Bronteksten
Constituties
(Basisdocumenten)
CONSTITUTIES EN STATUTEN MONNIKEN
Inhoudstafel
Deel I Het Cisterciënzererfgoed
- De traditie van de Cisterciënzerorde
- Natuur en doel van de Orde
- De geest van de Orde
- De eigen aard van de Orde
Deel II Het huis van God, het klooster]
Hoofdstuk 1: Cisterciënzerleefwijze
- De reguliere observantie
- De monnikswijding
- De onderscheiden geloften
- Het monastieke kleed
- Het cenobitisch leven
- Het liturgisch leven
- Het spiritueel leven
- Monastieke ascese
- Afzondering van de wereld/Gastvrijheid
- Relaties met de Kerk
Hoofdstuk 2: De dienst van het gezag
Hoofdstuk 3: Het beheer van tijdelijke goederen
Hoofdstuk 4: De vorming
- Het vormingsproces
- Aanvaarden en noviciaat
- Tijdelijke professie
- Plechtige professie
- Voortgezette vorming
Hoofdstuk 5: Het verlaten van de communiteit en de opheffing van een klooster
- Pastorale zorg
- Verschillende canonieke situaties
- Opheffing van een klooster
- Hoofdstuk 6: De stichtingen
Deel III De Cisterciënzerorde
Hoofdstuk 1: De filiatie
Hoofdstuk 2: Vergaderingen van oversten
Hoofdstuk 3: Het ambt van Generale Abt
Besluit
UITGAVE 2004
Bijgewerkt naar de Generale Kapittels
van 1993 – 1996 – 1999 – 2002 – 2005 - 2008
CONGREGATIO PRO INSTITUTIS VITAE CONSECRATAE ET SOCIETATIBUS VITAE APOSTOLICAE (Prot. n. T. 34-1/88)
DECREET
De Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie, geheel gericht op de beschouwing onder de Regel van Sint-Benedictus, heeft een nieuwe tekst van de Constituties voor de Monniken opgesteld. Zij wilde hiermee beantwoorden aan de normen van het Tweede Vaticaans Concilie en de andere bepalingen van de Kerk, vooral van het Wetboek van Canoniek Recht. De Generale Abt heeft deze tekst aan de Heilige Stoel nederig ter goedkeuring voorgedragen. Met zorgvuldige aandacht voor wat haar werd voorgelegd en na rijp beraad ging de Congregatie voor de Instituten van gewijd leven en de Sociëteiten van apostolisch leven in op dit verzoek. Daarom, krachtens het onderhavig decreet, keurt deze Congregatie de tekst van de Constituties voor de Monniken goed en bevestigt hem. Dit geldt voor het Latijnse exemplaar, bewaard in haar archieven, met inachtneming van de rechtsvoorschriften. Mogen de monniken, volgens hun eigen aard toegewijd aan het contemplatieve leven en het gebed in afzondering van de wereld, van dag tot dag steeds edelmoediger streven naar de volmaaktheid van hun levensstaat. Ongeacht alles wat hiermee in strijd is. Gegeven te Rome, 3 juni, op het Hoogfeest van Pinksteren, in het jaar des Heren 1990.
W.G.
Hiëronymus M. Kardinaal Hamer, o.p.
Prefect
Vincentius Fagiolo
Secretaris
INLEIDING
1. Het 'Nieuwe Klooster' van Cîteaux in 1098 gesticht door de heilige abten Robertus van Molesme, Albericus en Stephanus Harding bracht een nieuwe eigen vorm binnen de benedictijnse traditie. Cîteaux - Moeder van ons allen - werd de bakermat van de Cisterciënzerorde. Voor monialen richtte rond 1125 de heilige Stephanus het klooster Tart op. Als eigen dochterhuis van Cîteaux werd het toevertrouwd aan de pastorale zorg van haar abt. Het Exordium Parvum en de Carta Caritatis verwoorden de roeping van de stichters en hun zending, die ze van God ontvangen hadden. Een zending die door de Kerk bekrachtigd werd, zowel in hun tijd als in de onze. Onder impuls van Sint-Bernardus van Clairvaux en anderen breidde deze hervorming zich uit, zodat monniken en monialen die de cisterciënzerweg volgden, hun kloosters wisten te vestigen tot buiten de grenzen van West-Europa. Vanaf het begin werden er lekebroeders en lekezusters in de Orde opgenomen. Zo kwam door het leven en de inspanning van talloze broeders en zusters een betrouwbaar geestelijk erfgoed tot stand, dat zijn uitdrukking vond in geschriften en gezang, in architectuur en kunst, alsook in het bekwaam beheer van hun domeinen.
2. Veel hebben de monniken en monialen van de Orde te danken aan de beweging van de zogenaamde 'Etroite Observance'. In een verwarde tijd heeft deze beweging krachtig enkele aspecten van het cisterciënzererfgoed verdedigd; door de inspanningen van abt de Rancé en de ondernemingsgeest van Dom Augustinus de Lestrange konden deze worden doorgegeven aan volgende generaties. In 1892 hebben drie congregaties, voortgesproten uit La Valsainte, zich verenigd tot één autonome Orde, de Orde der Hervormde Cisterciënzers van Onze-Lieve-Vrouw van La Trappe, nu genoemd de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie.
3. Het verlangen naar waarachtig monastiek leven is de eeuwen door op velerlei wijzen werkzaam gebleven. Ook nu nog blijft het de monniken en monialen van de Orde bezielen om met toeleg te streven naar levensvernieuwing. Gehoor gevend aan de richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie leggen zij er zich op toe te komen tot een dieper verstaan van hun oorspronkelijke inspiratie en tegelijk te groeien in overgave aan Gods werking vandaag. Het Generaal Kapittel van 1969 heeft in twee documenten - de Verklaring over het Cisterciënzerleven en het Statuut voor Eenheid en Pluralisme - opnieuw bevestigd dat de Orde gehecht blijft aan de Regel van Sint-Benedictus, die voor haar de overgeleverde interpretatie van het Evangelie (1) is; het heeft richtlijnen aangegeven en wegen geopend om de Regel trouw te beleven in een veranderde wereld. In deze beide documenten immers maakt dit Generaal Kapittel onderscheid tussen enerzijds de zin van de Regel en de fundamentele observanties waaruit de cisterciënzerlevenswijze bestaat en anderzijds die afzonderlijke punten die volgens plaatselijke omstandigheden wijzigingen kunnen ondergaan
4. Van de opgedane ervaring in de voorafgaande jaren van vernieuwing zijn deze Constituties en Statuten de vrucht. Moge deze tekst zich een werkzaam instrument betonen waarvan de Orde zich kan bedienen om te groeien in trouw aan haar charisma, volgens de geest van het Tweede Vaticaans Concilie, en beter in staat te zijn haar eigen taak in Kerk en wereld te vervullen.
DEEL EEN HET CISTERCIËNZERERFGOED
C. 1 De traditie van de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie
De Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie wortelt in die monastieke traditie van evangelisch leven die in de Regula Monasteriorum van Sint-Benedictus van Nursia haar uitdrukking vindt. Aan deze traditie gaven de stichters van Cîteaux een eigen vorm en de kloosters van de Stricte Observantie hebben bepaalde aspecten daarvan krachtig verdedigd. Drie congregaties van de Stricte Observantie verenigden zich in 1892 tot één Orde, nu genoemd de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie.
C. 2 Natuur en doel van de Orde
Deze Orde is een instelling van monastiek leven, geheel gericht op de beschouwing. Daarom wijden de monniken zich aan de goddelijke eredienst onder de Regel van Sint-Benedictus, binnen de muren van het klooster. Zij bewijzen aan de Goddelijke Majesteit een nederig en edel dienstbetoon in eenzaamheid en stilzwijgen, in voortdurend gebed en blijde boetvaardigheid, door een monastieke levenswijze zoals in deze Constituties omschreven.
C. 3 De geest van de Orde
1. De cisterciënzerlevenswijze is cenobitisch. De cisterciënzer-monniken zoeken God en volgen Christus door te leven onder een Regel en een abt in een bestendige gemeenschap, school van broederlijke liefde. Alles is hun gemeenschappelijk want zij zijn één van hart en één van ziel. Elkaars lasten dragend vervullen zij de wet van Christus en door deel te nemen aan Zijn lijden hopen zij het Rijk der hemelen binnen te gaan.
2. Het klooster is een school voor de dienst van de Heer. Christus wordt er gevormd in het hart van de monniken door de liturgie, het onderricht van de abt en door het samenleven als broeders. Het woord van God vormt het hart van de monnik en richt zijn leven zodat hij, luisterend naar de Heilige Geest, kan groeien naar de zuiverheid van hart en de ononderbroken memoria Dei.
3. De monniken gaan in het voetspoor van hen die in voorbije tijden door God werden geroepen tot de geestelijke strijd in de woestijn. Omdat hun vaderland in de hemel is, houden zij zich verre van een wereldse wijze van handelen. In eenzaamheid en stilte reikhalzen zij naar die innerlijke rust waarin de wijsheid kan ontluiken. Zij verloochenen zichzelf om Christus te volgen. Met de wapens van de nederigheid en de gehoorzaamheid gaan zij de strijd aan met hun hoogmoed en zondige opstandigheid. In eenvoud en arbeid zoeken zij deel te krijgen aan de zaligspreking van de armen. In hartelijke gastvrijheid breken zij met hun medepelgrims het brood van vrede en hoop dat zij rijkelijk van Christus ontvangen.
RB Pr. 40; RB 4, 20; C. 29, 1; C. 24; RB 4, 10; C. 11; C. 27; C. 26; C. 30
4. Het klooster weerspiegelt het mysterie van de Kerk. Niets wordt er gesteld boven de lof van de heerlijkheid van de Vader. Alles stelt men in het werk om het geheel van het samenleven af te stemmen op de hoogste evangelische wet, zodat de communiteit ten volle kan inspelen op elke genadegave. De monniken leggen zich er op toe mee te leven met het hele Godsvolk en zich aan te sluiten bij zijn actief verlangen naar de eenheid onder alle christenen. Want door de trouw aan hun monastieke levenswijze en door de verborgen apostolische vruchtbaarheid die hun eigen is, dienen zij het volk van God en de hele mensheid.Iedere kerk van de Orde en iedere monnik is toegewijd aan de heilige Maagd Maria, Moeder en Beeld van de Kerk, in haar geloof, haar liefde en haar volkomen eenheid met Christus.
RB 43, 3; PC 2,a; PC 2, c.d; c 674; !!C. 31; !!C. 22; LG 63
5. Heel de ordening van het klooster is erop gericht de monniken innig met Christus te verenigen, want alleen als de monnik met heel de drang van zijn hart op de Heer Jezus betrokken is, kunnen de eigen gaven van de cisterciënzer-roeping in hem tot bloei komen. Alleen dan zullen de broeders gelukkig volharden in een eenvoudig, verborgen en arbeidzaam leven als zij volstrekt niets stellen boven Christus, die hen allen samen geleide tot het eeuwig leven.
RB 4,21; RB 5,2; RB 72,11-12
C. 4 De eigen aard van de Orde
1. De communiteiten van de Orde, over heel de wereld verspreid, blijven door een band van liefde hecht met elkaar verenigd. Deze saamhorigheid stelt hen in staat elkaar te helpen tot een rijker inzicht te komen in het gemeenschappelijk erfgoed en dit metterdaad gestalte te geven. In moeilijkheden kunnen zij elkaar ook bemoedigen en steunen.
C, 71–72; CC Pr. 3
2. Deze communio krijgt haar juridische vorm in het bestuur van de Orde volgens de Carta Caritatis, geïnterpreteerd naar de normen van deze Constituties. Abten en abdissen, vergaderd in twee Kapittels, dragen samen zorg voor alle communiteiten van de Orde, zowel voor het geestelijke als voor het tijdelijke. Van deze pastorale zorg zijn filiatie, visitatie en Generaal Kapittel, vanuit de traditie, de geëigende structuren. Daarnaast groeiden er nieuwe organen van dialoog, samenwerking en onderling dienstbetoon, die de communio van de hele Orde bevorderen en de opzet van de stichters daadwerkelijk aanpassen aan de eigentijdse omstandigheden.
C. 71; C. 73 –79; CC; C. 80-81
3. Eén liefde, één Regel en een gelijke levenswijze kenmerken volgens de Carta Caritatis de cisterciënzers van de Stricte Observantie. Het komt iedere communiteit toe, in dialoog met andere, vanuit de eigen situatie wegen te banen om het erfgoed van de Orde op een levensvatbare wijze gestalte te geven in de eigen cultuur, maar altijd binnen de normen van het Generaal Kapittel.
CC 3
DEEL TWEE HET HUIS VAN GOD, HET KLOOSTER
C. 5 De plaatselijke communiteit
Samengeroepen door de stem van God, vormen de broeders een monastieke kerk of communiteit. Zij is de basiscel van de Orde.
RB Pr. 19
ST 5.A
a.Volgens de traditie is de communiteit een rechtens zelfstandige abdij. Om als zodanig erkend te worden moet zij de voorwaarden vervullen zoals die bepaald zijn in het Statuut van de Stichtingen (n° 15), op zulk een wijze dat het monastieke leven ten volle kan worden beleefd volgens de Regel van Sint-Benedictus, de cisterciënzertraditie en deze Constituties;
b.Indien deze voorwaarden niet zijn vervuld, maar de communiteit beantwoordt, om rechtens zelfstandig te zijn, aan de criteria bepaald in het Statuut van de Stichtingen (n°15), dan is zij, naargelang het geval, priorij major of priorij simplex. De priorij simplex behoudt wat personen en tijdelijke goederen betreft het recht op hulp van het huis dat de stichting ondernam;
c.Een stichting maakt deel uit van het huis dat de stichting onderneemt en is niet rechtens zelfstandig. Haar overste blijft de overste van het stichtend huis. De voorwaarden om rechtens zelfstandig te worden, als ook de overgang van priorij simplex tot de rang van priorij major of van priorij major tot de rang van abdij zijn bepaald in het Statuut van de Stichtingen (cf. n° 15).
ST 5.B
Tenzij anders wordt bepaald, geldt wat hieronder over de plaatselijke communiteit wordt gezegd, met gelijk recht voor een abdij, een priorij major, een priorij simplex en een stichting.
C. 6 Samenstelling van de communiteit
De cisterciënzercommuniteit bestaat uit broeders die er professie hebben afgelegd, novicen en anderen die er om reden van een proeftijd zijn opgenomen en oblaten.
