daarom haakt ze slechts naar dit ene: dat U haar gezicht zult drukken aan uw eigen Gelaat in een eeuwige kus van liefde. Dit betekent dat zij één geest wordt met U door de eenheid van wil. Over de vorm van haar leven wordt krachtig de vorm van uw liefde gedrukt door de hevigheid van een grote liefde. Ja, zelfs als de materie nogal hard is, kan die vorm van haar leven breken onder de kracht van een opvoeding die orde in haar schept. Als dit alles zich voltrokken heeft over uw Bruid, uw vriendin, uw schoonste, o Heer, tekent zich het licht van uw Gelaat af in de haar toegewijde ziel, en wordt haar vreugde in goede banen geleid. Samen met allen die in de orde van de liefde vorderingen maken naar behoren, legt zij zich nu in vrede neer, en rustend in de slaap vindt ze haar vreugde in de omhelzing van de Bruidegom en zegt: "Zijn linkerarm is onder mijn hoofd en zijn rechter houdt mij omstrengeld".

Terug naar de index

Elfde strofe


Zijn linkerarm is onder mijn hoofd
en zijn rechter houdt mij omstrengeld.

132. Het is wel de mens die omhelsd wordt, maar tevens gaat die omhelzing de mens te boven. Want deze omhelzing is de Heilige Geest. Hij die immers de gemeenschap is tussen God de Vader en God de Zoon, Hij die Liefde is, die Vriendschap is, die Omhelzing is, Hij is in de liefde van Bruidegom en Bruid dat alles. Maar in God is Hij: Majesteit van een medezelfstandige natuur; bij de mens echter genadegave. In God: waardigheid, ten aanzien van de mens: een zich verwaardigen. Maar toch is Hij dezelfde Geest, ten volle dezelfde.

Die Omhelzing begint hier, om elders voltooid te worden. De ene afgrond roept om de andere afgrond. Die extase is heel wat anders dan een droomgezicht. Dit ene geheim verzucht naar een ander geheim. Deze vreugde verzinnebeeldt een andere vreugde. Deze heerlijkheid is een vooruitgrijpen op de andere heerlijkheid.

Het aardse en het hemelse geluk hebben wel hetzelfde voorwerp, maar naar hun uiterlijk verschillen ze. Ze hebben dezelfde natuur, maar zijn van een andere waardigheid. De ervaringen zijn gelijksoortig, maar de verhevenheid ervan is anders. Het ene geluk is van sterfelijke aard, het andere behoort tot de eeuwigheid. Het ene is het geluk van het op weg zijn, het andere van het aangekomen zijn. Het ene geluk komt voort uit de groei in heiligheid, het andere uit een voltooide volmaaktheid en een volkomen gelukzaligheid. Als immers Gods gelaat ten volle ontsluierd wordt voor haar gelaat, en als ze elkaar wederkerig volkomen kennen, dan zal ook de Bruid kennen, zoals ze zelf gekend wordt, dan zal er een volle kus zijn en een volledige omhelzing. Dan is er geen behoefte meer aan de ondersteuning van de linkerarm. Maar de genietingen van de rechterarm van de Bruidegom zullen de Bruid heel en al omstrengelen tot aan het eind van een eindeloze eeuwigheid. Dan, ja, dan zal de kus vol zijn en de omhelzing volledig. Gods wijsheid zal er de kracht van zijn, de Heilige Geest de zoetheid. De volheid ervan zal zijn het ten volle genieten van de Godheid. En God zal alles in allen zijn. Daar zal er geen tastend geloof meer zijn, geen bevende hoop, want de volle liefde zal er in het volle schouwen van God dit wonder bewerken, dat alle liefdes-uitingen ineenvloeien tot één vreugde en één genot. Alles wat bederfelijk of sterfelijk was, zal dan ofwel dood zijn, ofwel verrezen ten eeuwige leven. Maar in afwachting daarvan zegt ze: "Zijn linkerarm is onder mijn hoofd en zijn rechter houdt mij omstrengeld".

133. Na de oefening in het ordenen van de liefde, komen in ondergeschikte volgorde de verzachting en de vertroosting van de broodnodige en verlangde zoetheid, die alle lasten er van, -zoete lasten weliswaar, maar toch lasten- verandert in ervaringen en in de eerste vruchten van een nieuwe genade, een voorsmaak van dat toekomstig geluk. Opdat de Bruid nu al in vrede kan gaan slapen en rusten, wordt ze zoals die beminde leerling opgenomen in de schoot van Jezus, aan zijn borst.

Dit gebeurt niet slechts een enkele maal, maar zo dikwijls als de genade, die hierin de leiding heeft, dit goedvindt. Daar, aan zijn borst wordt zij toegelaten tot de geheime schatkamers van de Zoon, waarin alle schatten zijn verborgen van de wijsheid en de kennis van God. Gelukkig tot in de grond van haar hart, vindt de Bruid daar een heerlijke rust, gesteund door de linkerarm van de Bruidegom. Maar zijn rechter omstrengelt haar heel en al, als in haar de geordende godsvrucht gepaard gaat met tevredenheid.

De genade der geestelijke vertroosting neemt haar dan helemaal in beslag, en de tederheid van de Bruidegom laat niet toe dat haar hoofd, de top van de geest, bezig blijft met de aarde omwille van enig tekort aan stoffelijke zaken. Want ofschoon ze soms iets nodig heeft, is het haar toch gegeven nergens behoefte aan te voelen. Hij die goederen heeft, komt immers vast en zeker ten val, als vaststaat dat hij er behoefte aan heeft wanneer hij ze niet bezit. Daarom zegt de Apostel: "aan niets gebrek lijdend, maar velen rijk makend". Iets verlangen, dat is een behoefte voelen. Wie echter niets verlangt, en wiens hart naar niets uitgaat, of hij al dan niet iets bezit, kan veilig met de Apostel zeggen: "Ik heb immers geleerd met de omstandigheden waarin ik verkeer, genoegen te nemen. Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht, en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger Iijden, zowel in overvloed als in gebrek". Dit heeft betrekking op de linkerhand, zoals de psalm zegt, waarmee de Heer haar ondersteunt, opdat ze niet in elkaar zakt.

134. Maar over de rechterarm die haar omhelst, voegt de Apostel er onmiddellijk aan toe: "Ik kan alles in Hem die mij versterkt". Want de omhelzing van de rechterarm, dat wil zeggen van de geestelijke genade, versterkt de ziel, zodat ze geen behoefte meer voelt aan de uitwendige zaken die ze niet heeft, noch ten val komt door haar bezittingen. Lijdt iemand gebrek, dan zwicht hij gemakkelijk voor bezit. Maar weet iemand gebruik te maken van de bezittingen, dan is hij er de meester van. Want als hij ze niet heeft, maakt hij er zich geen zorgen over. En heeft hij ze wel, dan behoudt hij ze uit verknochtheid niet voor eigen gebruik, maar deelt ze vrijgevig uit.

135. De Bruid heeft dus zijn linkerarm onder haar hoofd, als haar geest, overgegeven aan God, zich losmaakt van de voldoening die ze vindt in de troost die haar geschonken wordt in het tijdelijke, en ze datgene wat ze niet heeft, versmaadt. Zijn rechterarm -dat is de geestelijke troost- omhelst haar als zij erdoor gekoesterd wordt in het tegenwoordig leven, en tevens voor het toekomstig leven bevestigd wordt door de zekerheid van de beloofde eeuwige goederen. Door de linker- en door de rechterarm wordt ze gedrukt aan het hart van de Bruidegom, als een goed gebruik van het tijdelijke en een eerbiedig genieten van het eeuwige, en alles voor haar samenwerkt tot groei van de liefde tot God. En tussen deze geestelijke beemden rust zij, als zij zich geduldig houdt, terwijl de Bruidegom toeft.

136. Van de andere kant heeft ook de geordende liefde een rechter- en een linkerhand. De omhelzing voltrekt zich hier ongetwijfeld in de liefde, die de arbeidzaamheid heeft in de rechterhand en de rust der vriendschap in de linker. Dat wil zeggen: de oefening van het actieve leven in het bezig zijn met menigvuldige taken, én de toeleg op de contemplatie, die een zacht kussen is voor het hoofd van de Bruid. En zo wordt de geliefde Bruid aan het hart van de Bruidegom gedrukt, zoals reeds is gezegd, als met twee armen en met twee handen, namelijk de goede daad en de heilige beschouwing, het verstand en de liefde, of de verstandelijke kennis en de werkzame wijsheid. Door de linkerhand die minder werkzaam is, wordt wel terecht de beschouwende liefde of de wijsheid aangeduid, die slechts één ding nodig heeft, en voor wie dit enige volstaat. Vandaar dat er over de wijsheid in het Boek dat die naam draagt, wordt gezegd: "Wie hun bezigheden verminderen, zullen haar verwerven".

En terecht ook wordt door de ‘rechterhand' de scherpzinnigheid van de rede of de verstandelijke kennis uitgedrukt, waarvan eveneens gezegd wordt: "De tijden zullen voorbijgaan, en de kennis zal vermeerderen".

De rede trekt dus aan en de liefde omhelst, als men liefheeft waar men met het verstand voor kiest. Het hoofd van de Bruid, dat wil zeggen, het topje van haar hart, wordt gekoesterd door de linkerhand, als de geest in een goede en liefdevolle gesteltenis, en geleid door het inzicht van de liefde, geniet van datgene waar haar liefde naar uitgaat. En zo werken ze samen voor elkaars welzijn: de liefde zet er zich voor in om het verstand mee te trekken, en het verstand om de liefde vast te houden. De liefde wordt beschermd door het verstand en het verstand wordt door de liefde verlicht. Of liever, de genade van Hem die voorbestemt, uitkiest en roept heeft haar voorkómen, en daardoor geeft het verstand aan de liefde haar vorm en informeert de liefde het verstand, zodat de vergeestelijkte ziel een oordeel vormt over alles, terwijl zij zelf aan niemands oordeel onderworpen is. De rechterhand spant zich in tegen bekoringen, angsten, vervolgingen, honger, naaktheid, gevaar en strijd, en oefent zich in pijn en moeite en veel nachtwaken. De linkerhand is lijdzaam en goedertieren, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet toornig, zij denkt geen kwaad. Over ongerechtigheid is zij niet blij, maar zij verheugt zich over de waarheid. Alles lijdt zij, alles gelooft zij, alles verdraagt zij.

De bezigheden van de rechterhand worden dikwijls en niet zonder zware inspanningen zowel naar lichaam als naar geest volbracht. Die van de linkerhand kunnen verricht worden in rust en stilte, zonder veel oefening van het lichaam te vergen. Maar beide handen, zowel de rechter als de linker, zoals er reeds gezegd is, drukken de Bruid aan het hart van de Bruidegom. Want ze wordt opgevoed tot liefde voor Hem, uitgedrukt door het geduld in de rechterhand, en door de goede zielsgesteltenis in de linkerhand.

De rechterhand maakt en beschermt de vrede en de voortdurende rust van de innige geest, en de linkerhand geniet ervan.

137. Op deze manier dus, of op die andere, of op beide manieren tegelijk, wordt de Bruid die is ingesluimerd in de armen van de Bruidegom, soms verborgen in de verborgenheid van zijn Gelaat voor de kwelling der mensen. Ze wordt beschut in zijn woontent voor de opspraak der tongen. De ene keer is zij in geestverrukking om God, de andere keer gaat ze met een bezadigd gemoed naar de naaste. Altijd is ze bereid zowel verborgen te blijven als te voorschijn te komen, volgens de beschikking van de Bruidegom, die haar verbergt en beschut. Hoor dan wat Hij zegt, die haar verborgen houdt en in bescherming neemt: "Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem...

Terug naar de index

Twaalfde strofe


Slotzang van het eerste lied

Dochters van Jeruzalem,
ik bezweer u
bij de gazellen en hertejongen,
wekt mijn vriendin niet
en maakt haar niet wakker,
totdat zij het zelf wil.

De stem van mijn Geliefde.

138. Deze bezweringsformule wijst op iets dat noodzakelijk moet gebeuren, dat wil zeggen op een doeltreffende uitwerking van Gods kracht. De dochters van Jeruzalem, de zielen die nog jeugdig en zwak zijn in het religieuze leven, krijgen een bezweringsformule te horen door de deugden die elk van hen ontvangen heeft. Er wordt hun de vrees ingeboezemd dat de genade verloren kan gaan, die ze nodig hebben in de deugdbeoefening, als ze hun eerbewijzen tegenover het geheim van het bruidsvertrek, en de verschuldigde hartelijke felicitatie verwaarlozen. Zij worden bezworen 'bij de gazellen' die, naar men beweert scherper van gezicht zijn, en die houden van de bergen, en 'bij de hertejongen', die de slangen vijandig gezind zijn en lenig in de loop. Want ze vrezen het oog van de zuivere beschouwing te verliezen alsmede de liefde voor het Hemelse, de haat jegens de ondeugden en de snelle en voorspoedige vooruitgang, die ze schijnen te hebben op de weg van de deugd, als ze in hun overmoed, om iets dat minder dringend is, met grotere opdringerigheid de wederzijdse vereniging en het genietend geluk van Bruidegom en Bruid verstoren of verontrusten.

139. Wek mijn vriendin niet, zegt Hij, maak haar niet wakker, totdat zij het zelf wil. De Bruid is genoodzaakt wakker te worden, als zij wordt gestoord in de slaap van de beschouwing, en om op te staan als ze wordt geroepen naar de arbeid. Soms wil ze wel wakker worden uit de rust van haar slaap en soms wil ze het niet, want de liefde voor de Waarheid smaakt haar alleen in de slaap van de beschouwing. Daar wil ze niet van wakker worden noch weggeroepen, behalve wanneer die waarachtigheid van de liefde haar wegroept van de beschouwing van de geliefde Waarheid. En dan weigert ze in geen enkel opzicht de noodzakelijke bezigheid of taak.

140. Dan, in haar geestverrukking, in haar extase, in haar diepe rust hoort de Bruid die bezwerende stem. Dat wil zeggen: zij ervaart de genade van Hem die haar inspireert, zij ziet de kracht van Hem die in haar werkt, en zij ziet dat de jonge meisjes haar rust eerbiedigen, zonder daarom minder voortgang te maken. En zij zegt: ''De stem van mijn Geliefde". Dat aandringen, die ingeving, die genade, dat is de stem van mijn Geliefde. Hij die zo bemint, moet wel ten zeerste bemind worden. Deze vrede, deze heerlijkheid, zegt ze, deze rustige slaap komt van de Heer. Het is de stem van de Heer die, doelend op de vorderingen van de meisjes, al op voorhand spreekt over hertejongen en die aan mij, zijn beminde in geestverrukking, de diepten van zijn mysteriën en sacramenten openbaart.

