Bronteksten

Zesde gesprek, van abt Theodorus: De geweldadige dood van de heiligen

(Johannes Cassianus)

U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.

INHOUDSOPGAVE

  1. Beschrijving van de woestijn en vraag omtrent de gewelddadige dood van de heiligen
  2. Het antwoord van abt Theodorus op de gestelde vraag
  3. Drie dingen zijn er op deze wereld: goede, kwade en onverschillige
  4. Aan niemand kan tegen zijn wil door een ander kwaad worden aangedaan
  5. Moeilijkheid: Hoe kan men zeggen dat God zelf kwaad schept?
  6. Antwoord op de gestelde vraag
  7. Vraag, of hij die een rechtvaardige de dood aandoet schuldig is, aangezien deze ervoor wordt beloond
  8. Antwoord op voorafgaande vraag
  9. Het voorbeeld van Job die door de duivel werd beproefd, en van de Heer die door Judas werd verraden. Zowel voor- als tegenspoed strekt de rechtvaardige tot voordeel
  10. Over de. deugd van de volmaakte, die in figuurlijke zin dubbel-rechts wordt genoemd
  11. Van de twee soorten bekoringen en de drie wijzen waarop zij optreden
  12. De rechtvaardige moet niet zijn als was, maar als een diamanten zegelring
  13. Vraag: kan de geest duurzaam in één en dezelfde gesteltenis blijven?
  14. Antwoord op de gestelde vraag
  15. Welke schade hij lijdt die zijn cel uitgaat
  16. De veranderlijkheid van de hemelse geesten
  17. Niemand komt ineens diep te vallen

1. BESCHRIJVING VAN DE WOESTIJN EN VRAAG OMTRENT DE GEWELDDADIGE DOOD VAN DE HEILIGEN

1. In het land Palestina nabij het dorpje Thecue, dat de profeet Amos voort mocht brengen, begint een onmetelijke woestijn, die zich uitstrekt tot aan Arabië en tot aan de Dode Zee, waarin de wateren van de Jordaan zich verliezenen waarin de as van Sodoma wijd verspreid ligt. In deze woestijn verbleven sedert zeer lang monniken van een hoogstaand leven en de grootste heiligheid. Maar plotseling zijn zij door zwervende Saraceense rovers vermoord.

2. Hun lichamen werden nu weliswaar door de bisschoppen van die streek en door de gehele Arabische bevolking als om strijd weggehaald en onder de overblijfselen der martelaren bijgezet. Dit geschiedde met zo'n devotie dat menigten uit twee steden die er elkander onmoetten, in hevig gevecht met elkaar geraakten en hun twist over de heilige buit leidde zelfs tot een treffen met het zwaard. Met vrome ijver streden zij erover wie het meeste recht had om hun graf en hun relieken te bezitten. De ene groep beriep zich op de nabijheid van hun woonplaats, de andere op de gemeenschap van hun geboortestreek. Wij echter waren geschokt, dit mede door de niet geringe ergernis van verschillende van onze broeders. Wij vroegen ons af waarom zulke verdienstelijke en deugdzame mannen door rovers werden gedood, waarom de Heer het plegen van zo'n misdaad tegen zijn dienaren toeliet en Hij de mannen die door allen werden bewonderd in de handen van goddelozen overleverde. Diep bewogen en bedroefd gingen wij naar de heilige Theodorus, een uitzonderlijk man in het ascetisch leven.

3. Hij woonde in de woestijn der Cellen, gelegen tussen Nitrië en Scetis, op vijf mijl van de kloosters van Nitrië en door tachtig mijl woestijn gescheiden van Scetis, waar wijzelf woonden. Bij hem spraken wij onze klachten uit aangaande de moord op deze mannen, verwonderd over zo'n grote lijdzaamheid van God, dat Hij had toegelaten dat zo verdienstelijke mannen op een dergelijke wijze waren omgebracht. Zij die door het gewicht van hun heiligheid anderen van dit soort beproevingen moesten vrijwaren, hadden niet eens zichzelf uit de handen van de goddelozen gered. Waarom had God toegestaan dat zo'n misdaad tegen zijn dienaren was begaan? Hierop antwoordde ons de zalige Theodorus.

Terug naar de index

2. HET ANTWOORD VAN ABT THEODORUS OP DE GESTELDE VRAAG

1. Deze kwestie pleegt diegenen te verwarren die te weinig geloof of kennis bezitten en die van mening zijn dat de heiligen het loon voor hun verdiensten in dit korte, tijdelijke leven ontvangen,terwijl het nochtans niet nu gegeven wordt, maar voor de toekomst is weggelegd.

2. Maar wij, wij stellen onze hoop niet alleen voor dit leven op Christus, om niet, volgens de Apostel (1 Kor. 15,19)de beklagenswaardigste van alle mensen te zijn,doordat we namelijk èn in deze wereld niets van de beloften ontvangen èn ze bovendien om dit ongeloof in de toekomstige verliezen. Wij mogen ons dus niet met die valse mening inlaten. Als wij de ware leer niet kennen, zullen we wankelen en weifelen en van ons stuk gebracht worden wanneer we die beproevingen ook over ons zien komen. Dan zouden we -het is al een gruwel om het te zeggen- onrechtvaardigheid aan God toeschrijven of gebrek aan zorg voor de dingen van de mensen, omdat Hij heilige en goed levende mensen in de beproevingen niet beschermt en Hij geen goed met goed en kwaad met kwaad vergeldt in het huidige leven.

3. Dan zouden we verdienen verdoemd te worden met hen die de profeet Sofonias geselt: die in hun hart zeggen: De Heer zal geen goed doen maar ook geen kwaad (Zef. 1,12). Of we zouden zijn zoals zij die morrend God aldus lasteren: Iedereen die kwaad doet, is goed in de ogen van de Heer en welgevallig aan Hem; of waar blijft anders de gerechte God? (Mal. 2,17). En zij voegen er nog deze godslastering aan toe, die verderop beschreven wordt: ijdel is hij die God dient; of wat hebben wij ermee gewonnen zijn geboden te onderhouden en met sombere ernst voor de Heer te wandelen? Wij prijzen dus de opstandigen gelukkig: zij zijn rijk geworden terwijl ze kwaad deden, zij hebben God getart en zijn ongedeerd gebleven (Mal. 3,14-15).

4. Daarom, om te ontsnappen aan dit gebrek aan kennis, dat de wortel en de oorzaak is van die uiterst kwaadaardige dwaling, moeten wij vóór alles weten wat in werkelijke zin goed is en wat kwaad. En wanneer we hierover niet de valse opvatting van de massa hebben, doch de ware van de Schrift, dan zullen de dwalingen van ongelovige mensen ons niet misleiden.

