Bronteksten
De komst van het woord in de ziel
(Bernardus van Clairvaux)
De ziel die liefheeft wordt door verlangen gedreven, meegesleept door begeerte en of ze wel goed genoeg zal worden bevonden vraagt ze zich niet af. Ze sluit haar ogen voor zijn majesteitelijkheid, maar opent ze voor zijn liefdegenieten. Ze gaat ervan uit dat het heilzaam zal zijn en heeft durf om te handelen. Onverschrokken en onbeschroomd roept zij het WOORD terug, vraagt vol vertrouwen weer te genieten van zijn geneugten. Met haar gewone vrijmoedigheid noemt zij hem niet 'heer', maar 'geliefde': "Keer terug, mijn geliefde". [Hooglied 2,17]
Maar verdraag nu eens een weinig onverstand van mij. [2 Korinthiƫrs 11,1] Ik wil verklaren -zoals ik dat ooit heb beloofd- hoe het met mij gaat in die dingen. Het dient wel tot niets. Maar ik wil mijzelf toch laten zien aan jullie, voor jullie. Mochten jullie ermee gebaat zijn, dan zal ik mijn onverstand voor lief nemen; zo niet, dan zal ik mijn onverstand erkennen. Ik spreek het openlijk uit: ook tot mij is het WOORD gekomen -ik spreek met onverstand- en meermalen. En ofschoon het vaak bij mij is binnengetreden, heb ik niet een enkele maal gevoeld dat het binnentrad. Het aanwezig zijn van het WOORD kon ik voelen, bemerken. Ook hield ik een herinnering over als het weer weg was. Het komen echter van het WOORD en ook het weggaan kon ik slechts voorvoelen, maar nooit voelen. Want vanwaar het gekomen was in mijn ziel, of waarheen het ging toen het mij verliet, waarlangs het binnentrad of wegging, dat beken ik ook nu nog niet te weten, overeenkomstig wat gezegd is: "Je weet niet, vanwaar hij komt of waarheen hij gaat".
Vraag je nu -daar zijn wegen zo geheel onnaspeurlijk zijn-
hoe ik dan weet dat het WOORD aanwezig is? Het is levend en krachtig, en zodra het is binnengekomen heeft het mijn sluimerende ziel gewekt, mijn hart bewogen, week gemaakt en gewond -want mijn hart was hard en van steen en vol onverstand. Het WOORD begon ook uit te rukken en af te breken, te bouwen en te planten. Het begon wat dor is te besproeien, het duistere te verlichten, het geslotene te openen. Het deed wat kil was ontvlammen, het begon wat krom was recht te maken, en het hobbelige maakte het begaanbaar. En daarvoor zegende mijn ziel de heer, zegende heel mijn binnenste zijn heilige Naam.
Terwijl nu aldus de goddelijke bruidegom meer dan eens bij mij binnentrad, heeft hij nooit door een enkel teken zijn binnenkomen verraden: niet door enig woord, door een verschijning of het geluid van zijn gang. Kortom, geen van zijn bewegingen deed mij hem gewaarworden. Door geen van mijn zinnen sloop hij bij mij binnen. Alleen uit de bewogenheid van mijn hart, zoals ik al zei, heb ik zijn aanwezigheid begrepen.
Uit het op de vlucht slaan van mijn laagheden, en doordat de ongeest geen kans meer kreeg in mij, bemerkte ik de macht van zijn kracht. Uit het uiteenslaan en weerspreken van mijn verborgen fouten bewonderde ik de diepte van zijn wijsheid U Uit de verbetering van mijn leven, hoe gering ook, ervoer ik de goedheid van zijn zachtmoedigheid. Uit de omvorming en vernieuwing van mijn geestelijk denken, dat is van mijn inwendige mens, besefte ik iets van de schittering van zijn schoonheid. En uit de beschouwing van dit alles samen beving mij een huiver voor zijn geweldige grootheid.
Maar dit alles valt weg zodra het WOORD geweken is, alsof onder een kokende ketel het vuur weggehaald wordt. Er volgt direct een terugval in lamme lauwheid en kilheid -en dit is mij een teken is van zijn heengaan. Mijn ziel moet wel bedroefd zijn, totdat het weer terugkeert, en mijn hart als tevoren weer ontgloeit in mijn binnenste; -wat op zijn terugkeer duidt. Wat wonder, als ook ik, na dergelijke ervaringen met het WOORD, de woorden van de bruid tot de mijne maak: "Keer terug, mijn geliefde".
Bernardus van Clairvaux over het Hooglied (SC 74)