ST 6.A
Bij bovengenoemde geprofesten behoren ook de lekebroeders die vóór het Decreet van Eenmaking van 1965 geloften aflegden; in alle opzichten zijn zij gelijk aan de andere broeders, met behoud van de door hen verworven rechten.
ST 6.B
De oblaten nemen deel aan het leven van de communiteit volgens de normen van het Statuut van de Oblaten, uitgevaardigd door het Generaal Kapittel, en volgens de plaatselijke gebruiken.
ST 6.C
Broeders die uit andere kloosters van de Orde komen en voor langere tijd blijven, nemen deel aan het leven van de communiteit, behalve wat het conventueel kapittel betreft.
ST 6.D
Iedere communiteit kan voor de burgerlijke wet van haar land met bedachtzaamheid haar statuut en haar samenstelling bepalen.
Hoofdstuk 1 DE CISTERCIËNZERLEVENSWIJZE
C. 7 De reguliere observantie
De levenswijze in de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie is een leven van algehele toewijding aan God. Haar eigen vorm is broederlijke eenheid, eenzaamheid en stilte, gebed en werk en een bepaalde levensdiscipline. Zo is zij in een verborgen apostolische vruchtbaarheid groeikracht binnen het Mystiek Lichaam van Christus.
PC 7
C. 8 De monnikswijding
Door de monastieke professie (cf. can. 654 CIC) wordt de broeder aan God toegewijd en gaat hij deel uitmaken van de monastieke communiteit die hem opneemt. Tegelijk wordt de toewijding, die hij bij zijn Doopsel en Vormsel ontving, bekrachtigd en vernieuwd. De broeder verbindt zich tot waarachtige bekering in trouwe stabiliteit en blije gehoorzaamheid tot de dood.
PC 1; PC 5; c 607,1; c 654; RB 58, 17-18
C. 9 Stabiliteit in het klooster
Door de gelofte van stabiliteit in zijn gemeenschap verbindt de broeder zich om daar de werktuigen van het geestelijk ambacht met standvastigheid te hanteren. Hij vertrouwt op Gods Voorzienigheid die hem naar deze plaats geroepen en met deze broeders verbonden heeft.
C. 56.3; RB 58,17; RB 4,78
C. 10 Conversatio morum
Door de gelofte van monastiek levensgedrag (conversatio morum) verbindt de broeder zich tot de cisterciënzerlevenswijze: in eenvoud van hart zoekt hij God, onder geleide van het Evangelie. Niets behoudt hij voor zichzelf - hij die zelfs niet meer kan beschikken over zijn eigen lichaam - en hij verzaakt voortaan aan het vermogen nog goederen te verwerven of te bezitten. Omwille van het Rijk der hemelen belooft hij volkomen onthouding in het celibaat.
C. 56; RB 58,17; RB Pr. 21; RB 58,24; c 600; c 668, 4–5; PC 13; PC 12; c 599
C. 11 Gehoorzaamheid
Door de gelofte van gehoorzaamheid belooft de broeder die leven wil onder een regel en een abt, alles te volbrengen wat zijn wettige oversten hem volgens deze Constituties opdragen. In dit verzaken aan de eigenwil volgt hij het voorbeeld van Christus na, die gehoorzaam was tot de dood en treedt hij de leerschool binnen van de dienst des Heren.
C. 56; RB 5,1–19; RB 58,17; c 601; PC 14; RB 1,2; RB 7, 31–34; RB Pr. 45
C. 12 Het monastieke kleed
De witte kovel is het karakteristieke cisterciënzerkleed. Gegeven op de dag van de plechtige professie is hij het symbool van de toewijding van de monnik en teken van eenheid in heel de Orde.
PC 17, c 669,1; RB 55; RB 58,26
ST 12.A
De kleding, die volgens de traditie verder nog bestaat uit een wit habijt, zwart scapulier en leren gordel, kan plaatselijk worden aangepast.
ST 12.B
Tijdelijk geprofesten en novicen dragen een mantel in plaats van de kovel. Het scapulier van de novicen echter is wit.
C. 13 Het cenobitisch leven
1. De monnik leeft in gemeenschap in zijn eigen klooster. Hierin bestaat de wet van het leven in gemeenschap: eenheid van geest in de liefde Gods, een band van vrede tussen alle broeders in onderlinge en volhardende liefde, communio in het delen van alle goederen.
RB 72,3–8; PC 15; c 602; C.3
ST 13.1.A
De gemeenschappelijke maaltijd is teken van eensgezindheid onder de broeders en versterkt haar. Daarom zullen allen samen aan tafel gaan, tenzij men om een goede reden verhinderd is.
RB 43,13-17
ST 13.1.B
Als er cellen zijn, wordt het gebruik ervan - volgens plaatselijke gewoonte - geregeld door de abt. In dit geval zullen ze zo zijn dat ze de lectio en het gebed van de broeders bevorderen en de eigen waarde van de persoon eerbiedigen; aan het gemeenschapsleven mogen ze echter geen afbreuk doen en hun inrichting zal bescheiden blijven en getuigen van de cisterciënzer-eenvoud. De abt heeft toegang tot de cellen.
2. Met het grootste geduld zullen de broeders elkaars zwakhe-den verdragen en in deemoed zal de een de ander dienen. Door gebed en andere passen-de middelen ondersteunen zij zwakke, wankele en zieke broeders. Met liefdevolle toewijding omringen zij zieken, bejaarden en stervenden.
RB 72,4–5; RB 27, 4; RB 37 ST 13.2.A
Met de grootste zorg zal de abt erover waken dat zieken en bejaarden met ijver en liefde worden gediend, als gold het Christus zelf. Zo mogelijk wordt de ziekenzalving toegediend te midden van de broeders.
RB 36,1
3. De monnik kan het klooster niet verlaten zonder verlof van de abt. Gaat het echter om een langere afwezigheid uit het klooster, dan kan de abt dit toestaan met toestemming van zijn raad en om een gegronde reden, maar niet langer dan één jaar, tenzij om redenen van gezondheid of studie en, in uitzonderlijke gevallen, om een kluizenaarsleven te leiden.
RB 58,15; RB 66,7; RB 67,7; C.29,2; c 665,1 ; c 667 ST 13.3.A
Na zijn raad gehoord te hebben, kan de abt een broeder toestemming verlenen een kluizenaarsleven te leiden. De kluizenaar blijft onder het gezag van de abt. Als de kluizenaar niet op het terrein van het klooster verblijft, is de toestemming van de raad nodig en eveneens van de Ordinaris van de plaats, waar hij zal verblijven.
RB 1,3–5; ST 38. C.d
C. 14 Eenheid en verscheidenheid in de communiteit
1. De communiteit vormt één lichaam in Christus. Maar aan ieder afzonderlijk worden geestelijke gaven verleend naar Gods veelsoortige genade. Door deze gaven met elkaar te delen, werken de broeders in hoge mate mee aan de opbouw van de gemeenschap.
C.3; RB 40, 1; c 208
2. Tot het wezen van de cisterciënzerlevenswijze behoort het evenwicht tussen Werk Gods, gebed, lectio divina en handenarbeid. Dit wordt gerealiseerd naar ieders aard, vorming en leeftijd. De abt zal dus alles met onderscheiding en met mate zo regelen dat elke broeder kan groeien in de cisterciënzerroeping.
RB 48,1; RB 2,32
C. 15 De verzoening met God en met de broeders
1. Het behoud van eenheid onder de broeders is afhankelijk van een wederzijds oprecht streven naar verzoening. Om de doornen van tweedracht uit de communiteit te verwijderen, blijve men niet met zijn misnoegdheid bezig maar verzoene men zich zo spoedig mogelijk met wie men onenigheid heeft.
RB 13,12–13; RB 4,22–23; RB 4,73; RB 71,6-8
ST 15.1.A
In de geest van het evangelie bewijzen de broeders elkaar de dienst van nederige en bescheiden terechtwijzing. De vormen die daartoe het meest geschikt zijn, kan de communiteit zelf bepalen.
Mt 18, 15 - 17
2. Dagelijks zullen de broeders hun zonden in gebed aan God belijden en veelvuldig het sacrament der verzoening ontvangen.
RB 4,57; c 630, 2; c 664
ST 15.2.A
Bij gelegenheid kan de abt zorgen voor een gemeenschappelijke boeteviering.
C. 16 De actieve deelname van de broeders
1. De broeders hebben zowel het recht als de plicht ten volle deel te nemen aan het gemeenschapsleven; uiteraard zal deze deelname zich op verschillende wijzen uiten.
RB 3,1–3; c 633,1-2
2. Alle broeders zijn immers geroepen tot onderlinge bezorgdheid, samenwerking en gehoorzaamheid. De geestelijke diepgang van de communiteit zal hun dus ter harte gaan, in het besef dat de goede ijver van één allen ten goede komt, terwijl de slechte ijver - vrucht van verbittering - allen schaadt.
RB 71,1–4; c 602
3. De abt leidt de broeders in eerbied voor de menselijke persoon, die geschapen is naar het beeld van God. Hun vrijwillige gehoorzaamheid bevordert hij en met onderscheid moedigt hij hun praktische en verstandelijke gaven aan. Zo zal hij zijn broeders, bij het aanvaarden van opdrachten en het nemen van initiatieven, tot samenwerking brengen in actieve en verantwoordelijke gehoorzaamheid, zonder nochtans afbreuk te doen aan zijn bevoegdheid om te beslissen en voor te schrijven wat er moet gebeuren.
c 618; RB 64,7–15; PC 14; RB 3,2
4. Abt en verantwoordelijken zullen de broeders op de hoogte houden van alles wat iedereen aanbelangt. Voor hun wensen en suggesties staan zij graag open.
RB 3,1–3; c 633,1-2
C. 17 Het liturgisch leven
1. Heel bijzonder licht de geestelijke gerichtheid van de communiteit op in het vieren van de liturgie. De diepste zin van de monastieke roeping en de communio onder de broeders ontvangen daar hun vitaliteit. Gods Woord wordt er iedere dag beluisterd, een offer van lof wordt aan God de Vader opgedragen, men neemt deel aan het mysterie van Christus en door de Heilige Geest wordt het werk van heiliging voltrokken.
SC 2
ST 17.1.A
De liturgie wordt gevierd volgens de ritus waartoe de communiteit behoort. Volgens de eigen geest van elke ritus gebeurt dit in overeenstemming met de cisterciënzertraditie, naar de normen door het Generaal Kapittel goedgekeurd en, waar nodig, door de Heilige Stoel bekrachtigd.
CC 3
2. De wisselende tijden van de liturgische jaarkring zijn van groot belang om het contemplatief leven van de broeders te voeden en te verrijken. Zij bieden een zeer stevig fundament voor de verkondiging en voor de vorming van de communiteit.
SC 102-105
3. De zondag, gewijd aan het mysterie van de Verrijzenis, is een dag van vreugde; men is dan vrij van arbeid. De broeders zorgen ervoor op een bijzondere en intensere wijze samen Eucharistie te vieren en ruimer tijd te besteden aan lectio divina en gebed.
SC 106; RB 48,22
C. 18 De viering van de Eucharistie
De Eucharistie is bron en hoogtepunt van heel het christelijk bestaan en van de communio in Christus onder de broeders. Daarom wordt zij dagelijks door heel de communiteit gevierd. Want door de deelname aan het paasmysterie van de Heer worden de broeders hechter met elkaar en met heel de Kerk verbonden.
SC 10; PC 6; c 663,2; SC 48
C. 19 Het Werk Gods
1. Niets mag boven het Werk Gods gesteld worden. In de viering van het getijdengebed vervult de communiteit, in eenheid met de Kerk, de priesterlijke dienst van Christus: een offer van lof aan God en voorspraak voor het heil van heel de wereld.
RB 43,3; SC 83-85; c 663,3; c 1173
ST 19.1.A
Als heiliging van de dag wordt het Werk Gods gevierd op de uren die door de cisterciënzertraditie of door het plaatselijk gebruik zijn vastgesteld.
RB 16,1–5; SC 88; c 1175
2. De liturgie der getijden is een leerschool in het ononderbroken gebed en een uitnemend bestanddeel van de monastieke levenswijze. Het is de taak van de abt de ijver voor het Werk Gods bij de broeders te bevorderen.
c 619
ST 19.2.A
De stijl van de viering zal het stempel dragen van de (plaatselijke) communiteit en zo de broeders uitnodigen tot volledige deelname.
SC 19
ST 19.2.B
In bijzondere gevallen kan de abt regelen in welke mate een bepaalde monnik deelneemt aan de liturgie der getijden in het koor, maar niet zonder zorgvuldig overleg met de broeder zelf en rekening houdend met de noden van de communiteit.
C.14.2
ST 19.2.C
In uitzonderlijke gevallen kan Vader Generaal met toestemming van zijn raad een communiteit dispenseren van één of twee Kleine Uren.
ST 84.1. C.f
3. Een broeder die niet aanwezig is bij het koorgebed, moet de getijden voor zichzelf bidden volgens de aanwijzing van de abt en de normen van het algemeen recht.
RB 50,3–4; SC 95, c 1174
C. 20 Memoria Dei
In een ononderbroken memoria Dei dragen de broeders het Werk Gods mee, de hele dag door. De abt zal er dan ook over waken dat ieder ruimschoots de tijd heeft om zich te wijden aan lectio en gebed. Allen zorgen voor een sfeer van stilte en rust in en om het klooster.
RB 4,56; RB 7,10– 11; c 663,1
ST 20.A
Elk jaar houden alle broeders minstens zes dagen retraite.
c 663, 5
C. 21 Lectio divina
Een trouwe toeleg op lectio divina voedt ten zeerste het geloof van de broeders in God. Deze uitnemende monastieke praktijk, waarin het Woord Gods wordt beluisterd en herkauwd, is bron van gebed en leerschool in de beschouwing. De monnik spreekt er van hart tot hart met zijn God. De broeders zullen dan ook elke dag de nodige tijd besteden aan deze lectio.
RB 4,55; RB 48, 1; DV 25; PC 6; c 663,3
ST 21.A
Lectio divina die gezamenlijk gebeurt, wordt door de traditie bijzonder gewaardeerd; deze praktijk wordt vooral in de veertigdagentijd aanbevolen.
C. 22 Intentio cordis
Met een vermorzeld hart en een intens verlangen zal de monnik zich vaak aan het gebed wijden. Hoewel hij op de aarde is geplaatst, is hij innerlijk gericht op het hemelse en verlangt hij met heel het hunkeren van de Geest naar het eeuwig leven. De heilige Maagd Maria, ten-hemel-opgenomen, leven, vreugde en hoop voor alle pelgrims op aarde, wijkt nooit uit zijn hart.