Terug naar de index

3. DRIE DINGEN ZIJN ER OP DEZE WERELD: GOEDE, KWADE EN ONVERSCHILLIGE

1. Al wat er is op deze wereld, is één van deze drie: goed, kwaad, onverschillig. We moeten derhalve weten, wat eigenlijk goed is, wat kwaad en wat onverschillig, opdat ons geloof, door de juiste kennis gesterkt, in alle beproevingen ongeschokt moge blijven. Welnu, niets moet er, althans onder de dingen van de mensen, voor ten volle goed gehouden worden dan alleen de deugd in de ziel, die ons door middel van een oprecht geloof tot het goddelijke voert en ons voortdurend dat onvergankelijke goed doet aanhangen. En van de andere kant Moeten we niets kwaad noemen dan alleen de zonde, die ons van de goede God scheidt en met de kwade duivel verbindt. Onverschillig zijn de dingen die men naar beide kanten kan buigen, naar believen en goeddunken van wie ze gebruikt: zoals rijkdom, macht, eer, lichaamskracht, gezondheid, schoonheid, het leven zelf of de dood, armoede, ziekte, onrecht en al dergelijke; die kunnen overeenkomstig de gesteldheid en het believen van hem die ze gebruikt, ten goede of ten kwade strekken. Rijkdom strekt vaak ten goede, volgens de Apostel, die de rijken van deze wereld vermaant om vrijgevig te zijn en mee te delen aan de behoeftigen en zich ten goede belegging te vormen voor de toekomst, om aldus het ware leven te verwerven (1Tim. 6,17-19). En volgens het evangelie is hij goed voor hen die zich vrienden maken door middel van de onrechtvaardige mammon.

3. Maar hij wordt ten kwade aangewend als men hem slechts vergaart om hem op te bergen of voor weelde te gebruiken, in plaats van hem uit te delen aan de behoeftigen. Hoe voorts macht en eer en lichaamskracht en gezondheid onverschillig zijn en aan beide zijden passend, laat zich met gemak onder andere hieruit bewijzen dat vele heiligen van het Oude Testament dit alles genoten: zij bezaten de grootste rijkdom, de hoogste waardigheid, lichaamskracht, en waren tegelijk ook zeer aangenaam aan God.

4. Daarentegen werden diegenen die daar misbruik van maakten en deze dingen tot dienst aan hun boosheid dwongen, niet ten onrechte gestraft of gedood zoals het boek van de Koningen herhaaldelijk zegt dat gebeurd is. Dat ook het leven zelf en de dood onverschillig zijn getuigt de geboorte van Joannes en van Judas. De een strekte het leven zozeer tot heil dat zijn geboorte zelfs anderen vreugde heeft gebracht, zoals gezegd wordt: En velen zullen zich over zijn geboorte verheugen (Lc. 1,14). Maar van het leven van de ander wordt gezegd: Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens! (Mt. 26,24).

5. Over de dood van Joannes en van alle heiligen wordt gezegd: Kostbaar is in de ogen van de Heer de dood van zijn heiligen (Ps. 116,15); maar over die van Judas en zijn gelijken: De dood van de zondaars is rampzalig (Ps. 34,22). Hoe gunstig ziekte soms is toont de zaligheid van de arme Lazarus die vol zweren was. De Schrift vermeldt van hem geen enkele andere verdienste van deugd. Louter om het feit dat hij zijn armoede en ziekte met het grootste geduld verdragen heeft, mocht hij de schoot van Abraham als zijn gelukkig deel verwerven.

6. Armoede, vervolging en onrecht worden door de massa steeds voor kwaad gehouden. Toch zijn deze nuttig en noodzakelijk, hetgeen duidelijk hieruit blijkt dat heilige mannen ze niet alleen nooit hebben willen ontwijken, maar ze zelfs heldhaftig hebben gezocht en moedig verdragen. Daardoor zijn zij de vrienden van God geworden en hebben zij het loon van het eeuwig leven verkregen. De zalige Apostel roept het met hen uit: Daarom heb ik behagen in zwakheden, in smaad en nood en vervolging en benauwdheid om Christus' wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk, omdat de kracht zich eerst ten volle openbaart in zwakheid (2Kor. 12,10.9).

7. Denken wij dus niet dat zij die groot zijn door de hoogste rijkdom, eer en macht, daarmee het eigenlijke goed bezitten: want dit is slechts in de deugden gelegen. Neen, zij bezitten met deze zaken iets onverschilligs, want voor de rechtvaardigen die ze naar recht en behoefte gebruiken, blijken ze nuttig en gunstig te zijn zij verschaffen immers gelegenheid tot goede werken en tot vruchten voor het eeuwige leven en evenzeer zijn zij voor hen die ze ten kwade misbruiken onnuttig en ongunstig en vormen hun een gelegenheid tot zonde en dood.

Terug naar de index

4. AAN NIEMAND KAN TEGEN ZIJN WIL DOOR EEN ANDER KWAAD WORDEN AANGEDAAN

1. Houden we deze verdeling dus goed vast en weten we dat er niets goed is dan alleen de deugd, die uit de vreze Gods en de liefde voortkomt, en dat er geen kwaad is dan alleen de zonde en de scheiding van God. En laten we dan nu met zorg gaan onderzoeken, of God het ooit heeft toegelaten dat aan zijn heiligen door Hemzelf of door iemand anders kwaad werd aangedaan. Dat zult ge zonder twijfel volstrekt nergens vinden. Men kan immers niet aan iemand die niet wil en zich verzet, het kwaad van de zonde aandoen. Dat is alleen mogelijk indien de ander het door de slapheid van zijn hart en het bederf van zijn wil bij zichzelf opneemt.

2. Zo wilde de duivel de zalige Job het kwaad van de zonde aandoen en gebruikte daarbij al de vindingen van zijn boosheid. Hij beroofde hem van al zijn bezittingen en nadat hij hem daarbij nog door de dood van zijn zeven zonen met een verschrikkelijke en geheel onverwachte smart en eenzaamheid had beladen, overdekte hij hem voorts van het hoofd tot de voeten met kwaadaardige wonden en ondraaglijke pijnen. Maar de smet van de zonde kon hij hem absoluut niet aandoen, want Job bleef onder alles standvastig en stemde niet toe in enige godslastering.

Terug naar de index

5. MOEILIJKHEID: HOE KAN MEN ZEGGEN DAT GOD ZELF KWAAD SCHEPT?

Germanus: Herhaaldelijk lezen we in de heilige Schrift dat God kwaad heeft geschapen of het de mensen aandeed. Zo bijvoorbeeld deze tekst: Buiten Mij is er geen God. Ik ben de Heer en er is geen ander: Ik vorm het licht en schep het duister, Ik sticht de vrede en schep het kwaad (Jes. 45,6-7). En elders: Is er een onheil in de stad dat de Heer niet heeft gesticht? (Am. 3, 6).

