Bronteksten
Hoogliedpreek 3
(Bernardus van Clairvaux)
Bernardus beeldt verschillende fasen van het geestelijk leven uit aan de hand van drie verschillende kussen: de kus aan de voet, de kus op de hand en de kus op de mond. De kus op de mond veronderstelt een voorafgaande ervaring van intimiteit met de Heer (1). Wie deze mist, begint beter met de voetkus, uitdrukking van nederigheid, berouw en bekering (2). De handkus vervolgens wordt door Bernardus beschreven als uitdrukking van zelfbeheersing en bereidheid tot het doen van goede werken (3-4). Groeiend in genade, kan de mens streven naar de mondkus, moment van blijde ontmoeting met de Heer (5-6).
I. DE VOETKUS ALS EERSTE FASE VAN GEESTELIJK LEVEN
1. Heden lezen wij in het boek van de ervaring. Keer in uzelf en laat iedereen zijn ondervinding raadplegen over wat ter sprake komt. Ik zou graag willen weten of het iemand van u weleens gegeven is oprecht gemeend te zeggen: 'Hij kusse mij met een kus van zijn mond.’ Want niet de eerste de beste komt het toe dit uit eigen beweging te zeggen. Maar als een mens ook maar één keer van Christus' mond een geestelijke kus heeft gekregen, dan verlangt hij er vanuit deze persoonlijke ervaring naar en vraagt hij er graag nogmaals om. Ik ben van mening dat niemand zelfs maar kan weten wat het is, tenzij wie hem krijgt. Want het is een verborgen manna (Apoc 2,17) en alleen wie dit eet, zal er nog méér honger naar hebben. Het is een verzegelde bron, waar een vreemde geen deel aan krijgt, maar alleen wie eruit drinkt nog meer naar dorst. Luister hoe iemand die het ervaren heeft, er nogmaals om vraagt: “Geef mij weer”, staat er, “de blijdschap van uw heil” (Ps 51,14). Een ziel als de mijne moet hier dan geen aanspraak op maken, een ziel die met zonden beladen is, nog onderworpen aan de hartstochten van het vlees, die de zoetheid van de geest nog niet heeft gesmaakt en nog helemaal geen ervaringskennis heeft van de innerlijke vreugde.
2. Zo'n ziel zal ik wel de plaats aanwijzen die haar in het heilsbestel toekomt. Zij moet zich niet vermetel verheffen naar de mond van de vriendelijke bruidegom, maar zich bevend met mij aan de voeten van de strenge Heer werpen. Laat zij met de tollenaar haar ogen huiverend naar de grond neerslaand niet naar de hemel omhoog, anders wordt zij, die zo gewend is aan donker, verbijsterd door het licht van de hemel en overweldigd door de heerlijkheid. Dan zou zij achterover kunnen slaan van die ongewone glans en in de nog dichtere duisternis van de blindheid gehuld worden. Tot iedere ziel die in deze toestand verkeert zeg ik: 'Laat die plek u niet te min en te gering zijn, waar de heilige zondares haar zonden heeft afgelegd en zich met heiligheid bekleed. Daar is de huid van de Ethiopische veranderd (Jer 13,23) en is zij nieuw en blank gemaakt. Van toen af gaf zij de mensen die haar versmaadden vrijmoedig en waarachtig ten antwoord: “Wel ben ik zwart, maar toch mooi, dochters van Jeruzalem" (Hgl1,5).
Vraagt u verwonderd hoe zij dit kon of waaraan zij dit verdiende? Luister maar. Kort en goed, zij schreide bittere tranen en uit haar binnenste kwamen diepe zuchten. Haar innerlijk schokte van heilzame snikken. Zo spuwde zij haar gal uit. De hemelse arts kwam haar heel spoedig te hulp, want snel legt zijn woord zijn weg af. Is het woord van God geen genezende drank? Zéker is het dat: het is krachtig en hevig en het toetst hart en nieren. Ook is het woord van God levend en doeltreffend en dringt dieper door dan elk tweesnijdend zwaard en het reikt tot de scheiding van ziel en geest en van gewrichten en merg en onderscheidt de gedachten (Hebr 4,12).
