Bronteksten

Over de bezinning Boek V, 13,28-30

(Bernardus van Clairvaux)

28. Wat is God? De lengte, de breedte, de hoogte en de diepte (Efeziërs 3,18).

Wat is de lengte? De eeuwigheid. Die is zo lang dat zij haar grens ontvangt van ruimte noch tijd.

De breedte is Hij ook. En wat is de breedte? De liefde. Hoe zou die door enige begrenzing worden benauwd in een God die niets haat van hetgeen Hij gemaakt heeft? (Wijsheid 2,25) Laat Hij zijn zon niet opgaan over goeden en bozen, zijn regen neerdalen over rechtvaardigen en ongerechtigen? Zelfs zijn vijanden sluit Hij in zijn binnenste. Hiermede niet tevreden, strekt deze liefde zich uit tot in het oneindige. Zij overtreft niet slechts alle gevoel doch ook alle kennis, gelijk de Apostel ons leert waar hij zegt: ‘Dat gij moogt kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat’ (Efeziërs 3,19). Wat zal ik nog over die liefde zeggen? Zij is eeuwig. Of, wat misschien nog meer is: zij is de eeuwigheid zelf.

Ziet gij, dat de breedte even groot is als de lengte? Zie dan ook in dat ze niet alleen even groot is, maar dat ze de lengte zelf is; wat de een is dat is tevens de ander; de ene is niet minder dan de twee tezamen en de twee zijn niet meer dan ieder afzonderlijk.

God is de eeuwigheid, God is de liefde: een lengte zonder uitgestrektheid, een breedte zonder uitgebreidheid. In beide overschrijdt Hij alle begrenzing door ruimte of tijd, doch door de vrijheid van zijn natuur, niet door de kolossale omvang van zijn zelfstandigheid. Zo onmetelijk is Hij die aan alle dingen hun maat gaf; en hoe onmetelijk Hij weze, dit is toch de maat van onmeetbaarheid zelf.

29. Ik herhaal: wat is God?

De hoogte en de diepte. Boven alles in de hoogte, is Hij beneden alles in de diepte. Het is duidelijk dat in de godheid het evenwicht nooit tekort kan schieten, en dat het aan beide zijden sterk bevestigd is daar het onbeweeglijk aan zichzelf gelijk blijft.

Beschouw zijn macht als zijn hoogte, zijn wijsheid als zijn diepte. In volkomen evenwicht beantwoorden ook deze beiden aan elkaar, want wij weten dat zijn hoogte ongenaakbaar, zijn diepte ondoorgrondelijk is, gelijk St. Paulus uitroept in bewondering: ‘O afgronden van de rijkdommen der wijsheid en wetenschap Gods, hoe ondoorvorsbaar zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!’ (Romeinen 11, 33) Wanneer wij zien, hoe deze twee in God de allereenvoudigste enkelvoudigheid vormen, past het ons ook met St. Paulus te juichen: ‘O machtige wijsheid, die overal met kracht doordringt, o wijze macht, die alles met zachtheid beschikt!’ (Wijsheid 8,1) Eén ding is dit, maar met talloze gevolgen en verscheidene uitwerkingen. En dit ene ding is lengte wegens zijn eeuwigheid, breedte wegens zijn liefde, hoogte wegens zijn majesteit, diepte wegens zijn wijsheid.

30. Dit weten we. Maar mag men nu ook aannemen dat wij dit begrijpen? Indien er een middel bestaat waardoor het onbegrijpelijke begrepen kan worden, dan is dit middel niet de redeneerzucht, maar de heiligheid. En als het niet begrepen zou kunnen worden, dan zou de Apostel niet gezegd hebben:’Laat ons met alle heiligen begrijpen.’ (Efeziërs 3,18) De heiligen begrijpen het dus.

Gij vraagt mij: hoe? Als gij heilig zijt dan hebt gij het begrepen en dan weet gij het; als gij het niet zijt wordt het dan, en bij ervaring zult gij het weten.

Heilig wordt men door de heilige genegenheid en deze heeft het dubbele karakter van de heilige vreze des Heren en de heilige liefde. De ziel die hier volmaakt door wordt genegen, begrijpt het als met haar beide uitgestoken armen, en ze omvat het, ze omhelst het, ze houdt het vast, zodat ze kan zeggen: ‘Ik heb Hem vast, ik zal Hem niet meer loslaten!’ (Hooglied 3,4)

De vreze beantwoordt aan de hoogte en de diepte; de liefde beantwoordt aan de breedte en de lengte. Wat is zo vreeswekkend als een macht waaraan gij geen weerstand kunt bieden, als een wijsheid waarvoor gij u niet verbergen kunt? God zou minder vreeswekkend kunnen zijn als Hij zijn macht en zijn wijsheid niet bezat. Doch nu moet gij Hem volmaakt vrezen, want Hij heeft een oog dat alles ziet, en een hand die alles kan.

Maar wat is zo beminnelijk als de liefde zelf waarmee gij bemint en waarmee gij bemind wordt? Nog beminnelijker maakt haar de onafscheidelijk met haar verbonden eeuwigheid; immers als zij nooit vermindert, sluit zij ook alle verdenking uit. Bemin standvastig en volhardend en gij zult de lengte begrijpen, strek uw liefde uit tot uw vijanden en gij behaalt de breedte. Behoud daarenboven bij al uw zorg hiervoor de vreze en gij zult genaken tot de hoogte en de diepte.

Terug

zoeken