Bronteksten
Achtste gesprek, tweede van abt Serenus: De heerschappijen
(Johannes Cassianus)
U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.
INHOUDSOPGAVE
- De gastvrijheid van abt Serenus
- Vraagstelling omtrent de verscheidenheid onder de boze geesten
- Antwoord. De veelvuldige spijs van de heilige Schriften
- De mogelijkheid van twee meningen bij het verstaan van de heilige Schrift
- De gestelde vraag behoort tot de dingen die niet geheel zijn uitgemaakt
- Niets is door God slecht geschapen
- De oorsprong van de Heerschappijen of Machten
- De val van de duivel en zijn engelen
- Een opwerping: De val van de duivel begon bij de verleiding van Eva
- Antwoord omtrent het begin van de val van de duivel
- Bedrieger en bedrogene worden beiden gestraft
- Het samendringen en het gewoel van de duivels in de lucht
- De boze engelen staan onderling even vijandig tegenover elkaar als zij staan tegenover de mensen
- Waarom de boze geesten de naam van machten of heerschap-pijen gekregen hebben
- Aan de heilige, hemelse krachten zijn niet zonder reden de namen van engelen of aartsengelen gegeven
- Dat de duivels hun vorsten onderdanigheid bewijzen, zoals blijkt uit het visioen van een der broeders
- Ieder mens wordt steeds door twee engelen vergezeld
- Het verschil in boosheid bij de helse geesten wordt beve-stigd door het getuigenis van twee wijsgeren
- De duivels vermogen niets tegen de mensen, als zij zich niet eerst meester maken van hun geest
- Een vraag omtrent de afvallige engelen, waarvan in het Boek der Schepping wordt verhaald, dat zij omgang hadden met de dochters der mensen
- Antwoord op de gestelde vraag
- Opwerping: Kon men de kinderen van Set hun vereniging met de dochters van Kaïn wel aanrekenen vóór het verbod van de Wet?
- Antwoord: Van het begin af waren de mensen onderhevig aan oordeel of straf krachtens de natuurwet
- Terecht werden degenen gestraft die vóór de zondvloed zondigden
- Hoe men verstaan moet wat het Evangelie van de duivel zegt: quia mendax est et pater eius
1. DE GASTVRIJHEID VAN ABT SERENUS
1. Toen na afloop van wat de plechtigheid van de dag eiste, de gemeenschap uit de kerk was heengegaan, keerden wij terug naar de cel van de grijsaard. Eerst genoten wij een voortreffelijke maaltijd. In plaats van de pekel die hij - onder toevoeging van een druppel olie - gewoon was bij zijn dagelijkse maaltijd te gebruiken, had hij een klein sausje gemaakt en de olie wat overvloediger toegevoegd.Die druppel olie sprenkelt iedereen altijd op zijn maaltijd, niet om enig genoegen te hebben van de smaak ervan; want het is zo weinig dat het nauwelijks de wegen van mond en keel kan passeren, laat staan zacht maken; doch men doet het om daardoor de ijdelheid te ontzenuwen die bij stengere onthouding ongemerkt en vleiend pleegt binnen te komen; het is tegen de prikkels van de hoogmoed. Want hoe meer de onthouding in het verborgen beoefend wordt, zonder dat een mens er getuige van is, des te subtieler bekoring bezorgt zij voortdurend aan degene die haar verbergt.
2. Voorts zette hij ons geroosterd zout voor, met voor elk drie olijven. Vervolgens nog een mandje met geroosterde grauwe erwten, die zij trogalia noemen. Wij namen er maar vijf van, alsmede ieder twee pruimen en één vijg. Dit getal te boven gaan zou in die woestijn een zonde zijn.Toen wij na deze maaltijd hem opnieuw begonnen te vragen om de beloofde bespreking van onze vraag, zei de grijsaard: Zet uw kwestie uiteen, waarvan wij het onderzoek tot nu hebben uitgesteld.
2. VRAAGSTELLING OMTRENT DE VERSCHEIDENHEID ONDER DE BOZE GEESTEN
Toen sprak Germanus: Waar komt de zo grote verscheidenheid en menigvuldigheid vandaan van de vijandige machten die tegenover de mens staan, waarvan de zalige Apostel de volgende opsomming geeft: Onze strijd gaat niet tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelen (Ef. 6,12). En nogmaals: Engelen noch heerschappijen noch krachten, noch enig ander schepsel is bij machte om ons te scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jesus, onze Heer (Rom. 8,38-39).Waar komt toch dat leger van tegenstanders vandaan, naijverig op ons en zo vol boosheid? Moet men geloven dat die machten dáártoe door de Heer geschapen zijn dat zij egen de mens in hun graden en rangen zouden strijden?
3. ANTWOORD. DE VEELVULDIGE SPIJS VAN DE HEILIGE SCHRIFTEN
1.Het gezag van de goddelijke Schrift heeft van de waarheden die zij ons wil leren, bepaalde, ook voor hen die een scherp verstand missen, helder en duidelijk gezegd, die niet door de duisternis van een geheimere zin zijn versluierd en geen enkele hulp van uitleg nodig hebben: waarvan woord en letter onmiddellijk de zin en de betekenis geven. Andere zijn daarentegen zo bedekt en vol geheime duisternis, dat ze voor het onderzoek en het begrip een heel veld openen van oefening en inspanning.
2. Het is duidelijk dat God dit om vele redenen zo geordend heeft. Ten eerste mochten de goddelijke geheimen niet doordat zij door geen sluier van een geestelijke zin verborgen zouden worden, gelijkelijk blootliggen voor de kennis en het begrip van alle mensen, gelovigen en profanen; zodoende zou er geen verschil in deugd en verstandigheid bestaan tussen de luien en de ijverigen. Voorts met het oog op de gelovigen zelf: doordat onmetelijke gebieden voor hun begrip openliggen, kan nu de luiheid van de werkelozen worden aangeklaagd en het vuur en de ijver van de werkers erkend.
3. In dit verband kan men de goddelijke Schrift heel juist vergelijken met een vruchtbaar land. Dit brengt veel voort wat zonder enige toebereiding door het vuur de mensen tot voedsel kan dienen; maar bepaalde dingen zouden ongeschikt of schadelijk blijken voor menselijk gebruik als ze niet eerst door de hitte van de vlammen zacht en week werden gemaakt en de hardheid van hun rauwe toestand verloren. Er groeien echter ook dingen die voor beiderlei gebruik geschikt zijn: die ongekookt, rauw, niet onaangenaam zijn of slecht bekomen, maar die op het vuur gekookt toch gezonder worden. Heel wat, ten slotte, dient slechts tot voedsel aan de redeloze beesten, de lastdieren, de wilde dieren, de vogels; dat voor mensen niet eetbaar is, maar dat aan de dieren, zo rauw als het is en niet door het vuur bereid, kracht en gezondheid geeft.
4. Deze situatie zien we duidelijk in het welige paradijs der gewijde Schriften. Sommige dingen schitteren daar, in hun letterlijke zin, klaar en helder: ze hebben geen hogere uitleg nodig, maar enkel eenvoudig letterlijk genomen weiden en voeden ze de hoorders overvloedig. Dat is bijvoorbeeld dit: Hoor, Israël; de Heer uw God is de enige Heer; en: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, en met geheel uw kracht (Dt. 6,4.5).Andere dingen echter zouden, als ze niet door een allegorische uitleg werden verfijnd en door een onderzoek met geestelijk vuur verzacht, de inwendige mens volstrekt geen gezonde spijs bieden zonder bederf, en het eten ervan zou eerder schade tot gevolg hebben dan nut. Dat is bijvoorbeeld dit: Houdt uw lenden omgord en de lampen brandend (Lc. 12,35); en: Laat hij die geen zwaard bezit,zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen (Lc. 22,36). En: Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig (Mt. 10,38).