Terug naar de index

6. ANTWOORD OP DE GESTELDE VRAAG

1. Theodorus: De heilige Schrift zet het woord "kwaad" wel in oneigenlijke zin voor "lijden", niet omdat dit van nature eigenlijk kwaad is, maar om het feit dat het als kwaad wordt aangevoeld door degenen die het tot hun nut wordt toegebracht. Waar immers het getuigenis van God zich tot mensen richt, moet het ook in menselijke woorden en gevoelens spreken. Snijden of branden, wat een geneesheer bij lijders aan etterende zweren naar plicht en geweten verricht voor hun welzijn, wordt door degenen die het ondergaan, als een kwaad beschouwd. Evenmin zijn de sporen het paard noch de straf de schuldige aangenaam.

2. En elke kastijding wordt door hen die zij op moet voeden voor het ogenblik als bitter gevoeld, zoals de Apostel zegt. Elke kastijding schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde te brengen, maar verdriet; later echter schenkt zij de vredevrucht der gerechtigheid aan wie door haar zijn gevormd (Hebr. 12,11). En: De Heer kastijdt die Hij liefheeft en tuchtigt juist het kind dat Hij als het zijne erkent. Want welk kind wordt niet door zijn vader gekastijd? (Hebr. 12,6.7). Zo komt het dat "kwaad" wel wordt gezet voor "lijden", zoals in de volgende tekst: En God kreeg spijt van het kwaad dat Hij gezegd had hun te zullen doen, en Hij deed het niet (Jon. 3,10). En deze: Gij Heer, zijt genadig en barmhartig, lankmoedig en rijk aan ontferming, en Gij hebt spijt van het kwaad (Jl. 2,13), dat wil zeggenvan het lijden en de ellende die Gij genoopt zijt ons aan te doen vanwege onze zonden.

3. En een andere profeet, overtuigd van het nut ervan voor bepaalde mensen, bidt aldus, uiteraard niet omdat hij hun het welzijn misgunt, maar juist uit bezorgdheid daarvoor: Zend hun kwaad, Heer, zend kwaad aan de trotsen der aarde (Jes. 26,15 LXX), en zelf zegt de Heer: Zie, Ik zal kwaad over hen brengen (Jer. 11,11), dat wil zeggen smart en verwoesting, opdat zij, door deze tijdelijke kastijding om hun bestwil, eindelijk gedwongen worden terug te keren en zich te haasten naar Mij, die ze in hun voorspoed hebben veracht. Deze dingen kunnen we dus geen eigenlijk kwaad noemen: want ze komen velen ten goede en schaffen gelegenheid om tot de eeuwige vreugden te geraken. Derhalve, om tot de gestelde kwestie terug te keren, alle kwaad dat wij denken dat onze vijanden of wie ook anders ons aandoen, moeten we niet voor kwaad houden doch voor onverschillig. Want het zal uiteindelijk niet zijn wat hij die het woedend aandoet meent dat het is, maar wat hij die het ondergaat het acht.

4. En wanneer dus een heilig man wordt gedood, moet men niet denken dat hem een kwaad is aangedaan, doch iets onverschilligs. Voor de zondaar is het wel een kwaad, maar voor de rechtvaardige de rust en de bevrijding van het kwaad. Want de dood is de rust voor de man wiens weg verborgen is (Job 3,23 LXX). Een rechtvaardig man lijdt er dan ook geen schade van. Hij ondergaat immers niets nieuws: wat door de noodzaak van de natuur tòch tot hem zou zijn gekomen, ontvangt hij door de boosheid van zijn vijand, niet zonder de prijs van het eeuwig leven. De tol van de menselijke dood, die een onverbiddelijke wet hem oplegt, betaalt hij, maar ontvangt daarbij de rijkste vrucht voor zijn lijden en de prijs van de grote beloning.

Terug naar de index

7. VRAAG, OF HIJ DIE EEN RECHTVAARDIGE DE DOOD AANDOET SCHULDIG IS, AANGEZIEN DEZE ERVOOR WORDT BELOOND

Germanus: Maar als een rechtvaardige geen kwaad lijdt door het feit dat hij gedood wordt, doch zelfs een loon van zijn lijden ontvangt, hoe zullen we dan nog van schuld spreken bij hem die door het toebrengen van de dood niet heeft geschaad doch een dienst bewezen?

Terug naar de index

8. ANTWOORD OP VOORAFGAANDE VRAAG

Theodorus: Wij spreken nu over de eigen aard van goed en kwaad en van wat wij onverschillig genoemd hebben, en niet over de gesteldheid van hen die deze dingen doen. Een goddeloze of een zondaar zal niet ongestraft blijven wegens het feit dat hij met zijn boosheid de rechtvaardige niet kon schaden. Het dulden en de deugd van de rechtvaardige bezorgt geen loon aan degene die de dood of de folteringen toebrengt, maar aan hem die het hem aangedane geduldig aanvaardt. En daaromzal de eerste terecht voor zijn harde wreedheid gestraft worden, omdat hij kwaad wilde toebrengen; terwijl niettemin de ander geen kwaad geleden heeft, omdat hij door zielekracht de beproeving en het lijden met geduld verdroeg en datgene wat hem met kwade bedoeling werd aangedaan, tot zijn vooruitgang naar een betere staat en zijn eeuwig geluk wist te doen strekken.

Terug naar de index

9. HET VOORBEELD VAN JOB DIE DOOR DE DUIVEL WERD BEPROEFD, EN VAN DE HEER DIE DOOR JUDAS WERD VERRADEN. ZOWEL VOOR- ALS TEGENSPOED STREKT DE RECHTVAARDIGE TOT VOORDEEL

1. Het geduld van Job heeft immers ook geen loon opgeleverd aan de duivel door het feit dat hij hem door zijn beproevingen beroemder heeft gemaakt. Neen, maar aan de man zelf die ze moedig verdragen heeft. En Judas zal niet van de eeuwige straf gevrijwaard zijn omdat zijn verraad tot heil van het menselijk geslacht heeft gestrekt. Men moet niet letten op het resultaat van een daad, maar op de gesteldheid van hem die ze verricht. Daarom juist moeten we onveranderlijk dit inzicht in ons bewaren, dat aan niemand door een ander kwaad kan worden aangedaan, tenzij hij het zelf bij zich binnenhaalt door slapheid van hart en kleinmoedigheid. Deze zelfde gedachte bevestigt de zalige Apostel in één vers: Wij weten dat voor hen die God liefhebben alles meewerkt ten goede (Rom. 8,28).

