Bronteksten

Derde gesprek, van abt Pafnutius: De drie verzakingen

(Johannes Cassianus)

U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.

INHOUDSOPGAVE

  1. De levenswijze van abt Pafnutius
  2. Toespraak van de grijsaard en ons antwoord
  3. Stelling van abt Pafnutius over de drie soorten roeping en de drie verzakingen
  4. Uiteenzetting over de drie roepingen
  5. De eerste roeping betekent voor de trage geen voordeel; de laatste voor de ijverige geen nadeel
  6. Uiteenzetting over de drie verzakingen
  7. Hoe men zich elk der drie verzakingen volkomen eigen moet maken
  8. De eigen rijkdom van de ziel, waardoor zij schoon of lelijk is
  9. De drie soorten rijkdom
  10. Niemand kan door de eerste verzaking alleen volmaakt zijn
  11. Vraag over de vrije wil van de mens en de genade van God
  12. Antwoord: In het bestel van Gods genade blijft de vrijheid van de wil
  13. De leiding van onze weg komt van God
  14. De kennis van de wet wordt door het onderricht en de verlichting van de Heer geschonken
  15. Het begrip waardoor wij Gods geboden kunnen kennen en de neiging van de goede wil worden door de Heer geschonken
  16. Het geloof zelf wordt door de Heer geschonken
  17. De Heer matigt de bekoringen en geeft het ons ze te dragen
  18. De bestendigheid in de vreze Gods wordt ons door de Heer geschonken
  19. Het begin van de goede wil én zijn voltooiing zijn van de Heer
  20. Niets in deze wereld geschiedt zonder God
  21. Opwerping, over de macht van de vrije wil
  22. Antwoord: onze vrije wil heeft de hulp van de Heer voortdurend nodig

1. DE LEVENSWIJZE VAN ABT PAFNUTIUS

1. In dat koor van heiligen, die als heldere sterren in de nacht van deze wereld schitterden, hebben wij de heilige Pafnutius gezien als een groot licht, stralend door de klaarheid van zijn kennis. Hij was de priester van onze gemeentein de woestijn van Sectis,alwaar hij tot op zeer hoge leeftijd heeft volhard, zó zelfs dat hij nooit van de cel die hij in zijn jonge jaren had betrokken en die vijf mijl van de kerk af lag, naar een andere is verhuisd die tenminste wat dichterbij lag, om zich, door de jaren uitgeput, de kwelling te besparen van die lange tocht naar de kerk, ‘s zaterdags en 's zondags. Ja, hij wilde niet eens met lege handen terugkeren: hij laadde de kruik met zijn watervoorraad voor de hele week op zijn schouders en droeg haar naar zijn cel. Ofschoon hij de negentig jaar gepasseerd is, liet hij nimmer toe dat jongeren dit werk voor hem deden.

2. Hij had zich vanaf zijn jeugd met zoveel ijver aan de school van het cenobietenleven gegeven, dat hij er in korte tijd het goed der onderdanigheid en de kennis van alle deugden verwierf. Door nederigheid en gehoorzaamheid verstierf hij zijn eigen wil; en aldus ontdaan van al zijn kwaad en volmaakt in al de deugden waartoe de kloosterregels en de leer van de oudste Vaders vormen, ontbrandde hij in verlangen naar een hogere volmaaktheid en spoedde zich naar de afzondering van de woestijn. Temidden van de broeders had hij verlangd de Heer onafscheidelijk aan te hangen: nú weerhield het gezelschap der mensen hem niet meer en kon hij gemakkelijker met God worden verenigd.

3. Ook daar overtrof hij zelfs de deugden van de kluizenaars. In zijn verlangen en streven naar de voortdurende beschouwing van God ontvluchtte hij de blikken van de mensen en trok naar de meest verlaten en ontoegankelijke delen van de woestijn, waar hij lange tijd verborgen leefde, zodat ook de kluizenaars zelf hem maar zelden zagen en met moeite. Daarom geloofden zij dan ook, dat hij dagelijks het gezelschap van de engelen genoot; en om deze eenzaamheid gaven ze hem de bijnaam "de Buffel".