RB 20,3; RB 52,4; RB 4,56; RB 4, 46; C. 3,4
ST 22.A
De beschikbare tijd voor de dagelijkse lectio en het dagelijks stil gebed van de broeders moet de nodige aandacht krijgen van de abt.
C. 23 De Nachtwake
Volgens de traditie van de Orde zijn de uren vóór zonsopgang bijzonder geschikt om aan God te worden toegewijd in een waakzaam verbeiden van de komst van Christus. Dit verbeiden krijgt gestalte in de viering van de Nachtwake, het stil gebed en de meditatie.
RB 8; IGLH 72
ST 23.A
Het uur van opstaan wordt zo geregeld dat de Nachtwake het karakter van nachtelijk gebed behoudt.
RB 16,4–5; SC 89 c
C. 24 Zwijgzaamheid
De zwijgzaamheid wordt gerekend tot de voorname monastieke waarden van de Orde. Zij beveiligt de eenzaamheid van de monnik in de communiteit. Zij bevordert de memoria Dei en de communio onder de broeders, opent het hart voor de ingevingen van de Heilige Geest en leidt naar de intentio cordis en het eenzaam gebed voor Gods aanschijn. Omdat de stilte hoedster is én van het spreken én van de gedachten, zullen de broeders er zich te allen tijde, maar vooral gedurende de nacht, op toeleggen.
RB 6; RB 7,56– 61; PC 7; RB 42
ST 24.A
Volgens de traditie van de Orde wordt het stilzwijgen vooral in acht genomen in de reguliere plaatsen: de kerk, de panden, de refter en het scriptorium. Recreatie is in de communiteiten van de Orde niet gebruikelijk.
ST 24.B
Andere normen om met elkaar te spreken, vooral in het kapittel en in de cellen, worden door iedere communiteit opgesteld en tijdens de reguliere visitatie getoetst.
C. 25 Monastieke ascese
De innerlijke rust die in de stilte gedijt, is ook een vrucht van zuiverheid en eenvoud van hart. Daarom zal de monnik in een geest van blijde boetvaardigheid graag de middelen aanwenden die hiertoe binnen de Orde gebruikelijk zijn: arbeid, verborgen leven en vrijwillige armoede, nachtwaken en vasten.
PC 7; C. 2
C. 26 De arbeid
Arbeid, vooral handenarbeid, biedt de monniken gelegenheid tot deelname aan het goddelijk werk van schepping en verlossing en stelt hen in staat in de voetstappen van Christus Jezus te treden. Daarom geniet de arbeid binnen de cisterciënzer-traditie steeds een bijzonder achting. Door dit hard en heilzaam werken voorzien de monniken in hun eigen levensonderhoud en in dat van anderen, vooral van armen. Het is ook een teken van solidariteit met allen die werken om den brode. Daarenboven biedt de arbeid gelegenheid tot vruchtbare ascese, begunstigt de ontwikkeling en de rijping van de persoon en bevordert de gezondheid naar lichaam en geest. Tenslotte draagt hij niet weinig bij tot de saamhorigheid van heel de communiteit.
RB 48; EP 15,8
ST 26.A
De duur van het werk wordt bepaald door de eisen van het monastiek leven en de plaatselijke noden. De broeders zullen minstens vier uur en normaal niet meer dan zes uur per dag werken.
C. 27 Eenvoud
De Vaders van Cîteaux zochten in alle eenvoud om te gaan met de eenvoudige God. Naar hun voorbeeld zal de levensstijl van de broeders eenvou-dig zijn en sober. Alles in het huis van God zal in dienst van die levenswijze, zonder enige overdaad, worden ingericht zodat de eenvoud zelf voor allen een leerschool is. Deze eenvoud zal duidelijk uitkomen in de behuizing en het huisraad, in voeding en kleding, alsook in de viering van de liturgie.
RB 55,11; EP 15; c 634
ST 27.A
Het klooster dient een bekoorlijke eenvoud uit te stralen. De broeders dragen er zorg voor de omgeving goed te onderhouden en de rijkdommen van de natuur verantwoord te beheren.
C. 28 Het vasten Het monastieke vasten is uitdrukking van de nederigheid van het schepsel tegenover God. Het wekt in het hart van de monnik het verlangen dat uit de Geest is en laat hem tevens deelnemen aan Christus' medelijden voor de hongerige menigte. De broeders onderhouden de veertigdaagse vasten en de paasvasten, maar ook de andere vastentijden, overeenkomstig de gebruiken van de Orde en de beschikkingen van de abt.
RB 4,13; RB 49; c 1249-1253
ST 28.A
Op Aswoensdag en Goede Vrijdag stellen de broeders zich bij het middagmaal tevreden met water en brood of iets gelijkaardigs.
ST 28.B
Volgens de traditie onthouden de broeders zich te allen tijde van het eten van vlees, gevallen van noodzaak uitgezonderd.
RB 39,11
ST 28.C
Als een broeder, door Gods genade gedreven, zich intenser op het vasten wil toeleggen, zal hij dat voorleggen aan zijn abt.
RB 49,8–10
C. 29 De afzondering van de wereld
1. Wie niets boven de liefde van Christus stellen, houden zich verre van een wereldse wijze van handelen. Dat vereist volgens de monastieke traditie een zekere mate van fysieke afzondering. Daarom moet het klooster zo worden gebouwd dat het de rust en de eenzaamheid van de bewoners veilig stelt.
RB 4,21; RB 4,20; EP 15; EP 17, 4; c 607,3; c 667,1–3; RB 66,6-7
2. De gebouwen waar de monniken leven en werken, blijven uitsluitend aan hen voorbehouden. Wel is de kerk toegankelijk voor de gelovigen, vooral bij de openbare viering van de goddelijke eredienst. Het komt de abt toe, met toestemming van zijn raad, het terrein af te bakenen dat tot het strikte slot behoort. Ook komt het hem toe, om een gegronde reden buitenstaanders daar binnen te laten en monniken buiten te laten gaan. Bij het gebruik van sociale communicatiemedia, d.w.z. radio, televisie en telefoon, gaat men met het nodige onderscheid te werk en het gebruik kan alleen dan worden toegestaan als zorgvuldig de eigen aard van het contemplatieve leven wordt veilig gesteld. In de discipline van de afzondering van de wereld krijgen de monniken een gedegen vorming. De verantwoordelijkheid voor de toepassing van deze principes berust niet bij de abt alleen, maar bij alle broeders.
c 667, 1; ST 38.B.c; C. 13.3; c 666
C. 30 De gastvrijheid
Afhankelijk van omstandigheden van plaats en tijd zal elk klooster de traditie levend houden om gasten en behoeftigen als Christus te ontvangen. Met eerbied en hartelijkheid onthalen de broeders hen die door Gods Voorzienigheid naar het klooster worden geleid, zonder dat deze dienst inbreuk maakt op de monastieke sfeer.
RB 53; EP 15,9
ST 30.A
Gasten die in het klooster hun gebedsleven zoeken te verdiepen, mogen rekenen op de hulp van de communiteit.
ST 30.B
Volgens Gods plan zijn de kloosters heilige plaatsen, niet alleen voor geloofsgenoten maar voor alle mensen van goede wil.
LG 46; RB 4,8
ST 30.C
De communiteit zelf kan regelen op welke wijze de gasten deelnemen aan het Werk Gods.
ST 30.D
Familieleden van de broeders worden met alle hartelijkheid ontvangen, maar wel op een wijze die past bij de monastieke roeping.
C. 31 Het apostolaat van de monniken
De trouw aan het monastiek leven is ten nauwste verbonden met de ijver voor het Rijk Gods en het heil van heel de mensheid. De monniken dragen deze apostolische zorg in het hart. Juist door hun contemplatief leven zelf delen zij in de zending van Christus en van zijn Kerk en zijn zij ingevoegd in de plaatselijke kerk. Daarom kunnen zij niet opgeroepen worden om in de verschillende pastorale diensten en in andere werkzaamheden buiten het klooster hulp te bieden, hoezeer de nood aan actief apostolaat ook dringt.
PC 7; AG 18; c 204,1; c 209; c 674
ST 31.A
Indien in bijzondere gevallen pastorale hulp van het klooster wordt gevraagd, vertrouwt de abt, als hij meent op de vraag te moeten ingaan, deze dienst toe aan een broeder met de nodige bekwaamheid en die hiertoe bereid is.
C. 32 De band met de hiërarchie van de Kerk
De monniken houden een liefdeband levend met de plaatselijke kerk waartoe ze behoren en met haar bisschop, die ze toegewijde volgzaamheid en eerbied betonen. Ze gehoorzamen nederig de Paus, de Plaatsbekleder van Christus, als hun Opperherder, ook op grond van hun gelofte van gehoorzaamheid.
c 590
HOOFDSTUK 2
DE DIENST VAN HET GEZAG
C. 33 Het ambt van abt
RB 2; RB 64
1
De abt, uit de broeders gekozen, ontvangt zijn macht van God door de bediening van de Kerk: hij wordt beschouwd als de vertegenwoordiger van Christus in het klooster. Hij dient de hele gemeenschap als een vader, zowel in geestelijk als in tijdelijk opzicht (cf. can. 596 § 1 en 618 CIC).
RB 2,2; RB 63,13; PC 14
2. Als een herder hoedt de abt met zorg de hem toevertrouwde kudde. Voor allen is hij beeld van de goedheid en mensenliefde van Christus, erop bedacht eerder bemind dan gevreesd te worden. Hij zal zich dienstbaar maken aan ieders geaardheid en de broeders bemoedigen met een ruim en blij hart de weg te gaan van de roeping die God hun schonk. Nooit houdt hij op voor ieder van de broeders tot God te bidden.
RB 27,5-9; RB 64,15; RB 28,4
3. Als leraar in de school van Christus waakt de abt over de trouw van zijn leerlingen aan de monastieke traditie. Hij sterkt hen met het brood van Gods Woord en met zijn eigen voorbeeld. Hij mag niet nalaten zich te voeden met de H. Schrift en met de wijsheid van de Vaders. Voor alle monniken zal hij gemakkelijk toegankelijk zijn voor een gesprek.
RB 2,11-13; c 619;
C. 3.2
ST 33.3.A
Op vaste dagen geeft de abt een conferentie aan de communiteit, waarbij hij vaak de Regel van Sint-Benedictus verklaart.
C. 45.2; ST 58.A
ST 33.3.B
De broeders zullen met vertrouwen naar hun abt gaan, bij wie ze vrij en spontaan de gedachten die in het hart opkomen, kunnen uitspreken. Hijzelf mag echter op geen enkele wijze druk uitoefenen om hun geweten voor hem te openen.
c 630,5; RB 7,44; PC 14
4. Als een wijs geneesheer zal de abt proberen eigen en andermans wonden te helen en in Christus' naam hen die door de zonde zijn gekwetst te genezen. Met uiterste zorg zal hij waken en al zijn scherpzinnigheid en ijver aanwenden opdat niemand van de broeders die hem zijn toevertrouwd, verloren gaat. Waar nodig roept hij de hulp in van ouderen, broeders met geestelijke ervaring. Maar bovenal zal hij zijn toevlucht nemen tot aller gebed om de zwakheden van de broeders te genezen.
RB 27; RB 28
C. 34 Het bestuur van de abt
1 De abt is een hogere overste met kerkelijke bestuursmacht, zowel voor het uitwendig als voor het inwendig rechtsbereik.
c 620
ST 34.1.A
De overste van een klooster dat nog deel uitmaakt van het huis dat de stichting onderneemt, heeft gedelegeerde macht die hij echter zelf kan subdelegeren.
c 137
ST 34.1.B
De superior ad nutum, van wie sprake is in ST 39.2.B, bezit gewone bestuursmacht eigen aan die van een hogere overste van een rechtens zelfstandige communiteit.
ST 34.1.C
In een uitzonderlijke situatie kan de Pater Immediatus aan een superior ad nutum vragen de uitoefening van zijn recht van paterniteit te delegeren. 2Wat over de abt wordt bepaald, geldt met gelijk recht voor de prior van een priorij en voor een superior ad nutum, tenzij uitdrukkelijk anders wordt voorzien.
ST 5.A.b-c
C. 35 De broeders in een bediening
Voor de verschillende bedieningen in het klooster kiest de abt zich bekwame medewerkers. Met de raad van godvrezende broeders benoemt hij een prior, een novicenmeester, een cellerier en de overige verantwoordelijken, aan wie hij veilig een deel van zijn last kan toevertrouwen. De aldus gekozen broeders zullen hun dienst lofwaardig en blijmoedig vervullen volgens Gods geboden en de voorschriften van de abt. Zo zal niemand in het huis van God zijn gemoedsrust verliezen of gegriefd worden.
RB 65,15-16; RB 31,19
C. 36 Het betrekken van de broeders in het beraad
RB 3
1
Zoals de Regel maant, raadpleegt de abt graag de broeders voor zaken die het welzijn van de communiteit betreffen; hij kan dit doen zowel in het conventueel kapittel als in een bijzondere eigen raad. Aandachtig voor de stem van de Heilige Geest gaan de broeders naar het beraad en zij geven nederig hun mening te kennen vanuit een oprechte betrokkenheid. Tenzij de wet het anders bepaalt, neemt de abt de uiteindelijke beslissing, nadat hij met zorg naar de broeders heeft geluisterd. Over vertrouwelijke zaken bewaren allen strikte geheimhouding.
C.16.1; PC 14; c 127; c 627,1; C.16.3; c 127,3
2
Geheime stemming is vereist bij alle verkiezingen, in andere gevallen door het recht bepaald en als iemand onder de aanwezigen het vraagt. Ongeldige stemmen en onthoudingen worden niet meegeteld. Wanneer, om een rechtshandeling te stellen, de toestemming van de raad van de abt of van het conventueel kapittel wordt vereist, kan de abt geldig handelen als hij toestemming heeft verkregen met absolute meerderheid of met twee derde van de stemmen, naargelang de zaak waarover het gaat. Is de toestemming verkregen, dan kan de abt tot de uitvoering overgaan maar hij is er niet toe verplicht. Wordt de toestemming niet verkregen, dan kan hij niet geldig handelen. Ook wanneer is voorgeschreven dat de abt zijn raad of het conventueel kapittel moet raadplegen, is dit vereist voor de geldigheid van de rechtshandeling.
c 127; c 627
ST 36.2.A
Er wordt niet gestemd vooraleer de zaak waarover het gaat helder is uiteengezet en een tussentijd is gelaten voor overdenking en gebed.