5. Enkele van de strengsten onder de monniken, die wel haddeneen ijver voor God, maar niet gepaard aan inzicht (Rom. 10,2), hebben dit laatste woord heel naïef opgevat en zich houten kruisen gemaakt, die ze voortdurend op hun schouders meedroegen, niet tot stichting maar voor de lachlust van allen die het zagen.Bepaalde dingen zijn geschikt voor beiderlei gebruik: men kan ze passend en natuurlijk zowel historisch als allegorisch nemen: beide soorten van uitleg schenken levenssappen aan de ziel. Dat is bijvoorbeeld dit: Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe (Mt. 5,39). En: Wanneer men u in de ene stad vervolgt, vlucht dan naar een andere (Mt. 10,23). En: Wilt ge volmaakt zijn, ga, verkoop al wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen (Mt. 19,21).
6. Ten slotte brengt het land van de Schriften ook gras voor de dieren voort (Ps. 104,14); daarvan staat het overal vol, namelijk de eenvoudige, louter historische verhalen. De meer eenvoudigen, die minder in staat zijn het volmaakte en volledige te begrijpen, van wie gezegd wordt: Mensen en dieren zult Gij redden, Heer (Ps. 36,7), vinden hierin, in overeenstemming met hun staat en hun vermogen, slechts kracht en energie voor de werken en de inspanning van het actieve leven.
4. DE MOGELIJKHEID VAN TWEE MENINGEN BIJ HET VERSTAAN VAN DE HEILIGE SCHRIFT
1. Over de dingen dus die openlijk zijn uitgesproken, kunnen ook wij ons standpunt met zekerheid bepalen en met durf geven. Maar de dingen die de goddelijke Geest verborgen in de heilige Schrift heeft geplaatst, te onzer overweging en onderzoeking, en waarvan Hij wilde dat wij er slechts door bepaalde sporen en vermoedens toe zouden concluderen: díe moet men voorzichtig, stapje voor stapje, bespreken, zodat de aanvaarding en bevestiging ervan een kwestie blijft van het eigen oordeel van hem die luistert, zoals zij het is voor hem die spreekt.
2. Inderdaad kan men soms, wanneer er over een zaak verschillende opinies te berde worden gebracht, ze allebei redelijk achten en ze zonder schade voor het geloof ofwel vast aannemen ofwel in het midden laten, dat wil zeggen dat men ze noch geheel gelooft noch volstrekt verwerpt: de ene opinie doet dan geen afbreuk aan de andere, aangezien zij geen van beide met het geloof in strijd blijken.Zodanig is bijvoorbeeld de kwestie dat Elia gekomen is in Johannes en dat hij nogmaals aan de komst van de Heer zal voorafgaan; de kwestie van de gruwel der verwoesting, welke op de heilige plaats heeft gestaan door het beeld van Juppiter dat, zoals we lezen, te Jerusalem in de tempel werd geplaatst, en welke opnieuw zal staan in de Kerk door de komst van de Antichrist.Alles voorts wat er in het evangelie volgt, kan men verstaan als vervuld bij de inname van Jerusalem of als te vervullen bij het einde van de wereld. In deze kwesties is de ene opinie niet strijdig met de andere, maakt de eerste wijze van verstaan de tweede niet zinloos.
5. DE GESTELDE VRAAG BEHOORT TOT DE DINGEN DIE NIET GEHEEL ZIJN UITGEMAAKT
Keren we terug tot de door u gestelde vraag. Mogelijk wordt zij onvoldoende en niet veelvuldig genoeg onder de mensen besproken en is zij voor de meesten niet duidelijk, zodat hetgeen wij gaan zeggen, sommigen wellicht twijfelachtig zal voorkomen. Derhalve moet ik mijn standpunt matigen en de kwestie rekenen bij de dingen die niet geheel zijn uitgemaakt. Dit schaadt per slot van rekening het geloof in de heilige Drievuldigheid niet. Niettemin is ons standpunt geen mening die steunt op vermoedens en veronderstellingen, doch alles moge bewezen worden met duidelijke getuigenissen uit de Schriften.
6. NIETS IS DOOR GOD SLECHT GESCHAPEN
Het zij verre van ons te beweren dat God iets geschapen heeft dat slecht is in zich, want de Schrift zegt: Al wat God gemaakt had, was zeer goed (Gen. 1,31). Als de boze machten door God zo geschapen zijn en ervoor gemaakt om hun rangen van boosheid in te nemen en altijd doende te zijn de mensen te misleiden en te verderven, dan is dit in strijd met het genoemde Schriftwoord en werpen we op God de blaam van schepper en uitvinder van het kwaad, als zou Hij zelf de slechte wil en de kwaadaardigheid geschapen hebben, met de bedoeling dat ze altijd in de boosheid zouden volharden en nooit zouden kunnen overgaan tot een goede gesteltenis.Voor hun verscheidenheid hebben we de volgende grond, ons door de Vaders overgeleverd uit de bron van de Heilige Schrift.
7. DE OORSPRONG VAN DE HEERSCHAPPIJEN OF MACHTEN
1. Niemand van de gelovigen twijfelt eraan dat God vóór de schepping van de zichtbare wereld de geestelijke en hemelse krachten heeft gemaakt. Deze zouden, omdat ze wisten dat ze door de goedheid van de Schepper uit het niets waren voortgebracht voor de heerlijkste zaligheid, Hem eeuwig dank mogen brengen en zich wijden aan zijn lof.
2. Wij moeten inderdaad niet menen, dat God zijn schepping en werk eerst begonnen is met de grondvesting van deze wereld: alsof in de talloze eeuwen daarvoor zijn voorzienigheid en zijn goddelijk bestuur totaal werkeloos geweest zouden zijn; alsof men moet aannemen dat Hij niemand had om de weldaden van zijn goedheid aan te bewijzen, eenzaam, zonder iets te geven. Dat zou over die onmetelijke, eeuwige, ondoorgrondelijke majesteit wel erg laag en ongepast gedacht zijn. En de Heer zelf zegt over die machten dit: Toen de sterren tesamen gemaakt werden, loofden Mij met luide stem al mijn engelen (Job 38,7 naar LXX).
3. Als zij dus aanwezig waren bij de schepping van de sterren, dan is daarmee volkomen duidelijk bewezen dat zij vóór den beginne, waarin hemel en aarde gemaakt werden, geschapen waren. Want zij loofden de Schepper luide, vol bewondering voor al die zichtbare schepselen, die ze uit het niets te voorschijn zagen komen.Het lijdt derhalve geen twijfel: vóór het begin van de tijd dat door Moses vernoemd is en dat volgens de historische en joodse zin de leeftijd van de wereld aangeeft (met behoud evenwel van ónze zin, volgens welke Christus het begin van alle dingen is, in wie de Vader alles geschapen heeft, zoals er staat: Alles is door Hem geworden, en zonder Hem is niets geworden (Joh. 1,3))vóór dat begin dus van de tijd, zei ik, zoals Genesis het geeft, had God al die Machten en hemelse Krachten geschapen.
4. De Apostel geeft er in volgorde deze opsomming van: Want in Hem is alles geschapen, in de hemelen en op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, Engelen en Aartsengelen, Tronen en Hoogheden, Heerschappijen en Machten. Alles is door Hem en in Hem geschapen (Kol. 1,16).
8. DE VAL VAN DE DUIVEL EN ZIJN ENGELEN
1. Dat nu van het getal van deze engelen enige vorsten zijn gevallen, leert ons duidelijk het klaaglied van Ezechiël en van Jesaja. We horen daarin het jammeren en wenen over de vorst van Tyrus en over Lucifer die des ochtends opging.