141. De Stem van mijn Geliefde. Weinig woorden, maar een overvloedige genade. In deze geestes-toestand wordt de zaak volstrekt niet afgehandeld met woorden. Maar door de kracht van een geestelijk inzicht en de tederheid van de gevoelens wordt het daar tot één woord: Het Woord dat bij God is, het Woord dat God is, en Dat gestalte krijgt in de Bruid in datgene wat Het in haar bewerkt. Toch is er eerder sprake van een 'stem' dan van een 'woord', want er zijn geen lettergrepen te onderscheiden, noch wordt er een taal gesproken. Maar het geschiedt door de zuivere genegenheid in het verlichte verstand, terwijl alle zintuigen van het lichaam en van de rede in slaap zijn en rusten. En dit alles is het werk van de Heilige Geest in het zintuig van de liefde. De stem die dit woord uitspreekt, is de werkzame kracht van de Godheid, die de ceders van de Libanon, de hooghartigheid van de menselijke wijsheid en wereldse verhevenheid verbrijzelt. Die stem wordt slechts gehoord in de afzondering van de stilte en is slechts werkzaam in een zuiver hart. Maar daar waar hij weerklinkt of werkt, werkt hij niet anders dan zoals hij is.

Wij scheppen als het ware ons woord in letters, scheiden het in lettergrepen, vormen het tot een woord, en als het wordt uitgesproken door de spreker, bewerkt het in de toehoorder iets gelijkluidends: dezelfde letters, dezelfde lettergrepen, hetzelfde woord. Zo is het ook met het Woord van God: geboren in goddelijke Gestalte, niet te scheiden van God, ontstaat Het in de Bruid door wat het 'doet' in de Bruid. En Het ontstaat er op een gelijksoortige manier, want al wat God de Vader 'doet', dat 'doet' de Zoon eveneens. En daarom, als Hij tot de Bruid of in de Bruid spreekt, spreekt en werkt Hij niet anders, noch op een andere manier dan wat Hij is en zoals Hij is. En Hij spreekt en werkt niet om Zichzelf te zijn, maar om iets van Zichzelf uit te werken in haar, opdat zij in Hem mag zijn. Als Hij tot haar spreekt, spreekt Hij Zichzelf uit tegen haar, en zo in Hemzelf, maakt Hij kenbaar aan haar tot wie Hij spreekt, al wat Hij wil, opdat zij zijn wil leert kennen. Hij is haar tot wijsheid geworden. Hij doet in haar of door haar al wat Hij wil. Hij is haar kracht. Hij is de gerechtigheid, die er voor haar is om haar tot gerechtigheid te brengen. Hij is de heiliging die haar heilig maakt. Tot haar die de Bruid is, spreekt het Woord van God zichzelf uit, en in de Geest die voortkomt uit Gods mond, spreekt Hij over zijn Vader. En dit doet Hij in die mate, dat heel de hartegrond van de geliefde, aangedaan door de volheid van de verlichtende genade, nauwelijks in deze enkele woorden de vlam van haar hart laat ontsnappen: "De stem van mijn Geliefde".

142. Deze stem gaat van Bruidegom naar Bruid en van Bruid naar Bruidegom, in de vreugde van de wederkerige verbintenis en van de genieting. Hierin vindt voortaan het spreken en het antwoorden plaats van de gevende goedheid en de ontvangende liefde. En zo, in de wijnkelder, in het vuur en de vreugde van de voltooide liefde, in het bloemenbed van de hartegrond, wordt voor Bruidegom en Bruid die heerlijke rustplaats in orde gebracht en geschikt gemaakt. Diezelfde Bruidegom geeft hiervan de belofte: "Als iemand Mij bemint, wordt hij door mijn Vader bemind. Ook Ik zal hem beminnen, en Mij aan hem openbaren. En Wij zullen tot hem komen en Ons verblijf bij hem maken".

143. 0 hoogste Liefde, dit Hooglied is aan uw dienst gewijd. Iedereen, wie dan ook, kan het in de mond nemen, ook al bemint hij niet. Maar niemand anders kan het zingen als hij die liefheeft, en die waarachtig liefheeft. U weet waarnaar mijn hart streeft, terwijl het dit lied behandelt. O Geest die alles doorvorst en elke stem kent, zoekt het hart van uw dienaar er soms iets anders in, en is de bedoeling van uw arme soms ergens anders vol van, als dat in U mijn hartegrond verlicht mag worden door het zien van uw licht en door het ervaren van uw liefde? En dat mijn ziel gezuiverd mag worden door wat er van U uitgaat? Moge bij het behandelen van wat het eigene in U is, van wat U zo een zoete smaak geeft, van wat U zo een lieflijke geur geeft, moge dit voorproefje van U me smaken, moge uw geur me toewaaien, en moge mijn hele leven gevormd worden in U en naar U.

144. Kom in de overvloed van uw zegeningen in mij, uw dienaar, kom in mijn hart, uw woonplaats. Als U mijn hart niet eerst vindt voor mij, kan ik het niet vinden voor U als een plaats voor de Heer, een tabernakel voor de God van Jacob. Ik zal niet naar bed gaan, geen slaap gunnen aan mijn ogen, geen sluimer aan mijn wimpers, totdat ik die plaats vind voor U. Ik dank U, omdat door de vooraf geschonken gaven van uw Geest mijn afkeurenswaardige liefdesopwellingen van vroeger, die vreemd waren aan U en mij vervreemdden van U, er nu niet meer zijn. Want, zoals ook uw wijsheid getuigt diep in mijn hart, voor U alleen heb ik een unieke liefde. Voorzeker gaat die altijd gepaard met het vrije oordeel van het verstand, en -als mijn ziel vrij is en meester van zichzelf- met een algehele innigheid van de geest. Maar in mijn herinnering borrelen nog wat restjes op van de oude liefdegevoelens, als lege schaduwen en holle vormen.

En mijn gevoel verwijlt, weliswaar zonder toestemming van de wil, in een gedachte aan leeg en ijdel genot. Hierdoor beroerd, is mijn hartegrond de heel zuivere ontroering in U nauwelijks waard. En ik kan geenszins ten volle ademen in uw vrijheid, uw zuiverheid, uw standvastigheid, totdat U mij geheel en al doet terugkeren uit die gevangenschap.

Maar als U gekomen bent in uw arme, met de rijkdom van uw volheid en met de geneugten van uw goedheid, en als U hem diep in zijn hart door een duidelijke ervaring begint te tonen, hoe U waarachtig een Liefde-God bent, en hoezeer er een eenheid bestaat tussen God en zijn Liefde, tussen vreugde in de Heilige Geest en de Heilige Geest Zelf, tussen de zoetheid van de liefde en het prille genot van het bezit, tussen de liefde zelf en haar inzichten, dan gaat de liefde bidden en ten beste spreken, voor ons en ten bate van ons, met onuitsprekelijke verzuchtingen en met een genegenheid die voortkomt uit de verlichte liefde. Dan stuwt het verstand er niet zozeer naar, U, o liefde, te begeren, als wel U genietend te beschouwen. Dan zal het offer van lof, aangeboden door uw kind in dit lied U eren, en dat zal de weg zijn waarlangs U hem het heil zult laten zien.

Moge ondertussen mijn arme en behoeftige liefde schuifelend en tastend het pad volgen, waarlangs U haar leidt, moge zij hunkeren naar het doel waarheen U haar roept langs zinnebeelden van de liefde, langs haar eigen onvolkomenheid, naar uw volmaaktheid. Zolang zij wandelt in geloof en niet in de aanschouwing, moet zij een vroom en wijs gebruik maken van haar eigen gestamel, totdat deze gelijkenissen uit het toneelspel, dat buiten wordt opgevoerd, mogen worden tot het verhaal van wat er naar waarheid in haarzelf gebeurt.

Dan zal in uw licht blijken hoezeer de godsvrucht van een uiterst eenvoudig liefhebbend mens, steunend op het inzicht dat hij krijgt van U, een voorsprong heeft op de verstandigheid van de geleerdste redenaar.

En als de redenering is opzij geschoven, zal de innige liefde zelf zijn kennis worden.

Einde van het eerste lied.

Terug naar de index

Tweede lied.


Preludium

145. Dit was dus een eerste uiteenzetting, zo goed en zo kwaad als het gaat, over het samen-rusten in de vreugde van het bruidsfeest. En we hebben deze uiteenzetting vastgeknoopt, overeenkomstig ons vermogen, aan het lied dat er voor gemaakt is, en dat -naar het schijnt- dienst doet bij de eerste stappen van novicen-vurigheid. Laten we met Gods hulp een begin maken met het tweede lied, waarin de Bruid zich opnieuw klaarmaakt voor een tweede omhelzing, nu met een meer voorzichtig geduld en een meer ervaren voorzichtigheid.

146. Maar eerst moeten we de historische zin van het volgende lied beknopt aansnijden en de geestelijke zin ermee vergelijken. Zoals we lezen in het Boek der Kronieken, was koning Salomo een vredeskoning, had hij vrede in heel zijn rijk en waren zijn vijanden overal onderworpen. Toen hij in Jeruzalem een huis had gebouwd voor de Heer en een woning voor de koning, zei hij: "Mijn vrouw zal niet wonen in het huis van David, mijn vader, de koning van Israël. Want dat is geheiligd omdat de Ark van de Heer daarin is binnengegaan". Daarom is er voor zijn Egyptische Bruid, de dochter van Farao een huis gebouwd in de Libanon buiten Jeruzalem. En hij heeft haar opgedragen te wonen ver verwijderd van het koninklijk huis, totdat zij ten volle haar barbaarse natuur zal hebben afgelegd en heel de Egyptische vernis.

Toch zal ze er soms bezoek krijgen van de koning. Soms ook zal ze geroepen worden naar de stad en naar het koninklijk huis, naar het slaapvertrek van de koning, niet om er te blijven, maar om er als het ware de heerlijkheid van de koning te zien, en er tot op zekere hoogte de gunst te genieten van het koninklijk bruidsbed en dan weer terug te gaan naar haar eigen verblijf. Zo heeft Christus gedaan. Hij, de Koning van de eeuwige vrede en de Bruidegom van de Kerk, die bijeen is gebracht uit de volkeren, Hij Die ook de Bruidegom is van de getrouwe ziel die bevrijd is uit Egypte, dat wil zeggen van de duisternis van de zonden, Hij heeft na de Verrijzenis van zijn lichaam, toen de dood verzwolgen was door de overwinning, in het hemels Jeruzalem zijn Rijk in bezit genomen.

Zijn Bruid die, zolang ze nog in het lichaam leeft en als gevolg van haar sterfelijk bestaan, gescheiden is van de heerlijkheid van dat hemels samenwonen met Hem, heeft Hij opgedragen te rusten in een plaats die Hij had ingericht voor haar, toen Hij bij zijn Hemelvaart tot zijn leerlingen zei: "Blijft in de stad, totdat ge bekleed wordt met kracht uit de hoge”.

Wat Hij toen zei aan zijn leerlingen in verband met de beloofde komst van de Heilige Geest, zegt Hij ook tot op heden aan alle zonen van de Bruidegom, in verband met de belofte altijd met hen samen te wonen tot aan het eind van de wereld, en in verband met de genade hen soms onmiddellijker en duidelijker te bezoeken.

Die stad, dat is de Kerk op haar pelgrimstocht in dit leven, gebouwd op de Libanon, dat wil zeggen op de hoge en lieflijke plek van de blinkend-witte genade. 'Libanus' betekent immers: blinkend-wit.

Terwijl ze daar verblijft, moet de Egyptische, de Bruid van Christus, de door Gods genade getrouwe ziel, volkomen zuiver, blinkend-wit worden in het geloof van de Kerk. In een nauwlettende liefde richt ze haar hart volhardend daarheen, waar ze haar schat reeds naar toe heeft gezonden. Ze verwacht én ontvangt ook dagelijks het kleed uit de hoge, namelijk het dagelijks bezoek van de goddelijke kracht, totdat ze eens -los van de band van het lichaam- verdient opgenomen te worden in de eeuwige woning van de Bruidegom. Daar dus, in de Kerk, in de eenheid van het geloof, wordt zij die de Bruid is, dikwijls verlicht door de genade van een innerlijk bezoek. Dikwijls vergezelt de Bruid in de kracht van de beschouwing haar Bruidegom met innige liefde tot aan het visioen van de hemelse vrede en tot de eer van het koninklijk bruidsvertrek. Maar door het gewicht van het aardse bestaan is het haar niet toegestaan daar langdurig te blijven. Als ze eenmaal de Geest van de Bruidegom als onderpand heeft ontvangen, en haar eigen geest als onderpand bij Hem heeft achtergelaten, wordt ze van de beschouwing van de rijkdom van haar Bruidegom al te snel teruggestuurd naar het huis van haar eigen armoe. Ze weet dan enigszins wat haar ontbreekt.

Vanaf dit gedeelte tot aan het einde, wordt heel het heilig lied van de liefde hier om heen geweven. Dit is haar hele taak en haar bezigheid. In dit licht kunnen de gedeelten ervan worden onderscheiden en de verschillende elementen bij elkaar worden gevoegd. Die elementen zijn: hoop die vooruit loopt, verlangen dat kruisigt, wijsheid die orde schept, liefde die naar God snelt, en genade die tegemoetkomt. Totdat op het einde van dit lied de smart van de hunkerende Bruid eindelijk door de wederkerige verbintenis verandert van verveling om het uitstel in vreugde om de genieting.

Terug naar de index

Eerste strofe


De Stem van mijn Geliefde!
Kijk, daar komt Hij,
Hij springt op de bergtoppen
en stapt over de heuvels heen.
Mijn Geliefde lijkt op een gazel
en op een hertejong.

Zie, daar staat Hij achter onze muur.
Hij kijkt door de vensters
en werpt een blik door de ruitjes.
Zie, mijn Geliefde,
Hij spreekt tot mij.

147. De Bruid is nu tot zichzelf gekomen na de eerste uitzinnige vreugde van het eerste samenrusten, waarin zij in de geest was uitgegaan naar God. Ze is bezonnen geworden ten aanzien van zichzelf, en haar geheugen kauwt nog op de gesmaakte zoetheid. Als zij de heilige gevoelens verteerd heeft, ziet ze uit naar een eenzame plaats en vlucht ze de openbaarheid. Ze houdt ervan neer te zitten in de verborgenheid van de cel en in eenzaamheid van hart, en diep daarin teruggetrokken te zijn, om zich toe te leggen op de zuiverheid van hart. Schouwend in spiegel en raadsel is ze alleen maar bezorgd om haar gezicht volledig te reinigen, om te kunnen zien van aanschijn tot aanschijn.

Dat is inderdaad de Bruid, zij die volgens de Apostel aanhankelijk is aan de Ene en daarom niet verdeeld is, maar slechts bezorgd is om datgene wat van de Heer is, en hoe ze de Heer –bij Wie ze in de gunst staat- zal behagen. Ze legt er zich op toe, heilig te worden naar lichaam en geest, zonder zondesmet, zonder dubbelzinnigheid. Ze legt zich toe op eerbaarheid en op datgene wat het haar mogelijk maakt het oog gericht te houden op de Heer. En haar aandacht is gespitst op de terugkomst van de Bruidegom, op zijn Stem, op zijn Gelaat. En als ze dan plotseling een zacht gemompel hoort als van iemand die in de verte aankomt, pratend met zijn vrienden, zegt ze: "De stem van mijn Geliefde".

