Bronteksten

Vierde gesprek, van abt Daniël: De begeerte van het vlees en van de geest

(Johannes Cassianus)

U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.

INHOUDSOPGAVE

  1. Het leven van abt Daniël
  2. Vraag, waarvandaan de plotselinge verandering van de geest komt van een onuitsprekelijke vreugde in de diepste droefheid
  3. Antwoord op de gestelde vraag
  4. De beproeving door Gods voorzienigheid geschiedr om twee redenen
  5. Onze ijver en inspanning vermogen niets zonder de hulp van God
  6. Het is nuttig voor ons van tijd tot tijd door de Heer te worden verlaten
  7. Het nut van deze strijd, die de Apostel omschrijft als de strijd tussen vlees en geest
  8. Een vraag: Waarom plaatst de Apostel in deze tekst na de elkaar weerstrevende begeerten van vlees en geest als derde de wil?
  9. Het is een teken van verstand, juiste vragen weten te stellen
  10. Het woord ‘vlees’ wordt in meer dan één betekenis gebruikt
  11. Wát op deze plaats door de Apostel vlees genoemd wordt; en wat de begeerte van het vlees is
  12. Wát onze wil is die tussen de begeerten van het vlees en van de geest wordt geplaatst
  13. Het nut van de vertraging die door de strijd tussen vlees en geest ontstaat
  14. De onverbeterlijke boosheid der helse geesten
  15. Het nut dat de begeerlijkheid van het vlees tegen de geest ons oplevert
  16. Wij zouden dieper vallen indien de prikkel van het vlees ons niet vernederde
  17. De lauwheid der eunuchen
  18. Een vraag omtrent het verschil tussen vleselijk en zinnelijk
  19. Antwoord: de drievoudige toestand der zielen
  20. Over hen die op verkeerde wijze aan de wereld verzaken
  21. Over hen die grote bezittingen hebben veracht en nu aan kleinigheden gaan hechten

1. HET LEVEN VAN ABT DANIËL

1. Onder die mannen van de christelijke wijsheid hebben wij voorts ook abt Daniël bezocht, in alle soorten deugd de gelijke van hen die in de woestijn van Scetis verbleven, maar bijzonder gesierd door de genade der nederigheid.Vanwege zijn zuiverheid en zachtmoedigheid werd hij door de zalige Pafnutius, de priester van die woestijn, gekozen voor het ambt van diaken, en dat ofschoon hij jonger was dan vele anderen. Zó grote vreugde zelfs vond de zalige Pafnutius in zijn deugden, dat hij de man die hij in verdiensten en genade zijn gelijke wist, spoedig ook door het ambt van het priesterschap aan zich gelijk maakte. Niet verdragend dat hij langer in een lagere functie zou blijven, en daarbij verlangend te zorgen voor een waardige opvolger, verhief hij bij zijn leven hem tot de eer van het priesterschap.

2. De ander legde echter zijn van vroeger gewone nederigheid niet af: nooit maakte hij in Pafnutius’ bijzijn enig gebruik van het hem geschonken hogere ambt, maar altijd bleef hij wanneer Pafnutius de geestelijke offeranden opdroeg, in zijn oude functie van diaken.Maar ofschoon de zalige Pafnutius een zó verheven en groot man was dat hij in vele gevallen de genade bezat de toekomst te kennen, is ditmaal zijn keuze, zijn hoop op deze plaatsvervanger, niet in vervulling gegaan. Want niet lang nadien liet hij de opvolger die hij zich bereid had, vóórgaan naar God.

Terug naar de index

2. VRAAG, WAARVANDAAN DE PLOTSELINGE VERANDERING VAN DE GEEST KOMT VAN EEN ONUITSPREKELIJKE VREUGDE IN DE DIEPSTE DROEFHEID.

Deze zalige Daniël dan stelden wij de vraag, hoe het komt dat wij soms, eenvoudig in onze cel gezeten, door een zó grote opgeruimdheid van hart en een onuitsprekelijke vreugde en door zó’n overvloed van de heiligste gevoelens worden vervuld, dat ik zeg niet geen woord het uit kan drukken, maar zelfs geen gedachte in staat is het te benaderen. Het gebed geschiedt dan zuiver en gemakkelijk en de ziel, vol van geestelijke vruchten, voelt dat haar gebeden, doeltreffend en licht, die zij zelfs in de slaap verricht, God bereiken.Maar andere keren worden wij zonder enige oorzaak plotseling door zó’n onredelijke droefheid overvallen, dat wij ons voelen verdorren, dat de cel een verschrikking wordt, de lezing tegenstaat en het gebed zelf onzeker wordt en wankelt als was het in dronkenschap. Hoe wij ook zuchten, wàt wij proberen, onze geest herneemt zijn oude koers niet; met hoe meer moeite hij wordt teruggebracht tot de beschouwing Gods, des te eerder ontsnapt hij en wordt hij gegrepen door wispelturigheid. En zó leeg wordt hij van alle geestelijke vrucht, dat noch het verlangen naar de hemel noch de vrees voor de hel hem uit deze dodelijke slaap vermag te wekken. Daniël antwoordde ons als volgt.

Terug naar de index

3. ANTWOORD OP DE GESTELDE VRAAG.

Drie redenen hebben de Vaders ons gegeven voor deze onvruchtbaarheid van geest waarover gij spreekt.Zij ontstaat òf door onze nalatigheid, òf door een aanvechting van de duivel, òf door Gods voorzienigheid om ons te beproeven.Zij ontstaat door nalatigheid wanneer wij ons door onze schuld tevoren achteloos laten gaan, wanneer wij ons uit luiheid en traagheid met kwade gedachten voeden en zo in de aarde van ons hart distels en doornen laten groeien, met het gevolg dat wij onvruchtbaar worden en verstoken van alle geestelijke vrucht en beschouwing. Zij ontstaat door een aanvechting van de duivel, wanneer de tegenstander onze geest, ofschoon op het goede bedacht, sluw en geraffineerd weet binnen te dringen en wij zonder het te merken of zonder het te willen van onze beste toeleg worden afgeleid.