2. Over de eerste spreekt de Heer aldus tot Ezechiël: Mensenkind, ge moet over de vorst van Tyrus een klaaglied aanheffen, en hem zeggen: Zo spreekt God de Heer: Gij waart het zegel van Gods gelijkenis, vol wijsheid, volmaakt in schoonheid; ge waart in de geneugten van het paradijs van God. Allerlei kostbare stenen vormden uw gewaad: kornalijn, topaas, japis, chrysoliet; onyx en beril, saffier, karbonkel en smaragd; in goud gezet,tot uw sieraad, op de dag dat gij geschapen werd. Gij waart een cherub met uitgespreide vleugels om te beschermen, en Ik plaatste u op de heilige berg van God: ge wandelde tussen vurige stenen. Ge waart volmaakt op uw wegen vanaf de dag van uw schepping, totdat de ongerechtigheid in u werd gevonden. In uw uitgebreide handel is uw binnenste vervuld van ongerechtigeheid en hebt ge gezondigd. En Ik verdreef u van de berg van God, en Ik bracht u ten onder, o beschermende cherub, uit het midden van de vurige stenen. Uw hart heeft zich verheven op uw pracht: ge hebt uw wijsheid vergooid om uw luister. Op de aarde heb Ik u neergeworpen,u voor het gezicht van koningen te kijk gesteld. Door uw vele ongerechtigheden, door de ongerechtigheid van uw handel, hebt ge uw heiligdom ontwijd (Ez. 28,11-18).
3. En over de andere, Lucifer, zegt Jesaja: Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, Lucifer, die des ochtends opging? Hoe zijt ge op aarde neergestort, die de volkeren sloeg? Ge hebt in uw hart gezegd: Ik klim naar de hemel, boven de sterren van God verhef ik mijn zetel; ik zet mij neer op de berg van het verbond, in het noorden. Ik stijg op boven de hoge wolken,ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste (Jes. 14,12-14).De Schrift vermeldt dat zij niet alléén van die hoogte van het zalige verblijf zijn neergestort: de draak sleurde een derde deel van de sterren met zich mee (vgl. Opb. 12,4). Eén van de apostelen zegt nog duidelijker: De engelendie hun hoge rang niet hebben bewaard en hun woonstede verlaten hebben, houdt Hij met eeuwige boeien vast in de duisternis voor het gericht van de grote Dag (Jud. 6).
4. En voorts dit, wat tot ons gezegd wordt: Gij echter zult sterven als mensen, en als een van de vorstenzult ge vallen (Ps. 82,7). Wat betekent dit anders dan dat er vele vorsten gevallen zijn?Afgaande op deze teksten kan men voor de bovengenoemde verscheidenheid der boze geesten deze grond aangeven: hun verschillen in rangorde, die de vijandelijke machten, juist zoals de heilige en hemelse krachten, heten te bezitten, komen voort uit het feit dat zij de oude rang waarin elk van hen werd geschapen, hebben bewaard; ofwel die verschillen zijn ontstaan doordat zij, neerstortend uit de hemel, de graden en de rangnamen in tegenovergestelde richting hebben aangenomen, overeenkomstig de maat van boosheid waartoe elk van hen is gekomen, naar analogie van de geesten die in de hemel hebben volhard.
9. EEN OPWERPING: DE VAL VAN DE DUIVEL BEGON BIJ DE VERLEIDING VAN EVA
Toen zei Germanus: Wij hebben tot nu toe gedacht, dat de oorzaak en het begin van de val of overtreding van de duivel, waardoor hij uit zijn rang van engel werd neergestort, bijzon-der gelegen was in de afgunst, toen hij met jaloerse geslepen-heid Adam en Eva bedroog.
10. ANTWOORD OMTRENT HET BEGIN VAN DE VAL VAN DE DUIVEL
1. Toen zei Serenus: Neen, daar lag niet het begin van zijn overtreding of van zijn verwerping, zoals blijkt uit het Boek der Schepping, dat hem reeds vóór hun verleiding met de naam slang meende te moeten brandmerken: Nu was de slang verstandi-ger, of gelijk de Hebreeuwse Boeken het uitdrukken, sluwer dan alle dieren der aarde, die God de Heer had gemaakt (Gen. 3,1).Ge ziet dus, dat hij reeds voor hij de eerste mens bedroog, de heiligheid der engelen had verloren, zodat hij niet alleen met de schande van deze naam verdiende gemerkt te worden, maar ook door het listige van zijn boosheid boven de andere dieren der aarde werd gesteld. De Schrift zou voorzeker een goede engel niet met zo'n naam hebben aangeduid, noch van hen, die in hun eerste geluk volhardden, gezegd hebben: De slang nu was ver-standiger dan alle dieren der aarde (Gen. 3,1).
2. Want deze bijnaam is niet alleen op Gabriël of Michaël niet van toepassing, maar zou zelfs ongeschikt zijn voor een fatsoenlijk mens.Het is dus heel duidelijk, dat én de naam slang én de verge-lijking van de dieren niet de waardigheid van een engel aan-duiden, maar de eerloosheid van een overtreder.Maar er is nog meer. De afgunst van de duivel, die hem aanzet-te om de mens door zijn bedrog te verleiden, vond juist haar oorzaak in zijn vroegere val: indachtig de vorstelijke hoogte vanwaar hij neerstortte zag hij nu daartoe de mens geroepen, pas uit het slijk der aarde gevormd.
3. Zo is op zijn eerste zonde waarin hij door hoogmoed was komen te vallen, waardoor hij ook de naam slang had verdiend, een tweede val, namelijk zijn afgunst, gevolgd. Nog was hij in staat zich op te rich-ten, met de mens te praten en te overleggen, maar het recht-vaardig vonnis van de Heer sloeg hem heel en gans ter neer, zodat hij voortaan niet meer kon opzien zoals vroeger, noch een rechte houding aannemen, maar veroordeeld werd op zijn buik over de grond te kruipen en diep vernederd zich te voeden met het stof der zonden. Tot nu toe was hij een verborgen vijand van de mens, maar God maakt hem publiek en stelt een nuttige vijandschap en een heilzame tweedracht in tussen beiden, opdat de mens hem voortaan als schadelijke tegenstan-der zou mijden en hem de kans ontnemen van nog verder door bedriegelijke vriendschap te schaden.
11. BEDRIEGER EN BEDROGENE WORDEN BEIDEN GESTRAFT
1. Wij moeten hieruit vooral ook deze les leren, niet te luiste-ren naar slechte raadgevingen, want al wordt de eigenlijke bedrieger ook naar behoren veroordeeld en gestraft, toch gaat ook de verleide niet vrijuit, hoewel hem een minder strenge boete wordt opgelegd dan de eigenlijke bedrieger. Dit kunnen wij hier heel duidelijk zien. Want Adam ie verleid werd, of liever die volgens het woord van de Apostel niet werd verleid, maar luisterde naar de verleide vrouw en zich tot zijn ongeluk bij haar instemming aansloot (vgl. 1Tim. 2,14), deze Adam nu ziet zich veroordeeld, maar slechts tot de arbeid in het zweet van zijn aanschijn, en deze straf ontvangt hij niet door zijn eigen vervloeking, maar door de vervloeking en de onvrucht-baarheid der aarde.
2. De vrouw die hem daartoe aanspoorde wordt gekastijd door vermenigvuldiging van zuchten en smarten en droefheid, terwijl zij bovendien ook altijd onder de macht van de man zal staan. De slang echter als eerste aanstoker van de belediging wordt met een eeuwige vervloeking getroffen.Men moet zich dus met de uiterste zorg en voorzichtigheid in acht nemen voor verkeerde raadgevingen, want zoals ze de raadgever doen straffen, zo laten zij ook de bedrogene niet zonder zonde noch zonder kastijding.
12. HET SAMENDRINGEN EN HET GEWOEL VAN DE DUIVELS IN DE LUCHT
1. Met zo'n dichte menigte van boze geesten is deze lucht gevuld die tussen hemel en aarde verspreid is en die ze heus niet rustig en werkeloos doorkruisendat het voor ons mensen heel nuttig is, dat de goddelijke voorzienigheid ze aan onze blik-ken heeft onttrokken. Het schrikwekkende immers van hun samen-komst of het afgrijselijke van hun gedaanten die zij naar willekeur kunnen aannemen, zouden de mensen zeker door een ondragelijke vrees ontsteld en van streek gebracht hebben, want ogen van vlees zijn niet in staat zoiets te zien. Ofwel hun voortdurend voorbeeld zou ze tot navolging hebben aange-spoord en ze daardoor bezoedeld en met de dag slechter gemaakt hebben, waardoor men tussen de mensen en de onzuivere machten der lucht een misdadige vertrouwelijkheid en een verderfelijke omgang had zien ontstaan. Ook nu gebeurt er voorzeker groot kwaad onder de mensen, maar de muren der huizen, de onderlinge afstanden en het gevoel van schaamte houden het bedekt.