ST 36.2.B
Als er toestemming is vereist, telt de abt na de stemming, met twee getuigen de stemmen en maakt het resultaat bekend. Deze uitslag wordt opgetekend in het boek met de akten van het kapittel of van de raad, ondertekend door de abt zelf en twee getuigen.
c 173,2; c 173,4
3. Wanneer hij advies of toestemming vraagt, kan de overste zelf meestemmen, maar hij is er niet toe verplicht. Afwezigen kunnen niet stemmen per brief, noch iemand afvaardigen om in hun plaats te stemmen. Geëxclaustreerden hebben actief noch passief stemrecht.
c 167,1; C.62.2
ST 36.3.A
Een broeder die afwezig is uit zijn klooster in dienst van de Orde of, om reden van gezondheid, studie of, volgens C. 13.3, omwille van het kluizenaarsleven, behoudt als lid van het conventueel kapittel actief en passief stemrecht. Verstandig, oordeelkundig en met verantwoordelijkheidszin zal hij zelf beslissen al of niet van dit recht gebruik te maken.
ST 36.3.B
Met behoud van ST 36.3.A verliest een broeder zijn actief stemrecht als hij - zelfs legitiem - langer dan zes maanden uit zijn klooster afwezig was.
a. Als deze afwezige broeder definitief naar zijn communiteit wil terugkeren, kan de abt, met toestemming van zijn raad en rekening houdend met de duur van de afwezigheid, bepalen dat hij eerst een passende tijd in de communiteit verblijft voordat hij weer gebruik kan maken van zijn stemrecht.
b. Wie een verkiezing voorzit, kan na raadpleging van het conventueel kapittel aan een broeder die habitueel in het klooster verblijft, het gebruik van zijn stemrecht teruggeven, dat hij door afwezigheid verloor.
C. 37 Het conventueel kapittel
De plechtig geprofesten, die in de communiteit stabiliteit hebben, vormen samen met de overste het conventueel kapittel. Allen hebben actief en passief stemrecht in beslissingen en akten, tenzij in de Constituties anders is voorzien.
ST 37.A
De abt heeft toestemming van het conventueel kapittel nodig met twee derde van de stemmen om: c 127
a. een monnik van de Orde tot stabiliteit in de communiteit toe te laten, behalve de uitzondering zoals voorzien in C. 60;
b. het plan tot een nieuwe stichting ten uitvoer te brengen;
c. een stichting te verheffen tot een rechtens zelfstandig klooster.
ST 37.A bis
De titulaire prior heeft ook toestemming van het conventueel kapittel nodig met twee derde van de stemmen om het proces te beginnen van overgang van zijn priorij tot een hogere rang.
ST 37.B
De abt heeft toestemming van het conventueel kapittel nodig met absolute meerderheid om:
a. een novice toe te laten tot de tijdelijke professie;
C.51; c 656
a. bis een tijdelijk geprofeste broeder afkomstig van een andere communiteit toe te laten zijn tijdelijke geloften te hernieuwen;
ST 60.A
b. een broeder toe te laten tot de plechtige professie;
C.54; c 658
c. te kunnen handelen in zaken van beheer waarover in C.44;
c 638,3
d. verandering van filiatie te kunnen toestaan (cf. ST 73.B);
ST 73.B; ST 79.A.e
e. een broeder met minstens drie jaar tijdelijke professie te kunnen toestaan, deel te nemen aan een verkiezing in een priorij simplex;
ST 39.2.A
f. het plan op te vatten een nieuwe stichting te ondernemen. g. de paterniteit van een klooster van monialen te aanvaarden (cf. ST 73.A monialen).
ST 37.C
Om een onderzoek in te stellen naar de geschiktheid van de abt en deze te toetsen in omstandigheden voorzien door ST 40.B bis heeft de Pater Immediatus de toestemming van het conventueel kapittel nodig.
C. 38 De raad van de abt
Voor het bestuur van de communiteit wordt de abt bijgestaan door een raad, bestaande uit enkele leden van het conventueel kapittel.
c 127; c 627,3
ST 38.A
De raad van de abt telt minsten drie broeders, van wie tenminste één door het conventueel kapittel wordt gekozen.
ST 38.B
De abt heeft toestemming van zijn raad nodig met absolute meerderheid van stemmen om:
a. zonder verplichting tot herhaling van het noviciaat, een broeder aan te nemen die na afloop van het noviciaat of na zijn professie op wettige wijze is weggegaan; ook om wijze en duur vast te stellen van de nieuwe proeftijd;
c 690,1-2; C.66; ST 66.A
b. de tijdsduur te bepalen die, volgens ST 36.3.B.a, een broeder die terugkeert, in de communiteit moet doorbrengen voordat hij zijn stemrecht weer mag gebruiken;
c. een broeder verlof te geven buiten het klooster te verblijven in de gevallen voorzien in C. 13.3.
c.bis de grenzen te bepalen van het strikte slot;
C.29,2; c 667,1
d. Vader Generaal te vragen een broeder te verplichten - omwille van de vrede - voor een tijd naar een ander klooster te gaan volgens ST 60.B;
e. Vader Generaal te vragen dat de Heilige Stoel een monnik de exclaustratie oplegt.
c 686,3; ST 84.1. C.i
ST 38.C
De abt moet eerst advies inwinnen van de raad als het gaat om:
a. een postulant toe te laten tot het noviciaat;
ST 48.A; c 641
b. de overste te benoemen voor een nieuwe stichting;
c. monniken aan te duiden voor een nieuwe stichting;
d. een monnik toestemming te geven de roeping van kluizenaar te volgen;
ST 13.3.A
e. een tijdelijk geprofeste broeder te weigeren voor een volgende professie;
c 689,1; C.63.2
f. zich tot Vader Generaal te wenden om een indult aan te vragen ter dispensatie van plechtige geloften;
C.64
g. het proces te beginnen tot wegzending van een plechtig of tijdelijk geprofeste broeder.
C.65; c 697
ST 38.D
De abt handelt met zijn raad om een vaststelling van het feit uit te vaardigen zodat de wegzending van een monnik juridisch vaststaat volgens de norm van can. 694 § 2 CIC.
C.65
C. 39 De abtskeuze
1. In een dochterhuis zonder abt, draagt de Pater Immediatus de volledige verantwoordelijkheid.
CC 11,4a
2. De keuze tot abt geschiedt collegiaal door het conventueel kapittel samen met de oversten van de dochterhuizen. De Pater Immediatus, die de verkiezing rechtens voorzit, of zijn gedelegeerde, zal onder de broeders een geest van geloof en onderscheiding bevorderen zodat zij het huis van God een waardige bestuurder geven.
RB 64,1; C.74.2; RB 64,5; c 626
ST 39.2.A
Bij de eerste keuze die volgt op de verheffing van een stichting tot rechtens zelfstandig klooster en totdat de communiteit overgaat tot de rang van priorij major, kunnen de tijdelijk geprofesten meestemmen. Daarvoor is vereist dat zij minstens drie jaar geprofest zijn en het conventueel kapittel erin toestemt.
ST 37.B.e
ST 39.2.B
Indien het welzijn van de communiteit het vereist, kan de Pater Immediatus een keuze voor meer dan drie maanden opschorten en voorstellen dat de communiteit naar het bestuur van een superior ad nutum overgaat. Alvorens daartoe te beslissen, zal hij eerst het conventueel kapittel raadplegen en de toestemming van Vader Generaal verkrijgen. Alvorens de persoon van de superior ad nutum aan te duiden, raadpleegt hij opnieuw de broeders. Indien dit uitzonderlijk bestuur meer dan drie jaar duurt op het moment dat het Generaal Kapittel bijeenkomt, legt de Pater Immediatus de zaak voor ter beoordeling aan het Generaal Kapittel na vooraf de communiteit geraadpleegd te hebben.
ST 34.1.B; C.74.2
3. Om tot abt gekozen te kunnen worden moet men minstens zeven jaar plechtig geprofest zijn in de Orde.
c 623
ST 39.3.A
De kandidaat moet minstens vijfendertig jaar oud zijn.
ST 39.3.B
Elke broeder die in de Orde professie deed, kan tot abt gekozen worden, ook een abt van een dochterhuis als dat nodig mocht zijn, maar niet een abt van een ander klooster, noch een raadslid van Vader Generaal, die niet tot de communiteit behoort.
CC 11,5
4. De abt of prior van een priorij major wordt gekozen voor onbepaalde tijd. Toch kan hij ook voor een bepaalde tijd gekozen worden volgens de voorwaarden vastgesteld door het Generaal Kapittel. De prior van een priorij simplex wordt gekozen volgens de normen van het Statuut van de Stichtingen.
c 624,1
ST 39.4.A
Als twee derde van het conventueel kapittel het verlangt, kan dit kapittel een abt kiezen voor een bepaalde tijd van zes jaar. Zolang de communiteit niet is teruggekeerd tot de abbatiale bestuursvorm voor onbepaalde tijd, is bij volgende verkiezingen een absolute meerderheid voldoende voor het conventueel kapittel om een abt te kiezen voor een bepaalde tijd van zes jaar.
c 624,2; ST 84.1.D.a
ST 39.4.B
Vóór de verkiezing moet de voorzitter het conventueel kapittel vragen of het een abt wenst te kiezen voor een termijn van zes jaar.
ST 39.4.C
Een abt die voor bepaalde tijd is gekozen, kan altijd herkozen worden.
ST 39.4.D
De verkiezing moet worden gehouden ten vroegste vijftien dagen na het openvallen van het ambt en hoogstens drie maanden daarna, tenzij er een geldig beletsel aanwezig is. Waar een abt gekozen is voor een bepaalde tijd, heeft de verkiezing plaats meteen aan het einde van het mandaat.
c 153,2
5. Om gekozen te kunnen worden is absolute meerderheid van stemmen vereist, waarbij ongeldige stemmen en onthoudingen niet worden meegeteld. Als de meerderheid niet bereikt wordt na één of twee stembeurten, gaat men door met stemmen tot de meerderheid bereikt is. De voorzitter van de verkiezing kan, met toestemming van het conventueel kapittel, het aantal stembeurten beperken omwille van het welzijn van de communiteit. Om iemand te postuleren wordt minstens twee derde van de stemmen vereist.
c 119,1; c 181
6. De keuze moet worden bevestigd door Vader Generaal. Wordt iemand herkozen dan is een nieuwe bevestiging door Vader Generaal vereist. Als echter een monnik gekozen wordt die niet-priester is of diaken, wordt hij zo spoedig mogelijk priester gewijd. Maar Vader Generaal kan de keuze slechts bevestigen als hij er zeker van is, dat de gekozene de priesterwijding wil ontvangen en bovendien de kwaliteiten bezit, die het algemeen recht vereist voor het priesterschap.
c 179; C.82.2
ST 39.6.A
Als de bevestiging is verkregen, wordt de gekozene geïnstalleerd en ontvangt te gelegener tijd de abtszegening.
ST 39.6.B
De akten van de verkiezing worden zo spoedig mogelijk aan Vader Generaal overgemaakt.
ST 39.6.C
Bij verkiezing, installatie en abtszegening wordt het rituaal van de Orde gevolgd.
C. 40 Het aanbieden van ontslag uit het ambt Om een geldige reden kan de abt zijn ontslag uit het ambt aanbieden aan het Generaal Kapittel. Als het Generaal Kapittel niet bijeen is, biedt hij het Vader Generaal aan, die als Vicaris van het Kapittel handelt.
c 187-189; C.79
ST 40.A
Wanneer hij vijfenzeventig jaar geworden is, zal de abt uit eigen beweging zijn ontslag aanbieden.
c 184,1
ST 40.B
Heeft de abt zijn ontslag aangeboden, dan zal steeds het advies van de Pater Immediatus worden ingewonnen. Indien nodig wordt de mening van de communiteit zorgvuldig gepeild. Tevens is het passend dat de naburige oversten geraadpleegd worden.
ST 74.2.B
ST 40.B bis
Als een abt door ziekte of een andere oorzaak (zoals gevangenschap, deportatie of ballingschap, cf. can. 412 CIC) fysiek of psychisch niet in staat is zijn pastorale taak te vervullen, zal de Pater Immediatus een onderzoek instellen en dit verifiëren. Hij doet dit na toestemming van het conventueel kapittel en geadviseerd door deskundigen. Als de zaak vaststaat, stelt hij onmiddellijk Vader Generaal op de hoogte en deze kan, met toestemming van zijn raad, de abt van zijn ambt ontheffen.
ST 40.C
Een monnik die de communiteit van zijn professie heeft verlaten om een abbatiale taak op zich te nemen in een andere communiteit van de Orde, kan na zijn ontslag uit het ambt of het einde van zijn mandaat, binnen het jaar zijn eerste stabiliteit hernemen.
ST 83.1.B
HOOFDSTUK 3 HET BEHEER VAN DE TIJDELIJKE GOEDEREN
C. 41 De tijdelijke goederen van het klooster
1. De trouw aan de cisterciënzertradities verlangt dat de vaste inkomsten van de communiteit voornamelijk vrucht zijn van haar arbeid. Het is zowel het recht als de plicht van iedere broeder de communiteit te dienen door aan de arbeid deel te nemen naar de mate van zijn krachten en volgens het economisch bestel van het klooster
EP 15, RB 48,7-8
2. Bij de abt, als beheerder van het huis van God, berust de verantwoordelijkheid het bezit van het klooster en het gebruik van de tijdelijke goederen zo te regelen, dat enerzijds in de menselijke behoeften wordt voorzien en anderzijds de wet van het evangelie in acht wordt genomen. De communiteit zal trouw zijn aan de kerkelijke leer over de sociale rechtvaardigheid en zich, bij het zaken doen, verre houden van elk systeem van onderdrukking.
RB 2,35-36; c 1286,1-2
3. Volgens een eeuwenlange traditie zal naar vermogen een deel van de inkomsten van het klooster bestemd worden voor de noden van de Kerk en de ondersteuning van behoeftigen.
EP 15; c 222; c 640; RB 53,15; RB 55,9
C. 42 De rechtspositie
De Orde zelf en ieder rechtens zelfstandig klooster zijn rechtspersonen, bevoegd tot het verwerven, bezitten, beheren en vervreemden van tijdelijke goederen.
c 634,1; c 1255
C. 43 Het gewoon beheer
1. De abt benoemt een cellerier, die het gewoon beheer van het klooster in tijdelijke zaken op zich neemt. Gewoonlijk kan alleen hij, buiten de abt, geldig uitgaven doen en rechtshandelingen stellen in naam van het klooster. Maar de abt kan ook aan enkele andere broeders beheerszaken toevertrouwen. Hij zal de grenzen van hun bevoegdheid en ook van hun taak op financieel gebied precies vastleggen. Al deze verantwoordelijken leggen aan de abt rekenschap af.
