Bronteksten
Christus volgen in het klooster
(Bernardus van Clairvaux)
Goed leven noem ik: het kwade verdragen en het goede doen en hierin volharden tot de dood.
Als je in een gemeenschap leeft leef je volgens mij goed als je leven ordelijk, sociaal en nederig is.
Ordelijk ten opzichte van jezelf, sociaal jegens je naaste, nederig tegenover God.
Ordelijk leven… dat doe je wanneer je erover waakt om bij heel je handel en wandel jezelf in acht te nemen, zowel voor God als voor je medebroeders. Zo behoed je jezelf voor zonden en behoed je anderen voor ergernis.
Sociaal leven… dat doe je als je je erop toelegt om bemind te worden en om te beminnen. Sociaal leven is als je je vriendelijk en toegankelijk wil tonen en als je de lichamelijke en de geestelijke zwakheden van je medebroeders geduldig en zelfs blijmoedig wil verdragen.
Nederig leven… dat doe je als je, na dit alles te hebben gedaan, ervoor zorgt om de geest van ijdelheid de kop in te drukken. Want uit zo’n deugdenleven schiet gewoonlijk de geest van ijdelheid op -maar je kunt hem de kop indrukken door kordaat te weigeren om er mee in te stemmen, telkens wanneer je hem voelt opkomen.
Het kwade, onaangename verdragen... dat doe je als je een vrijwillige offergave maakt van het lijden dat van jezelf komt -dat is de hardheid van het boetedoen. En het lijden dat op je afkomt door je medebroeders -het gekweld worden door hun gebreken- moet je geduldig verdragen. En het lijden dat van God komt -de gesel der goddelijke kastijding- moet je zonder gemor, ja, met dankbaarheid aanvaarden.
Ik dank U, Heer Jezus, dat Gij dit alles hebt verborgen voor wijzen en verstandigen, maar het hebt geopenbaard aan deze kleinen die U gevolgd zijn en die alles hebben verlaten om uw Naam.
Bernardus van Clairvaux, Sermo 1,3-5 HH. Petrus en Paulus