2. Want doordat hij zegt alles werkt mee ten goede, sluit hij werkelijk alles in, niet alleen wat als voorspoed maar ook wat als tegenspoed wordt beschouwd. Door dat alles is hij zelf heen gegaan, zo schrijft de Apostel elders, waar hij zegt: met de wapens der gerechtigheid ter rechter- en ter linkerzijde, dat is, onder eer en smaad, kwade naam en goede naam; als bedriegers en wij spreken de waarheid; als treurend maar wij zijn altijd blij; als bedelaars, toch maken wij velen rijk enzovoorts (2Kor. 6,7-8.10).

3. Alles dus wat als voorspoed wordt beschouwd en ter rechterzijde wordt genoemd, wat de Apostel met de woorden eer en goede naam aanduidt, plus alles wat als tegenspoed wordt beschouwd, wat hij kennelijk aangeeft met smaad en kwade naam en wat hij ter linkerzijde noemt: dat alles wordt voor een volmaakt man "wapens der gerechtigheid", doordat hij al wat hem overkomt grootmoedig neemt. Hij bedient zich ervan voor de strijd, hij gebruikt juist die tegenspoed waarmee men denkt hem aan te vallen, als wapen, hij verdedigt zich ermee als met boog, zwaard en machtig schild tegen hen die hem dit aandoen; zo bewerkt hij de vooruitgang van zijn geduld en zijn deugd en behaalt de eervolle zege van de standvastigheid met de wapens zelf waarmee zijn vijanden hem dodelijk zochten te treffen. In voorspoed is hij niet overmoedig, niet terneergeslagen in tegenspoed, maar hij gaat steeds de goedgebaande koninklijke weg en hij laat zich van zijn toestand van rust niet afbrengen, door geen plotseling opkomende vreugde als 't ware naar rechts en door geen tegenspoed of droefheid die hem overvalt, naar links. Grote vrede voor hen die uw naam beminnen, en niets is hun een struikelblok (Ps. 119, 165).

4. Maar over hen die bij elke voorkomende gebeurtenis naargelang de aard en de wisseling daarvan van stemming veranderen, staat er aldus: De dwaas zal veranderen als de maan (Sir. 27, 12). Zoals van de volmaakten en wijzen wordt gezegd: Voor hen die God liefhebben werkt alles mee ten goede, zo is er over de zwakken en dwazen dit woord: Een dwaas man zit alles tegen (Spr. 14,7 LXX)aangezien noch de voorspoed hem vooruitbrengt noch de tegenspoed hem loutert. Want het is het werk van dezelfde deugd om ongeluk moedig te dragen en om bij geluk zijn maat te houden, en degene die in één van beide gevallen wordt overwonnen kan zich zeker in geen van de twee staande houden. Niettemin wordt men gemakkelijker door voorspoed gebroken dan door tegenspoed. Want deze laatste weerhoudt en vernedert de mensen, ook al is het tegen hun wil, en een pijn die goed voor hen is, maakt dat zij òf minder zondigen òf zich beteren. Maar de voorspoed verheft de geest door een week, gevaarlijk gevlei, om dan hen die door de gunstige loop van hun geluk onbezorgd zijn geworden, des te dieper neer te storten.

Terug naar de index

10. OVER DE. DEUGD VAN DE VOLMAAKTE, DIE IN FIGUURLIJKE ZIN DUBBEL-RECHTS WORDT GENOEMD

1. Dezen dus zijn het die door de H.Schrift in overdrachtelijke zin ambidextri, dat wil zeggen: dubbel-rechtsen worden genoemd, zoals Ehud die in het Boek der Rechters wordt beschreven, die beide handen als rechterhand gebruikte (Ri.3,15).Ook wij zullen op een geestelijke wijze deze deugd kunnen bezitten als wij door een goed en rechtmatig gebruik van de voorspoed die rechts heet en van de tegenspoed die links genoemd wordt beide gelijkelijk naar rechts keren, zodat al wat men ons aandoet, ons tot “wapens van gerechtigheid” wordt, zoals de Apostel zegt. Wij zien immers dat onze volledige innerlijke mens uit twee delen of (om zo te zeggen) uit twee handen bestaat, en geen heilige is er die het buiten de zo juist genoemde linkerhand kan stellen, maar hieraan erkent men de volmaakte deugd, dat beide handen hem- doordat hij ze goed gebruikt -tot rechterhand worden.

2. Maar laten we ons duidelijker uitdrukken. De rechtvaardige heeft een rechterhand dat wil zeggen: welslagen in geestelijk opzicht als hij namelijk vurig van geest heerst over al zijn verlangens en begeerten; als hij sterk tegen elke aanval van de duivel zonder inspanning of moeite de ondeugden van het vlees afwijst of overwint; als hij verheven boven de aarde al het tegenwoordige en aardse voor rook houdt en ijdele schaduw en het om zijn kortstondigheid veracht; als hij in de geest vervoerd het toekomstige niet alleen allervurigst verlangt maar het ook met groter klaarte aanschouwt; als hij zich krachtiger voedt met geestelijke beschouwingen waarin de hemelse geheimen hem met meer helderheid worden geopenbaard; als zijn gebed zuiverder en vuriger tot de Heer opstijgt; als hij zo blakende is van geestelijke vurigheid, dat hij zich met al het enthousiasme van zijn ziel tot het onzichtbare en eeuwige verheft, zodat hij meent niet meer in het (sterfelijk) vlees te leven.

3. Hij heeft eveneens een linkerhand, als de wervelwind der bekoringen hem aangrijpt; als het vuur der begeerlijkheid de verlangens van het vlees ontvlamt; als de hartstochten de woede van de toorn ontketenen; als de hoogmoed en ijdele glorie hem aansporen zich te verheffen; als de droefheid die de dood bewerkt hem ter neer drukt; als de traagheid hem aanvalt en schokt met haar wapentuig; als hij bij gemis van alle geestelijke ijver wegkwijnt in een zekere lauwheid en ongemotiveerde droefheid, zodat hij niet alleen verstoken is van goede en vurige gedachten, maar walgt van alles tegelijk: van psalmodie, gebed en lezing, en van de eenzaamheid van zijn cel, zodat al de werktuigen der deugden hem een soort onverdragelijke en sombere afkeer inboezemen. Als dit de monnik overkomt, dan moge hij daarin een aanval zien van links.

4. Elkeen dus, die zich in de omstandigheden die wij rechts noemden niet laat opblazen door het verborgen venijn der ijdele glorie, en ook dapper strijdt tegen hetgeen van links komt zonder ook maar enigszins de moed te laten zinken, doch die de tegenspoed veeleer omvormt in wapentuig van geduld en deugdoefening, hìj gebruikt beide handen als rechterhand, en behaalt - zegepralend aan beide fronten, links en rechts -de palm der overwinning.