RB 31; c 636,1; c 1280; c 638,2; c 636,2
ST 43.1.A
Het klooster houdt een boekhouding bij volgens de methode die gebruikelijk is in de streek. Op gezette tijden wordt de boekhouding ter beoordeling aan een deskundige voorgelegd.
ST 43.1.B
Om geld te beleggen is toestemming van de abt vereist. De geldbeleggingen moeten met beleid gebeuren en speculaties dienen daarbij te worden vermeden.
ST 43.1.C
In geen geval is het leden van de Orde toegestaan aan derden rechten af te staan voor het gebruik van de woorden "Trappe", "Trappist" en afleidingen. Men stelle alles in het werk om iedere onrechtmatige toeëigening, namaak of onwettig gebruik van deze bewoordingen te verhinderen of er een einde aan te maken. Men handelt hierbij volgens de wetten van elk land. Men vermijde, om welke reden dan ook, rechten af te staan of te verlenen voor het gebruik van gelijk welke benaming (als merk, handelsnaam of dergelijke) afgeleid van de naam van zijn klooster of samengesteld uit termen als bijvoorbeeld "abdij", "monnik", "klooster" en dergelijke.
2. Het klooster heeft een financiële raad, waarmee de abt op gezette tijden de economische situatie van het klooster doorneemt.
c 1280
3. Bij de reguliere visitatie wordt het beheer van de tijdelijke goederen in het onderzoek betrokken.
ST 43.3.A
De boekhouding van het klooster moet aan de visitator worden voorgelegd. Minstens om de vier jaar moet zij door een werkelijk deskundige worden onderzocht, vooraleer de visitator er zijn handtekening onder zet. Als de visitator bemerkt dat de economische toestand van een klooster in gevaar verkeert, brengt hij Vader Generaal hiervan op de hoogte en, als hij gedelegeerd visitator is, ook de Pater Immediatus.
C. 44 Het buitengewoon beheer
1. Vervreemdingen of transacties die de vermogenspositie van het klooster kunnen verslechteren, worden beschouwd als handelingen van buitengewoon beheer. Voor de geldigheid van dergelijke handelingen wordt speciaal verlof vereist, als het gaat om zaken die het bedrag door het recht vastgesteld te boven gaan.
c 638,1; ST 79.A.h
2. Verlof van de Heilige Stoel wordt vereist, als het gaat over een handeling van buitengewoon beheer die het bedrag te boven gaat, dat door de Heilige Stoel voor elke regio is bepaald en ook over zaken die krachtens gelofte aan het klooster zijn geschonken, of die kostbaar zijn vanwege hun artistieke of historische waarde.
c 638,3
ST 44.2.A
Als verlof van de Heilige Stoel is vereist, moet de toestemming van zowel het conventueel kapittel als van het Generaal Kapittel worden verkregen.
c 638,3; ST 79.A.h
ST 44.2.B
In een dringend geval kan men het verlof dat aan het Generaal Kapittel moet worden gevraagd, schriftelijk verkrijgen van Vader Generaal, met toestemming van zijn raad.
ST 84.1. C.e
3. Om geldig te handelen in zaken van buitengewoon beheer die niet vallen onder par. 2 bepaalt het Generaal Kapittel de bedragen die zonder speciaal verlof niet mogen worden overschreden.
c 638,1
ST 44.3.A
Toestemming van het conventueel kapittel en van het Generaal Kapittel wordt vereist voor iedere handeling die het maximumbedrag, door het Generaal Kapittel vastgesteld, overschrijdt; hetzelfde geldt voor het optrekken of afbreken van gebouwen als diezelfde som wordt overschreden. ST 37.B.c; ST 79.A.h
ST 44.3.B
Toestemming van het conventueel kapittel wordt vereist voor een handeling die het minimumbedrag, door het Generaal Kapittel vastgesteld, overschrijdt, en om iemand volmacht te verlenen voor een belangrijke onderneming.
ST 37.B.c; c 638,3
HOOFDSTUK 4 DE VORMING
C. 45 Het vormingsproces
1. De vorming tot de cisterciënzerlevenswijze heeft als doel, uit kracht van de Heilige Geest, in de broeders de gelijkenis met God te herstellen. Door de liefdevolle zorg van de Moeder Gods geholpen, gaan de broeders verder op de monastieke weg, zodat zij geleidelijk de volle maat van de gestalte van Christus kunnen bereiken.
PB Pr. 49
2. Eenzaamheid, voortdurend gebed, nederige arbeid, vrijwillige armoede, zuiverheid in het celibaat en gehoorzaamheid liggen niet binnen het bereik van het menselijk kunnen en zijn ook niet door mensen aan te leren. Toch kunnen het onderricht van de abt, de ervaring van wijze ouderen, de gestadige steun en het voorbeeld van de communiteit voor de broeders van groot nut zijn, vooral bij de verschillende lotgevallen en wederwaardigheden van de geestelijke tocht.
C.3,2-3; ST 33.3.A; ST 58.A
3 De communiteit zal in het vormingsproces iedere broeder helpen zich de essentiële elementen van de cisterciënzer-levenswijze eigen te maken. Van hun kant moeten zij die de vorming ontvangen, bewust van eigen verantwoordelijkheid, actief meewerken met hen die de vorming geven, om trouw te antwoorden op de genade van de roeping die zij van God ontvingen. Begonnen bij de intrede wordt deze vorming heel het leven voortgezet. Zij behelst meerdere aspecten: humane, doctrinaire en spirituele. Zij moet beschouwd worden als een belangrijk deel van de pastorale taak van de abt.
c 661; c 660,1; RB 2,11
ST 45.3.A
Een vormingsplan (Ratio Institutionis) wordt door de Orde uitgevaardigd en in de regio's aangepast naargelang de verschillende omstandigheden van ieder klooster.
c 659,1
ST 45.3.B
Bij deze vorming bieden de kloosters elkaar graag wederzijdse hulp.
ST 69.1.C
C. 46 Het aanvaarden van broeders
RB 58
1. Kandidaten voor het monastiek leven worden vriendelijk ontvangen, maar de intrede mag hun niet gemakkelijk gemaakt worden. Geregeld contact met het klooster maakt hen vertrouwd met de gemeenschap. Al het harde en moeilijke waardoor men tot God gaat, zal hun worden voorgehouden. Dan pas worden ze tot de communiteit toegelaten als ze de geestelijke gesteldheid bezitten die het monastiek leven vereist, en als ze beschikken over voldoende rijpheid en gezondheid. Zo kan hun verlangen naar dit leven herkend worden als teken van goddelijke roeping en van hun bedoeling God werkelijk en van ganser harte te zoeken.
c 642
ST 46.1.A
De abt bepaalt, samen met de novicenmeester, de tijd die de postulanten onder de broeders doorbrengen alvorens het canoniek noviciaat te beginnen. Gedurende dit postulaat worden zij op aangepaste wijze vertrouwd gemaakt met de geestelijke disciplines van de Orde.
2. Opdat een lid met eeuwige geloften van een ander religieus instituut in onze Orde zou kunnen intreden, is goedkeuring vereist zowel van zijn eigen hoogste bestuurder als van Vader Generaal, met toestemming van hun beider raad. Hij spreekt geen tijdelijke geloften meer uit, maar kan na minstens drie jaar proeftijd plechtige professie afleggen. Wordt hij echter niet aangenomen, dan gelden de normen van het algemeen recht (can. 684 § 2 CIC). Zijn rechtspositie tijdens de proeftijd wordt ook door datzelfde algemeen recht bepaald.
c 645,2; c 684,1-2; ST 84.1. C.g
ST 46.2.A
De broeder vraagt eerst een absentieverlof van zijn instituut en verblijft minstens zes maanden in de communiteit. Als de abt de nodige goedkeuring voor de overgang heeft verkregen, laat hij hem toe tot een proeftijd van drie jaar, waarvan minstens twee doorgebracht in het kader van de vorming. De abt kan de proeftijd met nog eens drie jaar verlengen.
ST 46.2.B
Opdat een lid van een seculier instituut of van een sociëteit van apostolisch leven in onze Orde zou kunnen intreden, is verlof vereist van de Heilige Stoel, waarbij men zich zal houden aan wat deze bepaalt (can. 684 § 5 CIC).
3. Voor de toelating van clerici wordt can. 644 CIC in acht genomen.
C. 47 De novicenmeester
c 651
Tot novicenmeester wordt iemand gekozen die de kunst verstaat zielen te winnen, die omzichtig te werk gaat en diep doordrongen is van de monastieke levenshouding. Hij moet weten hoe de wijsheid van de Vaders over te dragen op de jongeren en in staat zijn hen te begeleiden.
RB 58,6
ST 47.A
De novicenmeester moet minstens dertig jaar oud zijn en tenminste twee jaar plechtig geprofest.
c 651,1
C. 48 De toelating tot het noviciaat
c 641-645
De abt zal zich houden aan wat door het recht bepaald is i.v.m. de toelating tot het noviciaat.
ST 48.A
Alvorens postulanten tot het noviciaat toe te laten, zal de abt het advies inwinnen van zijn raad.
ST 38. C.a
ST 48.B
De toelatingsritus is te vinden in het rituaal van de Orde.
C. 49 De vorming van de novicen
1. De novicenmeester zal de beginnelingen helpen bij hun integratie in de monastieke familie. Hij geeft hun onderricht in de monastieke observantie, vooral in het Werk Gods, de lectio divina, het gebed en de handenarbeid. Gedurende het noviciaat wordt hun geen enkele taak of bezigheid opgedragen die hun vorming in de weg zou kunnen staan. Alle broeders zullen door hun gebed en voorbeeld voor hen een steun en een aansporing tot volharding zijn.
c 650,1; c 652; c 652,5
ST 49.1.A
Om de vorming van de novicen te vergemakkelijken is het aan te bevelen een afzonderlijk deel van het klooster voor hen te bestemmen.
ST 49.1.B
Tussen de abt en de novicenmeester zal er een oprechte en hechte eenheid van geest, hart en oriëntatie zijn. Dit is een onontbeerlijke voorwaarde voor een echte vorming van de novicen. Samen regelen zij de gang van zaken in het noviciaat en de abt legt deze regeling voor aan de communiteit met het oog op aller medewerking.
2. Ook in de school van de liefde komen hindernissen voor die een volledige affectieve ontplooiing in de weg staan. Daarom is het van groot belang dat de communiteit een klimaat schept dat de broeders helpt deze hindernissen te boven te komen. De novicenmeester moet steeds letten op hun innerlijke gesteltenis en vooruitgang. Hij zal hen helpen te groeien in zelfkennis en eventueel de hulp van deskundigen inroepen. De vorming van de novicen mag enkel aan wijze en bekwame broeders worden toevertrouwd.
c 652; c 651,3
C. 50 De duur van het noviciaat
Het noviciaat duurt twee jaar. Om pastorale redenen kan de abt het noviciaat met een half jaar verlengen. Voor een geldig noviciaat moet de novice twaalf maanden in het noviciaat doorbrengen. Afwezigheid uit het klooster gedurende deze tijd moet berekend worden volgens can. 649 § 1 CITerug naar de index
C. De eerste professie kan vervroegd worden, maar met niet meer dan vijftien dagen.
RB 58,16; c 653,2; c 648; c 649,2
ST 50.A
Vader Generaal kan, na zijn raad gehoord te hebben, dispenseren van het tweede noviciaatsjaar.
ST 84.1.D.a
C. 51 De toelating tot de tijdelijke professie
Tijdens het noviciaat mag geen enkel middel onverlet gelaten worden om te onderscheiden of de novice door zijn deelname aan het monastiek leven een geestelijke groei doormaakt. Als hij werkelijk God zoekt, ijver heeft voor het Werk Gods, voor de gehoorzaamheid en de beproeving van zijn nederigheid en als hij bekwaam blijkt te zijn tot goede onderlinge relaties in een klimaat van eenzaamheid en stilte - relaties die het weefsel vormen van het cisterciënzerleven in de Orde - wordt hij, na voltooiing van het noviciaat en op eigen verzoek, door de abt met toestemming van het conventueel kapittel tot de tijdelijke professie toegelaten.
c 646; RB 58,7; ST 37.B.a
C. 52 De tijdelijke professie
1. Door de tijdelijke professie nemen de broeders de verplichting eigen aan het monastiek leven op zich, ofwel voor drie jaar, ofwel voor drie periodes van één jaar. Deze tijd kan de abt verlengen maar met niet langer dan zes jaar.
c 655; c 657,2
ST 52.1.A
De ritus van de tijdelijke professie is te vinden in het rituaal van de Orde.
2 Volgens can. 668 § 1-3 CIC blijft een broeder met tijdelijke geloften eigenaar van zijn tijdelijke goederen en behoudt hij de bekwaamheid om goederen te verwerven. Voordat hij echter zijn professie uitspreekt, moet hij het beheer hiervan overdragen aan iemand anders en vrij een beschikking treffen wat het gebruik en het vruchtgebruik ervan betreft. Hierin kan de abt het nodige verlof verlenen.
C. 53 De vorming van de tijdelijk geprofesten
Gedurende de periode van de tijdelijke professie zal de monastieke vorming worden voortgezet. Er wordt een plan uitgewerkt opdat de jonggeprofesten steeds beter het mysterie van Christus en de Kerk en het cisterciënzererfgoed leren kennen en in hun leven gestalte geven. Men vermijdt aan tijdelijk geprofesten taken en bezigheden op te dragen die deze vorming in de weg staan.
PC 18; c 659,1-2; c 660; c 660,2
ST 53.A
De tijdelijk geprofesten kunnen enige tijd in het noviciaat of in een afzonderlijk deel van het klooster verblijven. De abt zorgt ervoor dat zij de hulp krijgen die zij nodig hebben, volgens de mogelijkheden van het klooster.
C. 54 De toelating tot de plechtige professie
Als hij op het einde van de tijdelijke professie, na ernstige bezinning, doordrongen is van de draagwijdte van de daad die hij gaat stellen, kan de broeder uit eigen beweging bij zijn abt het verzoek indienen om de plechtige professie af te leggen. Als de abt hem geschikt oordeelt, zal hij hem, met toestemming van het conventueel kapittel, voor de professie aanvaarden. De plechtige professie kan om een goede reden worden vervroegd, maar met niet meer dan drie maanden. De voorwaarden voor de geldigheid van de plechtige professie staan vermeld in can. 658 CIC.