2. Moest dit evenwel voortdurend openlijk zichtbaar zijn, dan was de hartstocht voor het kwaad nog veel heviger. Er is immers geen ogenblik waarop de duivels niet met deze zonden worden bezig gehouden, want zij zijn niet onderhevig aan de vermoeidheid van het lichaam zoals wij, noch aan de zorg voor huiselijke belangen of voor het verdienen van het dagelijks levensonder-houd, waardoor wij wel eens van onze plannen moeten afzien, hoezeer soms ook tegen onze zin.
13. DE BOZE ENGELEN STAAN ONDERLING EVEN VIJANDIG TEGENOVER ELKAAR ALS ZIJ STAAN TEGENOVER DE MENSEN
1. Het lijdt niet de minste twijfel dat de duivels dezelfde vijandigheid waarmede zij de mensen bestrijden, ook onderling aan elkaar betonen. Zij hebben namelijk sommige volken onder hun hoede genomen, die zich in hun boosheid door nauwe banden van lijfeigenschap aan hen wilden onderwerpen, en dit wordt een bron van strijd en twist en van oorlog zonder einde.Een heel duidelijk voorbeeld hiervan vinden wij in een visioen van de profeet Daniël, waar de engel Gabriël het volgende zegt: Daniël, wees niet bang; want van de eerste dag af, dat gij er uw hart op gezet had, om inzicht te krijgen en u voor God te vernederen, zijn uw woorden aanhoord en ben ik vanwege uw woorden gekomen. Maar de vorst van het koninkrijk Perzië weerstond mij één en twintig dagen; doch zie, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam mij te hulp en ik bleef daar bij de koning der Perzen. Welnu, ik ben gekomen om u te doen weten, wat het volk zal overkomen aan het einde der dagen (Dan. 10,12-14).
2. Zonder de minste twijfel was deze vorst van het rijk der Perzen een tegenstrevende macht, die gunstig gestemd was jegens het Perzische volkmaar vijandig stond tegenover het volk van God. Als hij zag dat door het dienstbetoon van de aartsengel een oplossing komen zou in de zaak, waarvoor de profeet tot de Heer had gebeden, wilde hij het nuttigste gevolg hiervan beletten. Hij versperde nu de weg uit vrees dat het heilzame troostwoord van de engel te spoedig bij Daniël zou komen en het volk van God versterken, aan wiens hoofd de aartsengel Gabriël stond. En deze laatste zei, dat hij zelfs toen niet tot de profeet zou hebben kunnen komen vanwege de hevigheid van het verzet, als de aartsengel Michaël hem niet was komen helpen door zich op te stellen tegen de vorst der Perzen en hem al strijdende tegen te houden en Gabriël tegen diens slagen te verdedigen, zodat deze eindelijk na één en twintig dagen de profeet kon gaan onderrichten.
3. Een weinig verder herneemt de profeet: En de engel zei: Weet gij waarom ik tot u ben gekomen? En nu ga ik weer strijden met de vorst der Perzen. Want toen ik heenging kwam de vorst der Grieken daar ineens. Maar ik zal u meedelen hetgeen geschreven staat in het ´Boek der Waarheid:En niemand is mijn helperin dit alles tenzij Michaël uw vorst (Dan. 10,20-21). En wederom: In die tijd zal Michaël, de grote vorst, opstaan, die de zonen van uw volk bijstaat (Dan. 12,1).
4. Wij lezen dus ook van een ander, die op dergelijke wijze de vorst der Grieken wordt genoemd; als begunstiger van het volk dat hem onderworpen was toonde hij zich vijandig zowel tegen het volk van God als tegen de natie der Perzen.Duidelijk kan men uit dit alles opmaken, dat de onenigheden, de twisten en de naijver, waartoe de volken door de vijandige machten worden opgehitst, ook bestaan onder deze machten zelf. Gelijk de zegepraal van hun beschermeling hen met vreugde vervult, zo doet diens nederlaag hun leed en daarom kunnen zij onderling niet in vrede leven want elk van hen komt op voor zijn eigen volk en strijdt met rusteloze ijver tegen de be-schermgeest van een andere natie.
14. WAAROM DE BOZE GEESTEN DE NAAM VAN MACHTEN OF HEERSCHAP-PIJEN GEKREGEN HEBBEN
1. Dat de boze geesten ook heerschappijen of machten heten, kunnen we, behalve uit de boven uiteengezette gedachten, ook duidelijk verklaren uit het feit, dat zij over de verschillen-de volken heersen en aanvoerder zijn, of uit het feit dat zij hun heerschappij doen gelden over de lagere geesten en demo-nen, waarvan er legioenen zijn, zoals het evangelie door hun eigen uitspraak getuigt (vgl. Lc. 8,30). Zij kunnen immers geen machten genoemd worden als zij niemand hebben om er hun macht over uit te oefenen; zij kunnen geen heerschappijen of vorsten heten als er niemand is over wie zij zich de heer-schappij toekennen.
2. We vinden dat ook duidelijk in het evangelie aangegeven, door de godslasterende Farizeeën: Door Beëlzeboel, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit (Lc. 11,15). Ze heten ook beheersers van de duisternis (Ef. 6,12), en één wordt er de vorst van deze wereld genoemd (Joh. 14,30).Maar deze rangen, zo verzekert de zalige Apostel, zullen in de toekomst, wanneer alles aan Christus onderworpen zal zijn, verdwijnen: wanneer Hij het koningschap, zo zegt hij, aan God de Vader zal overdragen,na alle heerschappijen en machten en hoogheden te hebben onttroond (1Kor. 15,24). En dat zal niet anders gebeuren dan doordat diegenen over wie zij nu, zoals wij weten, hun macht en heerschappij uitoefenen, aan hun zeggingschap zullen worden onttrokken.
15. AAN DE HEILIGE, HEMELSE KRACHTEN ZIJN NIET ZONDER REDEN DE NAMEN VAN ENGELEN OF AARTSENGELEN GEGEVEN
Ook aan het goede deel zijn diezelfde rangnamen gegeven, niet zonder recht en reden, dit lijdt geen twijfel; het zijn namen die functies of verdiensten of waardigheden aangeven.Want het is duidelijk dat de engelen, dit is boden, zo genoemd worden wegens hun taak boodschappen over te brengen. De naam aartsengelen zegt dat zij aan het hoofd van de engelen staan; de machten heten zo omdat zij over anderen macht hebben; de heerschappijen omdat zij van bepaalde anderen heer zijn; de tronen omdat zij nauw met God verbonden zijn, intiem en ver-trouwelijk met Hem omgaan: waardoor de goddelijke majesteit op hen als op een troon meer bijzonder rust en in zekere zin sterker op hen leunt.
16. DAT DE DUIVELS HUN VORSTEN ONDERDANIGHEID BEWIJZEN, ZOALS BLIJKT UIT HET VISIOEN VAN EEN DER BROEDERS
1. De onreine geesten worden bestuurd door nog slechtere machten dan zijzelf zijn en ze zijn aan deze onderdanig. Tot staving van dit feit hebben wij niet alleen de getuigenissen der Heilige Schrift, bijvoorbeeld het antwoord van onze Heer op de lasterpraat van de Farizeeën en dat wij in het Evangelie lezen: Als Ik door Beëlzebub, de vorst van de duivels, de duivels uitdrijf, ... (Lc. 11,19); maar ook de duidelijke visioenen der heiligen en hun rijke ondervinding leren ons veel.Eén van onze broeders was eens op reis in deze woestijn. Het werd avond en hij vond daar een hol waar hij binnentrad om er de synaxis van de Vespers te vieren. Terwijl hij daar op de gewone wijze de psalmen zingt, wordt het na twaalven.