Terug naar de index

2. TOESPRAAK VAN DE GRIJSAARD EN ONS ANTWOORD

1. Verlangend door zo'n meester onderricht te worden en bovendien rusteloos door de prikkel van onze gedachten, kwamen wij tegen het vallen van de avond bij zijn cel aan. Even bleef hij zwijgen: dan begon hij onze opzet te prijzen, dat wij ons vaderland hadden verlaten en zovele streken waren doorgetrokken uit liefde tot de Heer; dat wij ons zozeer inspanden om de ontbering en de eenzaamheid van de woestijn te dragen en hun strenge leven na te volgen, dat zelfs diegenen die in dergelijke behoeftige omstandigheden waren geboren en getogen, nauwelijks konden volhouden.

2. Wij antwoordden dat wij zijn lering en meesterschap waren komen zoeken om iets van de lessen van zo'n groot man en van zijn volmaaktheid, die wij door talloze bewijzen in hem aanwezig wisten, in ons op te nemen, maar niet om door zijn ongegronde lof te worden bezwaard en tot hoogmoed verleid, waartoe reeds de vijand ons ook in onze eigen cel kwam bekoren. Wij vroegen hem dus, ons liever dingen te zeggen die ons rouwmoedig en nederig konden maken, in plaats van ijdel en hovaardig.

Terug naar de index

3. STELLING VAN ABT PAFNUTIUS OVER DE DRIE SOORTEN ROEPING EN DE DRIE VERZAKINGEN

1. Toen sprak de zalige Pafnutius: Er zijn drie soorten roeping. Eveneens zijn er drie verzakingen, die de monnik, van welke soort zijn roeping ook is, alle drie van node heeft. Het eerste punt, de drie soorten roeping, moeten wij degelijk onderzoeken, opdat wij als we zien dat onze roeping tot de dienst van God van de eerste klasse is geweest, ons gedrag met dat verheven begin doen overeenstemmen. Het zou immers niet baten voortreffelijk te zijn begonnen als het einde niet beantwoordde aan het begin.

2. Constateren wij echter dat wij zelfs volgens de minste klasse van roeping aan het leven van de wereld zijn ontrukt, laten wij dan, op hoe minder degelijk begin onze dienst van God steunt, een des te vuriger geestelijke ijver tonen, om beter te eindigen. Ook het tweede punt, de drievoudige verzaking, behoren wij grondig te bestuderen. Want wij kunnen de volmaaktheid absoluut niet bereiken, als wij hieromtrent onwetend blijven of de kennis die wij er eventueel van hebben niet in praktijk trachten te brengen.

Terug naar de index

4. UITEENZETTING OVER DE DRIE ROEPINGEN

1. Om dan de drie soorten roepingen duidelijk te onderscheiden: de eerste is van God, de tweede door een mens, de derde uit noodzaak. De roeping komt van God zo vaak Hij ons hart een ingeving schenkt, die ons, soms zelfs wanneer wij slapen, plotseling opwekt tot het verlangen naar het eeuwig leven en het heil; die ons heilzaam treft en dringt om God te volgen en zijn geboden aan te hangen. Zo lezen wij in de heilige Schrift, dat Abraham door de stem des Heren werd geroepen, weg van zijn geboortegrond, van de genegenheid zijner verwanten en van het huis van zijn vader: Trek weg uit uw land, uit uw stam en uit het huis van uw vader (Gen. 12,l).

2. Van de zalige Antonius weet ik dat hij op dezelfde manier werd geroepen: hij ontving de aanleiding van zijn bekering van God alleen. Zekere keer namelijk ging hij een kerk binnen en hoorde daar deze woorden van de Heer in het evangelie: Wie zijn vader en moeder, zijn kinderen, zijn vrouw, zijn akkers, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan mijn leerling niet zijn (Lc. 14,26). En: Zo gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop al wat ge bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel bezitten; kom dan en volg Mij (Mt. 19,21). Hij vatte deze les van de Heer op als tot hem persoonlijk gericht en, in het diepst van zijn hart getroffen, aanvaardde hij: terstond verzaakte hij aan alles en volgde Christus zonder dat enige aansporing of enig onderricht van mensen hem daartoe had gebracht.