5. Een dergelijke verdienste verwierf zich de heilige man Job, gelijk we lezen in de heilige Schrift. Hij werd gekroond aan de rechterkant toen hij daar leefde als welgesteld en rijk vader van zeven zonen en toch dagelijks de Heer zoenoffers voor ze opdroeg, want hij wilde ze niet zozeer bij zichzelf als wel bij God tot vertrouwde gunstelingen maken. Toen stond zijn poort wijd open voor iedereen die kwam; hij was de voet der lammen,en het oog der blinden; de vachten van zijn schapen verwarmden de schouders der zieken, en hij was de vader der wezen en de echtgenoot der weduwen, terwijl hij zich in zijn hart over de ondergang van zijn vijand niet verheugde.

6. Maar zie hem nu ook zegevieren aan de linkerhand, wanneer hij bij tegenspoed een nog verhevener deugd ten toon spreidt; in één ogenblik van zijn zeven zonen beroofd geeft hij zich als vader niet over aan bittere droefheid, maar is als waarachtig dienaar Gods blij om de wil van zijn Schepper. Van rijk wordt hij doodarm, van welgesteld ontdaan van alles, op de gezondheid volgt de verrotting, en eer en glorie maken plaats voor oneer en verachting, maar niettemin blijft zijn zielensterkte onverlet. Beroofd van al zijn have en goed wordt de mesthoop zijn verblijfplaats, en gelijk een strenge beul van zijn eigen lichaam krabt hij met een potscherf de onreinheid weg die druipt uit zijn wonden, waar hij ook zijn vinger in steekt om hele kluwens wormen alom van zijn ledematen te verwijderen.

7. Ondanks dit alles brengt toch geen wanhoop hem tot godslastering of tot enig woord van ontevredenheid tegen zijn Schepper, en geenszins wordt hij door deze talrijke en hevige bekoring gebroken. Zelfs het kleed dat hem van zijn vroegere rijkdom is overgebleven en dat allleen aan de woede van de duivel kon ontsnappen omdat Job het aan had, zelfs dat kleed scheurt hij in stukken en werpt het weg, en voegt aldus de vrijwillige naaktheid bij al de ontberingen die deze hardvochtige rover hem aandeed.

8. Ook zijn hoofdhaar, laatste ongeschonden rest van vroegere luister, snijdt hij af en werpt het naar de beul, en terwijl hij zich aldus zelfs ontdoet van hetgeen zijn razende vijand hem nog had laten behouden, juicht hij tegen hem en lacht hem uit met deze echt hemelse woorden: Als wij het goede hebben aangenomen uit de hand van de Heer, waarom zouden we dan het kwade niet van Hem willen verdragen? Naakt trad ik te voorschijn uit de schoot van mijn moeder en naakt keer ik er weer terug. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen; zoals het de Heer behaagde, is het geschied: ‘s Heren Naam zij gezegend (Job 2,10).Met reden zou ik ook Jozef dubbel-rechts kunnen noemen, want in voorspoed de lieveling van zijn vader, vol toewijding jegens zijn broers, en God bijzonder dierbaar, was hij in tegenspoed kuis, zijn meester getrouw, heel zachtzinnig voor de gevangenen, het onrecht niet indachtig, goed voor zijn vijanden, en niet alleen teder maar zelfs vrijgevig voor zijn afgunstige broers, die ook zijn moordenaars waren, voor zo ver het althans van hen afhing.

9. Ja, terecht zegt men van deze mensen en huns gelijken dat zij dubbelrechts zijn, want zij gebruiken beide handen als rechterhand en terwijl zij alles doormaken wat de Apostel opnoemt, zeggen ook zij: door de wapenen der gerechtigheid in rechterhand en linkerhand, in eer en schande, in kwade en in goede faam … (2Kor. 6,

7.8).Van deze rechter- en linkerhand spreekt Salomon aldus door de mond van de bruid in het Hooglied: Zijn linker is onder mijn hoofd en zijn rechter omhelst mij (Hgl. 2,6). Beiden verklaart zij aldus nuttig en toch legt zij één ervan onder haar hoofd, want daaraan als aan het voornaamste orgaan van het hart moeten de tegenkantingen onderworpen zijn. Deze hebben immers geen ander nut dan dat zij ons nu in de tijd oefenen en onderrichten ter zaligheid en volmaakt doen zijn in het geduld; met de rechterhand echter verlangt zij een blijvend, nooit ophoudend contact, waardoor de Bruidegom haar in een gelukkige omhelzing voor altijd koestert en bewaart.

10. Zo zullen ook wij dubbelrechts zijn, als overvloed of gebrek ons niet schaden, zodat de eerste ons niet brengt tot de genietingen van een verderfelijke verslapping en de laatste ons geen oorzaak wordt van wanhoop en ontevreden gemor, maar wij God even dankbaar zijn voor de éne als voor de andere, en gelijke vrucht plukken uit voorspoed en tegenspoed, zoals die werkelijk dubbelrechtse Leraar der heidenen van zichzelf getuigt waar hij zegt: ik heb geleerd tevreden te zijn met wat ik heb. Ik weet armoede te lijden en in overvloed te leven; met alles ben ik in alle omstandigheden vertrouwd: met verzadigd zijn en honger lijden, met overvloed en met gebrek. Tot alles ben ik in staat door Hem die mij sterkt (Fil. 4,11-13).

Terug naar de index

11. VAN DE TWEE SOORTEN BEKORINGEN EN DE DRIE WIJZEN WAAROP ZIJ OPTREDEN

1. Er doen zich dus twee soorten bekoringen voor, gelijk wij zeiden, namelijk: die bij vóór- en die bij tegenspoed, maar toch dient men te weten, dat de wijze waarop de mensen bekoord worden, drievoudig is: meestal is de bekoring een beproeving, soms een loutering, soms ook een straf voor zonden. Wat de eerste reden betreft, de beproeving, lezen wij dat Abraham, Job, en vele andere heiligen talloze kwellingen hebben verduurd. In diezelfde geest spreekt Mozes in het Boek Deuteronomium tot het volk: Gij zult indachtig zijn de ganse weg, waarlangs de Heer u veertig jaren lang geleid heeft door de woestijn, om u te vernederen en op de proef te stellen, en opdat bekend zou worden hetgeen in uw gemoed schuilde, of gij zijn geboden zoudt onderhouden of niet (Dt. 8,2). Dat is ook de betekenis van het psalmvers: Ik heb u beproefd bij het water der tegenspraak (Ps. 81,8); en van de woorden die gericht zijn tot Job: Denkt ge dat ik om een andere reden heb gesproken dan om u rechtvaardig te doen blijken? (Job. 40,3 LXX).