2. Na zijn officie leunt de broeder wat achterover om zijn vermoeid lichaam enige rust te gunnen, als hij daar plotseling ontelba-re scharen duivels bemerkt die van alle kanten toestromen. Het was een eindeloze menigte die dicht opeen in een lange rij voorbijtrok, sommigen vóór, anderen achter hun vorst. Deze kwam eindelijk ook en zijn hoge gestalte stak boven al de anderen uit, terwijl hij er nog schrikwekkender uitzag dan zij. Er werd een troon opgericht en hij zette zich daarop neer als op een verheven rechterstoel, om ieders handelingen aan een zorgvuldig onderzoek te onderwerpen. Degenen die zeiden dat zij hun tegenstanders niet hadden weten te bedriegen, deed hij, als ongeschikt en laf, voor zijn aanschijn wegjagen, terwijl zij met smaad en scheldwoorden werden overladen en hij hun briesend van woede verweet, hoeveel tijd zij met hun ijdele pogingen hadden verspild. Zij echter die berichtten dat ze de hun toegewezen zielen hadden verleid, werden door hem met de hoogste lofprijzingen overstelpt, temidden van de vervoering en de toejuichingen van allen. Toen zond hij ze weer heen, in het openbaar met roem beladen als dappere strij-ders en tot voorbeeld gesteld voor allen.
3. Onder hen bevond zich ook een bijzonder boosaardige geest, die opgeruimder dan de anderen naar voren trad, want hij kon bogen op een heel bijzondere zegenpraal. Hij noemde de naam van een goed bekende monnik en zei dat hij hem al vijftien jaar lang aanhoudend had lastig gevallen. Nu had hij dan eindelijk over hem gezegevierd en hem in diezelfde nacht doen vallen in een zonde van ontucht. Niet alleen had hij hem tot zonde verleid met een godgewijde maagd, maar hem ook overreed haar als vrouw bij zich te houden. Bij dit verhaal barstten allen in een ontzaglijk vreugdegeroep los en de vorst der duisternis prees hem uitbundig en liet hem met lof gekroond gaan.
4. Intussen was het dageraad geworden. En toen heel deze menigte duivels zich aan zijn blik had onttrokken, begon de broeder te twijfelen aan de bewering van de boze geest. Ja, hij werd zelfs kwaad, dat deze hem volgens ouder gewoonte iets op de mouw had willen spelden om een onschuldige monnik als ontucht-ige overtreder te brandmerken. Het evangeliewoord schoot hem te binnen: Hij bleef in de waarheid niet staan, want er is geen waarheid in hem. Als hij leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, want hij is een leugenaar en de vader daarvan (Joh. 8,44). Hij ging naar Pelusium waar hij wist dat de monnik woonde die de onreine geest volgens zijn bewering ten val had gebracht en die hij overigens ook goed kende. Toen hij hem daar wilde spreken, vernam hij dat in dezelfde nacht waarin de afzichtelijke duivel diens val aan zijn consorten en hun vorst had verteld, de monnik zijn klooster had verlaten en naar het dorp was gegaan om daar met de genoemde maagd rampzalig in zonde te vallen.
17. IEDER MENS WORDT STEEDS DOOR TWEE ENGELEN VERGEZELD
1. Elk onzer wordt vergezeld door twee engelen, een goede en een boze: dit leert ons de Heilige Schrift. Aangaande de goede zegt de Zaligmaker: Zorgt ervoor dat ge geen van deze kleinen geringacht, want Ik zeg u, hun engelen in de hemel zien altijd het aanschijn van mijn Vader die in de hemel is (Mt. 18,10). Op hen slaat ook de volgende schriftuurtekst: 's Heren engel omgeeft met zijn tegenwoordigheid degenen die Hem vrezen en hij redt ze (Ps. 34,8). En dan dat woord in de Handelingen, waarin van Petrus gezegd wordt: Het is zijn engel (Hand. 12,15).Het »Boek van de Herder«geeft omtrent beiden een zeer uitvoeri-ge leer.
2. Als wij daarentegen letten op de duivel die de heili-ge man Job bekoorde, zullen wij duidelijk zien, dat het één en dezelfde is, die hem tot nu toe strikken spande zonder hem ten val te kunnen brengen, en die daarom de Heer macht over hem vroeg, want hij wist wel dat zijn nederlaag niet aan de kracht van zijn tegenstander was te wijten, maar aan de verdediging van de Heer, die hem voortdurend beschermde. Tenslotte wordt er ook van Judas gezegd: Moge de duivel staan aan uw rechter-hand (Ps. 109,6).
18. HET VERSCHIL IN BOOSHEID BIJ DE HELSE GEESTEN WORDT BEVE-STIGD DOOR HET GETUIGENIS VAN TWEE WIJSGEREN
1. Dat de duivels onderling niet allen gelijk zijn, hieromtrent hebben wij ook veel licht gekregen door die twee wijsgeren die eertijds met toverkunsten óf hun machteloosheid óf hun kracht en woeste boosheid dikwijls hadden beproefd.Vol minachting voor de heilige Antonius, als een onwetend en ongeletterd man, en begerig hem (als ze niet meer konden kwetsen) althans door toverkunsten en bedrog van duivels uit zijn cel te jagen, zonden zij heel kwaadaardige geesten op hem af, tot deze aanval gedreven door bittere afgunst, vooral omdat dagelijks een menigte mensen zich om de dienaar Gods verdrong.
2. Maar hij maakte nu eens het kruisteken op het voorhoofd en borst en ging dan weer vurig bidden en smeken, zodat die heel kwaadaardige duivels hem zelfs niet durfden naderen en zonder enig resultaat tot hun lastgevers moesten terugkeren. Nu zonden ze anderen, nog geweldiger in boosheid dan de vorigen, op hem af, maar ook dezen verspilden nutteloos hun kracht en moesten onverrichterzake terugkeren. Voor de derde keer kregen nog machtiger geesten opdracht tegen de zegevierende strijder van Christus, en ook zij vermochten volstrekt niets tegen hem. Al die grote hinderlagen, met de hulp van allerlei toverkun-sten gelegd, dienden slechts, om allerduidelijkst de grote kracht te laten zien die de christelijke godsdienst bezit. Deze zo wrede en machtige geesten, die volgens de wijsgeren wel in staat waren zon en maan te verduisteren, konden noch-tans de heilige Antonius niet alleen volstrekt geen letsel toebrengen, maar hem ook niet maar voor een ogenblik zijn klooster doen verlaten.
19. DE DUIVELS VERMOGEN NIETS TEGEN DE MENSEN, ALS ZIJ ZICH NIET EERST MEESTER MAKEN VAN HUN GEEST
1. De wijsgeren, vol verbazing hierover, gingen aanstonds abt Antonius opzoeken en openbaarden hem de hevige aanvallen die zij tegen hem hadden gericht en dat de oorzaak van hun hinder-lagen hun verborgen naijver was geweest. Nu verlangden zij aanstonds christen te mogen worden.De heilige Antonius vroeg echter op welke dag deze aanvallen hadden plaatsgehad, en verzekerde hun dat hij toen inderdaad door zeer hevige innerlijke bekoringen was gekweld.
2. Hiermee wordt door hem tevens een nieuw bewijs geleverd voor hetgeen wij gisteren in de conferentie zeiden, dat namelijk de duivels zich van niemands geest of lichaam meester kunnen maken, noch binnen kunnen dringen in een ziel, als zij haar niet eerst van alle heilige gedachten en inwendige beschouwing hebben beroofd en ontledigd.Men dient ook te weten dat de onreine geesten op twee manieren aan de mensen gehoorzamen: ófwel door Gods genade en kracht worden zij onderworpen aan de heiligheid der gelovigen, ófwel zij laten zich winnen door de offers der goddelozen en door sommige toverformules, als om vertrouwde vrienden ter wille te zijn.
3. Deze mening misleidde ook de Farizeeën toen zij dachten dat zelfs onze Heer en Verlosser door dergelijke kunsten de duivels bevelen gaf, en zij zeiden: Door Beëlsebub, de vorst der duivels, drijft hij de duivels uit (Lc. 11,15). Zo was het namelijk het gebruik van hun magiërs en tovenaars, aan de Farizeeën welbekend, om de naam Beëlzebub aan te roepen en hem offers op te dragen, waarvan zij wisten, dat ze hem aangenaam waren, om aldus als zijn huisgenoten ook macht uit te oefenen over de duivels die hem waren onderworpen.