Naar het voorbeeld dan van deze gelukzalige boetelinge (Lc 7,37-50) moet ook jij, ellendige, je neerwerpen, dan zul je niet langer ellendig zijn. Werp ook jij je ter aarde, omhels zijn voeten, verzoen ze met kussen, besproei ze met tranen, niet om hém ermee te wassen, maar jezélf. Zo word je één van de pas geschoren kudde schapen (Hgl 4,2), die opstijgen uit het bad. Maar zo dat je het niet waagt je met schaamte en verdriet overdekte gelaat op te heffen, voordat ook jij te horen krijgt: “Je zonden zijn je vergeven” en: “Sta op, sta op, gevangen dochter Sion, sta op, verwijder je uit het stof" (Jes.52,1-2)
II. DE HANDKUS ALS TWEEDE FASE VAN GEESTELIJK LEVEN
3. Na dan de eerste kus aan zijn voeten te hebben gegeven, moet je het niet wagen je zo maar op te richten tot de kus van de mond. Een stap in die richting kan zijn een andere kus te geven, er tussenin. Daartoe krijg je een tweede gelegenheid bij de hand. Luister naar de reden hiervoor.
Als Jezus tot mij zou zeggen: “Je zonden zijn je vergeven”, en ik zou niet ophouden met zondigen, wat helpt het mij dan? Ik heb mijn tuniek uitgetrokken; als ik hem weer aantrek, wat schiet ik er dan mee op (Hgl 5,3)? Als ik mijn voeten na het wassen weer vuil maak, heeft het dan enig nut dat ik ze gewassen heb? Besmeurd met allerlei gebreken heb ik lang in modder en slijk gelegen; maar als ik erin terugval zal mijn toestand vast en zeker erger zijn dan toen ik erin lag. Ik herinner mij dan ook dat hij die mij gezond gemaakt heeft tot mij zei: “Je bent genezen, ga en zondig in het vervolg niet meer, anders zou je nog iets ergers overkomen” (Joh 5,14). Het is wel nodig dat hij die de wil heeft geschonken boete te doen, bovendien de kracht geeft om mij te beheersen. Anders zou ik nogmaals dingen gaan doen waar ik voor moet boeten en er tenslotte erger aan toe zijn dan eerst. Want zelfs al doe ik boete, wee mij, indien hij zonder wie ik niets kan doen, terstond zijn hand zou terugtrekken! Zonder wie ik niets kan doen, zeg ik, noch boeten noch mij beheersen. Ik luister dus naar de raad van de wijsheid: “Laat het in uw gebed niet blijven bij de herhaling van berouwvolle woorden” (Sir 7,15 Vulg.). Ook huiver ik voor de bedreiging die de rechter uitspreekt tot de boom die geen goede vruchten voortbrengt (Mt 3,10;7,19;Lc 3,9). In dit opzicht beken ik niet volkomen tevreden te zijn met deze eerste genade - eindelijk boetvaardigheid voor mijn kwaad - als ik ook niet de tweede ontvang, namelijk waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrengen - en in het vervolg niet terugkeren naar mijn braaksel.
4. Dit heb ik dus eerst te vragen en te verkrijgen, voordat ik er aanspraak op maak te bereiken wat nog hoger en heiliger is. Ik wil niet ineens op de top staan: geleidelijk wil ik vooruitgaan. De schaamteloosheid van de zondaar mishaagt God evenzeer als de schroom van de boetvaardige hem behaagt. Je wint zijn gunst eerder, als je je eigen maat houdt en niet streeft naar wat je te boven gaat. Van de voet naar de mond is een verre, moeilijke sprong, maar het is ook geen betamelijke manier van naderen.