Terug naar de index

4. DE BEPROEVING DOOR GODS VOORZIENIGHEID GESCHIEDT OM TWEE REDENEN

1. De beproeving vervolgens door de Voorzienigheid geschiedt om twee redenen. Ten eerste dat wij, een ogenblik door de Heer verlaten, nederig de zwakheid van onze geest zien en ons niet verheffen over de zuiverheid van hart die ons tevoren door zijn bezoek werd geschonken; dat wij, door Hem verlaten, ervaren die toestand van vreugde en zuiverheid niet door eigen streven en zuchtente kunnen terugkrijgen, en begrijpen dat wij de vroegere opgeruimdheid van hart niet door eigen inspanning bezaten doch door zijn goedheid, en dat wij haar nu opnieuw van zijn genade en verlichting moeten afsmeken. De tweede reden is, dat aldus onze volharding, de standvastigheid en het verlangen van onze ziel beproefd worden; dat ons duidelijk wordt met welk een toeleg van hart en aandrang van gebeden wij de tegenwoordigheid van de heilige Geest, die ons verlaat, weer moeten zoeken; en dat wij, ten slotte, wetend met hoeveel moeite die verloren geestelijke vreugde en blijdschap van de zuiverheid wordt gewonnen, haar eenmaal gevonden met groter zorg en ijver bewaren. Men bewaart immers gewoonlijk met minder zorg wat men gemakkelijker denkt terug te kunnen krijgen.

Terug naar de index

5. ONZE IJVER EN INSPANNING VERMOGEN NIETS ZONDER DE HULP VAN GOD

Hierdoor wordt duidelijk bewezen, dat steeds Gods genade en barmhartigheid in ons wat goed is tot stand brengt. Waar deze ontbreekt, vermag ijverig werken niets en geen inspanning, hoe groot dan ook, kan zonder zijn nieuwe hulp de vroegere toestand terugkrijgen; en dit woord wordt in ons voortdurend vervuld: Het hangt niet af van hem die wil, noch van hem die loopt, maar van Gods ontferming (Rom. 9, 6). Menigmaal weigert anderzijds de genade niet, nalatigen en verslapten met die heilige inspiratie en die overvloed van geestelijke gedachten waarover gij spreekt, te bezoeken: zij inspireert onwaardigen, wekt de slapenden en verlicht hen die blind zijn en onwetend: zacht verwijt en bestraft zij ons, zich uitstortend in ons hart, opdat wij tenminste zó, door haar getroffen, worden aangezet om uit onze slaap en traagheid op te staan. Dikwijls ook worden wij bij deze bezoeken plotseling zelfs van een geur vervuld die de zoetheid van alle menselijk maaksel te boven gaat, zodat de geest, in deze geneugte opgegaan, in een zekere verrukking geraakt en vergeet dat zij in het vlees verblijft.

Terug naar de index

6. HET IS NUTTIG VOOR ONS VAN TIJD TOT TIJD DOOR DE HEER TE WORDEN VERLATEN

1. Zózeer kende de zalige David het nut van dit feit dat God zich terugtrekt en de ziel om zo te zeggen in de steek laat, dat hij niet heeft willen bidden door God in totaal geen enkel opzicht te worden verlaten: hij wist dat dit niet dienstig was voor hem en voor de menselijke natuur, tot welke volmaaktheid ook gekomen; maar hij bad veeleer dat de verlatenheid gematigd zou worden en zei: Verlaat mij niet geheel en al (Ps. 119,8). Alsof hij met andere woorden zei: Ik weet dat Gij gewoon zijt uw heiligen te verlaten tot hun voordeel, om hen te beproeven.

2. Zij kunnen immers door de tegenstander niet bekoord worden tenzij zij door U een ogenblik verlaten worden. En daarom vraag ik U niet dat Gij mij nooit verlaat, want het is mij niet voordelig dat ik mijn zwakheid niet voel en niet zeg:Het is goed voor mij dat Gij mij hebt vernederd (Ps. 119,71), of dat ik geen oefening heb in de strijd. Die zou ik ongetwijfeld niet kunnen hebben als de goddelijke bescherming altijd en onafgebroken bij mij zou zijn. Want als ik door uw beschutting gedragen word, zal de duivel het niet wagen mij te bekoren. maar hij zal òf mij òf U het verwijt maken dat hij gewoon is tegen uw strijders met zijn lasterlijke tong naar voren te brengen: Dient Job God wel om niet? Hebt Gij hem en zijn huis en al zijn bezit niet als met een muur omringd? (Job 1,9-10).Maar veeleer vraag ik U dat Gij mij niet geheel en al verlaat,het Grieks zegt: niet tot het uiterste.

3. Want zo nuttig het is als Gij mij een weinig alleen laat opdat de standvastigheid van mijn verlangen bewezen wordt, zo schadelijk is het als Gij mij, naar wat ik om mijn zonden verdien, te zeer verlaat; want geen menselijke kracht kan, als zij te lang in de bekoring van uw hulp verstoken blijft, door eigen standvastigheid volharden en niet spoedig vallen door de macht en het drijven van de tegenstander, tenzij Gijzelf, die de kracht des mensen kent en zijn strijd matigt, niet toelaat dat wij boven onze krachten beproefd worden, maar met de beproeving al het einde bepaalt, zodat wij ze kunnen doorstaan (1Kor. 10,13).

4. In het boek van de Rechters vinden wij iets dergelijks verborgen aangeduid, waar het gaat over de verdelging van de volken die Israël weerstonden - zij hebben een geestelijke betekenis: Dit zijn de volken die de Heer heeft overgelaten om door hen Israël te onderrichten en opdat zij gewoon zouden zijn te strijden, (Ri. 3,1)en nogmaals even verder: De Heer liet hen over om door hen Israël te beproeven, of het zou luisteren of niet naar de geboden van de Heer, die Hij hun vaderen had gegeven door de hand van Moses (Ri. 3,4).

5. Zeer zeker heeft de Heer deze strijd niet gelaten omdat Hij Israël geen rust gunde of het slecht met hen voorhad, maar omdat Hij wist dat het nuttig was: wanneer het steeds de aanvallen van die volken te verduren had, zou het nooit menen de hulp van de Heer niet nodig te hebben; altijd zou het aldus Hem gedachtig zijn en Hem aanroepen en niet door ledigheid verslappen en zijn ervaring van de strijd of de oefening van zijn kracht verliezen. Want vaak hebben wie tegenspoed niet kon overwinnen, veiligheid en voorspoed ten val gebracht.