20. EEN VRAAG OMTRENT DE AFVALLIGE ENGELEN, WAARVAN IN HET BOEK DER SCHEPPING WORDT VERHAALD, DAT ZIJ OMGANG HADDEN MET DE DOCHTERS DER MENSEN
Toen zei Germanus: Daarstraks hebt u volgens Gods schikking een plaats uit Genesis aangehaald, die ons in herinnering bracht u een vraag te stellen omtrent iets wat wij steeds graag wilden weten. Wat moet men namelijk denken van die afvallige engelen waarvan gezegd wordt dat zij vleselijke omgang met de dochters der mensen hadden (Gen. 6,2)? Kan dit van geestelijke wezens volgens de letterlijke zin worden verstaan?Ook zouden wij uw uitleg willen horen van de evangelietekst, daarstraks door u zelf aangehaald met betrekking tot de dui-vel: Want hij is een leugenaar en zijn vader (Joh. 8,44). Wie moet men verstaan onder de vader van de duivel?
21. ANTWOORD OP DE GESTELDE VRAAG
1. Toen antwoordde Serenus: Ge stelt me daar twee niet geringe vragen tegelijk, waarop ik zal trachten, zo goed ik kan, in dezelfde volgorde waarin ge ze gesteld hebt, te antwoorden.Men kan niet aannemen dat geestelijke wezens vleselijke omgang met vrouwen kunnen hebben. Indien dit ooit volgens de letter mogelijk ware geweest, waarom zou hetzelfde dan ook nu niet dikwijls gebeuren, dat er namelijk vrouwen kinderen kregen, die niet uit het zaad van een man maar uit de omgang met duivels waren ontvangen? Temeer omdat vaststaat dat zij een bijzonder genoegen vinden in de onreinheden der wellust, die ze zonder twijfel liever zelf zouden bedrijven dan door de mensen, als dat op een of andere wijze mogelijk ware. Prediker spreekt ook hetzelfde uit: Wat is geweest zal er weer wezenen wat is gedaan,dat zal weer worden gedaan:er is niets nieuws onder de zon. Is er iets te verwoorden waarvan men zegt: zie, dit is iets nieuws! ,reeds was het er in de eeuwen die er waren voor onze verschijning (Pred. 1,9-10).
2. Maar de oplossing der gestelde kwestie is als volgt: Na de dood van de rechtvaardige Abel wilde God niet dat heel het menselijk geslacht zou afstammen van een goddeloze broeder-moordenaar, maar in plaats van de overleden Abel werd Set geboren die niet alleen zijn plaats zou innemen maar ook de erfgenaam zou zijn van de deugd en de godsvrucht van zijn broer.Zijn kinderen volgden het voorbeeld van deugd van hun vader en hielden zich steeds verre van alle omgang en verbintenis met de nakomelingen van de heiligschennende Kaïn, zoals ook duide-lijk blijkt uit de geslachtslijsten, die als volgt zijn: Adam verwekte Set, Set verwekte Enosj, Enosj verwekte Kenan, Kenan verwekte Mahalalel, Mahalalel verwekte Jered, Jered verwekte Henoch, Henoch verwekte Metoesjelach, Metoesjelach verwekte La-mech, Lamech verwekte Noach (Gen. 5,3-29). Daarnaast luidt de geslachtslijst van Kaïn aldus: Kaïn verwekte Henoch, Henoch verwekte Irad, Irad verwekte Mechoejaël, Mechoejaël verwekte Metoesjaël, Metoesjaël verwekte Lamech, Lamech verwekte Javal en Joeval (Gen. 4,17-21).
3. De geslachten die dus afstamden van de rechtvaardige Set bleven voortdurend huwen binnen hun eigen linie en hielden lange tijd trouw vast aan het deugdzaam voorbeeld van hun vader en van diens vader Adam zonder zich te bezoedelen met de heiligschennissen en de boosheid van die goddeloze nakomelingen, die het zaad der ongerechtigheid als een erfdeel van hun vader Kaïn in zich bewaarden.Zolang nu deze scheiding tussen de beide stammen bleef duren, verdienden de kinderen van Set, overeenkomstig de edele wortel waaruit zij waren gesproten, om hun deugdzaamheid engelen te worden genoemd of kinderen Gods zoals men in verscheidene handschriften kan lezen. De nakomelingen van Kaïn daarentegen kregen vanwege hun eigen goddeloosheid en die hunner vaderen en hun aardse werken de naam van kinderen der mensen.
4. Maar op zekere dag kwam aan deze goede, heilzame scheiding een einde. De zonen van Set, die ook kinderen van God waren, zagen de dochters uit het geslacht van Kaïn, en, ontstoken door het verlangen naar haar schoonheid, kozen ze uit haar hun vrouwen. Dezen brachten op hun mannen de ondeugden over van hun eigen ouders en maakten ze aldus geheel afvallig van de hun aangebo-ren voorvaderlijke eenvoud en rechtschapenheid.Heel treffend past op hen dit psalmvers: Ik, ik heb gezegd: goden zijn jullieen zonen van de Allerhoogste,allemaal. Maar jullie,als mensen zulllen jullie sterven en als één van de vorsten zullen jullie vallen (Ps. 82,6-7). Zij vergaten die waarachtige filosofie van de natuur, die zij van hun ouders en van de eerste mens hadden gekregen. Deze toch, die terstond na de overige dingen geschapen was, kon haar zich op duidelijke wijze eigen maken en veilig aan zijn nakomelingen doorgeven.
5. Hij had immers de wereld nog in haar prille jeugd gezien, als het ware ontspruitend en onbe-roerd, en niet alleen was hij vervuld van wijsheid, maar ook had Gods Geest hem de gave van profetie geschonken, zodat hij, nauwelijks op de aarde wonend, reeds alle dieren hun naam gaf, de woestheid der wilde beesten en het venijn der slangen, de krachten van kruiden en bomen, en de aard der gesteenten onderscheidde, terwijl hij ook, zonder ondervinding nog, de wisselende jaargetijden indeelde, zodat hij naar alle waarheid kon zeggen: De Heer heeft mij de ware wetenschap der dingen gegeven. Hij deed mij kennen de bouw van de wereld, de kracht der elementen,het begin, het midden en het eind der tijden, de veranderingen en wisselvalligheden der verschillende jaar-getijden, de loop der jaren en de rangschikking van de ster-ren, de natuur van de dieren en de woestheid van de wilde beesten, de macht van de geesten en de gedachten der mensen,de verscheidenheid van de planten en de kracht van de wortels: al wat verborgen is of openbaar leerde ik kennen (Wijsh. 7,17-21 LXX).
6. Deze kennis van alle dingen werd onder de kinderen van Set van geslacht op geslacht door de vader aan de zoon doorgegeven, zolang zij afgezonderd bleven van het heiligschennend ras. Gelijk zij haar op heilige wijze hadden gekregen, gebruikten zij haar ook tot eer van God of tot algemeen nut van de men-sen. Maar na de vermenging met het goddeloos geslacht gebruik-ten zij hetgeen zij met godsdienstige ijver hadden geleerd, op ingeving van de duivels voor onheilige en verkeerde doelein-den. Zij schaamden zich niet een begin te maken met al die soorten van geheime en schadelijke of wonderbare toverkunsten, en leerden hun nakomelingen de heilige eredienst van Gods Naam de rug toe te keren om de elementen te aanbidden, het vuur en de duivels in de lucht.
7. Ik wil nu in het kort vertellen hoe deze geheime wetenschappen niet met de zondvloed zijn verdwenen, maar in de eeuwen daarna bekend raakten. Al valt dit ook niet onder de gestelde vraag, onze stof geeft er toch aanleiding toe.Volgens hetgeen oude overleveringen verhalen was Cham, de zoon van Noach, de eerste die zich met deze bijgelovigheden en heiligschennende en goddeloze kunsten bezig hield. Daar hij wist dat hij in de ark, waar hij met zijn rechtschapen vader en zijn deugdzame broers zou binnengaan, het boek niet kon meenemen waarin dat alles stond opgeschreven, grifte hij de misdadige kunstgrepen en de onheilige verzinsels op metalen platen, die bestand waren tegen het water, en op bijzonder harde stenen.
