Bronteksten

Hoogliedpreek 4

Hier werkt Bernardus de betekenis van de in preek 3 genoemde kus aan de voet en kus op de hand verder uit (1-3). Hij licht de lichamelijke beeldspraak met betrekking tot God met een aantal aanhalingen uit de bijbel nader toe (4-5).

I. BETEKENIS VAN DE VOETKUS

1. Drie fasen van de 'vordering' van de ziel, voorgesteld als drie kussen: dat was de inhoud van de preek van gisteren. U bent hem toch niet vergeten? Ik zal hem vandaag met deze toespraak moeten voortzetten, voor zover God zich verwaardigt deze in zijn goedheid voor de arme te bereiden. Wij zeiden - weet u nog? - dat deze kussen in ontvangst worden genomen aan de voeten, aan de hand en aan de mond. Aan elk van hen kenden wij een eigen betekenis toe. Door de eerste wordt het begin van onze bekering ingewijd. De tweede wordt verleend aan hen die vorderingen maken. De derde, alleen wie volmaakt is - en dat is zeldzaam - zal hem ervaren.

Het bijbelboek waarvan wij de behandeling op ons genomen hebben, neemt alleen deze laatste kus als uitgangspunt. Omwille van deze zijn de twee overige door ons toegevoegd. Maar of dat nodig is, mag u beoordelen. Wat mij betreft nodigt het begin van de tekst meteen al uit ook naar deze twee te verlangen. Het zou verbazend zijn als ook u niet opmerkte, dat er echt nog één of meer andere kussen moeten zijn, waarvan de spreker de mondkus wilde onderscheiden toen hij zei: 'Hij kusse mij met een kus van zijn mond’. Hij had immers kunnen volstaan met eenvoudig te zeggen: 'Hij kusse mij.' Waarom voegde hij er dan toch, tegen de gewoonte en het spraakgebruik in, uitdrukkelijk en nauwkeurig aan toe: 'met een kus van zijn mond'? Waarom anders dan om duidelijk te maken dat juist de kus welke hij vroeg, de hoogste is, niet de enige? Zeggen wij niet tegen elkaar: 'Kus mij' of 'Geef mij een kus'? En niemand zegt er toch bij: ‘met uw mond', of, 'met een kus van uw mond', is het wel? Als wij op het punt staan elkaar te kussen, steken wij dan niet onze mond naar elkaar uit, zonder daar overigens met zoveel woorden om te vragen? Iemand die, bijvoorbeeld, vertelt dat de Heer zijn verrader heeft toegelaten hem te kussen, zegt dan ook: 'En hij kuste hem' (Mc 14,45), zonder er aan toe te voegen: 'met zijn mond' of ‘met een kus van zijn mond'. Zo is het nu eenmaal algemeen gewoonte in schrijf- en in spreektaal.

Deze drie bewegingen of vorderingen van de zielen dan zijn enkel voor wie ze ervaren voldoende bekend en duidelijk, bijvoorbeeld als zij de ontferming over hun slechte daden gewaarworden, genadige hulp om het goede te doen ervaren of de aanwezigheid van hun ontfermer en weldoener zelf - in de mate althans, waarin dit in ons broze lichaam mogelijk is.

2. Laat mij u nu nog duidelijker maken, waarom ik de eerste en de tweede van deze zielsbewegingen 'kussen' genoemd heb. Dat de kus een teken van vrede is, weten wij allen. Als, gelijk de Schrift zegt: ‘onze zonden scheiding brengen tussen ons en God’ (Jes 59,2), behoeft wat tussen ons is enkel uit ons midden te worden verwijderd, en er is vrede. Wanneer wij dus voldoening brengen om, door verwijdering van de zonde die scheiding brengt, te worden verzoend, hoe kan ik de verkregen ontferming dan anders noemen tenzij een vredeskus? Deze wordt voorlopig niet elders dan aan de voeten in ontvangst genomen; nederig en beschroomd moet immers de voldoening zijn, waardoor een trotse overtreding wordt goedgemaakt.

II. BETEKENIS VAN DE HANDKUS

3. Maar later worden wij bovendien, om beter te leven en ons meer overeenkomstig Gods waardigheid te gedragen, begiftigd met nog overvloediger genade: een heerlijke vertrouwdheid. Dan heffen wij ook met toenemend vertrouwen ons hoofd weer op uit het stof om volgens gebruik de hand van de milde schenker te kussen. Tenminste, als wij vanwege de verkregen gave niet ónze roem, maar die van onze begunstiger zoeken en zijn gaven aan hém, niet aan óns toeschrijven.

Als je daarentegen in jezelf in plaats van juist in de Heer roemt, bewijs je ontegenzeggelijk dat je je eigen hand, en niet die van de Heer kust. Naar de mening van de heilige man Job is dit de grootste ongerechtigheid en een loochening van God (Job 31,28). Als dan, volgens het getuigenis van de Schrift, eigen roem zoeken (Joh 7,18) hetzelfde is als je eigen hand kussen, is het niet ongepast te zeggen dat wie roem geeft aan God de hand van God kust. Ook onder de mensen zien wij trouwens wel dat het zo is. We kennen het gebruik dat knechten bij een verzoek om vergiffenis de voeten kussen van hun meesters die zij beledigd hebben, en dat armen bij ontvangst van een gift de handen van de rijken kussen.