Terug naar de index

7. HET NUT VAN DEZE STRIJD, DIE DE APOSTEL OMSCHRIJFT ALS DE STRIJD TUSSEN VLEES EN GEEST

1. Ook bij de Apostel lezen wij dat deze strijd, tot ons nut, zelfs in onze leden is gelegd. Het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees; zij staan vijandig tegenover elkaar, zodat gij niet doet al wat gij wilt (Gal. 5,17). Ook hier hebt ge dus de strijd, als het ware ingeworteld in ons lichaam, door de beschikking van 's Heren voorzienigheid. Is iets immers algemeen en zonder enige uitzondering in allen aanwezig, wat anders kan men daarin dan zien, dan dat het het menselijk wezen na de val van de eerste mens als van nature is toebedeeld? En wat in allen als aangeboren en ingeworteld wordt aangetroffen, hoe zou men daarvan niet geloven dat het door de wil van de Heer in ons is gelegd, niet om ons te schaden maar om ons van dienst te zijn?

2. De reden van deze strijd tussen vlees en geest noemt de Apostel deze: Zodat gij niet doet al wat gij wilt. Als datgene waarvoor God zorgde dat het door ons niet kan worden vervuld, dat wil zeggen doen al wat wij willen, tòch geschiedde, zou dit dan iets anders voor ons kunnen betekenen dan schade? En zo is deze strijd, die door een beschikking van de Schepper in ons is gelegd, op een of andere wijze nuttig: hij prikkelt en dwingt ons tot verbetering; en wanneer hij weggenomen werd, zou er ongetwijfeld een gevaarlijke vrede volgen.

Terug naar de index

8. EEN VRAAG: WAAROM PLAATST DE APOSTEL IN DEZE TEKST NA DE ELKAAR WEERSTREVENDE BEGEERTEN VAN VLEES EN GEEST ALS DERDE DE WIL?

Toen zei Germanus: Wij geloven dat er ons al wel een lichtje opgaat, maar omdat de tekst van de Apostel ons toch niet helemaal helder is zouden we graag duidelijker uitleg hebben.Er schijnen immers hier drie dingen te worden genoemd: vooreerst:de strijd van het vlees tegen de geest; ten tweede: het begeren van de geest tegen het vlees; ten derde:onze wil die als het ware daar tussen in wordt geplaatst en waarvan gezegd wordt: zodat ge niet doet wat ge zoudt willen.Hoewel we hieromtrent, gelijk gezegd, reeds iets beginnen te begrijpen uit hetgeen ons zo juist werd voorgehouden, willen wij toch van de gelegenheid van deze conferentie profiteren om hierin wat meer licht te krijgen.

Terug naar de index

9. HET IS EEN TEKEN VAN VERSTAND, JUISTE VRAGEN WETEN TE STELLEN

1. Toen antwoordde Daniël: Verdelingen en lijnen van kwesties onderscheiden is al een gedeeltelijk begrip, en een heel groot stuk inzicht is te weten wàt je niet weet. Daarom staat er geschreven: Als de dwaas een vraag stelt wordt het hem tot wijsheid aangerekend (Spr. 17,28), want laat hem die ondervraagt, de draagwijdte van de kwestie ontgaan, toch wordt, omdat hij verstandig navorst en begrijpt wat hij niet begrijpt, dit juist hem tot wijsheid aangerekend, omdat hij wàt hij niet wist, verstandig heeft erkend.

2. Volgens uw verdeling schijnen dan op deze plaats door de Apostel drie dingen te worden genoemd: de begeerlijkheid van het vlees tegen de geest en die van de geest tegen het vlees, en het doel van deze strijd schijnt te zijn, dat wij, gelijk gezegd, niet zouden kunnen doen wat wij willen. Maar er is nog een vierde punt, dat gij in het geheel niet hebt gezien, en dat daarin bestaat dat wij doen wat wij niet willen.Wij moeten dus (1) vooreerst de macht leren kennen van de beide begeerlijkheden namelijk van het vlees en van de geest. (2) Dan kunnen wij onderzoeken, wat onze wil is, die tussen beiden in staat, (3) om tenslotte na te gaan wat het zou kunnen zijn dat buiten het bereik ligt van onze wil.

Terug naar de index

10. HET WOORD "VLEES" WORDT IN MEER DAN ÉÉN BETEKENIS GEBRUIKT

1. Het woord "vlees" lezen wij in de H.Schrift in verschillende betekennissen, want soms duidt het de gehele mens aan, dat wil zeggen die bestaat uit lichaam en ziel, bijvoorbeeld:het woord is vlees geworden (Joh.1,14); alle vlees zal Gods heil aanschouwen (Lc. 3,6). Soms betekent het de zondaars en vleselijk gezinde mensen, bijvoorbeeld: Mijn geest zal niet voor altijd bij de mensen blijven, omdat zij bedorven zijn en enkel vlees (Gen. 6,3).

2. Het wordt ook wel eens gebruikt voor de zonde zelf: Gij echter zijt niet in het vlees maar in de geest (Rom. 8,9). En elders: Vlees en bloed kunnen geen deel hebben aan het Koninkrijk Gods, waarop onmiddelijk volgt: en het bederf heeft geen deel aan de onbederfelijkheid (1Kor.15,50). Soms wordt het woord vlees gebruikt voor de afstammelingen van één vader en voor bloedverwanten: Zie, wij zijn uw vlees en bloed (2Sam. 5,1); en de Apostel zegt: om mijn vlees tot naijver op te wekken en sommigen van hen te redden (Rom.11,14).

3. Wij moeten dus nagaan volgens welke van deze vier betekenissen het woord "vlees" hier wordt gebruikt. Nu is het duidelijk dat de eerste betekenis gelijk in de teksten: Het woord is vlees geworden, en: Alle vlees zal het heil zien van onze God, hìer volstrekt onmogelijk is, en eveneens de tweede betekenis, gelijk die voorkomt in de teksten: Mijn geest zal niet voor altijd bij de mensen blijven, omdat zij bedorven zijn en enkel vlees. Want hier is eenvoudigweg sprake van de zondaars, hetgeen niet het geval is in de tekst van de Apostel: Het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees (Gal. 5,17).Hij spreekt hier immers niet van substantiële dingen maar van strevingen die in één en dezelfde mens,hetzij gelijktijdig, hetzij na elkaar, met een zekere wisseling en verandering van de tijden strijd voeren.