148. Deze woorden: "de stem van mijn Geliefde", kunnen aangepast worden zowel aan het voorafgaande als aan het volgende. Ze kunnen het einde betekenen van het eerste samenrusten en het begin van het tweede. Dit komt blijkbaar ook goed overeen met de stof die we behandelen. Want zoals het avondlicht van de voorbije dag de kiem in zich draagt waaruit de morgen van het nieuwe licht opbloeit, zo gebeurt het ook dikwijls dat een voltooide innerlijke dag het begin en de aanleiding wordt van een nieuwe dag.

149. "De Stem van mijn Geliefde", zegt ze dus. En opspringend in de richting van Wie daar aankomt zegt ze: "Kijk, daar is Hij". De stem van de Bruidegom die zich richt tot de Bruid is de plotselinge genade, waarmee Hij de herinnering van zijn beminde liefdevol aanraakt. Zijn woord is de liefde die inzicht geeft in Hem.

Op de stem van de Bruidegom die er aan komt zegt ze dus: "Kijk". op het woord van Hem die reeds aanwezig is, zegt ze -als wees ze met de vinger naar een aanwezige- "daar is Hij”. De Bruid is uitgegaan, het Woord Gods tegemoet, wanneer de innige liefde hunkert naar inzicht. Ze ziet Hem komen, als ze in zichzelf het werk van zijn barmhartigheid ervaart, want is zijn barmhartigheid voor ons soms iets anders dan zijn goedheid, die ons in alles voorkómt? Met een dieper en meer persoonlijk inzicht in zijn liefde beschouwt de Bruid de komst van de Bruidegom naar haar, als zij op allerlei manieren, zowel effectief als affectief, zijn komst in zichzelf ervaart. Zij beschouwt hoe de God der bergen komt over de bergen, hoe Hij komt over de heuvels. En wat ze in hen beschouwt, ervaart ze in zichzelf, zoals gezegd is. Ze ziet Hem komen naar het bergland, springend op de bergtoppen, en naar het heuvelland, waarbij Hij over de heuvels heenstapt. Een berg is een hoge opeenstapeling van aarde op aarde. Zo'n berg ontstaat namelijk in iedere uitverkoren ziel, waarin door de liefde voor het hemelse, de menselijke natuur in de beschouwing van de Godheid het menselijk kunnen overtreft. Iedere gelovige die hierin krachtig handelt, is een berg, maar wie slapper is in zijn handelwijze is een heuvel.

Ook vormt zich een berg, door wat er door een diepe bewustwording van gerechtigheid opstijgt uit de nederigheid van het hart naar het toppunt van de hoop. En wat er opstijgt uit Gods genade en de diepe bewustwording van een vruchtbare boetvaardigheid, die op eigen wijze gevestigd is in de genade van dezelfde hoop, is een heuvel. De eerste, een berg, rijst wel de hoogte in van de gerechtigheid, maar is gefundeerd in de nederigheid.

De andere, een heuvel, alhoewel hij ook oprijst door zijn gerechtigheid tot bij God, wordt toch door een vrees, die voortkomt uit een nederige hartegrond, ertoe gedrongen zich in zichzelf en binnen zijn eigen grenzen te houden.

Als de Profeet zegt: "Hij springt op als een reus om over zijn loopbaan te snellen, Hij gaat uit van het ene uiteinde van de hemel en loopt tot aan het andere…”, dan spreekt hij over de sprongen van de Bruidegom.

150. Als de Bruid beschouwend kijkt naar het te voorschijn komen van haar Bruidegom aan het ene uiteinde van de hemel, en zij volgt zijn loop tot aan het andere, dan ziet zij tussen dit begin en het eindpunt, dat Hij van de hemel komt in de moederschoot, en van de moederschoot in de kribbe, van de kribbe aan het kruis, van het kruis in het graf, en van het graf weer in de hemel. Is dit beschouwen iets anders als het bewonderen van zulke sprongen, over de toppen van zo grote daden alsof Hij over een bergketen heensprong?

Als de Bruidegom, onder de aandrang van zijn liefde, voor sommige uitgelezen mensen deze sprongen geloofwaardig maakt, dan is dát de betekenis van het 'springen' op de bergtoppen. Maar bij dat springen op de bergtoppen, stapt Hij heen over de heuvels. Dat wil zeggen, ofschoon het geloof gemeengoed is van vele gelovigen, gaat toch dit inzicht aan hen voorbij. Op weg naar de Bruid springt de Bruidegom dus op de bergtoppen en stapt Hij over de heuvels heen. Dit doet Hij, als Hij door de genade van de beschouwing sommigen de hoogte in tilt, en anderen bestemt en geschikt maakt voor de lagere plaatsen van de noodzakelijke bezigheden van het actieve leven.

Dit zijn dan die sprongen, die grote stappen, waarmee de aardse mensen zich verheffen naar de hemel: als uit de beschouwing van Gods werken en van zijn grote goedheid jegens ons, Gods liefde zich uitstort in onze harten door de Heilige Geest die ons gegeven wordt. Door de liefde van de Heilige Geest schieten de sprongen van de menselijke pogingen weliswaar bliksemsnel van laag naar hoog, maar hun effectieve kracht ontvangen zij van boven, van de Vader van het Licht. Daar komt het uit voort dat zij die opspringen soms heilige geestverrukkingen ondervinden, die de natuurlijke gewoonte en maat van het menselijk gevoel overschrijden, en die des te opwekkender en verhevener zijn naarmate de verrukkelijke ervaringen de ziel meetrekken in hun sprong.

Maar dat hoort thuis bij de bergen waar de Bruidegom op springt, en niet bij de heuvels waar Hij overheen stapt. Want zij (die zijn als de heuvels) zijn wel geworteld en gevestigd in het geloof, maar voelen toch niet zijn voeten als Hij over hen heen springt. Dat wil zeggen, ze merken niet dat ze door de genade worden aangeraakt. Maar zoals iemand die opspringt van de aarde er meteen weer op terugvalt, zo gaat het met de komst van de Bruidegom naar de Bruid, zolang Hij nog ver weg is. Als Hij eenmaal dichterbij is gekomen, zal Hij dat springen veranderen in bundels van toestromend licht, waarvan gezegd wordt: "Nadert tot Hem en wordt verlicht”. En het zal een geordende opgang worden, waarover de Profeet zegt: "Zalig de man die hulp krijgt van U. In dit tranendal beschikt hij in zijn hart over mogelijkheden om op te stijgen naar de plaats die hij zich voorgesteld heeft. De Wetgever zal daar zijn zegen aan geven. De mogelijkheden zullen winnen aan kracht en tenslotte zal Hij de God der goden zien in Sion". In afwachting daarvan komt de Bruidegom met sprongen en met grote stappen, zoals gezegd is.

151. Ofschoon die sprongen en grote stappen ook anders verstaan kunnen worden. In de bergen, dat wil zeggen, in de heiligen, maakt Hij zijn sprongen zonder de hinderpaal van de zonde. Maar in de heuvels, in de minder volmaakten, zet Hij zijn stappen niet zonder hindernis. Toch kwetst Hij Zich niet in zijn sprongen, maar springt over alles heen in het vergeven van de zonde en in het schenken van de genade. De rechtvaardige en de volmaakte maakt ook sprongen op de weg naar God, dat wil zeggen hij gaat onbelemmerd voorwaarts. Wie echter nog niet zo volmaakt is, heeft nog wel iets dat hem hindert, maar toch springt hij dapper over iedere dwarsboom heen, of die nu komt uit hemzelf of uit een ander.

152. De tekst vervolgt. "Mijn Geliefde lijkt op een gazel of op een hertejong". De Bruidegom is op zijn tocht naar de Bruid al dichterbij gekomen. Ze ziet Hem nog wel niet van aanschijn tot aanschijn, maar toch worden de eigen lijnen van zijn gestalte al duidelijk. De ene keer toont Hij zich aan haar door de affectieve inwerking van goddelijke kracht en goedheid, een andere keer door de effectieve gave van zijn Mensheid.

Niemand betwijfelt dat het woord 'God', als de meest eigen benaming voor die verheven Natuur, ontleend is aan het Grieks. Het is afgeleid ofwel van het woord 'theôrô', ofwel van 'theô', of liever nog van allebei. 'Theôrô' betekent immers ‘ik zie', 'theô': ‘ik loop snel'. Maar wat loopt er sneller dan die onveranderlijke beweging, die zichzelf gelijk blijft en tevens alles in beweging zet? Is er wel iets anders dat zo snel het heelal doorkruist als Hij die slechts hoefde te spreken opdat alles ontstond? Het is dan ook gemakkelijk om alles tegelijk te zien voor Hem in Wie alles is en die alles ziet in Zichzelf.

153. De goddelijke natuur in de Bruidegom wordt dus aangeduid door de gazel zowel om de snelle loop als om het scherpe gezicht. Door het hertejong wordt voldoende de menselijke natuur in de Bruidegom uitgedrukt. De Mens Christus is inderdaad in deze wereld verschenen als een hertejong, dat wil zeggen als een zoon van de Joden. Hij is de beminde Zoon van de ‘eenhoornen' (het woord Judeeër wordt vertaald door 'eenhoorn'!). Hij is ook de zoon van de herten 'met vele hoornen'. Want het hert blijkt in zijn gewei vele hoornen te hebben. De Joden zijn ‘eenhoornen', dat wil zeggen, ze vertrouwen uitsluitend op de gerechtigheid van de Wet. Ze zijn ook 'veelhoornig' in hun geboden en ceremoniën, en beroemen zich op hun veelvormige wetsonderhouding.

Christus, een zoon uit de Joden, is in de wereld verschenen als een hertejong. Hij kwam in de wereld als een nieuw mens, zonder zonde, en leefde in de wereld zonder zonde. En zo staat er geschreven: een welgeschapen zoon is er geboren uit een bekoorlijke Moeder-Maagd, als een bevallig hert en een sierlijk hertejong. Gezalfd is Hij met opwekkende balsem, méér dan zijn gezellen. Hij komt dan ook dagelijks naar zijn Bruid, de trouwe ziel. Hij komt als een scherpziende en snelvoetige gazel, als Hij in haar het oog van de beschouwing vormt en zuivert, en als Hij haar inzet voor goede werken tot een snel resultaat leidt.

Onder een wondervol neerdalen van Gods genade komt Gods Wijsheid. Ze onderwerpt vervolgens het menselijk verstand en vormt het naar Zichzelf. En zo ontstaat er op een manier die niet onder woorden te brengen is, uit de verlichtende genade en het verlichte verstand, een wijsheid die in zekere zin uit deze twee elementen is samengesteld en die alle deugden omvat. Zodat de man Gods wordt opgenomen in God door het verlichte verstand, en toch zijn ziel in de uitwendige en geringere werken van zijn heiligheid niet verzaakt aan de vruchten van de deugden.

Enerzijds dus schouwt hij, anderzijds snelt hij voort. Twee zaken die zó verschillend zijn, kunnen in één mens zeker niet tot eenvormigheid gebracht worden. Dit gebeurt alleen door een liefdevolle en effectieve gelijkvormigheid tussen het Woord van God en het menselijke verstand, tussen de genade van God en de menselijke tederheid. Hij komt dus naar ons toe als een hertejong, dat wil zeggen als de Mensenzoon. Eens heeft Hij zo de mensheid, die Hij had aangenomen bij zijn komst in de wereld, als sacrament gegeven aan zijn Bruid de Kerk, tot onderpand van zijn liefde. Met nog grotere kracht geeft Hij zo ook de gelovige in, die genade trouw te herdenken om de liefde op te wekken. De Bruidegom wordt dus ten aanzien van de Bruid vergeleken met een gazel en met een hertejong, omdat Hij door middel van zulke Godsopenbaringen (theorieën en theophanieën) de hongerige voedt en de bedroefde opbeurt. Het enige wat haar van vreugde vervult is immers zijn gelaat! Zijn komst is niet altijd een sprong of een grote stap. Soms komt Hij dichterbij en blijft Hij stilstaan, als Hij Zich geeft aan haar met een nogal grote vreugde, als Hij haar met zijn genade ruimschoots troost schenkt voor de verveling bij haar verlangen, voor de moeheid bij haar inspanning, voor de tederheid van haar liefde. Daarom wordt er aan toegevoegd: "Zie, Hij Zelf staat achter onze muur".

154. Hierbij moet worden opgemerkt dat zij, als ze Hem ziet aankomen zegt: "Kijk, daarginds is Hij". En als ze Hem dichterbij ziet komen: "Zie, Hij Zelf...” Dat wil zeggen: Hij daarginds, dat is Hij Zelf. Want Hij is, wie Hij is. Hij toont Zich niet in een profeet, niet in een engel, niet in een apostel. Maar uitstijgend boven spiegel en raadsel biedt Hij Zich enigszins aan mij aan in Zichzelf. Ze geeft toe, dat Degene over Wie ze spreekt als over "Hij Zelf...” haar nadert, niet alleen door de voelbare genade, maar ook door een heerlijke ervaring, zozeer dat in dit uur, op dat tijdstip van het goddelijke bezoek in de volle kus van de wederzijdse vereniging, in de volle omhelzing van de wederzijdse genieting, alleen de muur van het sterfelijk bestaan Bruid en Bruidegom scheidt. En "Hij daarginds", dat is Dezelfde aan Wie Mozes zei: "Laat me Uzelf mogen zien". En de Heer weer tot Mozes: "Geen mens kan Mij zien en in leven blijven". De Onzichtbare zien achter de muur, is dus Hem zien zover het in dit leven mogelijk is.

155. "Zie, zegt ze, Hij Zelf staat achter onze muur". Het ‘zie' geeft het gevoel van de aanwezigheid weer. Het 'Hij Zelf' duidt op de vreugde van de ervaring, het ‘staan' op de verrukking van de genieting. Het gaat hier vooral over de scheidingsmuur tussen Bruidegom en Bruid, waarover de Profeet zegt: "En in mijn God spring ik over de muur". Wat betekent die muur? Niets anders als dat het verstand, het geheugen en de hartegrond in de greep zijn van het uitwendige door de begeerte van het vlees, van de ogen en van de eerzucht van het leven. En zolang dat zo is, kunnen ze dan wel aangegrepen worden door God? Over zoiets zegt de Profeet dan ook: "Hoe lang hopen ze tegen zichzelf de dikke homp klei op”. En op een andere plaats: "Uw zonden vormen een scheidsmuur tussen u en uw God”.