Want wat gebeurt er? Nog bestrooid met het stof van kortgeleden, raak je de heilige mond aan? Gisteren uit het slijk getrokken, stel je je heden voor aan het gelaat van de heerlijkheid? Maak de overgang langs de hand. Laat deze je eerst schoonmaken, laat hem je oprichten. Hoe oprichten? Door je datgene te geven, waardoor je verder durft gaan. En wat is dit? De schoonheid van de zelfbeheersing en de vrucht van waardige boetvaardigheid, dat wil zeggen: werken van mededogen. Deze kunnen je van de mestvaalt oprichten naar het vertrouwen dat verhevener dingen aandurft. Maar kus dan toch de hand bij het aannemen van de gave; met andere woorden: breng eer, niet aan jezelf maar aan zijn naam. Breng eer, eenmaal en andermaal, zowel voor de vergeving van je zonden als voor de schenking van deugden. En anders, zie hoe je je gezicht beschermt tegen klappen als deze: “Wat heb je, dat je niet gekregen hebt? Maar als je het gekregen hebt, wat roem je dan alsof je het niet gekregen hebt (1 Kor 4,7)?
III. DE MONDKUS ALS DERDE FASE VAN GEESTELIJK LEVEN
5. Wanneer je dan eindelijk met de beide kussen dubbele ervaring hebt van Gods verwaardiging, zul je wellicht niet beschaamd worden als je streeft naar nog heiliger dingen. Want hoe meer je groeit in genade, des te ruimer wordt ook je vertrouwen. Daardoor ga je vuriger beminnen en hoopvoller kloppen om wat je naar jouw gevoel nog ontbreekt. Welnu: “Wie klopt, zal worden opengedaan” (Lc 11,10).
Die kus van de opperste verwaardiging en van wonderlijke zoetheid - wat het dan ook mag zijn - zal wel niet langer meer worden geweigerd aan iemand die in deze gesteldheid verkeert. Dit is de weg, dit is de volgorde. Eerst vallen wij aan zijn voeten neer en bewenen wij voor de Heer die ons gemaakt heeft de fouten die wij hebben gemaakt. Op de tweede plaats vragen wij om de hand van hem die ons opricht en onze knikkende knieën sterkt. Als we dit tenslotte met veel gebed en tranen verkrijgen, dan durven wij misschien eindelijk ons hoofd zelfs tot de mond vol heerlijkheid op te heffen - ik zeg het met angst en beven - niet enkel om die te beschouwen maar zelfs om hem te kussen: want in de Messias, de Heer, krijgt de Geest voor ons een gezicht (Klaagl 4,20 Vulg.). Door hem aan te kleven in de heilige kus, worden wij, door zijn verwaardiging, één geest (1 Kor 6,17).
6. Tot u, Heer Jezus, heeft mijn hart terecht gezegd: “U heeft mijn gelaat gezocht; uw gelaat, Heer, zal ik zoeken” (Ps 27,8). Want u hebt mij uw barmhartigheid in de vroegte doen verstaan, toen ik eerst nog in het stof lag en uw eerbiedwaardige voeten kuste en u mij kwijtschold dat ik slecht had geleefd. Toen de dag vorderde hebt u de ziel van uw dienaar verblijdt, omdat u mij in de kus van uw hand vervolgens de genade hebt geschonken om goed te leven. En wat blijft er nu anders over, o goede Heer, dan u te verwaardigen mij eindelijk in het volle licht, in de gloed van de geest ook tot de kus van uw mond toe te laten en mij zo van blijdschap te vervullen met uw gelaat? “Wijs mij, o allerzoetste, o verhevenste, Wijs mij waar u weidt, waar u ligt te rusten in de middag” (Hgl 1,6; Lc 9,33).
Broeders, het is goed dat wij hier zijn, maar zie, de zorgen van de dag roepen ons weg. Zo juist zijn er onverwachts gasten aangediend. Zij noodzaken ons deze preek - hoeveel voldoening die ons ook schenkt - eerder af te breken, dan te voltooien. Ik zal naar de gasten gaan, anders schieten wij te kort in de plichten van de liefde waarover wij spreken. Het mag toch niet gebeuren dat ook over ons te horen zal zijn: “Zelf doen ze niet wat zij zeggen (Mt 23,3). Bid u intussen, dat God het vrijwillig offer van mijn mond welgevallig maakt tot uw eigen stichting en tot lof en eer van zijn naam.