Terug naar de index

11. WÁT OP DEZE PLAATS DOOR DE APOSTEL VLEES GENOEMD WORDT; EN WAT DE BEGEERTE VAN HET VLEES IS

1. Op deze plaats moeten wij onder "vlees" niet verstaan de mens, de zelfstandigheid van mens, maar de wil van het vlees en de slechte verlangens; zoals wij ook "geest" niet moeten nemen als een of andere op zichzelf staande realiteit, doch in de zin van de goede en geestelijke verlangens van de ziel. Deze betekenis heeft de zalige Apostel ook zelf in wat voorafgaat duidelijk uitgedrukt: Ik bedoel dit: leef naar de geest, dan zult gij de verlangens van het vlees niet inwilligen; want het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees; zij staan vijandig tegenover elkaar, zodat gij niet doet al wat gij wilt (Gal. 5,16-17).

2. Daar deze beide verlangens, van het vlees en van de geest, in één en dezelfde mens aanwezig zijn, woedt er dagelijks in ons een inwendige oorlog, doordat de begeerte van het vlees, die zich onstuimig op het kwade werpt, behagen schept in de genoegens van de rust hier op aarde; waartegen van de andere kant de begeerte van de geest zich verzet en verlangt zó volledig in de ijver voor het geestelijke op te gaan, dat zij zelfs de noodzakelijke behoeften van het vlees wenst uit te sluiten; zózeer begeert zij voortdurend met dat geestelijke bezig te zijn, dat zij zou wensen geen enkele zorg te besteden aan de zwakheid van het lichaam.Het vlees vindt genoegen in weelde en wellust, de geest legt zich zelfs bij de natuurlijke verlangens niet neer.

3. Het vlees begeert tot verzadigens toe te slapen en te eten, de geest doet zich aan waken en vasten tegoed, zo zelfs dat hij niet eens voor de noodzakelijke behoeften van het leven slaap en spijs wil toestaan. Het vlees begeert overvloed van alle goederen, de geest neemt nog geen vrede met het dagelijkse, bescheiden broodje. Door baden zoekt het vlees een stralend uiterlijk en het verlangt dagelijks door een schare van vleiers te worden omringd, de geest verheugt zich in de ruigte van het vuil en de eenzaamheid van de ontoegankelijke woestijn en hij schuwt de aanwezigheid van iedere sterveling. Het vlees wordt gekoesterd door de eer en de lof der mensen, de geest roemt op het hem aangedane onrecht en de vervolging.

Terug naar de index

12. WÁT ONZE WIL IS DIE TUSSEN DE BEGEERTEN VAN HET VLEES EN VAN DE GEEST WORDT GEPLAATST

1. Tussen deze beide begeerten nu staat de wil van de ziel in een midden dat nog erger is. Noch vindt hij genoegen in de schanddaden van het kwaad, noch aanvaardt hij de pijnen van de deugd; hij zoekt zich van de vleselijke hartstochten te onthouden doch wil daarbij volstrekt niet het noodzakelijke lijden verduren zonder hetwelk men de verlangens van de geest niet kan bezitten; zonder zijn vlees te kastijden verlangt hij de kuisheid te verwerven, zonder de last van het waken de zuiverheid van hart te verkrijgen, met behoud van de rust van het vlees over te vloeien van geestelijke deugden, zonder de bitterheid van enige smaad de genade van het geduld te bezitten, de nederigheid van Christus te beoefenen zonder verlies van de wereldse eer, naar de eenvoud van de dienst van God te streven samen met de wereldse eerzucht, Christus te dienen mèt de lof en de gunst van de mensen, de strikte waarheid te spreken zonder iemand ook maar het minst te stoten: kortom hij wil zó de toekomstige goederen verwerven dat hij de tegenwoordige niet verliest.

2. Deze wil zou ons nooit tot de ware volmaaktheid doen komen. Hij zou ons tot een zeer ernstige lauwheid brengen, ons maken als hen die in de Apokalyps door het verwijt van de Heer worden gestriemd: Ik ken uw werken: gij zijt noch koud noch warm. Waart gij maar koud of warm. Nu echter zijt gij lauw en ik sta op het punt u uit te spuwen uit mijn mond (Op. 3,15-16). Zo zou het ons vergaan als van de andere kant niet die telkens in ons rijzende oorlog de staat van uiterste lauwheid zou verbreken. Want inderdaad, zodra wij in dienst van deze onze wil ons wat aan de verslapping willen overgevenkomen terstond de steken van het vlees en verwonden ons door hun ondeugden en hartstochten: zij laten ons aldus niet blijven in die staat van zuiverheid waarin wij behagen hebben, en trekken ons naar de koude, doornige weg der lusten, waarvoor wij huiveren.

3. Trachten wij een andere keer, ontstoken in vurigheid van geest en besloten de werken van het vlees uit te roeien, onszelf zonder enig ontzag voor de menselijke zwakheid uit hoogmoed volkomen te geven aan een overdreven deugdbeoefening, dan komt de zwakheid van het vlees tussenbeide om ons van die laakbare overdrijving van de geest terug te roepen en af te houden. En zo geschiedt het dat door deze afwisselende onderlinge strijd van de beide begeerten de wil van de ziel, die noch zich volkomen aan de vleselijke begeerten wil geven noch zich voor de werken der deugden uitsloven, door een juiste matiging wordt geleid: de onderlinge strijd maakt die gevaarlijke wil onmogelijk en brengt bij wijze van spreken in de weegschaal van ons lichaam een zeker evenwicht, dat de twee kanten van geest en vlees nauwkeurig gescheiden houdt en noch rechts aan de in vuur ontstoken geest, noch links aan het door ondeugd geprikkelde vlees toestaat de weegschaal te doen doorslaan. Deze strijd die zich dagelijks opnieuw tot ons nut in ons afspeelt, heeft tot gelukkig gevolg dat wij gedwongen worden tot dat vierde te komen dat wij niet willen: dat wij namelijk de zuiverheid van hart niet in ledigheid en zorgeloosheid, doch door een voortdurend zwoegen en sloven van de geest verwerven; dat wij de kuisheid van het vlees bewaren door streng vasten, door honger, dorst en waakzaamheid; dat wij door lezing, waken, voortdurend gebed en harde eenzaamheid ons hart zijn gerichtheid geven; dat wij het geduld behouden door oefening in de beproeving; dat wij onder de laster en verzadigd van versmadingen onze Schepper dienen; dat wij de waarheid doen gelden zo nodig ondanks de ongenade en vijandschap van deze wereld. Doordat wij in deze strijd, die zich in ons lichaam afspeelt, aan die slapheid en zorgeloosheid worden ontrukt en gedreven tot die inspanning die wij niet willen en tot de ijver voor de deugd, blijft het evenwicht voortreffelijk behouden.