Maar omdat deze dikke muur van klei geen enkele toegangsweg biedt voor de Bruid om de Bruidegom te beschouwen, maakt U er dan -o haar Zielsbeminde- voor Uzelf rechthoekige vensters in, waardoor U haar rechtstreeks kunt zien. En plaats er schuine ruitjes in, waardoor U haar als van opzij kunt waarnemen. De rechthoekige vensters zijn een beeld van uw rechtlijnige rechtvaardigheid, die de oprechte harten verheugt. De schuine ruitjes zijn de uitvindingskracht van uw goedheid en uw barmhartigheid, onverdiend en onverhoopt als komend van opzij. Door de vensters kijkt U goedkeurend naar het goede van de Bruid. Door de schuine ruitjes kijkt U barmhartig naar wat in haar uw barmhartigheid nodig heeft.

En zo, door haar het eerst aan te kijken, maakt U haar ziende. En staande voor haar doet U haar staan voor U. Totdat de wederzijdse toenadering van Hem Die barmhartig is en van haar die liefheeft, de vijandschap van de zonde, dat is de tussen hen in liggende scheidsmuur, heel en al wegbreekt. Dan zal het worden: elkaar zien, elkaar omhelzen, wederkerige vreugde, één van geest.

In afwachting daarvan gebeurt het soms dat zij -niet in zichzelf, maar in U haar Heer en God- over de muur springt en wordt toegelaten tot een wat helderder inzicht, tot een volmaakter kennen, tot een inniger beminnen. Niet alleen om te ervaren dat U de bron van het leven bent, en het licht te zien in uw licht, maar ook omdat het haar wordt toegestaan een tijdje te blijven staan in de geneugte. Deze gewaarwording heeft zo'n uitwerking, de inwerking van de liefde is zo krachtig, het inzicht zo helder, dat zij, zoals reeds gezegd is, zich van de volheid van het schouwen alleen maar verwijderd meent door de tussenruimte van de menselijke sterflijkheid. Daarom zegt ze: "Zie, daar staat Hij achter onze muur".

156. Hij is het, zegt ze, Hij tot Wie Mozes zei: "Laat me Uzelf zien". En de Psalmist: "Maar U, U blijft UzeIf". Toen Hij voor het eerst zichtbaar werd voor haar, was het niet 'Hij Zelf', maar 'iemand' die kwam aanspringen op de bergtoppen en die heenstapte over de heuvels. Maar nu staat Hij hier Zelf. Er is een groot verschil tussen 'iemand' en 'Hij Zelf'. Die 'iemand' is buiten haar zelf en wordt door haar als met de vinger aangewezen. 'Hij Zelf' is in haar, waar ze als Bruid op Hem roemt en van Hem geniet. Die ‘iemand' is in beweging met sprongen en stappen. ‘Hij Zelf' staat in de standvastigheid van het goede hart. 'Zie' drukt ook een sterkere nabijheid uit dan 'kijk'. Het woordje 'kijk' duidt immers op iets dat onder het bereik van de zintuigen valt, ofschoon het nog ver weg is. Maar 'zie' wijst op iets dat men vlak bij de hand heeft of zelfs in de hand.

157. "Achter onze muur". Van mij, zegt de Bruid, was deze muur van de sterfelijkheid, opgericht door de gemeenschappelijke zonde en de geschonden en aan lijden onderhevige natuur. Maar door tot mij te naderen heeft de Bruidegom hem ook tot de Zijne gemaakt, door de geschonken genade en zijn medelijdende goedheid. "Onze muur", zegt zij dus, waarin barmhartigheid en waarheid elkaar ontmoet hebben. Want na de zondeval van de eerste mens heeft de waarheid, de strengheid van de waarheid voor mij die muur gemetseld van sterfelijkheid-voor-allen.

Maar ten tijde van de erbarming heeft de Barmhartigheid er voor Zichzelf ook een gemetseld. Hierin zijn, zoals reeds gezegd is, vensters en ruitjes aangebracht. Rechthoekige vensters van de rechtvaardige Heer, Minnaar der gerechtigheid, schuine ruitjes van Hem die veel vergeeft aan de zondaar die veel bemint.

Als de Bruidegom dan ook de Bruid nadert, kijkt Hij naar haar door de vensters en richt zijn oog op haar door de ruitjes. Voor haar die Hem aanroept in waarheid, is Hij nabij gekomen. Hij hecht haar in liefde aan Zichzelf door wat er uitstraalt van zijn goddelijkheid en zijn menselijkheid. Als Hij dan in Zichzelf en op zijn eigen manier zowel zijn Godheid als zijn Mensheid aan haar ter beschouwing aanbiedt, voedt Hij op verheven wijze met deze beide spijzen de genegenheid van zijn beminde.

158. Maar ook de ziel op zoek naar God heeft een venster, waardoor zij God kan beschouwen, namelijk het oog van de rede. Daartoe werd het oorspronkelijk in de mens geschapen, om met de hulp van de verlichtende genade, een doorkijk te zijn op het geestelijke en goddelijke, zodat de mens hierdoor God kan zien. Onder het stralende licht van de zon heeft het lichamelijke oog overal een vrije inkijk zonder enige hindernis, en het vindt een heldere hemel waarheen het de blik ook richt. Het gezichtsveld is net zo groot als de eigen beperktheid van het gezichtsvermogen het toelaat. Zo gaat het ook met het oog van de rede: onder de stuwing en het licht van de genade richt het zich rechtstreeks op de beschouwing van het Goddelijke, als het tenminste niet instemt met de duisternis van een illusie, die ergens anders vandaan komt. In de enkelvoudigheid en de zuiverheid van het goddelijk Wezen ontmoet het geen enkele weerstand totdat het, overweldigd door het glorielicht, vermoeid terugvalt op zichzelf.

159. Er zijn echter nog meer vensters, waardoor de Bruid een oogje werpt op haar Bruidegom: de godsvrucht, de liefde, de wijsheid, die genoemd worden 'de eredienst van God'. Als de Bruid door deze vensters kijkt naar de vreugde van de Bruidegom, ontvangt zij iets geestelijks of goddelijks. De Bruidegom ziet haar dan en dat betekent dat Hij haar ziende maakt. Maar volgens de beschikking van de Middelaar is in deze aardse tijd het geloof een ruitje waar de Bruid doorheen kan kijken, het geloof in de daden die God uitwerkt in deze tijd, maar waardoor zij wordt omhooggetrokken tot in het eeuwige.

In het geloof ziet het oog van de schouwer noodzakelijkerwijze God van terzijde, als Hij ontwijfelbaar zeker in de ene Persoon van Christus het geheim bewondert van de twee naturen, en deze beide tevens in de Middelaar aanbidt in de eenheid van Persoon. In zover God hierin onze geringheid heeft aangenomen, schijnt de menselijke rede in haar streven naar God in haar eigen ogen er ten zeerste naast te zitten. Dit duurt net zolang totdat door de genade het geloof verlicht wordt en het mysterie van God Die mens is, en van de mens die God is, niet langer slechts geloofd wordt, maar ook inzichtelijk begint te worden.

Met dat een en hetzelfde licht, dat verschijnt door het 'venster' én door het 'ruitje', begint de contemplatieve geest zich feestelijk te voeden. Voor wie tot dit inzicht gekomen is, spreekt dan de Geest zijn geheimen uit en spreekt het Woord van God Zichzelf uit. En wat Hij zegt, heeft een snelle uitwerking. Want in hem tot wie gesproken wordt, heeft de verstandelijke mededeling een daadwerkelijk effect. En alwat de zin die nu volgt als voorschrift of als onderricht schijnt te willen, dat gebeurt er, ze staat op en ze haast zich. Hier volgt dan die zin: "Zie, mijn Geliefde, Hij spreekt tot mij: Sta op, haast u mijn vriendin, mijn beeldschone, en kom".

Terug naar de index

Tweede strofe


Sta op,
haast u mijn vriendin, mijn duifje,
mijn beeldschone, en kom.
De winter is reeds voorbij,
de stortbui is over
en het regent niet meer.

De bloemen zijn in ons land
te voorschijn gekomen,
de snoeitijd is aangebroken.
De stem van de duif
laat zich horen in ons land,
de vijg heeft vrucht gezet,
de wijngaarden staan te geuren.

160. Hij noemt haar vriendin, want Hij heeft haar tot zijn vriendin gemaakt door haar alles mee te delen wat Hij van zijn Vader heeft gehoord. "Duifje" zegt Hij, want Hij heeft haar tot de zijne gemaakt. Dat wil zeggen, Hij heeft haar geschikt gemaakt om de Heilige Geest te ontvangen, zoals Die Zich heeft laten zien bij de Doop boven het hoofd van de Heer. Hij spoort haar aan zich de vleugels te verschaffen van geestelijke inzichten en weg te vluchten naar de eenzaamheid van hart en naar de geheime schuilhoek van een argeloos geweten. Hij vormt haar opnieuw naar Zijn beeld en gelijkenis overeenkomstig de waardigheid van haar vroegere staat, en noemt haar dan 'beeldschoon'.

Hij beveelt haar niet alleen op te staan en te komen, maar ook om zich te haasten. Dat betekent: niet alleen maar te beminnen, maar hevig lief te hebben. Hij beveelt haar op te staan uit het aardse, door haar een tegenzin te geven voor alles wat aards is. Hij beveelt haar te komen én Hij trekt haar aan. Hij beveelt haar zich te haasten én Hij stuwt haar voort. Dat is dus de manier, zegt de Bruid, waarop mijn Geliefde tot mij spreekt. Dat wil zeggen: in een minnend-luisterend hart wordt het Woord van God geboren op het moment, waarop het horen van het almachtige Woord zich in het gehoorde uitwerkt. Dat is trouwens al gezegd.

Soms wordt het Woord vernomen met de zintuigen van het lichaam, bijvoorbeeld bij de lezing of bij het horen van een onderrichting. Soms gebeurt het door de genade van een innerlijke ingeving, die de luisterende Bruid wegroept van het lichaam naar de geest, van de zintuigen naar het innerlijk inzicht, opdat ze niet langer in het lichaam maar in de geest zal leven. Dit doet Hij als Hij zegt: "Sta op". Hij schudt de traagheid van haar af, als Hij zegt: "Haast u”. Hij lokt de liefde, als Hij zegt: "Mijn vriendin". Hij verleent genade, als Hij zegt: "Mijn duifje". Hij schept harmonie tussen levensdrang en zedewet, als Hij zegt: "Mijn beeldschone”.

161. Dan gaat Hij verder: "De winter is voorbij, de stortbui is over en het regent niet meer". Als God de winterstorm voorbij doet trekken en de orkanen van de ondeugden uiteendrijft, rust Hij er ons juist voor uit. Hij begint met de aansporing om op te staan. Vervolgens, om te voorkomen dat de gehoorzame mens zal bezwijken onder de vrees voor de beproevingen, zegt Hij dat de winter en de regenbuien zijn voorbijgegaan. Want als de storm van de ondeugden bedaard is, komt vanzelf de aangename koelte van de heilige deugden. Tot dan toe houdt ze zich angstig schuil voor de beproevingen van de winter en de stormen van de ondeugden, en stelt ze zich tevreden met veilig in zichzelf te blijven.

Dan heeft ze geen andere zorg, geen andere bekommernis dan die om haar eigen innerlijk. Ze treedt niet buiten zichzelf. Ze verzamelt geen bloemen in de goddelijke Schriften. Ze vindt nergens de genade van de geestelijke vreugden of de vruchten van de Geest, afgebeeld door de geur en de bloemen van de wijnstok en de gezwollen knoppen van de vijg. Er is ook helemaal geen inkeer in de diepere lagen van de geheimvolle wijsheid, uitgedrukt door het beeld van de tortel, die op plaatsen ver verwijderd van de massa, dat wil zeggen onder hen die volmaakt zijn, haar geheimvolle taal spreekt. En nu hoort de Bruid:

162. "Sta op, haast u mijn vriendin, mijn duifje, mijn beeldschone, en kom. De winter is reeds voorbij, de stortbui is over en het regent niet meer. De bloemen zijn in ons land te voorschijn gekomen, de snoeitijd is aangebroken. De stem van de duif laat zich horen in ons land, de vijg heeft vrucht gezet, de wijngaarden staan te geuren".

163. De vertrouwde, innige namen worden nu herhaald, en nog eens wordt er opdracht gegeven om op te staan, zich te haasten en te komen. De eerste keer gebeurde het door de genade die haar voorkwám. De tweede keer, wanneer ook de rede en de vrije wil zich vervolgens in die zin uitspreken. De goedheid van Hem Die haar oproept, tekent zich inniger en vertrouwelijker voor haar af, als ze in de grond van haar hart voor zichzelf kan getuigen, dat "wij zonen van God zijn". Dat is de betekenis van wat nu volgt.

Terug naar de index

Derde strofe.


Sta op, haast u, mijn vriendin,
mijn Bruid, en kom.
Mijn duifje in de spleten van de rotsen,

in de gaten van de muur,
laat me uw gezicht zien,
laat uw stem klinken in mijn oren.
Want uw stem is zo zoet
en uw gezicht zo lief.

164. "Sta op, haast u, mijn vriendin, mijn Bruid, en kom. Mijn duifje in de spleten van de rotsen, in de gaten van de muur". Wat er gezegd wordt, gebeurt ook! De Bruid brengt de aansporing van de Bruidegom ten uitvoer. Terwijl de winter verdwijnt, klaart het weer op. Bij de komst van de Bruidegom jubelt de Bruid. Ze vindt het prettig verder te lopen en opgewekt volgt ze de voetsporen van de veelbelovende Bruidegom, overal waar Hij gaat, buitenshuis, de stad uit, dat wil zeggen: uit de natuurlijke zintuiglijkheid en uit het gewone gedragspatroon en ze treedt binnen in de mysteries van de Zoon, aangeduid door 'de spleten van de rotsen'. Ze leert de geheime wetten kennen, voorgesteld door 'de gaten van de muur'.

Christus, de Rots, is immers niet aan alle kanten op slot! Maar er zijn spleten in, waar God Zich openbaart. De muur van de Wet is doorboord met gaten door het Woord van God, dat verder doordringt dan elk tweesnijdend zwaard. Deze muur scheidt twee volken van elkaar, en verzoent tevens de verschillen en de tegenstellingen. Ook hier geldt, dat er een snoeitijd is. Want bij al het nuttige dat er ontstaat, zit gewoonlijk veel onnuttigs en schadelijks, als het niet behoedzaam van tevoren wordt ingesnoeid.

165. De tekst gaat verder: "Laat me uw gezicht zien, laat uw stem klinken in mijn oren. Want uw stem is zo zoet en uw gezicht zo lief".

De duif bouwt gewoonlijk haar nest in de spleten van de rots en in de gaten van de muur. En van daaruit laat ze haar kopje zien en haar stem horen: een sierlijk kopje en een klagende stem. Waarvan is zij het symbool? Van niets anders dan van het hart, dat bevestigd is in Christus en in het geloof aan Hem, en dat de vruchten van de Geest voortbrengt. Zij is het beeld van de hartegrond waaruit een liefelijke stem opwelt om God te loven, en tevens een zucht om het lange wachten op de verhoopte toekomstige goederen. Dit is het gezicht, dat de Bruid laat zien aan de verlangende Bruidegom, als zij met geheiligde zielegrond treedt voor haar Schepper, in het licht van zijn Aanschijn. Deze stem van de Bruid klinkt zoet in de oren van de Bruidegom, als de klank Hem bereikt, zoals zij hem uitspreekt, als zij er haar liefde in uitdrukt.