3. De tweede soort roeping is, zoals wij zeiden, die welke door een mens geschiedt, wanneer wij door de voorbeelden of de vermaningen van heilige personen ontstoken worden in verlangen naar het heil. Op deze manier ben ook ik - het blijft mij altijd bij – door de genade van de Heer geroepen, toen ik mij, door de vermaningen en deugden van genoemde Antonius bezield, aan deze levensstaat heb gegeven. Op deze wijze ook zijn de kinderen van Israël, zo lezen we in de heilige Schrift, door Mozes uit de slavernij van Egypte bevrijd.

4. De derde soort roeping komt voort uit noodzaak. Terwijl wij gebonden zijn aan de rijkdommen en genoegens van deze wereld, treft ons plotseling de beproeving: een dreigend doodsgevaar, verlies van goederen of verbanning, of de dood van onze dierbaren; en terwijl wij in voorspoed versmaadden God te volgen, worden wij nu gedwongen om ons dan maar ondanks onszelf naar Hem te haasten.

5. Deze roeping uit noodzaak vinden wij in de Schrift zeer vaak. Wij lezen dat de kinderen van Israël om hun zonden door de Heer werden overgeleverd aan hun vijanden, onder wier wrede tiranniezij zich weer bekeerden en riepen tot de Heer. En de Heer zond hun, zo staat er, een rechter, Aod, zoon van Gera, zoon van Jemini, die beide handen gebruikte als de rechtse (Ri. 3,15). En ook dit: Zij riepen tot de Heer en Hij verwekte hun een redder en bevrijdde hen: Otniël, de zoon van Kenaz, jongere broer van Kaleb (Ri. 3,9). Iets dergelijks wordt in de psalm gezegd: Wanneer Hij hen doodde, zochten zij Hem: zij bekeerden zich en vanaf de vroege ochtend kwamen zij tot Hem. En zij gedachten dat God hun helper was, en de allerhoogste God hun verlosser (Ps. 78,34-35). En ook: Zij riepen tot de Heer toen zij gekweld werden, en uit hun noden bevrijdde Hij hen (Ps. 107,19).

Terug naar de index

5. DE EERSTE ROEPING BETEKENT VOOR DE TRAGE GEEN VOORDEEL; DE LAATSTE VOOR DE IJVERIGE GEEN NADEEL

1. Ofschoon van deze drie roepingen de eerste twee op een degelijker grond schijnen te steunen, hebben wij toch ook wel mannen van de derde roeping - die de minste schijnt en een lauwe – volmaakt bevonden en uiterst vurig van geest, volkomen de gelijken van diegenen die op de verhevenste wijze de dienst van de Heer begonnen en hun verdere leven in die loffelijke ijver volhardden. Omgekeerd zijn er velen van de eerste roeping tot lauwheid vervallen en was hun einde laakbaar. Zoals het voor de eersten dus geen nadeel betekende, dat zij zich niet uit vrije wil schenen te bekeren, maar noodgedwongen - Gods goedheid bezorgde hun immers de aanleiding zelf tot hun bekering -: zo was het evenmin voor de laatsten een voordeel dat hun bekering zo verheven begon, omdat zij niet gezorgd hebben hun verdere leven in overeenstemming daarmede te volbrengen.