RB 58,14-16; c 657,1; ST 37.B.b; c 657,3
C. 55 Afstand van bezit
Omdat de broeder door de plechtige professie de bekwaamheid verliest goederen te verwerven of te bezitten, moet hij, als hij iets bezit of het recht heeft te ontvangen, het aan de armen uitdelen of een andere schikking treffen volgens de normen van can. 668 § 4-5 CIC. Hij doet deze afstand vóór de plechtige professie op een wijze die, voor zover mogelijk, ook geldig is voor het burgerlijk recht. Deze afstand gaat in op de dag dat de professie wordt uitgesproken. Wat hem na deze afstand ten deel valt, komt rechtens toe aan het klooster.
RB 58,24-25; C.10
C. 56 De plechtige professie
1 Door het uitspreken van de plechtige geloften schenkt de broeder zich in een geest van geloof aan Christus en verbindt hij zich om voor altijd in zijn communiteit te leven volgens de Regel van Sint-Benedictus. Van harte nemen de abt en de broeders hem op in de communiteit en zij verbinden zich hem door gebed en voorbeeld bij te staan, opdat hij groeie tot gelijkenis met Christus.
C.8
ST 56.1.A
De ritus voor de monnikswijding is te vinden in het rituaal van de Orde.
ST 56.1.B
De abt zal de pastoor van de plaats waar de nieuwgeprofeste gedoopt werd, in kennis stellen van de gedane plechtige professie.
c 535,2
2. Door de plechtige professie wordt de broeder definitief ingelijfd in de Orde, met de rechten en plichten door het recht bepaald.
RB 58,14; c 654
3. De professieformule luidt als volgt: Ik, broeder N., beloof stabiliteit, monastiek levensgedrag en gehoorzaamheid tot de dood volgens de Regel van Sint-Benedictus, abt, voor God en al zijn heiligen, in dit klooster N. van de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie, opgericht ter ere van de heilige Moeder van God, Maria, altijd Maagd, in aanwezigheid van Dom N., abt van dit klooster.
RB 58,17-18
C. 57 De monniken die gewijd worden
Als de abt voor zijn klooster iemand tot priester of tot diaken wil laten wijden, moet hij hierbij het algemeen recht bijzonder can. 1019 § 1 CIC en het vormingsplan (Ratio Institutionis) van de Orde in acht nemen. Omdat een diaken- of priestermonnik de communiteit op een bijzondere wijze dient, is het aan te bevelen dat de abt, alvorens tot de wijding over te gaan, het conventueel kapittel of minstens zijn raad hoort.
RB 62,1; c 659,3
C. 58 De voortgezette vorming
Ook na de plechtige professie en hun leven lang zullen de broeders zich bekwamen in de "filosofie van Christus". Zowel aan de hele communiteit als aan de broeders afzonderlijk wordt een voortgezette vorming geboden volgens ieders mogelijkheden. Deze vorming, die steeds gefundeerd is op de Regel van Sint-Benedictus en het cisterciënzer-erfgoed, benut de rijkdommen van bijbelse, patristische, liturgische, theologische en spirituele wetenschappen.
PC 18; c 661
ST 58.A
Liturgie, woord van de abt, lezingen en voordrachten en een goed voorziene bibliotheek dragen bij tot de voortgezette vorming van heel de communiteit. Ook stimuleert de abt de afzonderlijke broeders - ieder naar zijn gaven - om zich actief toe te leggen op deze vorming, met de middelen die passen bij het monastiek leven.
C.45.2; ST 33.3.A
ST 58.B
Voor het klooster zullen goed onderlegde docenten beschikbaar zijn, die voldoende tijd hebben om hun opdracht naar behoren te vervullen.
ST 58.C
Met gelijkmoedigheid verrichten de broeders hun verschillende bedieningen en ambachten. De abt zorgt ervoor dat zij zich de nodige en nuttige bekwaamheid eigen kunnen maken.
RB 57,1
HOOFDSTUK 5 HET VERLATEN VAN DE COMMUNITEIT EN DE OPHEFFING VAN EEN KLOOSTER
C. 59 Pastorale zorg
1. De abt is pastoraal begaan met hen die het klooster verlaten. Hij gaat daarbij vooral belangeloos te werk, evenzeer bedacht op het welzijn van wie weggaat, als van heel de communiteit.
2. Wie uittreedt of weggezonden wordt, kan van het klooster niets vorderen voor bewezen diensten. De abt zal echter de normen van de billijkheid en evangelische liefde in acht nemen jegens hen die weggaan.
c 702,1; c702,2
ST 59.2.A
Om het welzijn van zowel degene die weggaat of weggezonden wordt als van de communiteit veilig te stellen, moet de abt goed op de hoogte zijn van de sociale wetten van het land waar het klooster gelegen is.
C. 60 Het overgaan van een broeder naar een ander klooster van de Orde
Opdat een geprofeste broeder van klooster zou kunnen veranderen om er stabiliteit te doen, en dit alleen om een ernstige reden, wordt de toestemming vereist van de abten van beide kloosters en van het conventueel kapittel van het klooster dat hem opneemt. De toestemming van het kapittel wordt echter niet gevraagd wanneer een broeder die stabiliteit deed voor een stichting toen deze een rechtens zelfstandig klooster werd, terugkeert naar het klooster van zijn oorspronkelijke professie.
RB 61,13; c 684,3; ST 37.A.a; C.9
ST 60.A
In het geval van een plechtig geprofeste broeder is een verblijf van minstens één jaar in het nieuwe klooster vereist, voordat de toestemming van het conventueel kapittel wordt gevraagd, waarbij twee derde van de stemmen moet worden verkregen. De verandering van stabiliteit gebeurt in een aangepaste en zingevende liturgische viering. In het geval van een tijdelijk geprofeste broeder, die aan het einde van zijn tijdelijke geloften is, moeten deze hernieuwd worden, maar deze keer voor de nieuwe communiteit. Deze hernieuwing van de geloften door de broeder gebeurt met toestemming van het conventueel kapittel met absolute meerderheid van stemmen. Een proeftijd van minstens drie jaar in het nieuwe klooster is noodzakelijk. Op het einde van deze periode kan de abt, als hij de broeder geschikt oordeelt, hem met toestemming van het conventueel kapittel voor de plechtige professie aanvaarden.
ST 37.A.a
ST 60.B
Vader Generaal kan een monnik, na hem gehoord te hebben, opleggen omwille van de vrede een tijd - maar niet langer dan vijf jaar - in een ander klooster te verblijven. Hij zal rekening houden met de communiteit die hem opneemt. Dit gebeurt op verzoek van de abt van die monnik, met toestemming van zijn raad en met goedkeuring van de Pater Immediatus.
ST 38.B.d; ST 74.1.A
C. 61 Het overgaan naar een ander instituut
Als een monnik wil overgaan naar een ander instituut van gewijd leven, naar een seculier instituut of naar een sociëteit van apostolisch leven, zullen de normen van can. 684 en 685 CIC in acht genomen worden.
ST 84.1. C.g
C. 62 De exclaustratie
1. Om een ernstige reden kan Vader Generaal met toestemming van zijn raad aan een monnik een exclaustratieïndult verlenen, echter voor niet langer dan drie jaar. Gaat het om een clericus, dan is toestemming nodig van de plaatselijke Ordinaris waar de monnik gaat wonen.
ST 84.1. C.h; c 693
ST 62.1.A
Op verzoek van de abt, met toestemming van diens raad en na overleg met de Pater Immediatus kan Vader Generaal, met toestemming van zijn raad, aan de Heilige Stoel vragen een broeder de exclaustratie op te leggen. Dit gebeurt omwille van een ernstige reden met inachtneming van de billijkheid en met behoud van de liefde.
c 686,3; ST 84.1.C.i
2. Een geëxclaustreerde monnik is ontslagen van de verplichtingen die niet met zijn nieuwe levensomstandigheden te verenigen zijn. Maar hij blijft onder het gezag en de zorg van zijn oversten en ook van de plaatselijke Ordinaris, vooral als het om een clericus gaat. Hij mag het Ordekleed dragen, tenzij het indult anders bepaalt. Maar hij heeft geen actief en passief stemrecht meer.
c 687; C.36.3
C. 63 Het uittreden van een tijdelijk geprofeste
1. Wie tijdens zijn tijdelijke professie om een ernstige reden verzoekt het klooster te verlaten, kan van Vader Generaal, met toestemming van zijn raad, een indult tot uittreding verkrijgen.
c 688,2; ST 84.1. C.j
2. De abt kan een broeder aan het einde van de tijdelijke professie om gegronde redenen en na zijn raad gehoord te hebben, weigeren voor een volgende professie.
ST 38. C.e; c 689
3. Als een broeder met tijdelijke geloften lichamelijk of psychisch ziek wordt, handelt de abt volgens can. 689 § 2-3 CIC.
C. 64 Het uittreden van een plechtig geprofeste
Een monnik met plechtige geloften mag niet om een indult verzoeken om uit te treden, tenzij om uiterst gewichtige redenen die hij voor het aanschijn van God overwogen heeft. Hij zal zijn verzoek richten aan zijn abt. Deze bespreekt het met zijn raad en stuurt het verzoek met zijn aanmerkingen naar Vader Generaal. Vader Generaal stuurt het door naar de Heilige Stoel, samen met zijn advies en dat van zijn raad. Als het een clericus betreft, worden de normen van can. 693 CIC in acht genomen.
c 691,1; ST 38. C.f
C. 65 Het wegzenden
Voor het wegzenden van een geprofeste, hetzij met tijdelijke, hetzij met plechtige geloften, neemt men wat redenen, procedure en gevolgen betreft, can. 694-704 CIC in acht. De bevoegde oversten zijn, in deze gevallen, de abt als hogere overste met zijn raad en Vader Generaal als hoogste Bestuurder met zijn raad.
RB 28,6-8; ST 38. C.g; ST 38.D; ST 84.1.E
C. 66 Het opnieuw toelaten tot het klooster
Wie na het noviciaat of na de tijdelijke of plechtige professie het klooster op wettige wijze verliet, kan door de abt, met toestemming van zijn raad, opnieuw worden aanvaard zonder de verplichting tot herhaling van het noviciaat. Het komt de abt toe wijze en duur van de nieuwe proeftijd te bepalen volgens de normen van het algemeen recht en rekening houdend met de concrete omstandigheden.
RB 29; c 690; ST 38.B.a
ST 66.A
Bij het bepalen van wijze en duur van de nieuwe proeftijd heeft de abt de toestemming van zijn raad nodig. ST 38.B.a
C. 67 Opheffing van een klooster
1. Wanneer door bijzondere en blijvende omstandigheden er voor een klooster geen gegronde hoop meer is op aanwas, moet men zorgvuldig overwegen of het niet beter gesloten kan worden. Alleen het Generaal Kapittel kan, met twee derde van de stemmen, besluiten tot de opheffing van een rechtens zelfstandig klooster. Hiervoor wordt echter ook een meerderheid van twee derde van de stemmen van het conventueel kapittel vereist; ook een schriftelijk rapport en de toestemming van de Pater Immediatus worden vereist. De plaatselijke bisschop zal worden gehoord.
PC 21; c 616,1-3; C.79
2. Als het Generaal Kapittel tot de opheffing van een klooster besluit, benoemt het een speciale commissie van tenminste vijf personen om het proces van opheffing waakzaam te begeleiden. Er moet grote pastorale zorg besteed worden aan de monniken van het opgeheven huis, in het bijzonder waar het gaat om hun recht van stabiliteit in een communiteit van de Orde. Men moet ook aandachtig letten op de rechten en plichten van alle betrokken personen en communiteiten, als ook van de stichters en de weldoeners. Wat toewijzing van eigendom betreft, wordt het burgerlijk recht van de plaats in acht genomen.
c 616,1
ST 67.2.A
De stabiliteit van de leden van een opgeheven communiteit gebeurt rechtens in het moederhuis en in dit geval hoeft het conventueel kapittel van het ontvangend huis niet te stemmen om hen te aanvaarden.
HOOFDSTUK 6 DE STICHTINGEN
C. 68 De stichtingen
1. Een groeiend aantal broeders of een ander teken van de Voorzienigheid kan voor de broeders een uitnodiging inhouden om het monastiek leven naar elders over te planten. Laten zij zorgvuldig overwegen of zo'n stichting niet alleen verantwoord is, maar ook met vertrouwen en edelmoedigheid ondernomen zou kunnen worden, en of zij op een monastieke wijze kunnen deelnemen aan de contemplatieve aanwezigheid van de Kerk, en zo aan haar zending tot evangelieverkondiging. Zij zullen bijzonder attent zijn op het appel van het Tweede Vaticaans Concilie om de monastieke levenswijze door te geven aan de jonge Kerken.
EP 18; CC 8,2; AG 18; AG 40, c 783
2. De wijze waarop een klooster gesticht wordt, staat beschreven in een speciaal Statuut van de Stichtingen door het Generaal Kapittel goedgekeurd.
C. 69 De zorg voor de stichtingen
1. Als zij een stichting goedkeuren, omringen de abten deze nieuwe loot met broederlijke zorg.
ST 69.1.A
De stichters worden niet enkel gekozen vanuit praktische overwegingen maar met onderscheiding gepaard aan gebed.
ST 69.1.B
Bij financiële moeilijkheden in een stichting voorzien de oversten van de Orde in de noodzakelijke hulp.
ST 69.1.C
De oversten van de Orde verlenen vooral hulp bij de vorming in verafgelegen kloosters.
ST 45.3.B
2. Vader Generaal kan met toestemming van zijn raad, toestaan dat in een stichting een noviciaat wordt geopend.
ST 84.1.Terug naar de index
C.a
C. 70 De aanpassing aan de plaatselijke cultuur
Waar ook ter wereld nieuwe kloosters worden opgericht, zullen de stichters die plaats beminnen. Monastiek leven is niet gebonden aan culturele uitdrukkingsvormen en evenmin aan enig politiek, economisch of sociaal systeem. De positieve waarden echter van de plaatselijke cultuur zullen zoveel mogelijk worden aangewend als nieuwe kansen om de schat van het cisterciënzererfgoed uit te drukken en te verrijken.
EP 17,3; AG 18; GS 42
DEEL DRIE DE CISTERCIËNZERORDEVAN DE STRICTE OBSERVANTIE
C. 71 De band van eenheid
1. Over de hele wereld verspreid blijven de rechtens zelfstandige kloosters van de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie hecht met elkaar verbonden door een band van liefde en eenzelfde traditie van leer en recht.