8. Na de zondvloed zocht hij dit alles weer op met dezelfde ijver waarmee hij het had verborgen en kon aldus aan zijn nakomelingen een kweekschool overleveren van heiligschen-nissen en voortdurende boosheid.Dit is de kern van waarheid in het volksgeloof, volgens het-welk de engelen het waren, die de mensen de toverkunsten leerden en de occulte wetenschappen.Uit de vereniging nu van de zonen van Set met de dochters van Kaïn, waarover wij hebben gesproken, werden kinderen geboren nog slechter dan hun ouders. Het waren geweldige jagers, wilde en woeste kerels, die vanwege hun grote gestalte, hun wreed-heid en boosheid reuzen werden genoemd.
9. Zij begonnen hun buren te plunderen en zich toe te leggen op roof daar ze liever van buit leefden dan van het zweet en het werk hunner handen. Zo stapelden zij misdaad op misdaad tot tenslotte de wereld nog slechts door de wateren van de zondvloed kon worden gereinigd.De zonen van Set hadden geluisterd naar de aansporingen van de wellust en aldus het gebod overtreden, dat van de schepping der wereld gedurende lange tijd door een natuurlijk instinct was onderhouden. Nu werd het nodig dat er een geschreven regel voor in de plaats kwam: Ge moogt uw dochters niet aan hun zonen geven en hun dochters niet voor uw zonen nemen, want zij zouden uw harten verleiden en u vervreemden van uw God, om andere goden te volgen en hen te aanbidden (Dt. 7,3; Ex. 3,16; 1Kon. 11,2).
22. OPWERPING: KON MEN DE KINDEREN VAN SET HUN VERENIGING MET DE DOCHTERS VAN KAÏN WEL AANREKENEN VÓÓR HET VERBOD VAN DE WET?
Toen zei Germanus: Terecht had men de kinderen van Set hun huwelijken met de dochters van Kaïn kunnen verwijten als een overtreding, indien hun dit voorschrift zou zijn gegeven. Maar aangezien het onderhouden van deze scheiding door geen wet was bepaald, hoe kon de vermenging van geslacht hun dan kwalijk worden genomen, daar ze door geen gebod was verboden? De wet immers pleegt geen voorbije misdaden, maar toekomstige te veroordelen.
23. ANTWOORD: VAN HET BEGIN AF WAREN DE MENSEN ONDERHEVIG AAN OORDEEL OF STRAF KRACHTENS DE NATUURWET
1. Toen antwoordde Serenus: Toen God de mens schiep, legde Hij op natuurlijke wijze heel de kennis der Wet in zijn hart, en als hij haar altijd, volgens Gods opzet, zoals hij begonnen was, had onderhouden, zou daarna nooit de afkondiging van een andere, geschreven wet, nodig geweest zijn. Het was immers overbodig, van buiten een geneesmiddel aan te bieden als dat van binnen nog krachtig leefde en werkte.Maar omdat zij, zoals wij zeiden, door de vrijheid en de gewoonte van zondigen geheel was verduisterd, werd de Wet van Mozes eraan toegevoegd, als haar eiser, uitvoerder en wreker, of ook met de woorden van de Heilige Schrift, haar helper, opdat althans de vrees voor de straffen van dit leven de mensen ervan zou weerhouden, de gave van het natuur-lijke licht geheel in hun binnenste uit te doven. God, zegt de profeet, gaf hun de Wet tot hulp (Jes. 8,20 LXX),
2. en de Apostel op zijn beurt beschrijft haar als ons gegeven gelijk een tuchtmeester (Gal. 3,24)aan kleine kinderen, om ze te onderrichten en te bewaren, opdat ze niet door een zekere achteloosheid zouden afwijken van de beginselen, hun door de natuur zelf geleerd.Dat overigens de mensen heel de kennis der Wet van het begin der schepping af ingestort hebben gekregen, blijkt duidelijk hieruit, dat al de heilige mannen, die vóór de Wet, ja zelfs vóór de zondvloed leefden, de geboden der Wet onderhielden zonder haar letter te bezitten.Hoe kon immers Abel weten, toen nog geen wet hieromtrent iets voorschreef, dat hij God een offer moest brengen van de eer-stelingen van zijn schapen en van hun vet (Gen. 4,4), als hij niet door een wet, hem van nature ingestort, dit had geleerd? Hoe had Noach lang voor al die ceremoniële wetten onderscheid kunnen maken tussen reine en onreine dieren (Gen. 7,2), zo een natuurlijke kennis hem niet had onderricht?
3. Waar leerde Henoch met God te wandelen (Gen. 5,22), toen niemand hem nog omtrent de Wet kon verlichten? Waar hadden Sem en Jafet gelezen: Ge zult de schaamte van uw vader niet ontbloten (Lev. 8,17), zodat zij achterwaarts gaande de naaktheid van hun vader bedekten (Gen. 9,23)? Door wie werd Abraham vermaand om het deel der vijandelijke buit te weigeren dat men hem aanbood, om aldus geen loon te krijgen voor zijn moeite (Gen. 18), of hoe kwam hij ertoe aan de priester Melchisedek de tienden te betalen (Gen. 14,20-22), die later pas de Wet van Mozes voor-schreef? Wie had diezelfde Abraham en wie aan Lot geleerd de plichten der gastvrijheid te vervullen jegens reizigers en vreemdelingen en ze nederig de voeten te wassen (Gen. 18 en 19), terwijl het gebod van het Evangelie nog niet zijn licht ver-spreidde?
4. Waar heeft Job die geloofsijver geput, die reine kuisheid, die verheven kennis van ootmoed, zachtmoedigheid, barmhartigheid en gastvrijheid, die wij nu zelfs door hen die het Evangelie van buiten kennen, niet in beoefening zien gebracht? Van welke heilige lezen wij dat hij vóór de Wet één gebod van de Wet heeft geschonden? Wie van hen onderhield niet: Luister Israël, de Heer uw God is een enig Heer (Dt. 6,4)? Wie hunner vervulde niet: Gij zult u geen godenbeelden maken,noch enig beeld van wat in de hemel daarboven,op de aarde benedenof in het water onder de aarde is (Ex. 20,4)?
5. Wie van hen hield niet: Eer uw vader en uw moeder, of de volgende geboden van de decaloog: Ge zult niet doden, geen overspel doen, niet stelen, geen valse getuigenis geven en niet de vrouw begeren van uw naaste (Ex. 20,12-17), en andere nog veel grotere dan deze, waarin zij niet alleen vooruit liepen op de geboden van de Wet, maar zelfs op die van het Evangelie?
24. TERECHT WERDEN DEGENEN GESTRAFT DIE VÓÓR DE ZONDVLOED ZONDIGDEN
1. Hieruit zien we dus dat God alles volmaakt heeft geschapen van het begin af, zodat het nooit nodig geweest zou zijn iets aan zijn eerste ordening toe te voegen, alsof deze tekort schoot in vooruitziendheid en volmaaktheid, indien alles maar ware gebleven in de toestand, waarin het door God was geschapen.Daarom willen wij bewijzen dat zij die vóór de Wet, ja zelfs vóór de zondvloed hebben gezondigd, door een rechtvaardig oordeel Gods getroffen zijn, omdat zij de natuurwet overtreden hadden en dus verdienden zonder enige verontschuldiging te worden gestraft. Wij zullen ons evenmin schuldig maken aan de heiligschennende godslastering van degenen die zonder begrip voor deze waarheid de God van het Oude Verbond naar beneden halen en ons geloof bespotten en belasteren met de woorden: Hoe toch heeft het onze God behaagd dat Hij na zovele duizen-den jaren een Wet heeft willen afkondigen, terwijl Hij zovele eeuwen zonder wet heeft laten voorbijgaan?