5.Het vuur van de geest aan de ene kant, de ijzige koude van het vlees aan de andere kant, houden onze lauwe wil op een goed geregelde temperatuur. De begeerte van geest laat niet toe dat de ziel tot ongebreidelde ondeugd vervalt en de zwakheid van het vlees gedoogt op haar beurt niet dat de geest zich verheft tot onredelijke verlangens naar deugd, zodat enerzijds zich geen haarden van allerlei kwaad kunnen ontwikkelenen anderzijds de hoogmoed, onze hoofdkwaal, niet opkomt en ons nog erger verwondt met het wapen van de trots. Maar het juiste evenwicht dat volgt op deze strijd, zal tussen de beide uitersten de gezonde en gematigde weg ontsluiten van de deugden, de soldaat van Christus lerend steeds de koninklijke weg te gaan.

6. Als de ziel door de lauwheid van onze slappe wil al te zeer tot de verlangens van het vlees vervalt, wordt zij door de begeerten van de geest beteugeld, omdat deze niet berust in het aardse kwaad; en als omgekeerd onze geest zich in de onmatige ijver van een overdreven gemoed tot onmogelijke en onbezonnen dingen heeft laten verleiden wordt hij door de zwakheid van het vlees in het juiste evenwicht teruggebracht: hij overwint de lauwe staat van onze wil en gaat precies op de goede temperatuur volkomen gelijkmatig in harde arbeid de weg van de volmaaktheid.

7. Iets dergelijks zien wij in het boek van de Schepping door de Heer beschikt bij de bouw van die toren, waar de plotseling ontstane verwarring der talen een einde maakte aan een heiligschennend en misdadig stuk van mensen (Gen. 11,4-8). Want ook daar zou de verderfelijke eendracht tegen God, of meer nog tegen henzelf, die een aanslag op zijn goddelijke majesteit hadden ondernomen, zijn blijven bestaan, als niet door Gods beschikking het onderlinge taalverschil en de ongelijkheid van hun spraak hen had gedwongen tot een betere gesteltenis te komen, als niet een goede en nuttige onenigheid hén tot het heil had teruggeroepen, die door een gevaarlijke eendracht bezield waren geweest tot hun ondergang; want door de verdeeldheid begonnen zij de menselijke zwakheid te voelen, die zij tevoren in de hoogmoed van hun verderfelijk samenspannen niet kenden.

Terug naar de index

13. HET NUT VAN DE VERTRAGING DIE DOOR DE STRIJD TUSSEN VLEES EN GEEST ONTSTAAT

Uit deze wisselende strijd komt voor ons een nuttige vertraging, een heilzaam uitstel voort: het feit dat wij gehinderd worden door de weerstand van ons stoffelijk lichaam om datgene dat wij ons in boosheid hebben voorgenomen uit te voeren, brengt ons menigmaal tot een betere gesteltenis, doordat er namelijk berouw volgt, of een zekere herziening, die gewoonlijk plaats heeft wanneer men de zaak uitstelt en opnieuw overweegt. Zien wij maar eens naar hen van wie wij weten dat zij door geen belemmering van het vlees worden gehinderd om de verlangens van hun wil uit te voeren, de duivels namelijk en de boze geesten: al zijn zij uit de verhevener orde der engelen neergestort, zij zijn afschuwelijker dan de mensen. Omdat zij bij hun verlangens ook de macht hebben daaraan te voldoen, brengen zij wat zij zich eenmaal in boosheid hebben voorgenomen, zonder uitstel ten uitvoer en hun kwaad is onherroepelijk. Want zo snel als hun geest is in het beramen, zo vlug en vrij is hun wezen in het volbrengen en omdat zij met groot gemak kunnen uitvoeren wat zij hebben besloten, is er geen plaats voor een heilzaam beraad, dat het kwade voornemen kan herzien.

Terug naar de index

14. DE ONVERBETERLIJKE BOOSHEID DER HELSE GEESTEN

De geeestelijke zelfstandigheid immers,niet vastgekluisterd aan de logheid van het vlees, zodat ze geen reden van verontschuldiging heeft voor de slechte verlangens die in haar opkomen, sluit daarom in haar boosheid de vergiffenis uit, want zij werd niet, zoals wij, van buiten door de bekoring van het vlees aangespoord tot de zonde maar enkel en alleen door de eigen perverse wil. Daarom is haar zonde zonder vergiffenis en haar kwaal zonder geneesmiddel. Want gelijk zij zonder de aansporing van een aardse materie kwam te vallen, zo is er voor haar ook geen vergiffenis of gelegenheid tot berouw. Hieruit volgt duidelijk dat de strijd tussen vlees en geest niet alleen onschadelijk voor ons is, maar zelfs een bron van veel nut.