2. De beproeving dient ten tweede tot loutering, als God zijn rechtvaardigen -voor sommige kleine en lichte zonden of om enige zelfverheffing over hun zuiverheid- vernedert door ze aan verschillende bekoringen over te leveren, om alle vuil, of, om het woord van de profeet te gebruiken, alle slakken (vgl Jes. 1,25) die Hij in hun geheime gedachten aanwezig vindt, reeds in dit leven uit te puren. Want Hij wil ze als zuiver goud aan het komende Onderzoek overgeven en gedoogt niet dat er in hen iets blijft waarin het vorsend vuur van het Oordeel hiernamaals stof zou vinden die met pijnlijke kwelling moet worden uitgeboet. Zo staat er geschreven: Talrijk zijn de wederwaardigheden der rechtvaardigen (Ps. 33,20), en: Mijn zoon, verwerp de kastijding des Heren niet, en wees niet ontmoedigd, zo ge door Hem wordt gestraft. Want de Heer kastijdt die hij bemint, tuchtigt elke zoon die Hij liefheeft. Want is er wel een zoon die door zijn vader niet wordt gekastijd? Zo ge dus zonder kastijding zoudt wezen, waarvan allen hun deel krijgen, dan waart ge bastaards en geen zonen (Hebr. 12,5-8); en in het Boek der Openbaring: Ik bestraf en tuchtig al die Ik liefheb (Op. 3,19).

3. Van deze rechtvaardigen is ook Jerusalem het beeld waar Jeremia God aldus tot de stad laat spreken: Ik zal te niet doen al de volken werwaarts Ik u heb verstrooid, doch ù zal Ik niet te niet doen maar u kastijden naar billijkheid, opdat ge u niet voor onschuldig zoudt houden (Jer. 30,11). Om deze heilzame zuivering bidt David als hij zegt: Beproef mij, Heer, en toets mij, doorlouter mijn nieren en mijn hart (Ps. 26,2). Ook Jeremia begrijpt het nut van deze beproeving en roept uit: Kasttijd mij, Heer, maar volgens recht en niet in uw gramschap (Jer. 10,24). En Jesaja zegt: Ik zal u lofzingen, Heer, want Gij waart verstoord tegen mij; afgewend heeft zich uw toorn en Gij hebt mij getroost (Jes. 12,1).

4. Op de derde plaats dient de bekoring ook tot straf voor de zonde, zoals bijvoorbeeld wanneer God het volk van Israël bedreigt met rampen, zeggende: Ik zal de tanden der wilde dieren op ze afzenden en de woede der slangen die over de grond kruipen (Dt. 32,24); en elders: Tevergeefs heb Ik u kinderen gegeven, ge wilde geen tucht aannemen (Jer. 2,30). Zo staat er ook in de psalmen:Talrijk zijn de gesels der zondaren (Ps. 31,10); en in het Evangelie: Zie, ge zijt genezen, zondig nu niet meer opdat u niet iets ergers overkome (Joh. 5,14). Men kan zelfs nog een vierde reden vinden voor deze bekoringen, want het gezag der heilige.Schrift wijst er ons op dat aan sommigen enig lijden wordt opgelegd alleen om Gods glorie en zijn werken te openbaren, volgens dit Evangeliewoord: Noch hij heeft gezondigd noch zijn ouders, maar opdat Gods werken in hem openbaar zouden worden (Joh. 9,3). En nog: Deze ziekte is niet dodelijk, maar ze dient tot glorie van God, om Gods Zoon te verheerlijken (Joh. 11,4)

5. Er bestaan nog andere soorten goddelijke straffen, waarmee aanstonds diegenen worden getroffen die de maat der menselijke boosheid te buiten zijn gegaan, zoals wij lezen dat Dathan en Abiron en Core veroordeeld werden (Num. 16), en vooral zij van wie de Apostel zegt: Daarom heeft God ze overgeleverd aan schandelijke driften en aan een verkeerde zin (Rom. 1,2

6.28), hetgeen toch wel erger is dan al de overige straffen. Van hen zegt dan ook de psalmist: Zij hebben geen deel aan de kwelling der mensen en worden niet met hen gekastijd (Ps.72,5).

6. Want zij verdienen niet door het bezoek van de Heer gered te worden, noch een geneesmiddel te vinden in het lijden van deze tijd, zij die zonder hoopzich overleveren aan de losbandigheid, aan het bedrijven van alle dwaling, aan hun hart en de gewoonte van veelvuldig te zondigen zich ongeschikt maken voor de zuivering aan deze zo korte tijd eigen, en voor al de straffen die zich slechts tot dit aardse leven beperken. Door de profeet richt God tot hen het volgende verwijt: Ik heb u verwoest, gelijk God Sodoma en Gomorha verwoestte en ge zijt geworden als een aan vlammen ontrukt brandhout; en zijt niet teruggekeerd tot Mij, zegt de Heer (Am. 4,11). En Jeremia op zijn beurt: Ik doodde en verdelgde mijn volk en toch zijn ze niet teruggekeerd van hun wegen (Jer.15,7). En elders: Gij hebt ze geslagen en zij ontwaarden geen smart; Gij hebt ze verbrijzeld en zij weigerden de tucht aan te nemen, zij maakten hun gelaat harder dan een rotssteen en wilden niet terugkeren (Jer. 5,3).

7. De profeet ziet dus dat al de geheimen van deze tijd ze niet mochten baten en nu wanhoopt hij in zekere zin aan hun heil en roept uit: Bezweken is de blaasbalg. - vergeefs heeft de louteraar gelouterd; want uw boosheden zijn niet verteerd. Noemt ze afgekeurd zilver, want de Heer heeft ze verworpen (Jer. 6,29-30).De Heer klaagt verder aldus over het feit dat Hij deze heilzame foltering door middel van vuur tevergeefs heeft toegepast op de in hun misdaden verharde zondaars, die hier worden genoemd: Jerusalem, geheel doortrokken van het zonde-roest: Zet de koperen ketel leeg op de kolen zodat hij heet wordt en zijn koper gaat gloeien, en zijn onreinheid van binnen wegsmelt. Met veel arbeid heeft men gezwoegd en zijn al te erge roest is er niet afgegaan, zelfs niet door het vuur. Uw onreinheid is afschuwelijk want Ik wilde u reinigen en ge werd niet gereinigd van uw smetten (Ez. 24,11-13).