CC Pr. 3-4; C.4.1
2. De oversten zijn met elkaar verbonden in hun gedeelde zorg voor het welzijn van iedere communiteit.
CC 1,4; C.4.2
3. Deze pastorale zorg alsook het hoogste gezag in de Orde oefenen zij collegiaal uit wanneer zij samenkomen in Generaal Kapittel.
CC 7,2; C.77.1-2
4. Onder toezicht van het Generaal Kapittel wordt deze pastorale zorg eveneens uitgeoefend door de instellingen van filiatie en reguliere visitatie, door de samenkomsten van oversten en door de verschillende dienstverleningen die de gehele Orde ten goede komen.
C.4.2
C. 72 De cisterciënzermonniken en -monialen van de Stricte Observantie
1. Erfgenamen van dezelfde traditie vormen cisterciënzermonniken en -monialen van de Stricte Observantie samen één Orde. Zij werken onderling samen, helpen elkaar op talloze wijzen en houden daarbij rekening met de gezonde verscheidenheid en complementariteit van hun gaven.
C.4.2
2. Alles wat behoort tot het geheel van het erfgoed van de Orde en tot haar structuren, d.w.z. C. 1-4 en 73-85, wordt behandeld door de Generale Kapittels van zowel abten als abdissen. Om deze Constituties alsook de liturgie van de Orde en de observanties beschreven in C. 17-31 te veranderen, is een positieve beslissing van beide Generale Kapittels nodig. Pas dan kan de verandering ter goedkeuring aan de Heilige Stoel worden voorgelegd.
ST 79.A.a
ST 72.2.A
Om een andere verandering in de Constituties aan te brengen, heeft een raadpleging plaats tussen het Generaal Kapittel van de abten en van de abdissen voor ze ter goedkeuring aan de Heilige Stoel wordt voorgelegd. Ook om gelijk welk Statuut te kunnen veranderen, is raadpleging van het andere Kapittel vereist.
3. Vader Generaal behoort, als voorzitter van de beide Generale Kapittels, de discussie binnen de grenzen van de bevoegdheid van elk Kapittel te houden; ook behoort hij de kwesties die door beide Kapittels moeten worden behandeld ter discussie voor te leggen.
C.82.2
HOOFDSTUK 1 DE FILIATIE
C. 73 De aard van de filiatie
Overeenkomstig de Carta Caritatis zijn de cisterciënzer-communiteiten met elkaar verbonden door een band van filiatie. Volgens de traditie krijgt de filiatie juridische vorm in de functie van de Pater Immediatus. Paterniteit en filiatie worden beleefd in onderlinge hulp en steun.
C.4.2
ST 73.A
Een stichting die tot een rechtens zelfstandig klooster verheven wordt, krijgt ipso facto de abt van het huis dat de stichting ondernam, als Pater Immediatus.
ST 73.B
Elke verandering van filiatie wordt ter beslissing voorgelegd aan de betrokken communiteiten en aan het Generaal Kapittel (cf. ST 37.B.d). Het Generaal Kapittel beslist als er geen consensus wordt bereikt.
ST 79.A.e
C. 74 De Pater Immediatus
C.4.2
1. De Pater Immediatus waakt over de ontwikkeling in zijn dochterhuizen. Zonder inbreuk te maken op de autonomie van het dochterhuis, helpt en bemoedigt de Pater Immediatus de abt bij de uitoefening van diens pastorale taak en bevordert hij de eensgezindheid onder de broeders. Mocht hij merken dat sommige voorschriften van de Regel of van de Orde worden overtreden, dan beijvert hij zich met nederige liefde dit te verhelpen, na de abt van het klooster geraadpleegd te hebben.
c 614; CC 4,6
ST 74.1.A
De abt heeft de toestemming van de Pater Immediatus nodig om aan Vader Generaal te vragen een broeder te verplichten voor een tijd naar een ander klooster te gaan.
ST 60.B
2. De Pater Immediatus zorgt ervoor dat in een dochterhuis zonder abt binnen drie maanden een nieuwe overste wordt gekozen. Ambtshalve zit hij de verkiezing van een nieuwe abt voor en stelt zonodig volgens de normen van het Orderecht een overste ad nutum over de communiteit aan.
C.39.2; ST 39.2.B
ST 74.2.A
In een uitzonderlijke situatie kan de Pater Immediatus aan een superior ad nutum vragen de uitoefening van zijn recht van paterniteit te delegeren.
ST 74.2.B
Als een abt zijn ontslag overweegt, wordt de Pater Immediatus altijd gehoord.
ST 40.B
ST 74.2.C
De Pater Immediatus heeft de toestemming van het conventueel kapittel nodig om het proces van ontslag te beginnen van een abt die niet in staat is zijn pastorale taak te vervullen, volgens de norm van ST 40.B bis.
3. Het komt het Generaal Kapittel van de abten toe, na de toestemming van de betrokken communiteiten, de benoeming van de Pater Immediatus voor elk monialenklooster te bevestigen. De rechten en plichten van de Pater Immediatus zijn te vinden in het eigen recht van de monialen; zij behoeven echter de toestemming van het Generaal Kapittel van de abten.
C. 75 De reguliere visitatie
1. De visitatie van de kloosters geschiedt door de Pater Immediatus, hoewel ook Vader Generaal dit mag doen. Alvorens een visitator te delegeren, zal zowel Vader Generaal als de Pater Immediatus de abt van het te visiteren klooster horen.
C.4.2; ST 82.2.D
ST 75.1.A
De visitator kan zich laten vergezellen door een andere persoon volgens het Statuut van de Reguliere Visitatie (n° 9). Hij zal de abt van de te visiteren communiteit raadplegen, die op zijn beurt zijn communiteit raadpleegt.
2. De reguliere visitatie beoogt de pastorale inzet van de plaatselijke abt te bevestigen, aan te vullen en zonodig te verbeteren, en de broeders tot een vernieuwde geestelijke ijver voor het cisterciënzerleven op te wekken. Dit vereist een actieve medewerking van de communiteit. De visitator handelt trouw volgens de voorschriften van het recht, de geest van de Carta Caritatis en de normen van het Generaal Kapittel.
c 628,3
ST 75.2.A
De gedelegeerde visitator kan een overste van een rechtens zelfstandig klooster zijn. Ook kan hij een gewezen abt, een gewezen titulaire prior of ook een raadslid van Vader Generaal zijn. In deze gevallen zullen zowel Vader Generaal als de Pater Immediatus de abt van het te visiteren klooster raadplegen, die op zijn beurt zijn communiteit raadpleegt.
ST 75.2.B
Elk klooster wordt minstens om de twee jaar gevisiteerd.
ST 75.2.C
Na afloop van de visitatie stuurt de visitator binnen twee maanden een verslag naar Vader Generaal en, als hij gedelegeerd visitator is, zendt hij ook een samenvatting ervan naar de Pater Immediatus.
C. 76 De rector van de monialen
1 Na de abdis en de monialen gehoord te hebben, stelt de Pater Immediatus aan de plaatselijke Ordinaris volgens de normen van can. 567 en 630 CIC, een monnik van de Orde voor als rector en gewoon biechtvader. Deze moet onderlegd zijn en de nodige kennis bezitten inzake liturgie en pastoraal.
ST 76.1.A
Periodiek polst hij de communiteit hierover.
2. Deze priester geniet uit hoofde van zijn functie de bevoegdheden die genoemd worden in can. 566 § 1 CITerug naar de index
C. Voor de viering van de liturgie werkt de rector samen met de abdis en de communiteit. Hij laat zich op geen enkele wijze in met het bestuur van de communiteit.
ST 76.2.A
In de mate van het mogelijke houdt de rector contact met zijn communiteit of met een andere communiteit van monniken.
HOOFDSTUK 2 VERGADERINGEN VAN OVERSTEN
C. 77 Het Generaal Kapittel van de abten
C.71.3
1. Op vastgestelde tijden komen alle abten samen. Zij bespreken dan wat hen en die hen zijn toevertrouwd tot heil strekt; zij bepalen wat er in het onderhouden van de heilige Regel en van wat de Orde voorschrijft, verbeterd moet worden of eraan toegevoegd. Zij vernieuwen de vrede en de liefde onder elkaar en beijveren zich het erfgoed van de Orde te bewaren en de eenheid hechter te maken.
C.4.2; CC 7,2; c 631,2
2. Het hoogste gezag van de Orde wordt uitgeoefend door alle oversten, in hun eigen Generaal Kapittel volgens de eigen Constituties. Het komt de abten toe de wetgeving van de monniken uit te vaardigen en zorg te dragen voor de toepassing ervan. De kerkelijke bestuursmacht voor heel de Orde berust bij het Generaal Kapittel van de abten.
c 631,2
ST 77.2.A
Elke broeder kan verlangens of suggesties aan het Generaal Kapittel voorleggen. Hij doet dit via zijn eigen abt of via de Pater Immediatus, de regionale vergadering of de gedelegeerde van de regio, of rechtstreeks aan Vader Generaal.
c 631,3; c 633
ST 77.2.B
Het Generaal Kapittel waakt erover dat de leden van de Orde, als een zaak dat vereist, de mogelijkheid hebben zich ongehinderd tot diverse beroepsinstanties te wenden: de Pater Immediatus, Vader Generaal, het Generaal Kapittel of de Heilige Stoel.
c 221
ST 77.2.C
Het Generaal Kapittel komt in de regel om de drie jaar bijeen.
C. 78 De deelnemers aan het Generaal Kapittel
Vader Generaal, de oversten van rechtens zelfstandige kloosters en de mannelijke raadsleden van Vader Generaal zijn verplicht aan het Generaal kapittel deel te nemen en zij hebben stemrecht. De vrouwelijke raadsleden van Vader Generaal nemen deel, maar zonder stemrecht. Het Kapittel kan ook andere personen van de Orde uitnodigen en hen zelfs stemrecht verlenen.
c 631,2
ST 78.A Kunnen aanwezig zijn op het Generaal Kapittel, met stemrecht:
a. de oversten van stichtingen, op uitnodiging van de abt van het huis dat de stichting ondernam en met toestemming van Vader Generaal;
b. gedelegeerden van oversten die verhinderd zijn; CC 8,4
c. vertegenwoordigers van communiteiten zonder overste, gekozen door het conventueel kapittel van die communiteiten.
ST 78.B Kunnen aanwezig zijn op het Generaal Kapittel, zonder stemrecht:
a. gedelegeerden van elke regionale vergadering; ST 80.B.d; ST 81.B
b. deskundigen en waarnemers door de Centrale Commissie uitgenodigd;
c. de promotrice en vice-promotrice van het Generaal Kapittel van de abdissen en verder vier abdissen gekozen door hun Kapittel, waarvan er twee lid van de Centrale Commissie moeten zijn.
d. de oversten, aangewezen voor toekomstige stichtingen.
C. 79 De bevoegdheid van het Generaal Kapittel
Aan het Generaal Kapittel komt het toe nieuwe stichtingen goed te keuren of op te heffen, kloosters in de Orde op te nemen of op te heffen, Vader Generaal te kiezen volgens de procedure beschreven in C. 83.1 en zijn ontslag te aanvaarden. Het komt het Generaal Kapittel ook toe, samen met het Kapittel van de abdissen, volgens de normen van de Constituties de verantwoordelijken van de Orde vermeld in het eigen recht te kiezen en te waken over hun ambtsvervulling. Het aanvaardt hun ontslag of zet ze in voorkomend geval af. Het heeft ook voor de abten de bevoegdheid tot aanvaarden van ontslag of tot afzetting.
C.67; C.83.1; C.40; C.83.2
ST 79.A
Het behoort ook tot de taak van het Generaal Kapittel:
a. met behoud van ST 72.2.A te beslissen met twee derde meerderheid over het invoeren van veranderingen in de Constituties, alvorens ze voor te leggen aan de Heilige Stoel. Ook de authentieke interpretatie van de Constituties komt toe aan de Heilige Stoel; ST 72.2; c 587,2 a’. behalve i.v.m. wat ST 79.A.a bepaalt, vereisen alle stemmingen door het Generaal Kapittel genomen, een absolute meerderheid. Nochtans kunnen 25 capitulanten vragen dat de vergadering door een voorafgaande stemming beslist dat het onderwerp een stemming met twee derden meerderheid vereist.
b. zich op de hoogte te stellen van de toestand van de afzonderlijke communiteiten en er zijn pastorale zorg aan te wijden;
CC 7
c. de afzonderlijke regio's goed te keuren en te bepalen op welke wijze zij vertegenwoordigd zullen zijn in de organen van de Orde;
C.81
d. interkapitulaire commissies op te richten, hun leden te benoemen en toezicht te houden op hun werkzaamheden;
e. veranderingen van filiatie en verplaatsing van kloosters goed te keuren;
ST 37.B.d; ST 73.B
f. de werkwijze van het Generaal Kapittel vast te leggen en zijn promotor te kiezen;
g. een Statuut uit te vaardigen dat het uitgeven van boeken regelt;
h. aan de communiteiten de bevoegdheden te verlenen waarover C. 45 handelt;
i. aan de Postulator Generaal zaken voor zalig- en heiligverklaring toe te vertrouwen.
ST 84.1.D.c
ST 79.B
Wanneer een communiteit naar het oordeel van de Pater Immediatus, nadat hij de abten van de regio heeft geraadpleegd, de vorming van nieuwe kandidaten niet langer kan waarborgen, kan het Generaal Kapittel haar het recht ontzeggen aspiranten aan te nemen tot aan het volgend Generaal Kapittel, dat dan de zaak opnieuw moet onderzoeken.
PC 21; c 647,1
C. 80 De Centrale Commissie van de abten
Ieder Generaal Kapittel kiest een commissie die tot taak heeft het volgend Kapittel voor te bereiden; ze wordt Centrale Commissie genoemd. Onder voorzitterschap van Vader Generaal gaat deze commissie te werk volgens de richtlijnen van het Generaal Kapittel.
C.4.2
ST 80.A
De Centrale Commissie komt eenmaal samen tussen twee Generale Kapittels en telkens als Vader Generaal of de meerderheid van de leden dit nodig vindt.
ST 80.B
Leden van deze Commissie met stemrecht zijn:
a. Vader Generaal;
b. de promotor van het Generaal Kapittel;
c. de vice-promotor van het Generaal Kapittel en het derde lid van de Coördinatiecommissie
d.de oversten, door het Generaal Kapittel gekozen, die elk een regio vertegenwoordigen en door haar voorgedragen zijn en die deze taak slechts driemaal kunnen vervullen.