Terug naar de index

15. HET NUT DAT DE BEGEERLIJKHEID VAN HET VLEES TEGEN DE GEEST ONS OPLEVERT.

1. Daar is vooreerst dit nut in gelegen, dat hij onze lamlendigheid en traagheid aanstonds aan de kaak stelt, en gelijk een heel ijverig opvoeder ons nooit laat afwijken van de strikte norm der observantie en der regeltucht. Gebeurt het nu toch, dat onze zorgeloosheid een beetje tekort schiet in de passende gestrengheid, dan is er aanstonds de zweep der bekoring om ons op te wekken en te berispen en tot de passende soberheid terug te brengen. Ten tweede is er nog dit nut: Met Gods genade is onze kuisheid lange tijd zo rein en ongerept gebleven dat wij ons geheel bevrijd zagen blijven van een pollutio en nu menen dat zelfs eenvoudige bewegingen van het vlees ons niet meer zullen verontrusten, en alsof wij het bederf van het vlees niet meer hadden mee te dragen gaan wij ons nu diep in ons hart erover verheffen. Maar ach, daar is ineens de begeerlijkheid weer met haar nachtelijke onreinheid, rustig weliswaar en natuurlijk, maar wij worden door haar prikkels gebreideld en vernederd en vermaand dat wij mensen zijn,

2. Want gewoonlijk begaan wij onze andere fouten met meer onverschilligheid, al zijn ze ook zwaarder en voor ons schadelijker en hebben wij er niet zo makkelijk berouw over, maar deze ondeugd heeft dit eigen, dat ze ons bijzonder vernedert en door zo’n illusie ook ineens ons geweten wakker schudt omtrent de verwaarloosde hartstochten. De ziel begrijpt zonneklaar dat de gloed der natuur haar onrein gemaakt heeft, ofschoon ze zonder het te weten door geestelijke ondeugden onreiner was. Nu gaat ze aanstonds haar vroegere achteloosheid herstellen en het is tevens een waarschuwing voor haar, niet te vertrouwen op haar vroeger succes inzake kuisheid, want zij heeft geleerd dat een kortstondig afwijken van de Heer haar verloren deed gaan en dat zij deze gave der reinheid slechts kan behouden door de genade Gods. Dit leert ons de ondervinding: willen wij het geluk smaken van voortdurend ongerept ons hart te bewaren, dan moeten wij ons aanhoudend toeleggen op de deugd van ootmoedigheid.

Terug naar de index

16. WIJ ZOUDEN DIEPER VALLEN INDIEN DE PRIKKEL VAN HET VLEES ONS NIET VERNEDERDE

Dat de zelfverheffing over deze reinheid derhalve noodlottiger voor ons zou zijn dan alle zonden en misdaden, en dat hierom, hoe smetteloos onze kuisheid ook moge zijn, zij ons niet zal baten, blijkt uit de boze geesten, die wij zo juist hebben genoemd. Zij kenden niet de bekoringen van het vlees, doch werden alleen om de hoogmoed van hun hart van de verheven plaats die zij in de hemel innamen neergestort in een eeuwige ondergang. Wij zouden dus lauw zijn zonder enig geneesmiddel, geen kenteken hebbend, noch in ons lichaam noch in ons geweten, dat ons wees op onze nalatigheid, en wij zouden heus geen moeite doen om ooit tot de toppen der volmaaktheid op te klimmen. Ja, wij zouden ons niet eens houden aan de strikte normen van eenvoud en matigheid als de prikkel van het vlees niet in actie kwam om ons flink te vernederen en ons bezorgd te maken en oplettend ten einde ons eveneens te zuiveren van de ondeugden van de geest.

Terug naar de index

17. DE LAUWHEID DER EUNUCHEN

Wij zien daarom de lichamelijk ontmanden meestal vol lauwheid, omdat zij min of meer bevrijd zijn van deze vleselijke drift en daardoor menen dat zij het wel zonder de moeite der versterving en zonder de vermorzeling van het hart kunnen stellen. Door deze onbezorgdheid ontkracht, trachten ze nooit naar het bezit van een volmaakt hart, of zelf naar zuivering van de geestelijke ondeugden te streven. Deze toestand wijkt af van de vleselijke toestand en wordt zinnelijk, hetgeen voorzeker een achteruitgang is, want het is een overgang van de koude naar de lauwheid, en deze is volgens ‘s Heren woord afschuwelijk (Op. 3,15-16).

Terug naar de index

18. EEN VRAAG OMTRENT HET VERSCHIL TUSSEN VLESELIJK EN ZINNELIJK

Toen vroeg Germanus: het nut van de strijd tussen vlees en geest hebt u ons, naar wij menen, goed duidelijk gemaakt, zodat wij het als het ware met de handen kunnen tasten. En daarom zouden wij ook gaarne uitleg krijgen omtrent het verschil tussen een vleselijk mens en een zinnelijk mens en hoe het mogelijk is dat deze laatst genoemde slechter is dan de eerste.

Terug naar de index

19. ANTWOORD: DE DRIEVOUDIGE TOESTAND DER ZIELEN

1. Daniël:Volgens de H. Schrift kunnen de zielen zich in drie toestanden bevinden: de eerste is de vleselijke toestand, de tweede de zinnelijke, de derde de geestelijke. Zo zien wij ze bij de Apostel opgenoemd.Van de vleselijke mens zegt hij: Melk heb ik u te drinken gegeven, geen vaste spijs, want gij kondt er nog niet tegen. En ook nu kunt ge het nog niet, want nog zijt ge vleselijk (1Kor. 3,2). En: Wanneer er onder u naijver is en twist, zijt ge dan niet vleselijk? (1Kor. 3,3).Omtrent de zinnelijke mens spreekt hij aldus: De zinnelijke mens aanvaardt niet wat van Gods Geest komt, want het is hem een dwaasheid (1Kor. 2,14).En aangaande de geestelijke mens zegt hij: De geestelijke mens daarentegen beoordeelt alles, zonder zelf door iemand beoordeeld te worden (1Kor. 2,15). En verder: Gij die geestelijk zijt moet uw broeder terechthelpen in de geest van zachtmoedigheid (Gal. 6,1).Wij hebben nu door ons verzaken opgehouden vleselijk te zijn, dat wil zeggen: wij hebben vaarwel gezegd aan het leven volgens de wereld en opgehouden met de openlijke bezoedeling van het vlees, maar nu moeten wij zorgen, spoedig en met inspanning van al onze krachten tot de geestelijke toestand te geraken. Anders is er gevaar dat wij ons vleien met dit uiterlijk verzaken aan de wereld of met het vaarwel zeggen aan de onreinheid der vleselijke ontucht in de mening dat wij daarmee de top der volmaaktheid hebben bereikt en dat wij trager en langzamer worden in het uit roeien der overige hartstochten. Zo zouden wij vast komen te zitten tussen de vleselijke en de geestelijke toestand en deze laatste niet kunnen bereiken, omdat het volgens onze mening meer dan voldoende is voor onze volmaaktheid, dat wij ons naar de uiterlijke mens van het leven dezer wereld en haar wellusten hebben afgezonderd, en dat wij geen deel meer hebben aan het bederf van de vleselijke omgang. Maar als wij in deze allerergste toestand van lauwheid worden bevonden, dan mogen we wel weten dat de Heer ons uit zijn mond zal spuwen gelijk Hij zelf zegt: Waart ge maar warm of koud, maar nu ge lauw zijt zal Ik u uitspuwen uit mijn mond (Op. 5,15-16).De Heer had ze reeds als het ware gelijk voedsel opgenomen in de schoot van zijn liefde, maar zij zijn tot een ongezonde lauwheid vervallen en nu zegt Hij terecht, dat zijn binnenste van ze walgt om ze uit te spuwen. Zij hadden om zo te zeggen een heilzaam voedsel voor de Heer kunnen zijn, maar ze wilden liever uit zijn binnenste weggerukt worden en zijn nu des te slechter dan diegenen, die nooit als spijs in de goddelijke mond worden gebracht, als wìj een groter afschuw hebben voor hetgeen wij, door walg gedwongen, hebben uitgeworpen. Wat koud ls, wordt in onze mond wel warm, en wij nuttigen het met profijt en smaak, maar wat eenmaal vanwege zijn onuitstaanbare lauwheid uitgeworpen is, kunnen wij zonder grote walg zelfs niet van verre zien, laat staan aan onze lippen brengen.