8. Als een zeer bekwaam arts heeft de Heer al zijn geneesmethodes uitgeput en Hij ziet dat geen middel meer rest dat op hun kwaal zou kunnen worden toegepast. Nu wordt Hij als het ware overweldigd door de grootheid van hun ongerechtigheden, en, gedwongen van de kastijdingen van zijn goedertierenheid af te zien, waarschuwt Hij daarom met de woorden: Ik zal niet meer op u vertoornd worden en mijn ijverzucht is van u geweken. (Ez. 16,42). Heel anders spreekt Hij tot diegenen, wier hart door de menigte van hun zonden niet is verstokt, die geen behoefte hebben aan die allerstrengste behandeling, aan dat als het ware weggebrand vuur, maar voor wier genezing een berisping met woorden voldoende is. Tot hen zegt Hij: Ik zal ze verbeteren door ze te laten horen wat hen kwelt (Hos. 7,12).

9. Wij weten overigens wel dat er nog andere motieven bestaan voor de goddelijke straffen en wraakgerichten, waarmee soms grote zondaars worden getroffen, niet tot uitboeting van hun schuld of tot delging van zondenstraffen, maar om andere mensen vrees aan te jagen en ze aldus tot bekering te brengen, zoals wij dat bij Jeroboam de zoon van Nabat, en bij Baäsa de zoon van Ahia, alsook bij Achab en Jezabel zien gebeuren, volgens de goddelijke uitspraak: Zie, Ik zal kwaad over u brengenen uw nakomelingen wegmaaien en van Achab doden al wat man is zowel de beslotene als de laatste in Israël. En Ik zal uw huis maken als het huis van Jeroboam, de zoon van Nabat, en zoals het huis van Baäsa, de zoon van Ahia, omdat ge gehandeld hebt om Mij tot toorn op te wekken en omdat gij Israël hebt doen zondigen. Maar ook Jezabel zullen de honden opeten op het veld van Jezrael. Zo Achab sterft op het land zullen de vogelen des hemels hem opeten, sterft hij echter in de stad, dan zal hij opgegeten worden door de honden (1Kon. 21,21-24). En dan nog elders dat verschrikkelijke dreigement: Uw lijk zal niet worden gelegd in het graf van uw vaderen (1Kon. 13,22).

10. Deze woorden betekenen heus niet dat deze zo kortstondige straf voldoende zou zijn tot uitdelging van die laaghartige verzinselen van Jeroboam, die als eerste de dienst der gouden kalveren instelde als een struikelblok voor het volk dat oorzaak werd van die talloze en zo afschuwelijke heiligschennissen van die anderen. Neen, ook de overige mensen die onachtzaam waren of zelfs volstrekt ongelovig ten opzichte van wat het toekomstig leven zou brengen en slechts beefden bij het zien van de straffen van nu, ook hun wilde God gevoelens van schrik inboezemen door hun een voorbeeld voor ogen te stellen van strafgerichten, die zij vreesden. Deze gestrengheid moest hun ook ook het bewijs leveren dat de Goddelijke Majesteit geen zorgeloosheid kent tegenover het dagelijkse doen en laten der mensen en ze door middel van de rampen die zij zozeer vreesden duidelijker doen inzien dat God al onze werken beloont of straft.

11. Wij vinden er ook enkelen die voor lichtere fouten aanstonds werden getroffen door hetzelfde doodvonnis als zij wier heiligschennende overtredingen wij verhaalden. Zo verging het bijvoorbeeld die man die op de sabbath hout sprokkelde (Num. 15); zo ook Ananias en Saphira, die, door hun ongetrouwheid bedrogen, een weinig van hun geld wilden bewaren (Hand. 5). Niet dat hun fout even zwaar was als die der bovengenoemden, maar het was een nieuwe overtreding die zij durfden begaan en daarom moesten zij, zoals zij het slechte voorbeeld van de zonde hadden gegeven, nu ook het schrikwekkend voorbeeld zijn van de straf, opdat elkeen, die hen ooit zou willen navolgen, zich getroffen mocht weten door hetzelfde vonnis als zij, en dat dezelfde straf, nu wellicht uitgesteld, hem wachtte bij het laatste oordeel.

12. Maar ons verlangen om uit te weiden over de verschillende soorten bekoringen en goddelijke strafgerichten schijnt ons te hebben verwijderd van ons oorspronkelijk onderwerp. We spraken er namelijk over dat de volmaakten in beide bekoringen steeds onbewogen blijven, en keren thans tot deze stof terug.

Terug naar de index

12. DE RECHTVAARDIGE MOET NIET ZIJN ALS WAS, MAAR ALS EEN DIAMANTEN ZEGELRING

Het innerlijke van de rechtvaardige moet dus niet lijken op was of op enige andere weke zelfstandigheid, die steeds wijkt voor het zegel dat er wordt ingedrukt, beeld en gestalte daarvan aanneemt en deze zolang bewaart totdat het inprenten van weer een andere zegel daar wijziging in brengt. Het gevolg hiervan is, dat het nooit blijft zoals het is, maar in voortdurende verandering steeds de ingedrukte vorm aanneemt.Het moet veeleer zijn als een diamanten zegel, zodat onze ziel steeds haar eigen aard bewaart en alles wat haar overkomt kenmerkt met en omvormt volgens haar persoonlijk stempel, zonder dat haar zelf echter een ander kan worden ingedrukt.

Terug naar de index

13. VRAAG: KAN DE GEEST DUURZAAM IN ÉÉN EN DEZELFDE GESTELTENIS BLIJVEN? Germanus: Kan onze geest duurzaam in dezelfde gesteltenis blijven, steeds volharden in dezelfde houding?

Terug naar de index

14. ANTWOORD OP DE GESTELDE VRAAG

1. Theodorus:Dìt is een noodzaak: men gaat ofwel elke dag vooruit, vernieuwd naar de inwendige geest (Ef. 4,23), om met de Apostel te spreken, reikhalzend naar wat vóór ons ligt (Fil. 3,13),ofwel, als men nalatig is, achteruit en vervalt in een steeds ergere toestand. Derhalve kan de geest niet in één en dezelfde gesteltenis blijven. Het is ermee als met iemand die in een bootje met zijn riemen tegen de sterke stroom van een rivier tracht op te roeien: ofwel hij gaat er tegenop en doorklieft het snelstromende water door de kracht van zijn armen; ofwel hij drijft, met verslapte armen, stroomafwaarts naar beneden.