166. Laten we even een blik terugwerpen, en laten we de gang van zaken eens doornemen op de volgorde van de handelingen en de betekenis van de woorden. De Bruid zat thuis bij zichzelf en wachtte op de terugkeer van de Bruidegom. Ze heeft van de Geest een onderpand, ten teken dat Hij spoedig zal terugkomen. Vol verlangen bidt en schreit ze om zijn terugkomst.

En plotseling lijkt het haar dat haar oor een eerste geluid opvangt van wat ze nog niet ziet, en dat ze met een innerlijk zintuig ervaart wat ze met het verstand niet inziet: de goddelijke aanwezigheid. En ze zegt: "De stem van mijn Geliefde". Vreugde doorstroomt alle gevoelens van haar getrouwe ziel en ze snelt Hem tegemoet. Maar als ze een klein stukje gegaan is, ziet ze Hem al naar zich toe komen springen. Hij heeft haast! En Hij springt daarbij heen over de kleingelovigen, die onvoldoende op de uitkijk staan naar het ijltempo van zijn komst. Hij springt over elk inzicht heen en stapt iedere redenering voorbij.

Als ze Hem naar zich toe ziet komen, keert ze in zichzelf, om Hem te ontvangen. Ze voelt hoe Hij dichterbij komt en achter de muur staat. Dan ziet ze Hem door de vensters kijken en door de ruitjes gluren. Aan haar verlangen biedt Hij Zichzelf aan. Zij begint door die ervaring inzicht te krijgen in de geheimen van de goddelijke liefde, namelijk dat Hij Zich daarom zo veelvuldig van haar verwijdert, om door haar vuriger gezocht te worden; en dat Hij Zich soms daarom aan haar liefde overgeeft, opdat zij niet door overmatige droefheid zal worden overweldigd.

Als zij op de roep en de aansporing van zijn stem opstaat om Hem te zien, en er heensnelt om Hem te grijpen, is Hij Die even opdoemde, weer even plotseling verdwenen. En heel die geestelijke en goddelijke charme van wijngaard en bloemen is verdwenen mét Hem. Want als Degene Die het leven zoet maakt, Zich terugtrekt, trekt alle zoetheid en genot met Hem mee weg. Dan schenken de bloemen geen vreugde meer, de wijngaarden geuren niet meer, en de vruchten verliezen hun pracht. De vertrouwelijkheid van de vriendschap glijdt weg van de vriendin. De duif verliest de sierlijkheid van haar kopje en de zoete klank van haar stem. En zij die zo mooi gevormd was, ziet de genade van haar gelijkvormigheid aan God van zich wijken. De vriendin blijft achter met haar eenzaamheid, de duif met haar klagende roep, en aan de

mooie Bruid rest nog slechts haar eigen postuur. De spleten in de rots gaan dicht. De gaten in de muur worden afgesloten. Er is geen plaats meer voor de duif die haar hart heeft verloren.

Terug naar de index

Vierde strofe


Vangt voor ons de kleine vossen,
die de wijngaarden vernielen,
want onze wijngaard staat in bloei.
Mijn Beminde is aan mij en ik aan Hem,
die tussen de lelies weidt,
totdat de dag begint te ademen
en de schaduwen verdwijnen.

167. Bovendien komen er kleine vossen binnenvallen in de bloeiende wijngaarden, dat wil zeggen, spitsvondige inblazingen van de vijand kwetsen de goedgestemde harten, ofwel het listig stoken van ergernissen vernielt de kleine wijngaarden. De tekst die volgt, heeft immers deze dubbele uitleg: vangt voor ons de kleine vossen die de wijngaarden vernielen, ofwel: vangt voor ons de vossen die de kleine wijngaarden vernielen.

168. Het zijn juist de kleine wijngaarden die de vossen vernielen. De meer uitgebreide wijngaarden hebben niets te duchten. Alleen kleine mensen kunnen zich ergeren. En van hen zegt de Heer: "Wie een van deze kleinen zal geërgerd hebben... ”.

Vangt, zegt de Bruid, voor ons de vossen. Iedereen houdt voor zichzelf rekening met deze vossen, als hij -tot de onderscheiding der geesten gekomen- snel het bedrog van de binnensluipende zonde ontmaskert, en de begeerlijkheid ervan aan zichzelf onderwerpt. Toch vraagt de wijze Bruid dat ze voor haar gevangen worden, tot haar voordeel wel te verstaan. Hierin steunt ze geenszins op haar eigen mening of haar eigen deugd. Het volstaat voor haar zich te verlaten op de heilige leraren of haar heilige bewaarengelen, om ze voor haar te vangen. Onder hen die bekoord worden komt het duidelijk uit, voor wie de bekoring strekt tot beloning en voor wie tot verwerping. Want de een heeft in zijn bekoringen in niemand zo weinig vertrouwen als in zichzelf, terwijl de ander alleen maar vertrouwt op zichzelf.

Omwille van de Bruid echter worden de vosjes gevangen, omdat het voor haar bovenmate heilzaam is, als haar wijngaard ongeschonden wordt bewaard voor de Bruidegom. "Want onze wijngaard staat in bloei", zegt ze.

169. Ze is niet helemaal aan haar lot overgelaten. Haar wijngaard bloeit nog! Dat wil zeggen: haar geest leeft nog in de hoop. Ook al voelt de Bruid zich soms verlaten door de Bruidegom, dan zal zij Hém toch niet in de steek laten, omdat Hij Zich van haar terugtrok. Is Hij nabij, dan geniet ze er nederig van. Is Hij afwezig, dan verdraagt ze dit geduldig. Ze is immers de wijngaard van de Heer van de Sabaoth. En Hij zegt daarvan tot de Profeet: "Ik heb haar voor Mij omgespit en tot haar gezegd: Blijf vele dagen op Mij wachten zonder overspel te doen of aan een man te behoren. Ook Ik zal wachten op u”. Daarom gaat de Bruid, die zelf ook een wijngaard is, verder en zegt: "Mijn Beminde is aan mij en ik aan Hem, die weidt tussen de lelies, totdat de dag aanbreekt en de schaduwen verdwijnen.

170. Gelukkig is zo'n ziel, zalig zo'n hartegrond. Een echte Bruid voor de Bruidegom is zo iemand, als ze uit haar verlatenheid die stem laat opklinken. Wat voor minder gevorderden gerechtigheid is, telt voor haar als een in gebreke blijven. Wat voor de dochters van de Bruidegom volmaaktheid is, geldt voor haar als tekortkoming. "Gelukkig is degene, die de Heer als zijn God kent". Zo iemand behoort geheel en al aan God. Bij hem heeft Gods genade de natuur reeds hersteld en raakt soms op een of andere manier zijn hartegrond aan. Een goede zielsgesteltenis hebben is immers iets anders dan aangeraakt worden door de liefde. Onder de inwerking van de genade een harmonische natuur verwerven, die in God is vernieuwd en standhoudt, is iets anders dan dat die goede harmonie wordt aangeraakt door diezelfde genade, en een tijdje, een uurtje wordt opgenomen in God. Het eerste past bij haar die de Bruid is geworden, het andere bij de volmaakte Bruid.

171. "Mijn Beminde is aan mij en ik aan Hem”, zegt ze. Laat andere meisjes er andere geliefden op na houden, mijn Beminde is voor mij. En laat ook andere jongens andere liefjes hebben, ik ben voor Hem alleen. Deze stem komt niet uit een hart dat zich onteert in allemans liefde. Dat getuigenis wordt niet afgelegd door een bevend geloof en een twijfelende liefde, noch door een vertroebeld geweten en een aarzelende wil. Altijd zal ik zo'n ziel gelukkig noemen en zo'n hart zalig prijzen die deze troost heeft bij het wachten op de uitblijvende Bruidegom, in de lange duur van dit leven.

Midden in de boosaardige felheid van deze wereld vormt dat innerlijk getuigenis van hoop een verkwikkende schaduw. In de kwellingen van dit leven is het een troost voor de droefenis, een verlichting bij het werk, een prikkel voor de liefde, een verruiming voor het hart. En met het oog op het toekomstige loven schenkt het zekerheid aan het geloof en de verwachting. Zo iemand zegt: "Op allerlei wijzen verduren we kwelling, maar het benauwt ons niet. We zien geen uitweg meer, maar zijn niet ten einde raad, vervolging treft ons, maar wij worden niet in de steek gelaten, we worden neergeveld, maar gaan niet ten gronde", enzovoorts.

172. Die goede geestesgesteldheid, dat is de vroomheid, die volgens Job de eredienst van God is. Volgens de Apostel is die gesteltenis in alle omstandigheden bruikbaar en draagt ook de belofte in zich voor het huidige zowel als voor het toekomstige leven. Ze vormt het eigen karakter van geloof en deugd, ze is ontvankelijk voor geestelijke genaden, geschikt voor heilige gevoelens en gaat altijd heel nauw samen met inzicht in het goddelijke. Aan hen die in deze zielsgesteltenis verkeren, zegt de Apostel: "Geliefden, zo moet ge standhouden in de Heer". En ook: "Laten we in ieder geval vasthouden wat we reeds bereikt hebben".

Hier is ook nog sprake van bloemen van de bloeiende wijngaard. Ze zijn de hoop op de vruchten, maar niet de vruchten zelf. Uit die hemelse streken echter waaien hier reeds het briesje van de waarheid, en de zoetere balsemgeur van de Bruidegom degenen tegemoet, die komen uit het dal der tranen. Uit de geheimvolle diepte van de goddelijke liefde schenken zij een ruimer aandeel in de eerste vruchten van de Geest aan de ziel die vorderingen maakt, aan de minnende Bruid. Dat is, meer innigheid in de liefde, meer zekerheid in de ervaring. Hoe overvloediger en heerlijker deze vruchten zijn, des te meer zijn zij een lofprijzing op de liefde van zo'n zuiver leven, terwijl de liefde zelf al de beloning van de zuiverheid is.

Die levenshouding en die goede zielsgesteltenis staan tot de ziel in dezelfde verhouding als de gezondheid tot een gezond lichaam. Dit alles betekent voor de goede ziel, wat de gezonde beweging betekent voor het gezonde lichaam, als het wordt gevraagd door de noodzaak of door de vrije wil. Zoals het lichaam in zekere zin de eigen gezondheid niet kent en er geen grote gedachte van heeft, zolang er door de noodzaak of de vrije wil geen beroep op wordt gedaan, zo kent ook de ziel haar eigen gezondheid niet en heeft ze geen hoog idee van zichzelf wat de uitbloei in de hoop betreft, zolang de vruchten van de Geest er nog niet zijn.

173. Een woning die klaar is, vraagt om een bewoner, een eenzaam bed om een deelgenoot in de liefde, een geduldig geloof om de vreugde van de genieting. Daarom zegt ze: "Mijn Beminde is voor mij en ik voor Hem". Hij is voor mij. Dat is het juist waarvoor God mij vormde! Ik voor Hem! In dit toebehoren aan Hem kreeg ik mijn eigenlijke vorm. Hij is voor mij: in het schenken van genade. Ik behoor toe aan de Gever in dankbaarheid. Hij is voor mij, door mij het geloof te geven. Ik ben voor Hem door het gaaf te bewaren. En ook als de Bruid niet weet dat de Bruidegom in haar is, rust Hij in haar te midden van haar kwellingen. Want behalve zijn omhelzing en zijn kus, behalve de innige, wederzijdse verbondenheid, weigert zij iedere troost. Daarom volgen de woorden: "Hij die weidt tussen de lelies".

174. Onder de bloemen is de lelie de mooiste. Maar ze is onvruchtbaar. Een rechte groene stengel verheft zich van de aarde omhoog. Blank van buiten is ze, maar vuurrood binnenin. Ze is bekoorlijk om te zien, heerlijk om te ruiken, en heeft een natuurlijke kracht om harde dingen zacht te maken. Kijk eens naar de lelie vóór zonsopgang. Ze zoekt als het ware een toevlucht in zichzelf voor de nachtelijke kou en voor de donkerte van de nacht. Haar toegevouwen, tedere schoonheid houdt ze bij zich. Zodra echter het heldere gezicht van de opgaande zon haar stralen over haar uitgiet, gaat ze als in een glimlach geheel en al voor haar open en schenkt ze heel haar schoonheid terug aan haar Schepper.

Dat is de goede geestesgesteltenis, die te danken is aan de scheppende kracht van de genade. De vruchten van wijsheid en kennis heeft ze nog wel niet, maar ze verhoopt die van de verlichtende genade. Het diepe bewustzijn van een op God gerichte bedoeling en wil, straalt voor de mensen de glans uit van zuiverheid en van uitwendige werken van geloof, voor God de innerlijke geur van een voortdurend verlangen. Overal, bij kwelling en verdrukking, verspreidt ze de goede geur van Christus, en weet ze met de kracht van het geduld de harde, menselijke kwaadwilligheid te verzachten. Al wat ze aan goeds heeft, houdt ze in de schaduw van de scheppende en gevende genade, totdat haar gerechtigheid als een lichtstraal uitschiet en haar oordeel helder is als de middagzon. Dit gebeurt als de verlichtende genade het openbaar maakt.

175. Het Latijnse werkwoord 'pascit' kan op twee personen betrekking hebben, namelijk iemand die een ander voedt en iemand die gevoed wordt. De Bruidegom 'weidt' tussen de zo juist beschreven lelies, 'wordt gevoed', als in het terneergeslagen hart van de onvruchtbare lelie, de vruchtbare wil van de Bruid Hem feestelijk vreugde bereidt. Hij 'voedt' tevens ook de Bruid zonder dat ze het weet, want juist in het wachten op Hem wordt haar liefde gevoed. Natuurlijk weet de Bruid wel wat er in haar omgaat, en wat de Bruidegom in haar bewerkt als ze elkaar toebehoren, maar ze voelt het niet als ze niet bij elkaar aanwezig zijn. In het geloof behoren ze elkaar toe, maar in de liefde zijn ze bij elkaar aanwezig. Of liever: in de liefde behoren ze elkaar toe, en pas in de liefdeservaring zijn ze echt bij elkaar aanwezig. In het toebehoren aan elkaar gaat alles wel goed, maar in het aanwezig zijn bij elkaar, gaat het toch beter. Dit is de betekenis van wat volgt: "Totdat de dag aanbreekt en de schaduwen verdwijnen".