4. Zeer terecht wordt dus de lauwe slechter genoemd dan elk ander. Een vleselijke mens immers, bijvoorbeeld een wereldling of een heiden, komt gemakkelijker tot een heilzame bekering, om vervolgens tot de hoogste volmaaktheid op te klimmen, dan iemand die professie heeft gedaan van het monnikenleven maar toch niet vastberaden die weg van volmaaktheid en regeltucht is opgegaan en het vuur van zijn eerste ijver in zijn hart liet uitdoven. De eerstgenoemde ondergaat namelijk de vernedering van zijn vleselijke ondeugden en voelt zich daardoor bezoedeld, hetgeen tot gevolg heeft, dat hij op zekere dag door berouw getroffen zich heenspoedt naar de bron van de waarachtige zuivering en naar het toppunt van de volmaaktheid. De weerzin die hij gevoelt voor zijn ijskoude toestand van ongeloof, ontsteekt in hem en heilige gloed en geeft hem vleugelen om met meer gemak naar de heiligheid op te wieken.

5. Maar hij die, zoals wij zeiden, vanaf het begin de naam van monnik door zijn lauwheid onteert en niet met de nodige ootmoed en ijver op de weg van zijn professie voortsnelt, hij zal weldra door deze rampzalige melaatsheid aangetast en er als het ware door uitgeteerd worden en dan mist hij voortaan elke smaak voor de volmaaktheid en alle geschiktheid om met de vermaningen van anderen zijn voordeel te doen. Dan zegt hij immers in zijn hart, volgens 's Heren woord: Ik ben rijk, ik heb overvloed en heb behoefte aan niets (Op. 3,17a).

6. Maar wat op deze woorden volgt, zal eveneens op hem worden toegepast: Daarom beseft ge ook niet dat ge ellendig zijt en erbarmelijk, arm, blind en naakt (Op. 3,17b), want hij is slechter geworden dan de wereldling, doordat hij zelfs niet wil weten dat hij ellendig is en blind en naakt: er valt bij hem niets te verbeteren en hij heeft niemands onderrichtingen of vermaningen van node en daarom wil hij ook van niemand een goed woord aannemen dat hem zou kunnen redden. En hij begrijpt niet dat zijn hoedanigheid en zijn reputatie van monnik hem met nieuwe verantwoording belast, want terwijl allen hem voor heilig houden en hoogachten als dienaar van God, zo zal hem dit in het toekomstig oordeel noodzakelijk zwaarder worden aangerekend.

7. Maar waarom zouden wij langer blijven stilstaan bij iets wat de ondervinding ons maar al te duidelijk heeft geleerd? Dikwijls toch zagen we koude, vleselijke mensen, dat wil zeggen: wereldlingen en heidenen, in ijverige geestelijke mensen veranderd worden, maar nooit zagen we dit geschieden bij hen die lauw waren en zinnelijk. En wij lezen ook dat de Heer hen door de mond van de profeet zozeer verafschuwt, dat hij aan de geestelijke mensen en aan de leraars het bevel geeft op te houden met ze te vermanen en te onderrichten en het zaad en het woord des heils niet meer te werpen op die steriele, onvruchtbare aarde vol distels en doornen, maar dat zij haar dienen te verachten om hun zorgen veeleer te besteden aan een nieuw land, dat wil zeggen: zij moeten de heidenen en wereldlingen gaan onderrichten en aan hen de ijver besteden van het woord des heils, gelijk er geschreven staat: Dit zegt de Heer tot de mannen van Juda en de bewoners van Jeruzalem: ontgint u een nieuwe akker, zaait niet langer tussen doornen (Jer. 4,3).

Terug naar de index

20. OVER HEN DIE OP VERKEERDE WIJZE AAN DE WERELD VERZAKEN

1.Ik schaam mij om het te zeggen, maar wij zien het merendeel der monniken zó aan de wereld verzaken, dat er niets anders in de ondeugden en gewoonten van hun vroeger leven veranderd blijkt te zijn dan alleen hun stand en wereldlijke kleding. Zij verlangen rijkdommen te verwerven die zij vroeger nooit hebben bezeten, of zij blijven tenminste behouden wat ze hadden, of zelfs -en dit is nog droeviger- ze willen het nog vermeerderen, onder voorwendsel dat het recht is, gelijk zij zeggen, om altijd voor de kost te kunnen zorgen hetzij van hun dienaars hetzij van hun medebroeders; ofwel zij sparen het op onder de dekmantel van een communiteit te verzamelen, waarvan ze zich vleien haar als abt te kunnen besturen.