2. Wij kunnen er dus van op aan dat we schade geleden hebben als we constateren dat we niets nieuws hebben gewonnen. Wij behoeven er niet aan te twijfelen dat we achteruit zijn geweken op de dag dat we niet waarnemen dat we hogerop zijn vooruitgegaan. Want, zoals ik zei, 's mensen geest kan niet duurzaam in dezelfde gesteltenis blijven, en geen heilige zal, zolang hij leeft in het vlees, zózeer op de toppen van de deugd verkeren dat hij onbeweeglijk volhardt. Steeds zal er iets worden toegevoegd of worden afgedaan; in geen enkel schepsel zal de volmaaktheid zo kunnen zijn dat zij geen verandering meer zou hebben te verduren. Het is zoals het in het boek van de zalige Job te lezen staat: Wat is een mens dat hij rein zou zijn, rechtvaardig die uit een vrouw is geboren? Zie, zelfs onder zijn heiligen is niemand onveranderlijk, en de hemelen zijn niet rein in zijn oog (Job 15,14-15).

3. Inderdaad belijden wij dat alleen God onveranderlijk is. Tot Hem alleen spreekt het gebed van de profeet aldus: Maar Gij zijt altijd dezelfde (Ps. 102,28). En God over zichzelf: Ik ben God en verander niet (Mal. 3,6), omdat namelijk Hij alleen van nature altijd goed is, altijd in de volheid, altijd volmaakt, wie nooit iets kan worden toegevoegd noch ontnomen. Wij moeten ons dus met onvermoeibare ijver en inspanning steeds op de deugden toeleggen en voortdurend met die oefeningen bezig zijn; anders zal, waar de vooruitgang ophoudt, dadelijk de achteruitgang volgen. Want zoals wij zeiden, de geest kan niet in één en dezelfde gesteltenis blijven, niet nòch toenemen in de deugd noch verlies lijden. Niet verworven hebben betekent voor hem: verloren hebben, want waar het streven om vooruit te gaan ophoudt, daar ontsnapt men niet aan het gevaar achteruit te gaan.

Terug naar de index

15. WELKE SCHADE HIJ LIJDT DIE ZIJN CEL UITGAAT

Men moet daarom gestadig vasthouden aan het verblijf in zijn cel. Want zo vaak men erbuiten zwerft, zo vaak ook zal men bij z’n terugkeer wankelen en onrustig zijn als was men een nieuweling die zijn cel juist betrekt. Is de toeleg van geest die men door in zijn cel te blijven had verworven, eenmaal verslapt, dan herkrijgt men die niet zonder moeite en pijn. En aldus teruggebracht zal men niet denken aan de gemiste vooruitgang die men had kunnen maken als men zich niet aan de cel had laten ontrukken; neen, men zal veeleer blij zijn als men voelt de kwijtgeraakte gesteltenis herkregen te hebben. Maar zoals verloren en voorbije tijd niet is terug te roepen, zo is dat gemiste voordeel niet in te halen. Want hoe grote toeleg de geest later ook toont: dat is vooruitgang van vandaag, verdienste van nu, geen herstel van de eenmaal verloren winst.

Terug naar de index

16. DE VERANDERLIJKHEID VAN DE HEMELSE GEESTEN

1. Ook de geesten van hierboven zijn veranderlijk, zoals wij zeiden, en het bewijs hiervoorleveren degenen onder hen, die door hun verkeerde wil kwamen te vallen. Daarom moet men zelfs hen niet als van nature onveranderlijk beschouwen, die volharden in de zaligheid waarin ze waren geschapen omdat zij zich niet tot de tegenpartij lieten overhalen. Want iets anders is het, van nature onveranderlijk te zijn, iets anders niet te veranderen door de ijver voor de deugd en de getrouwheid in het goede, beide door de genade van de onveranderlijke God in ons bewerkt.

2. Want al wat men verkrijgt of bewaart door zorgvuldigheid, kan men ook weer door nalatigheid verliezen. Daarom wordt er gezegd: Prijs een mens niet zalig vóór zijn dood (Pred.11,30), want zolang iemand nog volop in de strijd staat, midden in de arena om zo te zeggen, kan hij ondanks dat hij gewoonlijk heeft gezegepraald en dikwijls de palm der overwinning behaald, toch niet vrij zijn van de vrees voor de mogelijkheid van een ongelukkig einde.

3. Daarom wordt God alleen onveranderlijk en goed genoemd, want Hij heeft de goedheid niet door ijver of toeleg maar van nature en kan daarom niet anders dan goed zijn. De mens echter, kan geen enkele deugd op onveranderlijke wijze bezitten, en haar -eenmaal verworven- te bewaren vraagt evenveel inspanning en ijver als het verwerven zelf.

Terug naar de index

17. NIEMAND KOMT INEENS DIEP TE VALLEN

Denk toch niet dat iemand die komt te vallen, in eens in dat ongeluk stortte, want òfwel heeft een verkeerde vorming in het begin hem misleid, òf een langdurige zorgeloosheid heeft geleidelijk zijn deugd ondermijnd en alle ondeugden laten omhoogschieten met als gevolg zijn droevige val. Want vóór de vernieling komt de beschimping en vóór de ondergang de slechte gedachte (Spr. 16,1). Zo stort ook een huis nooit plotseling in, tenzij door een fout eertijds bij het leggen der fundamenten begaan of door langdurige slordigheid der bewoners, waardoor het water eerst drupsgewijze binnendringt en dan onmerkbaar het timmerwerk van het dak doet rotten. Mettertijd komen er grote openingen en aanzienlijker verzakkingen, zodat het dan met stromen binnenregent. Door traagheid valt immers de zoldering en als de handen lui zijn regent het in huis (Pred. l0,18). Dat dit de ziel op geestelijke wijze overkomt zegt dezelfde Salomon met andere woorden aldus: De druppels (van het dak), zegt hij, jagen de mens zijn huis uit op de winterdag (Spr. 27,15 LXX).Op sierlijke wijze vergelijkt hij dus de nalatigheid van de geest met een huis met een verwaarloosd dak, waardoor eerst kleine druppeltjes van hartstochten binnendringen in de ziel. Werden deze verwaarloosd als gering en onbeduidend, dan doen ze de balken der deugden rotten en volop stroomt een slagregen van ondeugden binnen. Komt dan de wintertijd, dat wil zeggen: de tijd van de bekoring als de duivel de ziel aanvalt, dan wordt zij verjaagd uit het verblijf der deugden, waarin een oplettende ijver haar rustig liet wonen als in eigen huis. Naar dit alles luisterend genoten we met onverzadelijke smaak de geestelijke spijs. Door dit gesprek waren we van groter vreugde vervuld dan we tevoren bedroefd waren geweest over de dood van de heiligen. Niet alleen was de kwestie waar wij niet uit kwamen opgelost, maar bovendien vernamen wij bij de behandeling van de vraag nog andere dingen waar ons kleine verstand niet zo naar had weten te zoeken.

Terug naar de index

Terug

zoeken