III. WIJ SPREKEN OVER VOETEN, HANDEN EN MOND VAN GOD OP GROND VAN WAT HIJ VERRICHT, NIET VAN ZIJN NATUUR. GOD, HET ZIJN VAN ALLES

4. Nu is het wel zo dat God geest is (Joh 4,24). Er bestaan in zijn ene, ondeelbare wezen geen onderscheiden ledematen zoals in een lichaam. Daarom kan misschien iemand met betrekking tot God iets dergelijks helemaal niet aannemen, maar vraagt van mij dat ik hem Gods handen en voeten laat zien en aldus bewijs wat ik over de kus van voeten en handen uiteenzet. Maar wat zal hij zeggen, als ik op mijn beurt tot die vraagsteller van mij ook over de mond van God de wedervraag richt, hoe hij bewijst dat wat de Schrift over de mondkus zegt, op God betrekking heeft? Want één van de twee: ofwel heeft hij behalve een mond ook handen en voeten, of hij beschikt over deze laatste twee evenmin als over de eerste. Maar in feite heeft God een mond waarmee hij de mens in kennis onderricht (Ps 94,10), heeft hij een hand waarmee hij aan alle vlees voedsel geeft (Ps 136,25) en heeft hij voeten waarvoor de aarde een bankje is (Jes 66,1). Aan zijn voeten mogen de zondaars der aarde, eenmaal bekeerd en vernederd, voldoening brengen.

Nogmaals, dit alles heeft God voorzover hij iets bewerkt, maar niet van nature. Beschroomde schuldbelijdenis vindt bij God beslist een plek waar zij zich in vernedering neer kan werpen, bereide godsvrucht waar zij vernieuwd en verkwikt wordt en blije beschouwing waar zij zich zelf loslaat en tot rust komt. Alles is hij voor allen en voor alles, hij die hun alles verschaft. Maar niets van dat alles is hij in eigenlijke zin. Want wat hij in zichzelf is, woont in een ontoegankelijk licht (1 Tim 6,16). Zijn vrede gaat alle begrip te boven, zijn wijsheid is niet te meten en zijn grootheid onbegrensd. De mens kan hem niet zien en toch in leven blijven.

Niet dat hij die het zijn van hen allemaal is en zonder wie niets is, ver van ieder schepsel af is. Maar - tot uw nog groter verwondering - niets is tegelijk aanweziger en onbegrijpelijker dan hij. Want wat is elk ding meer nabij dan zijn eigen zijn? En wat is toch voor elk nog onbegrijpelijker dan het zijn van al wat is? Ik ben geneigd te zeggen dat God het zijn van dat alles is, niet in die zin dat zij zijn wat hij is, maar dat alles uit hem en door hem en in hem is. Hij, als de maker zelf van al wat gemaakt is, is dus van dat alles het zijn, maar dan hun oorzakelijke, niet hun materiële zijn. Op deze wijze verwaardigt zich dus deze majesteit voor haar schepselen te zijn. En wel voor alle, dat zij zijn. Voor de bezielde echter dat zij bovendien leven. Verder is zij voor hen die over rede beschikken, licht. Meer nog: voor hen die van de rede goed gebruik maken, deugd. En voor wie overwinnen, glorie.

5. Met niets meer dan een woord heeft hij alle lichamen en geesten geschapen. Hij heeft geen enkel lichamelijk werktuig nodig om dit alles te scheppen, te besturen, te beheren, te bewegen, voort te bewegen, te vernieuwen en te bevestigen. Zielen hebben lichamen en lichamelijke zintuigen nodig om zich aan elkaar bekend te maken en voor elkaar van invloed te zijn. Maar de Almachtige niet. Hij hoeft maar te willen en meteen brengt hij scheppend en ordenend dingen tot stand zoals hij ze wil. Hij oefent invloed uit op wat hij maar wil, naarmate hij wil en zonder dat lichamelijke ledematen er een taak of dienst bij vervullen. Denk je soms dat hij om te doorzien wat hijzelf tot stand heeft gebracht, de hulp behoeft van een lichamelijk zintuig? In het geheel niets ontgaat of ontsnapt aan het alomtegenwoordige licht. Bovendien heeft hij om iets te kennen, geen hulp nodig van een zintuig dat het aanmeldt. En niet alleen wéét hij alles zonder lichaam, aan zuiveren van hart geeft hij zich ook nog zonder lichaam te kennen (Mt 5,8). Ditzelfde zal ik uitvoeriger zeggen, dan wordt het duidelijker. Maar omdat de korte tijd die ons nog rest om de preek te voltooien dit niet meer toelaat, is het raadzamer het tot morgen uit te stellen.

Terug

zoeken