2. Als zij waarlijk de weg naar de volmaaktheid zochten, dan zouden ze veeleer al hun energie er op zetten om zich niet alleen te ontdoen van al hun rijkdommen, maar ook van hun vroegere neigingen en al wat hen vervulde, om zich alleen en los van alles zo onder de leiding van ouderlingen te stellen, dat zij zich niet alleen niet bezorgd maakten over anderen, maar zelfs niet over zichzelf. Maar juist het tegenovergestelde zien wij gebeuren, want terwijl zij nooit zelf aan ouderlingen onderworpen zijn geweest, haasten zij zich om gezag te krijgen over hun broeders. Aldus beginnen zij met de hoogmoed en terwijl zij begerig zijn om anderen te onderrichten, slagen zij er niet in, zelf te leren en te beoefenen wat voor God gedaan moet worden. Zo kan het niet anders of deze blinde leiders van blinden vallen volgens 's Heren woord mèt dezen in een kuil. (Mt 15,14)

3. Deze hoogmoed, hoewel in beginsel één, uit zich niettemin op twee manieren. De ene veinst voortdurend een streng en ernstig uiterlijk, de andere daarentegen is steeds uitgestort in bandeloze vrijheid vol van dwaas gegiechel en gelach. De eerste schept behagen in de stilte, de tweede echter vindt het juk van het stilzwijgen beneden haar stand en schaamt zich niet om maar raak te praten, ook over dingen die niet passen en onzinnig zijn, want zij is vooral bang anders voor minder of dommer dan de anderen te worden gehouden. De éne manier van hoogmoed ambieert uit zelfverheffing de geestelijke staat, de andere echter toont er verachting voor als voor iets dat onpassend en onwaardig is voor haar vroegere rang in de wereld en niets is in verhouding met haar deftige afkomst en haar verdiensten. Welke van deze beide soorten van hovaardigheid de ergste moet heten moge ieder zelf maar beslissen.

4. Het is tenslotte één en dezelfdesoort van ongehoorzaamheid, of men nu het gebod van zijn ouderling overtreedt door ijverig te werken of door verlangen naar rust, en het is even verkeerd, aan de regels van het klooster te kort te komen door te slapen of door te waken. Het is hetzelfde, tegen het voorschrift van de abt in te lezen of te slapen, en het spruit voort uit hetzelfde beginsel van hovaardigheid, of wij een medebroeder verachten om zijn eten of om zijn vasten. Alleen is er dit verschil, dat de ondeugden die de schijn van deugd aannemen en van geestelijk leven, gevaarlijker zijn en moeilijker te genazen dan die welke open en bloot de vleselijke wellust ten doel hebben. Gelijk kwalen die iedereen kan zien, zo worden ook deze fouten aanstonds opgemerkt, berispt en genezen, maar de fouten die zich verbergen achter het masker van de deugd blijven zonder verzorging, en dat maakt die ziekten voor haar slachtoffers gevaarlijker en vermindert de kans op genezing.

Terug naar de index

21. OVER HEN DIE GROTE BEZITTINGEN HEBBEN VERACHT EN NU AAN KLEINIGHEDEN GAAN HECHTEN

1. Hoe moet men verder het volgende belachelijke feit beschrijven?Sommigen deden in hun eerste ijver afstand van hun erfdeel en dikwijls van aanzienlijke bezittingen, om de krijgsdienst der wereld de rug toe te keren en zich in de eenzaamheid te begeven, en nu zien we ze zó gaan hechten aan noodzakelijke gebruiksvoorwerpen, gering in waarde weliswaar, maar toch ook in 't klooster onmisbaar, dat hun bezorgdheid hierover al de vroegere hartstocht voor hun rijkdommen overtreft. Het zal ze voorwaar niet veel baten dat zij grotere goederen en bezittingen hebben veracht, want zij hebben de genegenheid ervoor, die het verzaken eraan nodig maakte, overgebracht op kleine en geringe zaken.

2. Want als zij hun begeerlijkheid en hun gierigheid, die zij niet op kostbare dingen in werking kunnen laten treden, nu toch behouden tegenover nietigheden, dan is dat een bewijs, dat ze hun vroegere hartstocht niet hebben afgelegd, maar slechts van object doen veranderen. Ja, door de al te grote gehechtheid, waarmee ze bezorgd zijn over een mat, een mandje, een zak, een boek en dergelijke dingen, hoe gering ook, tonen zij nog steeds met hun oude passie te zijn behept. En zij bewaken en verdedigen die voorwerpen met zo’n naijver, dat zij zich niet schamen, daarover jegens hun broeders zich op te winden, en wat een nog grotere schande is: zelfs met ze te twisten.

3. Nog steeds ten prooi aan de kwaal van hun vroegere hebzucht zijn ze niet tevreden om de dingen die de monnik nu eenmaal door de behoeften van het leven hebben moet, volgens de algemeen geldende maat en wijze te bezitten, maar zij tonen ook hierin de gierigheid van hun hart, dat ze de noodzakelijke gebruiksvoorwerpen overvloediger willen hebben dan de anderen, of dat zij met een geest van eigendom en met een ijver die de grenzen van de redelijke zorg overschrijdt die voorwerpen bewaken en niet willen dat iemand datgene durft aan te raken wat toch eigenlijk tot algemeen gebruik van de broeders is bestemd. Is het soms alleen maar het sóórt goud dat de schuld veroorzaakt en niet veeleer de hartstocht van de gouddorst zelf? Als het niet geoorloofd is om driftig te worden om zaken van gewicht, zal men dan de onschuld bewaren wanneer men opstuift voor dingen van geen belang? En hebben wij niet juist daarom kostbare goederen verlaten om daardoor te leren dingen zonder waarde zoveel te gemakkelijker te verachten? Want wat maakt het voor verschil of men zich opwindt uit begeerte naar grote en prachtige goederen of naar geringe? Ja, dit verschil is er, dat hij die het grote wist te verachten en nu aan bagatellen gaat hechten daarom zoveel te laakbaarder is. Een dergelijke afstand doen zal iemand dus nooit tot de echte innerlijke volmaaktheid brengen, want ondanks uiterlijke armoede blijft hij rijk door wil en verlangen.

Terug naar de index

Terug

zoeken