176. Als de dag aanbreekt en de schaduwen verdwijnen, zullen Bruidegom en Bruid niet zozeer meer elkaar toebehoren door een wederzijdse overeenkomst, maar veeleer in een genietingsvol samenzijn. De Bruidegom ‘weidt' niet in de onvruchtbare schoonheid van lelies, maar in de volle overvloed van de vruchten van de Geest. Onder de inblazing van de Heilige Geest kan immers ook in dit leven onze nacht een uur lang of een tijdlang stralend worden als de dag. De schaduwen van de wereldse ijdelheden zullen verdwijnen en terugwijken voor het licht van de waarheid.

Dit zal gebeuren ofwel aan de avond van dit Ieven -dat duister is en zonder licht- als de morgen van het andere leven aanbreekt, of beter nog bij de dageraad van de eeuwigheid, op de dag waarop allen zullen verrijzen. Dan zal het niet meer zijn een toebehoren aan elkaar in geloof, maar voor Bruidegom en Bruid zal dan het bij elkaar zijn een aanvang nemen door het zien van elkaar van aanschijn tot aanschijn. Dan zal de Bruidegom de Bruid niet meer voeden met de bloemen van de hoop, zoals de onvruchtbare lelies, maar haar het vruchtvlees aanreiken. Dan zullen alle schaduwen van de vergankelijkheid van deze wereld terugwijken, dat wil zeggen ze worden van het voetstuk van de zelfoverschatting afgeworpen. Zoals vroeger de oude heilsmiddelen moesten plaats maken voor de nieuwe sacramenten van de genade, zo zal dan elk sacrament zonder meer moeten wijken voor de wezenskern van alle sacramenten.

In de sacramenten van het Nieuwe Verbond is weliswaar de dageraad van de nieuwe genade al aangebroken. Bij die allerlaatste eindpaal echter zal het volop dag zijn. Dan zal er geen sprake meer zijn van zien in spiegel of raadsel, noch van een gedeeltelijk kennen. Maar dan zal het zijn: een schouwen van aangezicht tot aangezicht. Het zal de volheid zijn van het hoogste Goed. Waar het verstand zich gewoonlijk mee bezig hield, daar ligt dan het inzicht verankerd. Waar de minne-brand heenstuwde, daar geniet dan de liefde.

Dat inzicht komt niet voort uit het verstand, maar uit de verlichte liefde. En die liefde is niet een of ander voortbrengsel van het liefdesgevoel, maar door God op goddelijke wijze bewerkt, zoals de Apostel zegt: "Het is God Zelf die ons daartoe in staat heeft gesteld". Alle zielskrachten immers, alle deugden en wilsbesluiten, alle bedoelingen en genegenheden van de mens die met God verheerlijkt is, zullen dan krachtens de Verrijzenis bevrijd zijn van de dienstbaarheid aan het bederfelijke, en van de onderwerping aan het vergankelijke. Met onveranderlijke standvastigheid zullen zij ten volle zien, wat in het geloof reeds doorschemerde. Ze zullen onbetwistbaar bezitten wat ze bevend verhoopten, en duurzaam genieten van wat ze in geloof beminden.

177. De dag van nu immers, die voor dit leven ademt, is veranderlijk en heeft niet de blijvende vreugde van zijn eigen licht. Maar hij heeft wel zijn eigen lichturen, uren om tot God te naderen telkens als het licht van de genade er weer is. Die hemelse dag echter, die eeuwige dag, dag op dag, geheel en al vrij van alle schaduwen van deze tijd, die staat helemaal open voor zijn licht en zijn vreugde, zonder verlangen om nog meer te willen, zonder vrees er iets van te verliezen, zonder smart over enig verlies. Maar ondertussen ziet het schepsel reikhalzend uit naar de openbaring van de kinderen Gods en zucht in barensweeën tot heden toe. Ook degenen die de eerstelingen van de Geest bezitten, zuchten in hun binnenste naar de verlossing van hun lichaam, in smachtend verlangen naar het kindschap van God.

178. O, Minnaar van liefde en zuiverheid, bewaar die eerstelingen in hen die ze reeds hebben en schenk ze aan hen die ze nog niet hebben. Moge uw bruid, wie ze ook is, moge de getrouwe ziel die wegkwijnt van verlangen naar U, die te kort schiet in zichzelf, en te kort schiet ten aanzien van uw heilsplannen -maar niet omdat uw heilsaanbod in gebreke blijft- moge ze reeds hier op aarde enkele uren ontvangen als een voorproefje van uw Dag, totdat ze die Dag ten volle zal ontvangen. De gedachte alleen reeds dat ze uw Dag zal zien, doet haar juichen zoals de gelovige Abraham. Laat haar die Dag zien, schenk haar uw vreugde. En laat niemand haar die vreugde ontnemen. O Dag der dagen, Dag van kracht, begin Gijzelf te ademen in hen, die vanuit het holle nachtelijk duister van dit leven zuchten in U, verzuchten naar U en gaan ademen in U, o Dag zonder schemering die U bent, U die in Uzelf blijvend alles verandert en Zelf onveranderd blijft. O Zon van gerechtigheid, sinds Gij ons uw Adem toezendt, is er voor ons reeds een lichtpuntje opgegaan, is er onder de lichtstralen van uw waarheid, die alles blootleggen, reeds iets van die doodsschaduw, iets van de duisternis van deze wereld van ons afgevallen. De 'ijdelheid der ijdelheden' is voor ons aan het licht gekomen, en het werd ons duidelijk, ja, helderder dan de dag, dat alles ijdelheid is. Mocht toch uw waarheid in zichzelf ook zo helder voor ons stralen, als die ijdelheid die ons in het licht van de waarheid duidelijk wordt. Voor de verstandige toeschouwer immers, en voor wie oordeelt in het licht van uw waarheid, springen die wereldse zaken in het oog als ijdele en minderwaardige dingen. Hun leegte is nooit te vullen, hun armzaligheid is hun eigen en hun gebrekkigheid is ongeneeslijk.

Alle zonen van uw licht zijn U hierom dankbaar en eveneens ook al degenen die zich niet verzetten tegen uw licht. Ze zijn reeds zover door U verlicht, dat ze in U dit alles doorzien en ze er niet door bedrogen worden. Hoewel ze er soms nog door verlokt en verstrikt worden, zijn ze er niet meer van harte op betrokken, maar zorgen er toch zo nu en dan uit noodzaak voor. Want al sluipt er soms een herinnering aan de wereld de geest binnen of komt zoiets in de gedachten op vergezeld van een zeker genot, aan gaat de wil er aanstonds tegen in, terwijl het verstand post vat in het geheugen. De schaduwen die ontstonden omdat het oog gericht stond op dat vergankelijke, wijken aanstonds terug als uw licht binnenvalt en de Heilige Geest de menselijke zwakheid te hulp komt. Het inzicht in uw waarachtigheid richt de wil zozeer op uw liefde, dat hij buiten U geen enkel genot wil smaken.

Uw licht, o Dag der dagen, jaagt onmiddellijk de gedachte aan de wereld de schrik op het lijf, en giet er een echte, diepe bitterheid in uit, in plaats van de vergankelijke zoetigheid van het werelds genot. Hierdoor komt het dat uw Bruid, die altijd haar wil vol toewijding op U gericht houdt, nu eens in haar verlangens gekruisigd wordt, dan weer in liefde geniet, o Liefde van hen die zuiver leven, Bruidegom van heilige zielen. Maar altijd zal haar verlangen gekruisigd worden als haar liefde niet kan genieten, als ze in de wisselvalligheid van de tijd, van U niet een standvastige en voortdurende vreugde in U kan verkrijgen.

Toch heeft ze in de voortdurende goede gesteltenis van de wil een standvastigheid als een antwoord van haar goede hartegrond op het verlangen naar U. Maar in de beleving van de liefde heeft ze die standvastigheid nog niet. U gaat en komt volgens uw wijze bedoeling, uw welwillende goedgunstigheid en uw rechtvaardig oordeel, en als een sierlijke gazel of bevallig hertejong laat U Zich menigmaal grijpen in geloof. Dikwijls ook staat U toe, dat ze U mediterend vasthoudt. En soms zelfs dat ze U teder liefkoost. Maar juist als U haar krachtiger vasthoudt en inniger bezit, onttrekt U Zich plotseling aan haar. U vindt er dan uw vreugde in, als haar liefde achter U aanloopt in kwellende afmatting en moeheid, schreiend en U achterna roepend: "Kom terug".

Terug naar de index

Vijfde strofe


Kom terug, wees zoals de gazel,
of het hertejong
op de bergen van Bethel.

179. "Kom terug, wees zoals de gazel, als het hertejong op de bergen van Bethel". Het is alsof ze zegt: Als U me niet toestaat in mijn levensdagen U voortdurend te genieten, kom dan tenminste net zo vlug terug als U bent weggegaan en me in de steek hebt gelaten. Laat er meer afwisseling zijn, ga niet zo snel weg, kom vlugger terug, en laat uw aanwezigheid inniger en langduriger zijn. Kostbaar is voor mij een moment van uw aanwezigheid of een kruimeltje van uw overvloed, als het mijn verstand vergund wordt U een beetje te zien, als ik het gefluister van uw stem mag opvangen, of een druppeltje van uw zoetheid mag proeven, als ik de geur van uw balsems mag inademen, als U mij vereert met uw kus en uw omhelzingen. Deze zijn voor mij het onderpand van de Geest, de waarborgsom van het eeuwig geluk, de basis van het geloof, de kracht van de hoop, de vurigheid van de liefde.

Kom dan terug, zegt ze, kom terug. Kom terug, zelfs als U terstond weer vertrekt. Verheug me door bij me binnen te komen, dompel me in rouw door uit me weg te gaan. Alles wat van U komt is goed voor mij, want U, de Algoede, doet alles goed. En of U weggaat of terugkomt, die liefde van U is mij een voortdurende troost in al wat ik omwille van U moet ontberen.

180. Zoals we immers al gezegd hebben, passen we enkele uitingen van de lichamelijke liefde toe op de geestelijke liefde, opdat wij enige ervaring kunnen opdoen van de liefde van Bruidegom en Bruid. Dikwijls schijnt de Bruidegom zijn uitbundig liefdespel te spelen met de Bruid. Dan onttrekt Hij Zich telkens aan haar vurige liefde en geeft Zich weer opnieuw aan haar verlangen over. Soms schijnt het dat Hij Zich verwijdert en heengaat alsof Hij niet meer terug zal komen. Maar Hij doet dit om Zich vuriger te laten zoeken. Een andere keer komt Hij en neemt zijn intrek bij haar alsof Hij voor eeuwig zal blijven. Dan wordt ze met grotere innigheid uitgenodigd tot de kus. Soms ook lijkt Hij achter de muur te staan en door de vensters te kijken. Om het verlangen van zijn beminde op te wekken laat Hij zijn bekoorlijkheid zien, maar niet geheel en al; van verre laat Hij zijn roepende en uitnodigende stem horen. Maar als dan om zo te zeggen het vuur is ontstoken in het hart van de minnares, gaat Hij zonder meer weg en trekt Zich terug. Men ziet Hem niet meer, hoort Hem niet meer, ervaart Hem niet meer. Maar de Bruid, in haar onmacht om Hem tegen te houden als Hij weggaat, smeekt Hem om tenminste zo nu en dan terug te komen en zegt: "Kom terug, mijn Geliefde, doe als de gazel en het hertejong op de bergen van Bethel".

181. Gelukkig is de hartegrond van de Bruid, die veelvuldig de Bruidegom aanroept met deze benaming: mijn Geliefde. Dat deed immers ook degene die zei: "Ge weet, Heer, dat ik U bemin". Als immers het liefje haar minnaar roept met de naam 'Geliefde', geeft die benaming 'geliefde' uitdrukking aan de liefde van haar die roept, en doet tevens die liefde hoger oplaaien. Zij die zo staat te roepen, maakt zich aantrekkelijk. Haar diepe overtuiging en haar toegewijde liefde oefenen een aantrekkingskracht uit op Hem Die ze roept.

Het gebed dat God, tot Wie men bidt, in de Heilige Geest aanroept met deze naam (Geliefde), is een zegebrengend en veelbelovend gebed. De ziel die, vertrouwend op deze diepe overtuiging, haar gebed aanvaardbaar maakt, is gelukkig. Iemand die zo bidt, wat verhoopt hij al niet?

Biddend vraagt ze om de terugkeer van Hem Die ze al bezit. Biddend bemint ze Hem Die ze bezit. Daarom staat er geschreven: "De Heer is nabij voor allen die Hem aanroepen in waarheid". De waarachtigheid van het gebed immers, dat opwelt in de liefde van de minnende ziel, vormt een onomstotelijk bewijs, dat Hij ten zeerste nabij is, Die gezegd heeft: "Ik ben de Waarheid”.

182. "Kom terug, mijn Geliefde", zegt ze dus. Ja, als U weg bent, staat alles op zijn kop. Als U uw gelaat afwendt storten de heilige liefdegevoelens neer in puin. De hartegrond wordt bitter en redeloos droef. In de omgang met de broeders zit alles vol ergernis, en in de eenzame ogenblikken is de geest vervuld van drukte. Het innerlijk licht trekt zich terug. Een terneerdrukkende duisternis verspreidt zich. Het geloof kwijnt weg, de hoop wankelt, de liefde wordt moe. Het gemoed raakt beneveld en is zichzelf niet meer meester. Het lichaam is de geest tot last, en de geest het lichaam. Het gebed wordt een knikkebollen, de lezing een werkeloos neerzitten, de meditatie een verwaarloosd terrein. Uit het gevoelloze hart ontstaat een totale dorheid van geest, ja, de hele wereld spant samen tegen de armzalige sukkelaar.

Maar als U terugkomt, als U uw gelaat naar mij keert, wordt door de vreugde van uw aanschijn, door de zoetheid U te ervaren, alles sereen en kalm. Heilige vreugde welt op uit de geheiligde hartegrond, het inzicht is helder, de ijver vurig, de liefde licht op, de geest verheugt zich in God. Het wereldse wordt waardeloos en het lichaam dienstbaar. De krachten nemen toe en de deugden worden sterker. Het geloof wordt verlicht, de hoop verstevigd, de liefde wordt geordend. Er is dikwijls vreugde in de Heilige Geest. De omgang met de broeders is aangenaam. Het alleen-zijn met God nog aangenamer. De geest is standvastig, en vruchtbaar in geestelijke gevoelens. Het gebed vliegt omhoog, de lezing is vruchtbaar, de meditatie een verstandige bezinning. De toeleg op het geestelijke gaat op alle punten vooruit. Het gedrag wordt ernstig en ook de vrije tijd krijgt een gewijd karakter. Er is geen ergernis meer, geen tegenspraak. In voorspoed is men nederig, en in tegenspoed moedig. En zolang uzelf als een sterke man in volle wapenrusting uw erf bewaakt, is heel uw bezit in vrede.