ST 78.B.a; ST 81.B
e. de mannelijke raadsleden van Vader Generaal;
f. andere leden, door het Generaal Kapittel gekozen voor een bepaalde omstandigheid.
ST 80.C
Nemen ook deel aan de Centrale Commissie zonder stemrecht:
a. andere personen uitgenodigd door Vader Generaal
b. de vrouwelijke raadsleden van Vader Generaal.
ST 80.D
Bij afwezigheid van Vader Generaal zit de promotor van het Generaal Kapittel de vergadering van de Centrale Commissie voor.
ST 80.E
De Centrale Commissie bereidt het Generaal Kapittel voor door het werk van de regionale vergaderingen te coördineren.
ST 81.A
ST 80.F
De Centrale Commissies van de abten en van de abdissen kunnen samenwerken om Generale Kapittels en algemene vergaderingen van abten en abdissen voor te bereiden.
ST 80.G
De Centrale Commissie kan een voorlopige interpretatie geven van de besluiten van het voorgaand Generaal Kapittel van de abten.
ST 80.H
In uitzonderlijke gevallen kan de Centrale Commissie Vader Generaal voorstellen een buitengewoon Generaal Kapittel bijeen te roepen.
ST 80.I
De Centrale Commissie beslist collegiaal met absolute meerderheid van stemmen:
a. over de voorbereiding van het volgend Generaal Kapittel
b. over de voorlopige interpretatie van besluiten van het voorgaand Generaal Kapittel;
c. om Vader Generaal voor te stellen een buitengewoon Generaal Kapittel bijeen te roepen.
ST 80.J
In vergadering treedt de Centrale Commissie op als plenaire raad van Vader Generaal, die haar raadpleegt in gevallen waarvan sprake is in ST 84.1. C. In dit geval hebben de vrouwelijke raadsleden van Vader Generaal stemrecht.
C. 81 De regionale vergaderingen
De communiteiten van de Orde zijn gegroepeerd in regio's die goedgekeurd zijn door het Generaal Kapittel. De regionale vergaderingen bevorderen de communio en de broederlijke samenwerking binnen een geografisch gebied en binnen de Orde als geheel. Zij kunnen samengesteld zijn uit monniken en monialen.
C.4.2; ST 79.A.c
ST 81.A
Deze vergaderingen van oversten en vertegenwoordigers zijn een uitstekende hulp ter voorbereiding van de Centrale Commissie en het Generaal Kapittel. Bovendien bieden ze de gelegenheid om actuele kwesties van gezamenlijk belang te behandelen, ook al raken die niet de hele Orde.
ST 80.E
ST 81.B
Iedere regio wordt in de Centrale Commissie door een overste vertegenwoordigd. De regio’s ORIENS – RAFMA - REMILA worden door twee oversten vertegenwoordigd. Iedere regio kan een niet-overste als gedelegeerde naar het Generaal Kapittel zenden.
ST 78.B.a; ST 80.B.d
ST 81.C
Door hun onderlinge betrekkingen brengen de regionale vergaderingen een dialoog op gang tussen de verschillende naties en volken. Langs deze weg kan men komen tot een verdiepte waardering van het gemeenschappelijk erfgoed van de Orde.
C.4
HOOFDSTUK 3 HET AMBT VAN GENERALE ABT
C. 82 De Generale Abt
1. Als band van eenheid binnen de Orde bevordert Vader Generaal de betrekkingen tussen de communiteiten zowel van monniken als van monialen. Met zorg waakt hij over het erfgoed van de Orde en stimuleert zijn wasdom. Hij betoont zich vooral herder en bezieler van geestelijke vernieuwing in de communiteiten. Hij bezoekt de kloosters zo vaak als hij dat het beste oordeelt om de toestand van heel de Orde te kennen: zo kan hij aan elke overste en aan elke communiteit waardevolle bijstand verlenen.
2. Vader Generaal roept de Generale Kapittels samen en zit ze voor. In naam van elk kapittel en geholpen door zijn raad, behandelt hij wat hem door de Generale Kapittels of door het recht is toevertrouwd en al wat geen uitstel kan dulden.
c 620; C.72.3; ST 84.1.C
ST 82.2.A
Vader Generaal verblijft in Rome, samen met de leden van de permanente raad. Hij draagt verantwoordelijkheid voor de monastieke levenswandel van de bewoners van het generalaat. Aangepast aan de omstandigheden stelt hij een statuut of huisreglement op en benoemt hij een overste, die hem van zijn bestuur rekenschap zal afleggen.
ST 82.2.B
Omdat het generalaat ten dienste staat van heel de Orde, zal elk huis zich verplicht weten het van personeel te voorzien. Daarom beantwoorden de oversten en communiteiten graag een verzoek van Vader Generaal hieromtrent.
ST 82.2.C
Hij behartigt de gewone tijdelijke bestuursaangelegenheden van de Orde en legt verantwoording daarvan af aan het Generaal Kapittel. Hij vertegenwoordigt de Orde bij de Heilige Stoel.
ST 82.2.D
Vader Generaal mag – ofwel zelf, ofwel door een gedelegeerde – in alle kloosters van de Orde een reguliere visitatie houden, ook al is de reguliere visitatie onlangs door de Pater Immediatus of zijn gedelegeerde verricht.
c 628,1; C.75.1
ST 82.2.E
Ten aanzien van Cîteaux handelt hij in alles als een Pater Immediatus.
3. Hij bevestigt de keuze van abten en abdissen en aanvaardt hun ontslag als Vicaris van het Generaal Kapittel, wanneer dit niet bijeen is.
C.39.6; C.40
4. Hij kan ook dispenseren in alles wat tot het eigen recht van de Orde behoort. Wetgevende macht bezit hij echter niet.
5. Hij kan niet beschikken over goederen of personen van de communiteiten. Maar als de nood dringt, is hij bevoegd om zekere voorlopige maatregelen te treffen.
6. Vader Generaal is van rechtswege de hoogste Bestuurder van een clericaal instituut van pontificaal recht, volgens de normen van de Constituties.
c 622
C. 83 De keuze van de Generale Abt
1. De Generale Abt wordt gekozen door de beide Generale Kapittels, zowel van monniken als van monialen, in afzonderlijke bijeenkomsten. Hij wordt gekozen die in elk der Kapittels de absolute meerderheid van stemmen heeft behaald. De keuze is voor onbepaalde tijd en heeft geen bevestiging nodig. De gekozene moet abt in de Orde zijn of geweest zijn.
c 625,1; C.79
ST 83.1.A
De Generale Abt moet minstens veertig jaar oud zijn.
ST 83.1.B
De Generale Abt behoudt stabiliteit in zijn eigen klooster, waar hij alle rechten kan uitoefenen die verenigbaar zijn met zijn functie. Wanneer een abt in zijn functie tot Generale Abt wordt gekozen, wordt zijn zetel vacant vanaf het moment dat hij zijn nieuw ambt aanvaardt.
ST 40.C
2. Het ontslag uit zijn ambt moet door beide Generale Kapittels worden aanvaard om geldig te zijn.
C.79
ST 83.2.A
Aan de Generale Kapittels die het dichtst bij zijn vijfenzeventigste verjaardag liggen, biedt de Generale Abt zijn ontslag aan.
C. 84 De raad van Vader Generaal
c 627,1
Vader Generaal wordt in zijn pastorale taak bijgestaan door een permanente raad die bevoegd is in zaken door het recht bepaald voor monniken en monialen.
ST 84.1.A
De raad van Vader Generaal bestaat uit vijf leden. Vier leden, voorgedragen door de regionale vergaderingen - namelijk twee monniken en twee monialen - worden gekozen door de Generale Kapittels, wanneer ze bijeen zijn. Hun verkiezing wordt vervolgens door elk van de twee Kapittels bevestigd. Hun mandaat duurt zes jaar, in die zin dat bij elk Generaal Kapittel de helft van de leden wordt vernieuwd. Het vijfde lid – monnik of moniale – wordt bij elk Generaal Kapittel gekozen door Vader Generaal en de vier reeds gekozen leden voor een mandaat van drie jaar. Deze leden worden gekozen in functie van hun deskundigheid en, onder andere kwaliteiten, om hun openheid naar de verschillende culturen. Zij moeten minstens veertig jaar oud zijn en tien jaar plechtig geprofest in de Orde.
C.79
ST 84.1.A bis
Tijdens hun mandaat verliezen de raadsleden van Vader Generaal hun passief stemrecht bij elke abts(abdis)keuze, behalve in hun eigen communiteit. Ze kunnen niet tot superior ad nutum benoemd worden behalve in hun eigen communiteit.
ST 84.1.B
De leden van de raad van Vader Generaal zijn tevens lid van de Centrale Commissie. Als deze vergadert, is zij de plenaire raad van Vader Generaal.
ST 84.1.C
Om juridisch geldig te handelen heeft Vader Generaal de toestemming van zijn raad nodig om: ST 80.J;
C.82.2
a. stichtingen goed te keuren en er de opening van een noviciaat toe te staan.
C.69.2
b. het ontslag van een abt te aanvaarden; b.bis. een abt van zijn ambt te ontheffen volgens de norm van ST 40.B.bis;
c. het proces van canonieke afzetting van een abt in te leiden;
d. het ontslag van een lid van de raad van Vader Generaal te aanvaarden en een opvolger te kiezen;
e. een klooster verlof te geven voor een handeling van buitengewoon beheer;
ST 44.2.A
f. in uitzonderlijke gevallen een communiteit te dispenseren van één of twee Kleine Uren van het Werk Gods;
ST 19.2.C
g. een broeder met plechtige geloften te laten overgaan naar een ander instituut, en ook leden met eeuwige geloften van een ander instituut over te laten komen naar onze Orde;
C.46.2; C.61
h. een monnik van de Orde een indult van exclaustratie te verlenen, maar voor niet langer dan drie jaar;
C.62.1
i. op verzoek van een abt de Heilige Stoel te vragen een broeder exclaustratie op te leggen; ST 38.B.e;
ST 62.1.A
j. een lid met tijdelijke geloften, omwille van een ernstige reden, te ontslaan van deze geloften.
C.63.1
k. toestemming te verlenen een priorij tot een hogere rang te verheffen omwille van ernstige redenen (cf. Statuut van de Stichtingen, n° 18);
l. in een dringend geval de sluiting van een stichting toe te laten (cf. Statuut van de Stichtingen, n° 20);
ST 84.1.D
Vader Generaal moet zijn raad horen om:
a. een novice te ontslaan van het tweede noviciaatsjaar;
ST 50.A
b. een Postulator Generaal te benoemen die de processen van zalig- en heiligverklaring, hem door de Orde toevertrouwd, behartigt;
ST 79.A.i
c. alvorens een verzoek tot uittreden van een monnik met plechtige geloften naar de Heilige Stoel door te sturen (cf. C. 64);
d. alvorens een verzoek tot exclaustratie van een monnik naar de Heilige Stoel door te sturen.
ST 84.1.E
In het geval van wegzending van een monnik zal Vader Generaal met zijn raad als college te werk gaan bij het afwegen van de argumenten ervoor en ertegen. De beslissing wordt bij geheime stemming genomen.
C.65; c 699,1
ST 84.1.F
Het verslag van de reguliere visitaties geeft Vader Generaal door aan de leden van de raad.
ST 84.1.G
Rekening houdend met de financiële mogelijkheden van elk klooster bepaalt Vader Generaal met zijn raad het aandeel van elk klooster in de kosten van het generalaat. Aan het Generaal Kapittel wordt het financieel beheer van het generalaat voorgelegd.
ST 84.1.H
Ieder gewoon Generaal Kapittel van de abten kiest onder de raadsleden van Vader Generaal een Procurator Generaal die, onder het gezag van Vader Generaal, de zaken van de Orde bij de Heilige Stoel behartigt tot aan het volgend Generaal Kapittel. Hij dient Vader Generaal op de hoogte te houden van alle kwesties die hij behandelt. Voor geen enkel lid van de Orde mag hij bij de Heilige Stoel enige volmacht of privileges aanvragen, tenzij met goedkeuring van Vader Generaal of tenminste van de overste van wie het aanvraagt. De abdissen nemen aan deze verkiezing deel als hun Generaal Kapittel tezelfdertijd als het Kapittel van de abten wordt gehouden (cf.C.79).
ST 84.1.I
Bij verhindering van Vader Generaal worden de lopende zaken intussen door de Procurator Generaal behandeld.
ST 84.1.J
In een bijzonder geval kan Vader Generaal een speciaal raadslid benoemen dat niet in Rome verblijft. Hij/Zij wordt gekozen onder de abten of abdissen van de regio waar de zaak zich voordoet. Naar het oordeel van Vader Generaal kan dit speciaal raadslid uitgenodigd worden om, ook met stemrecht, deel te nemen aan de vergadering van de raad van Vader Generaal.
C. 85 De abt van Cîteaux
De abt van Cîteaux behartigt de Ordeszaken bij het overlijden van de Generale Abt. Binnen de drie maanden roept hij de Centrale Commissies van de abten en abdissen samen, die tijdstip en agenda zullen bepalen van de Generale Kapittels die een nieuwe Generale Abt zullen moeten kiezen.
ST 85.A
Bij afwezigheid van Vader Generaal zit de abt van Cîteaux het Generaal Kapittel voor.
ST 85.B
Als ziekte of een andere oorzaak Vader Generaal zou verhinderen zijn ambt naar behoren te vervullen, onderzoekt de abt van Cîteaux de toestand met de hulp van deskundigen en vormt zich een oordeel. Als de zaak vaststaat, stelt hij terstond de Procurator Generaal op de hoogte en met diens goedkeuring overlegt hij binnen de maand met de Centrale Commissies van abten en abdissen wat gedaan moet worden.
c 193,1
ST 85.C
Als de zetel van Cîteaux vacant is, neemt de abt van het oudste dochterhuis de plaats in van de abt van Cîteaux.
CC 11,3
BESLUIT
C. 86 In de vreugde van de Heilige Geest
Dit zijn de Constituties en Statuten voor de monniken van de Cisterciënzerorde van de Stricte Observantie. Moge God door de adem van de Heilige Geest, de Trooster, bewerken dat de broeders ze onderhouden, bezield met broederlijke liefde en in trouw aan de Kerk. Zo zullen zij blijmoedig voortsnellen op de weg naar de volheid van de liefde, onder de bescherming van de heilige Maagd Maria, Koningin van Cîteaux.