2. Als Hij nadien iets beters heeft uitgevonden, dan blijkt dat Hij bij het begin van de wereld lagere of slechtere dingen bedacht heeft, en daarna, als door ondervinding geleerd, begonnen is juistere dingen te voorzien, en zijn eerste plannen te verbeteren. Een dergelijke opvatting is geheel in strijd met de onmetelijke voorkennis van God, en niet zonder een geweldige godslastering wordt dit door ketterse dwaasheid van Hem beweerd, daar Prediker zegt: Ik heb geleerd dat alwat God in het begin gemaakt heeft,eeuwig zal zijn en dat hieraan niets moet worden toegevoegd of afgedaan (Pred. 3,14 LXX). Daarom de Wet is niet gemaakt voor de rechtvaardige, maar voor tuchtelozen en losbandigen, voor goddelozen en zondaars, voor heiligschenners en ongods-dienstigen (1Tim. 1,9).
3. Door de natuurwet, in hun harten gegrift, beschikten de mensen immers over een gezonde en volledige leer en hadden deze Wet - van buiten af meegedeeld en op schrift gebracht, en welke tot hulp gegeven is aan die natuurwet - in het geheel niet nodig.Zonneklaar volgt hieruit dat die geschreven wet niet reeds in het begin moest worden gegeven, want dit was toen overbodig, omdat de natuurwet nog standhield en niet geheel verminkt was; ook kon de evangelische volmaaktheid niet worden meegedeeld vóór de onderhouding van de Wet.
4. Zij immers die niet tevreden met volgens de lex talionis het geleden onrecht met gelijke munt vergelden, voor een lichte kaakslag dodelijke schoppen teruggaven en verwondingen met wapens, en voor een tand het leven eisten, konden niet horen:Als iemand u op de rechter-wang slaat,keer hem ook de andere toe (Mt. 5,39). Ook kon men hun niet zeggen: Bemint uw vijanden (Mt. 5,44), want het was al heel wat als ze hun vrienden liefhadden, en hun vijanden links lieten liggen en alleen ophielden ze te haten, zonder aanstonds klaar te staan om ze te verdrukken en te vermoorden.
25. HOE MEN VERSTAAN MOET WAT HET EVANGELIE VAN DE DUIVEL ZEGT: QUIA MENDAX EST ET PATER EIUS
1. Wat nu de tekst betreft omtrent de duivel: quia mendax est et pater eius, daarmee had ge moeite, omdat namelijk daarin zowel de duivel als zijn vader door onze Heer leugenaars schijnen te worden genoemd (Joh. 8,44). Het is echter dwaas deze uitdrukking ook maar even te veronderstellen, want gelijk wij zo juist zeiden, brengt een geest geen andere geest voort, evenmin als een ziel een andere ziel kan telen, hoewel het lichaam zonder twijfel uit menselijk zaad ontstaat.De Apostel onderscheidt heel duidelijk de twee zelfstandighe-den, namelijk lichaam en ziel en de oorsprong van beiden, waar hij zegt: Bovendien hebben we onze vleselijke vaders als kastijders gehad, en we kwamen tot inkeer; zullen we ons dan niet veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten en leven? (Heb. 12,9).
2. Wat kon duidelijker worden uitgedrukt dan dit onderscheid, waar mannen de vaders van ons lichaam genoemd worden, terwijl aan God alleen het vaderschap over de zielen toegekend wordt? Hoewel het waar blijft, dat de mens ook bij het ontstaan van het lichaam slechts een dienende rol speelt, terwijl God het is, de Schepper van alles, die het eigenlijke doet, volgens Davids woord: Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd (Ps. 119,73); terwijl de heilige man Job zegt: Hebt Gij mij niet doen vloeien als melk en mij als kaas doen strem-men? Gij hebt mij samengeweven uit beenderen en zenuwen (Job 10,10-11 LXX). En tot Jeremia spreekt de Heer aldus: Voordat Ik u in de moederschoot vormde, kende Ik u (Jer. 1,5).
3. Ook Prediker beschouwt de oorsprong en het beginsel van beide zelfstandigheden, alsook hun aard en het doel, dat elk van beiden nastreeft, om dan heel juiste conclusies te trekken volgens ieders aard; en als hij dan de scheiding van lichaam en ziel behandelt, schrijft hij: Alvorens het stof terugkeert naar de aarde om wederom te worden wat het geweest is, en de geest terugkeert naar God, die hem heeft gegeven (Pred. 12,7). Hoe had het duidelijker kunnen worden gezegd, dat de materie van het lichaam, dat hij stof noemt, omdat het uit het zaad van de mens ontstaat en door zijn toedoen gezaaid schijnt te worden, als uit de aarde genomen, weer tot de aarde terug-keert, terwijl de geest, die niet door de telende werking der ouders wordt voortgebracht, maar speciaal door God alleen geschonken wordt, naar Hem als naar zijn Schepper teruggaat.
4. Dit wordt ook klaarblijkelijk tot uitdrukking gebracht door de adem die God blies in het lichaam van Adam om het te bezielen (Gen. 2,7).Uit deze getuigenissen maken we duidelijk op, dat niemand dan God alleen vader der geesten kan worden genoemd, want Hij maakt ze uit niets wanneer Hij wil. De mensen echter worden alleen vaders van het lichaam genoemd. Zo heeft dus ook de duivel, omdat hij als geest of goede engel geschapen is, niemand tot vader gehad dan God zijn Schepper. Toen hij door hoogmoed opgeblazen was en in zijn hart had gezegd: Ik zal opklimmen boven de hoogte der wolken,gelijk zal ik zijn aan de Allerhoogste (Jes. 14,14), is hij een leugenaar geworden en stond hij niet in de waarheid (Joh. 8,44), maar uit zijn eigen schat van boosheid de leugen naar voren brengend, werd hij niet alleen een leugenaar, maar zelf vader van de leugen, zodat hij de mens de godheid belooft, en zegt: Ge zult zijn als goden (Gen. 3,5), waardoor hij niet in de waarheid stond (Joh. 8,44). Ja, hij werd zelfs moordenaar vanaf het begin (Joh. 8,44), zowel toen hij Adam van de on-sterfelijkheid beroofde als toen hij Abel door zijn aanstoken door de hand van zijn broeder doodde.
5. Maar nu komt de dageraad een einde maken aan ons onderhoud, dat al bijna twee nachten duurt, en voert het scheepje van onze conferentie uit de wijde en diepe zee van deze twistvra-gen terug naar de rustige en voor onze onwetendheid zo veilige haven van het stilzwijgen. Hoe verder de ademtocht van Gods Geest in ons binnenste ons binnenleidde in deze diepten, hoe uitgestrekter en onmetelijker horizonten voor onze te zwakke ogen opengingen, en volgens Salomons woord week de grens verder van ons terug dan zij eerst was, en die grote diepte, wie zal haar bereiken? (Pred. 7,24 LXX).
6. Bidden we dus tot de Heer, dat zijn vrees of zelfs zijn lief-de die nimmer vergaat (1Kor. 13,8), onwankelbaar in ons moge voortduren: zij make ons wijs in alles en beware ons steeds ongedeerd voor de pijlen van de duivel. Met zulke beschermers toch is het onmogelijk te vallen in de strikken van de dood.Dit is juist het verschil tussen volmaakten en onvolmaakten, dat bij de eerstgenoemden de liefde dieper wortel heeft ge-schoten en als het ware rijper en standvastiger is geworden, zodat zij ze krachtiger beschermt, en gemakkelijker doet volharden in heiligheid. Bij de onvolmaakten echter is zij om zo te zeggen zwakker gevestigd en verkilt gemakkelijker, waardoor dezen zich vlugger en veelvuldiger door de strikken der zonde laten vangen.Toen wij dit alles hadden gehoord, ontstaken de woorden van deze conferentie zo'n vuur in ons binnenste, dat wij bij het heengaan uit de cel van de grijsaard heviger dorst gevoelden naar zijn zo overvloedige lering dan toen wij er waren binnen-getreden.