183. Keer dus terug, mijn Geliefde. Doe zoals de gazel of het hertejong. Wat zullen we zeggen van de gazel? Zijn gezichtsvermogen is zeer scherp. De Bruid zegt hiermee dus, dat ze zich niet wil verbergen zoals Adam voor het aanschijn van Hem Die alles ziet, hetzij om het goed te keuren, hetzij om het te berispen. Maar uw aanschijn, Heer, zoek ik. Mijn gezicht onderzoekt uw Gezicht. U zult voor mij ook mijn innerlijke ogen scherpen, om op U acht te slaan en mij voor mezelf in acht te nemen.

En de gazel is vlug. Zo zult U ook mij bij het verwerven van inzicht in U een vlugge geest geven, die net zo snel is als de loop van uw Woord. Wat zullen we zeggen van het hertejong? De kracht van zijn Vaders natuur is hem aangeboren, zodat de slangen voor hem op de vlucht gaan en het vergif hem niet treft. Zo is het ook met de Zoon van God. Waar Hij Zich heenwendt, daar vlucht die oude slang weg. Tegenover zijn kracht verliest elk vergif iedere uitwerking.

184. Op de bergen van Bethel of Bether. 'Bethel' wordt uitgelegd als 'Huis van God'. 'Bether' betekent: ‘een huis dat wordt opgericht', ofwel: 'wachthuis'. Bethel, huis van God, zijn dus degenen in wie God intiem woont. Het zijn de kinderen van God, de eenvoudigen, de nederigen, de rustigen. Ze hebben ontzag voor zijn woord, en de Heilige Geest rust op hen.

Een huis dat wordt opgericht is degene die altijd streeft naar het hogere. Een wachthuis, waarin men voortdurend op wacht staat, zijn zij die godvruchtig en diepbewogen op de uitkijk staan en uitzien naar de Bruidegom, de Heer, of Hij nog niet terugkomt van de bruiloft.

185. De Bruid smeekt dus de Bruidegom om vaker elkaar te treffen in het huis Bethel of Bether, hetzij om haar tot licht te zijn als zij Hem beschouwt, hetzij om haar tot steun te zijn als zij de wereld geringschat uit liefde tot God, ofwel om degenen die waakzaam van geest naar Hem uitzien te laten genieten van Hem, door hen binnen te leiden in de intiemere en stille vreugden van een goede hartegrond. De Bruid vraagt Hem ook om vaker over de bergen te komen. Dat betekent: over de top van de menselijke volmaaktheid. Dat gebeurt omdat de bergen wegsmelten voor het aanschijn van de Heer, als de mensen, hoe groot ze ook zijn, zichzelf voor niets houden in vergelijking met God en zonder zijn genade.

186. Aan de Bruid van Christus, de trouwe ziel, wordt het dus soms een beetje toegestaan zijn vreugde te beschouwen. Ze kan er echter niet langdurig van blijven genieten. Maar zoiets, wat het ook is, overkomt haar soms onverwachts, en trekt zich plotseling weer terug als zij het vasthoudt. Dat is de betekenis van wat in de volgende woorden wordt uitgedrukt: "Wees zoals de gazel en het hertejong". Waar ze zegt: 'Wees', duidt het op een overeenstemming van de goedgestemde menselijke wil met Gods wil. Het gaat hier over iemand die vast staat in het geloof. Want of U Zich verwaardigt een bezoek te brengen aan het verlangend hart, of dat U Zich terugtrekt en afwezig schijnt te zijn, wat er ook komt van de algoede God, het is goed voor degene aan wie het overkomt.

Als Hij bij haar binnen is, houdt de Bruid Hem liefdevol vast, maar als Hij buiten haar is, gaat ze aanstonds angstig op zoek. En dan gebeurt wat er in het volgende vers staat: " 's Nachts op mijn bed zocht ik Hem die mijn ziel bemint".

Terug naar de index

Zesde strofe


's Nachts op mijn bed
zocht ik Hem, die mijn ziel bemint.
Ik zocht Hem en vond Hem niet.
Ik zal opstaan en de stad rondlopen,
op straten en pleinen zal ik zoeken
naar Hem, die mijn ziel bemint.

187. Dit moeten we vooropzetten: als de dag om is, is het nacht; en als het licht weg is, staat het oog tevergeefs open in het donker. Zo spant zich ook de blik van de Bruid in, om met behulp van het verstandelijk vermogen Hem te beschouwen naar Wie ze verlangt. Maar zonder de hulp van de verlichtende genade doet ze het tevergeefs. Daarom zegt ze: " 's Nachts, in mijn bed zocht ik Hem, die mijn ziel bemint". Maar laten we eerst eens zien, wat de letterlijke tekst ons te zeggen heeft. De Bruid op zoek naar de Bruidegom kent dag noch nacht rust. We kunnen dit ook letterlijk opnemen. Want hoezeer de nachtwaken de toeleg op geestelijke oefeningen begunstigen, welke vruchten van de Geest ze aanreiken aan hen, die wachten op de terugkeer van de Bruidegom, weten alleen degenen die zelf waken. Deze tijd is bijzonder geëigend voor de geest en het geestelijke. De zinnen zijn dan niet bezig en men ondervindt van hen geen last. Men trekt zich eerst terug in de slaapkamer, en vervolgens vindt het lichaam rust in de slaap. Na de dagelijkse moeiten en zorgen van dit leven vindt men troost op het bed, zoals de heilige Job, die mediteerde over God. Zijn bed is niet het graf van een dode, noch een dronkemanskroeg, maar een werkplaats van geestelijke bezigheden en een plek van heilige droomgezichten. Daar droomt men graag over datgene, waar men graag aan gedacht heeft, en dikwijls wordt in de slaap blootgelegd, wat in wakende toestand niet duidelijk was. Als dan het voedsel, de zorgen en de gedachten van gisteren verwerkt zijn, worden geest en lichaam weer nuchter.

Zoals een lege maag de spijzen die het eerst ontvangen worden beter opneemt, smakelijker verwerkt en nuttiger gebruikt, zo gaat het ook met de nuchtere geest van iemand die waakt. Wat hem het eerst in gedachten komt, pakt dieper en blijft er zitten, vooral als hij er in toestemt. De ziel die waakt is 'Bruid'. En daarom moet ze na een sobere slaap, die juist voldoende is voor de natuur er bijzonder voor zorgen, dat ze zich meteen in haar als het ware nog ongerepte en maagdelijke toestand verbindt aan de Bruidegom, zich vastklampt aan God, en zich geheel voor zover dit kan door Hem laat vervullen. Dan zal ze de hele nacht en de hele dag heilig en zonder zonden doorbrengen, naar lichaam en geest. Zonder verdeeldheid zal ze geheel zijn voor Hem, door Wie ze zich aanvaard weet. Een mengsel van welke andere bastaard-liefde dan ook zal ze niet aannemen.

188. In een diepere zin zoekt nu de Bruid in haar eigen innerlijk naar de Bruidegom, die ze buiten haar zelf liet ontsnappen. Ze zoekt Hem in het rustvertrek van haar hart, in de schuilplaats van haar geest, in haar zielegrond. Naar buiten toe wordt gedaan wat er moet gebeuren: de Bruidegom geeft de opdracht en de Bruid voert die uit. Van binnen echter wordt ze onthaald op liefdesbetuigingen, geheimvolle gesprekken en verborgen mysteries. Tenminste zolang de Bruidegom er is! Naar als Hij afwezig is, is het daar altoos nacht, een huiveringwekkende eenzaamheid, een weerzinwekkende woning zonder rust. Hij is er wel altijd met zijn nooit tekortschietende macht. Door een geheim raadsbesluit van zijn wijsheid is Hij daar toch niet voortdurend aanwezig met zijn leidinggevende genade. Zoals Salomo zegt: "Er is een tijd van omhelzen en een tijd om er zich van te onthouden". Daarom voegt de Bruid eraan toe: "Ik heb Hem gezocht en Hem niet gevonden".

189. AIs ze Hem niet vindt, roept ze Hem met een luide kreet, die beantwoordt aan haar hijgende verlangen naar Hem. Maar Hij antwoordt niet op haar geroep, zolang Hij Zich niet overvloedig geeft aan haar verlangen en volgens haar wens. De Bruid zoekt in de nacht. Herhaaldelijk blijft ze een hele nacht op, en ze heeft daar geen spijt van. Alhoewel de schaduwen van dit leven en de dichte duisternis van de wereld, de nacht van bekoringen en beproevingen haar soms belemmeren, kunnen ze haar toch niet afbrengen van haar ijver in het zoeken. Gelukkig de mens die beducht is voor al zijn daden en die altijd op zijn hoede is. Niet lafhartig, want dat is altijd de gewone houding van de ongerechtigheid, maar steeds beducht voor zichzelf, zoals blindheid en menselijk onvermogen dit eisen. Deze liefdeszorgen omwille van de Bruidegom -kwellingen van een nog onvervulde hoop, vreugde om het bezit, vrees om te verliezen, smart om het verlorene- kent alleen degene die liefheeft en zij die de Bruid is. Zij, die er zich altijd voor inspant om Hem steeds bij zich te houden in het rustvertrek, kan niets beters doen dan Hem daar te gaan zoeken, door het binnenvertrek van haar hart voor Hem te bereiden. Zo zal ze Hem bij zich hebben in haar bewustzijn en in haar overpeinzingen, in haar verstand en in haar liefde, wanneer zij Hem haar eerbied betuigt en tevens getuigt van haar toewijding in het werkzame leven.

190. "Ik zocht Hem", zegt ze dus, "op mijn bed", waar ik Hem gewoonlijk inniger en veelvuldiger vond. In een waarachtig zoeken heb ik gezocht of Hij daar was, om ook zelf in een geregeld toenemende liefde bij Hem te zijn, vreugdevol schouwend en heerlijk genietend. Hij is immers volgens zijn gewoonte altijd hen nabij, die Hem aanroepen in waarheid. "Ik zocht Hem en vond Hem niet". Waarom? Misschien omdat het nacht was; en daar de inspanning verslapt was, had ze minder licht bij haar zoeken, en minder vuur of warmte in haar verlangen. Want als ze in haar zoeken gedreven was door de liefde, zou ze Hem gevonden hebben, rustend in haar inzicht. En het zou voor haar heerlijk geweest zijn in zijn omhelzing.

191. Maar een beter aangepaste verklaring schijnt deze te zijn: zoals de Bruidegom haar nadert om haar te troosten in haar lusteloosheid, zo trekt Hij Zich soms ook van haar terug om haar sterker te maken en haar verlangen zelfs aan te wakkeren. Verlangens die verdwijnen door een uitstel zijn immers geen echte verlangens! Wat de Bruid van plan is te gaan doen in de afwezigheid van de Bruidegom, legt ze bloot door eraan toe te voegen: "Ik zal opstaan en de stad rondlopen. Op straten en pleinen zal ik zoeken naar Hem die mijn ziel bemint".

192. Over welke stad gaat het? Op welke straten en pleinen veronderstelt men de Bruidegom te moeten zoeken zonder Hem te vinden? Vast en zeker is het de stad waarover de psalm spreekt: "Ik zag ongerechtigheid en tegenspraak in de stad. Op haar muren maakt het onrecht dag en nacht de ronde. Binnenin heerst nood en onrechtvaardigheid. Woeker en list wijken niet van haar pleinen”.

De mens, die één van hart is met de Bruidegom en samen met Hem heerlijke spijzen eet, "heft daar zijn hiel tegen op". Daar begeert het vlees tegen de geest, en de naaste tegen de naaste.

193. Over welke stad gaat het? Over de wereld! Welke stad is het? Ik zeg het met droefheid: de wereldse wereld en de Kerk in de wereld. Nog iets meer zal ik zeggen, en ik zeg het droevig: de hele orde, de hele religieuze staat. Als de wereld omdat hij 'wereld' is werelds handelt en als wij dat geduldiger verdragen en er ons minder over beklagen, komt dat door de gewoonte of door het gemis aan hoop. Maar wie zou niet in de Kerk van de levende God -die een zuil is en de grondslag van de waarheid, volgens het woord van de Apostel- wie zou daar niet ten zeerste betreuren, tot bloedige hartetranen toe, dat er in de religieuze orden, die beloven zich toe te leggen op een strenger leven, die gevaarlijke tijden zijn aangebroken, die de Apostel in de toekomst heeft voorzien voor de ‘laatste dagen'? Als namelijk de mensen in zelfzuchtigheid wel een bepaalde vorm van vroomheid bewaren, maar de kracht ervan verwerpen?

194. Deze stad is tegenwoordig heel de wereld. En als ze ergens Jeruzalem lijkt te zijn, dan maken Syrië en Damascus gewettigd en zonder enige tegenspraak er een garnizoensplaats van en verlagen haar tot een marktplaats. Want wie onder degenen, die de armoede volgens Christus beloofd hebben, spant zich op de dag van vandaag niet in, en maakt zich niet druk om met een zak vol schatten en dikke geldbuidels zelfs de rijken van de wereld voorbij te streven?

De religieuzen hebben het hoogste aandeel in het wereldbezit! In woestijnen worden paleizen opgericht, in eenzame plaatsen en hoeken fijne cellen gebouwd. Ingetreden in het religieuze leven verwaardigt niemand zich voortaan meer om te voet zelfs maar het kleinste stukje van de weg af te leggen. Ze verheugen er zich wel over Christenen of leerlingen van Christus genoemd te worden, maar -om het zacht te zeggen- ze volgen hiervoor toch niet voldoende het voorbeeld na van Christus of van de leerlingen van Christus. Wie niet kan paardrijden, leert het! Wie het wel kan, schaamt er zich voor het af te leren. Is er in onze dagen wel een hoekje te vinden, waarin niet overvloedig die zonde voorkomt, die door de Apostel zo duidelijk wordt aangegeven, namelijk dat er rechtsgedingen onder ons zijn? En beantwoordden die rechtsgedingen maar aan hun naam, dan waren ze tenminste niet onrechtvaardig! Goed! We stelen niet en we bedriegen niet. Maar al zijn we geen dieven en bedriegers, we zouden er toch in kunnen berusten dat we niet van alle gelegenheden profiteren en enkele verliezen lijden, zodat we in onze bezigheden ons brood in stilte kunnen eten.

Door de begeerte naar de wereld zijn we blootgesteld aan de mensen van de wereld. En in de vriendelijkheid jegens de zondaars, zoeken we niet de zondaar, maar zijn goederen. Zijn dat niet de brede straten van de wereld, waarlangs men de dood ingaat? Zijn dat niet de wereldse buurten, die wel van elkaar verschillen, maar waar men toch op wereldse wijze leeft? Als we gezond dachten, zouden we geen vrees behoeven te hebben voor wat de apostel Paulus, dat vat van uitverkiezing, hij die behoort tot degenen, die niets hebben en alles bezitten, zegt: "Zij die rijk willen worden, vallen in bekoringen en duivelse strikken, en in veel schadelijke verlangens, die de mensen neerstorten in ondergang en verderf". Immers, bij welke gelegenheid of in welke vorm ook de geldzucht binnensluipt, hij is altijd de wortel van alle kwaad. En wie uit zijn op het geld, storten zich in veel ellende.

Maar toch, in die grote schare van rijke waaghalzen en lachebekken, komt men soms een arme van geest tegen, een man Gods. Aan hem, die als het ware ontsnapt is aan de storm van de woelige zee en die alleen met zichzelf neerzit in de uiterst kalme en vreedzame haven van de liefde, zegt diezelfde Apostel: "Gij, man van God, wacht u daarvoor. Streef liever naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, geduld en zachtmoedigheid. Strijd de goede strijd van het geloof, ding naar het eeuwig leven".

Een man Gods, wie hij ook is, vermijdt en ontvlucht alles wat we zo juist hebben opgesomd. Hij getroost zich daarvoor grote moeite en werpt al zijn zorgen op de Heer. Hij hoedt zich voor nalatigheid en stelt zijn vertrouwen op God. Altijd houdt hij een sterk verlangen om Hem te behagen. Hij heeft de goede wil om met iedereen in vrede te leven, om geen zondige verlangens te hebben, om zover hij kan door arbeid het levensonderhoud te verdienen en om bedachtzaam en welwillend uit te delen wat Hij zou hebben verworven. Overal wordt er onder zijn stuwkracht een sfeer van liefde geschapen, en hij ontwijkt en ontvlucht het verlangen om in de smaak te vallen.

Want een godsdienst waarin de geldzucht overheerst, is als Syrië en Damascus, waarin Jeruzalem marktplaatsen heeft gevestigd. En in die stadsbuurten is de Bruidegom niet te vinden.

195. Op straten en pleinen heb ik mijn zielsbeminde gezocht. Wat nu? Is de Bruidegom op een publieke plaats? Loopt Hij dan langs straten en pleinen? Maar de liefde meent in haar ongeduld dat ze Hem overal moet zoeken. Ze meent dat er geen plaats is waar Hij niet gevonden kan worden, als Hij Zich wil laten vinden.

196. "Hem, die mijn ziel bemint", zegt ze. Waarom zegt ze niet veeleer: Hem die mijn geest bemint? Omdat het geestelijke niet voorop gaat. Eerst komt het bezielde, daarna het geestelijke. Met 'de ziel' die levend maakt, bedoelt men het leven. Het is een manier van spreken, die uitgaat van de uitwerking om de oorzaak te leren kennen. De Bruidegom wordt dus bemind en gezocht door de ziel van degene voor wie leven Christus is, en in wiens leven Christus wordt verheerlijkt. Al wat er in zo iemand is en leeft, staat hem hierbij ten dienste. Om Hem te dienen met heel zijn leven, daarom alleen leeft hij graag.

197. "Ik zocht dus", zegt ze, "Hem die mijn ziel bemint". Treurend omdat Hij die ze vasthield haar ontvallen is, loopt ze overal rond, op iedere plaats, op elk bedrijf, bij alle soorten mensen, bij iedere Ievenswijze. Alles staat haar tegen: mooie uitzichten, lekkernijen, klankenspel, parfumerieën, liefkozingen, begerenswaardige bezittingen, verleidelijke genietingen. De standvastige liefde maakt haar onstandvastig, de onbeweeglijke gerichtheid van de wil maakt haar beweeglijk, de onveranderlijke genegenheid maakt haar veranderlijk. Ze wil graag zoeken, overal waar ze Hem hoopt te vinden. En menigmaal komt het voor, dat Hij ook daar gevonden wordt, waar men het niet verwacht. Ze vindt dan ook enig voetspoor van de Bruidegom op alle plaatsen, en overal waar ze een spoor van deugd vindt, een voorbeeld van vroomheid, een weerspiegeling van gaafheid, ijver voor de godsdienst en liefde voor de zuiverheid. Hem die mijn ziel bemint; nogmaals en nogmaals en eindeloos gelukkig de ziel die onophoudelijk tot haar God en Heer zegt, diep in haar hart en soms met de tong:"Hem die mijn ziel bemint".

Terug naar de index

Zevende strofe


Ik zocht Hem en vond Hem niet.
De wachters, die de stad bewaken,
vonden mij.
U hebt toch niet Hem gezien
die mijn ziel bemint?
Ik was hen een weinig voorbijgegaan
en ik vond mijn zielsbeminde.

198. Laten we even terugkeren naar het voorafgaande om de historische betekenis en de volgorde van het liefdespel te onderzoeken.

De Bruidegom was al naar de Bruid gekomen, springend op de bergtoppen en heenstappend over de heuvels. Hij keek door de vensters en wierp een oogje door de ruitjes. En Hij zag haar rustend actief en actief rustend in bed, terwijl ze niets anders deed en nergens anders aan dacht als aan wat er bij de bedrust behoort. Eenmaal, tweemaal en voor een derde maal had Hij haar aangespoord om op te staan, om zich te haasten, om te komen. Hij had haar uitgenodigd tot de verborgen geheimen van zijn liefde, tot een vollediger aanschouwen van zijn Gelaat, tot belangstelling om Hem beter te leren kennen, tot de hogere gaven van het eeuwige geluk. Maar toen is Hij weggegaan en trok Zich terug in het geheim van zijn Godheid en verborg voor haar dat zo verlangde Gelaat. Niet alleen de engelen in de hemel, maar ook de mensen op aarde, die met de engelen wedijveren in volmaaktheid, branden van verlangen dit Gelaat te aanschouwen. Hij echter maakte de duisternis tot zijn schuilplaats.

Nu ze het fijner gewend is, nu ze gevoed is met uitgelezen genaden, hebben de bezoeken die de Bruidegom louter uit gunst bracht haar zonder twijfel lui gemaakt. Haar geestelijke oefeningen heeft ze nagelaten. Ze heeft zich overgegeven aan het gebed alleen, aan vrije tijd voor de geest, aan overwegingen, terwijl ze zich nergens anders zorg over maakte. Als ze dan ook geroepen wordt, staat ze niet op, haast zich niet, en komt niet. Integendeel, zij is het die Hem smeekt om vaker bij haar terug te komen en ze zegt: "Kom terug, wees zoals de gazel en het hertejong". En als Hij niet terugkomt op haar smeekbede, is zij niet in staat een voet buiten het heerlijke en warme bed te steken, en draait ze zich van de ene zijde op de andere en verlangt ze, zonder zich een geestelijke inspanning te getroosten, de gewone kus en de gewone omhelzing. Zonder de moeite van een uitwendig werk, hoopt ze daar voortdurend de gunst van de genieting te vinden waaraan ze gewoon is. Maar nu de Bruidegom uitblijft, voelt ze eindelijk dat ze op moet staan. Ze vindt, dat uitgaan op het bevel van de Bruidegom toch nog voordeliger voor haar is dan alléén in haar bed te blijven rusten, niet zozeer als een wachten op de afwezige Bruidegom, als wel uit luiheid. Ja, een rust zonder Hem, is naar haar mening veeleer een levend begraven zijn dan een rust.

"Ik zal opstaan", zegt ze dan,"ik zal de stad rondlopen. Op straten en pleinen zal ik Hem zoeken die mijn ziel bemint". Dit betekent zoveel als: "Ik zal een gelegenheid zoeken om uitwendig een goede daad te doen, als hulp bij mijn inwendige beschouwing."

"Ik zal zoeken", zegt ze, "Hem die mijn ziel heeft bemind". Want zo hebben het de meer authentieke handschriften: "Hem, die mijn ziel heeft bemind".

199. De Bruid heeft immers voor zichzelf de indruk alsof ze de Bruidegom niet bemint, zolang de vlam van zijn goddelijke goedheid haar hart niet in vlam zet, zolang haar geheugen zich niet vasthecht, en haar verstand zich niet instelt op de herinnering aan de overvloedige zoetheid van Hem. Maar nu Hij is weggegaan, zijn plotseling alle vertroostingen van de Bruid verdwenen en vervluchtigd. De vruchten van vroeger zijn ontvallen aan de onvruchtbare geest. De liefde is zonder gevoel. De gedachte komt niet tot een inzicht en is zonder godsvrucht.

Ik zal opstaan, zegt ze dan, ik zal overal heengaan waar het liefdevuur, of liever, waar mijn verlangen me heen drijft. Ik zal volgen waarheen Hij mij ook meetrekt. Ondertussen, daar ik onwaardig ben, dat de Bruidegom me bezoekt met zijn gewone genade, zal ik anderen opzoeken, die God hiertoe gevormd heeft, om van hen te genieten in God en zo zal ik God genieten in hen. Soms treft men die mensen aan op de pleinen, terwijl ze -o, wat een droefenis- niet aangetroffen worden in de kloosters. Soms vindt men ze in de straten, terwijl men ze niet vindt in de woestijn. Niet omdat ze niet vaker in de kloosters zijn en beter thuis in de woestijn. Maar in het zoeken van God vindt men Hem nergens, tenzij God als eerste diegene vindt, die naar Hem op zoek is. Zó is God overal te vinden, als Hij de zoeker voorkomt!

200. "De wachters, die de stad bewaakten, vonden mij”. Onder de wachters verstaan we ofwel de engelen die zijn aangesteld in dienst van de erfgenamen van het Heil, ofwel de heilige leraars en predikanten, die gewijd zijn om de Stad van de Kerk te bewaken, ieder op hun eigen post. Zij zijn de engelen van de armen en van de kleinen van God. Zij zien altijd Gods Aanschijn, en overeenkomstig zijn oordeel helpen en beschermen zij de Bruid.

Op onnaspeurbare wijze geven ze hun nuttige wenken en dienen hen met heilzame raadgevingen. De Bruid zegt wel aan de Bruidegom dat ze hen ondervraagd heeft, maar ze zegt niet dat ze haar geantwoord hebben. Want de goddelijke antwoorden -of ze nu komen door een verborgen ingeving of door een dienende hulp van een engel, of door het onderricht van een mens- liggen niet altijd zo maar klaar voor al onze vragen, en vooral niet in tijden van beproeving.

201. Er zijn immers heilige kerkleraars, herders die de nachtwake houden over hun kudde. En in tijden van voorspoed en van de verlichtende genade hebben zij voor onze vaak verborgen behoeften en noden altijd wel een goddelijk antwoord klaar, hetzij door middel van een woord van hen die nog in leven zijn, ofwel door de geschriften van degenen die reeds heersen met God. In tijden van beproeving daarentegen, op dagen waarop we ons in gevangenschap voelen, wordt de hemel van koper en de aarde van ijzer. Dan is er geen profeet of profetie, geen visioen van de Heer. Het woord ontbreekt aan de leraar en de raad aan de wijze. De Bruid die op zoek is, ontmoet deze wachters in een woord, een geschrift, een voorbeeld, maar ze komen haar niet te hulp. En zoals gewoonlijk gebeurt bij ongelukkige mensen, hebben ze vele raadgevers, maar geen enkele helper. Want als God zijn Gelaat afwendt raakt alles in verwarring. Woorden zijn maar woorden, geschriften zijn maar letters. Niemand spreekt tot het treurende hart, terwijl velen kwetteren aan zijn oren. Niemand geeft antwoord aan de vrager, niemand reikt de hand aan de dolaard.

202. De wachters die de stad bewaakten, vonden mij. De genade had van haar nog geen minnares gemaakt. Nu wordt ze gevonden, terwijl ze op zoek is. Maar ze zouden haar hier niet hebben kunnen vinden, als de genade haar niet voorkomen had. Zoals immers geen enkel zintuig ergens in kan doordringen, tenzij door middel van de waarneming, bijvoorbeeld de ogen bij iemand die nooit ziet, of de oren bij iemand die niets hoort enzovoorts, zo geldt dit nog veel meer voor het inwendig zintuig van de genade. Alleen die genade zelf kan geven wat men nog niet had, of teruggeven wat men verloren had. Degenen die deze genade hebben, kunnen wel de vreugde van de Heer verkondigen en aanbevelen aan degenen die haar niet hebben. Ze kunnen raad geven in het zoeken, ze kunnen een manier aangeven om haar te herwinnen. Soms zelfs, als de genade meewerkt, wordt de wil er door bewogen en het verlangen opgewekt. Maar niemand kent de vreugde, tenzij degene in wie ze zich uitstort. Niemand klimt op naar die hoogte, als die hoogte zich niet neerbuigt tot hem. Die goedheid ervaart niemand, tenzij hij die gelijkvormig wordt aan die Goedheid Zelf. Dat leven leeft niemand als niet het Leven Zelf hem levend maakt.

203. De wachters zijn dus voorbijgegaan. Zij konden haar niet aan het zoeken zetten. En evenmin konden zij haar Hem ten volle doen vinden. Kort gezegd: de liefde wordt uitgestort in onze harten niet door een mens die ons onderricht geeft, maar door de Heilige Geest die ons gegeven wordt. En het woord heeft geen enkele uitwerking, waar het ook vandaan komt, als niet de werkzame kracht van de genade het voorkomt. Daarom zegt de Bruid tot hen: "U hebt toch niet mijn zielsbeminde gezien?" Voor mij klinkt het niet hetzelfde, zegt ze. De klank van de inwendige zoetheid van mijn ziel is anders dan het uitwendig woord van uw preek. Mijn liefde heeft enige ervaring van Hem Die ik zoek. En ofschoon ook u zo'n ervaring kent, zijn het noch uw woorden, noch die van een ander die er uitdrukking aan geven. Uw ervaring is wel veel beter en verhevener dan de mijne. Toch vinden wij door uw woorden niet wat we zoeken en evenmin bereikt u er mee, wat u beoogt. In één woord: u spreekt veel tegen ons, maar u leidt ons niet tot het doel, want de eigenlijke werkelijkheid leert u ons niet kennen.

De troostende lezingen en de onderwerpen voor geestelijke meditaties, ten bate van onszelf ontleend aan uw werken, spelen hierin zeker een grote rol. En ook het volhardende gebed en de overige oefeningen, zowel geestelijke als lichamelijke, die we verrichten in navolging van wat u in uw heilig verlangen deed. Maar in dit alles draagt u een voorbijgaand karakter. We moeten zover komen dat we nergens anders meer in lezen, dan in het Boek van de Waarheid. Daar geeft de eeuwige Wijsheid Zichzelf als onderwerp voor meditatie, daar zien we Hem tot onze troost van aanschijn tot aanschijn in plaats van in spiegel en raadsel. Maar dat gaat u ver te boven, want die toestand van het toekomstige leven en eeuwige gelukzaligheid overtreffen en overstijgen alle gebrekkigheid. Die staat van gebed echter, waarin de Bruid in haar zwakheid geholpen wordt door de Bruidegom om soms iets te proeven van dat toekomstig geluk, ligt juist even voorbij u. Men zegt dat er in het hemelgewelf voorbij de maan, geen regenvlagen, geen hagelbuien of andere windstormen zijn maar dat het daar altijd kalm is. De vooruitgang van de goede wil heeft een soortgelijk effect: er ontstaat een goede zielsgesteltenis, bevrijd van de aardse duisternis, en van meer nabij bestraald door het hemels Licht.

Einde

Terug naar de index

Terug

zoeken