2.Het heeft abt Mozes, die in het gedeelte van deze woestijn dat Calamus genoemd wordt, heeft gewoond, in niets aan volmaakte heiligheid ontbroken. Toch is hij naar het klooster gegaan uit vrees voor de doodstraf die hem boven het hoofd hing vanwege een moord. Hij heeft zijn noodgedwongen bekering met zoveel ijver aangepakt, dat hij haar prompt in een vrijwillige veranderde en de hoogste toppen van de volmaaktheid bereikte. Omgekeerd heeft het velen, wier namen ik niet behoef te noemen, niets gebaat dat zij de dienst van de Heer op een verhevener wijze begonnen, omdat zij naderhand door de slapheid en de verstoktheid van hun hart tot een verderfelijke lauwheid vervielen en neerstortten in de diepe afgrond van de dood.

3. Ditzelfde zien we ook duidelijk in de roeping van de apostelen. Wat heeft het Judas gebaat, dat hij het sublieme apostelambt, waartoe hij op dezelfde wijze als Petrus en de anderen was geroepen, vrijwillig heeft aangenomen, hij die op het voortreffelijke begin van zijn roeping het afschuwelijke einde van begeerte en hebzucht liet volgen, zozeer dat hij ertoe kwam als een wrede moordenaar zijn Heer te verraden?

4. Van de andere kant: wat heeft het Paulus geschaad dat hij, plotseling van het licht van zijn ogen beroofd, als tegen zijn wil naar de weg van het heil werd getrokken? Hij heeft immers daarna met al de vurigheid van zijn ziel de Heer gevolgd; na het gedwongen begin heeft hij zijn wil ten volle ingezet, en zijn van deugden schitterend leven heeft hij met een onvergelijkelijk einde bekroond. In het einde is dus alles gelegen. Iemand die zijn bekering op de verhevenste wijze begint, kan door zijn nalatigheid ten slotte de minste bevonden worden, terwijl een ander door de nood ertoe gebracht om monnik te worden, door vreze Gods en ijver volmaakt wordt.

Terug naar de index

6. UITEENZETTING OVER DE DRIE VERZAKINGEN

1. Nu moeten wij over de verzakingen spreken, welke drie in getal zijn, zoals de overlevering der Vaders en het gezag van de heilige Schrift ons leren, en die ieder van ons met alle ijver moet volbrengen. De eerste is die waardoor wij uitwendig alle rijkdom en goederen van de wereld verachten; de tweede die waardoor wij breken met ons vroegere leven, met onze ondeugden en gehechtheden, geestelijke en vleselijke; de derde is die waardoor wij onze geest van al het tegenwoordige en zichtbare afwenden om enkel het toekomstige te beschouwen en het onzichtbare te verlangen.

2. Deze alle drie te volbrengen gebood de Heer reeds aan Abraham, waar Hij hem zegt: Trek weg uit uw land, uit uw stam en uit het huis van uw vader (Gen. 12,l). Eerst zegt Hij: uit uw land, dat is:uit de goederen van deze wereld en de aardse rijkdom; vervolgens uit uw stam, dat is: uit de levenswijze en de gewoonten van voorheen, uit de vroegere ondeugden, die ons vanaf onze geboorte aankleven, zodat zij als door verwantschap, als door het bloed, met ons verbonden zijn; ten derde uit het huis van uw vader, dat is: uit alle gedachten aan deze wereld die zich aan uw blikken voordoen.

3. Over het feit, inderdaad, van de twee vaders:één die men moet verlaten en één die men moet zoeken, zingt David uit de naam van God aldus: Hoor, dochter, en zie en neig uw oor; vergeet uw volk en het huis van uw vader (Ps. 45,11). Want hij die zegt: Hoor dochter, is ongetwijfeld haar vader, en toch getuigt hij, dat degene wiens huis en volk hij zijn dochter vermaant te vergeten, óók haar vader is. Dit vergeten van eigen huis en volk wordt een feit als wij, met Christus aan de elementen van deze wereld gestorven, niet meer letten, volgens de Apostel, op het zichtbare, maar op het onzichtbare, want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare eeuwig (2Kor. 4,18); en als wij met ons hart dit tijdelijke, zichtbare huis verlaten en de ogen van onze geest richten op het huis waarin wij eeuwig zullen verblijven.

4. Dán zullen wij dit volbrengen, wanneer wij, wandelend in het vlees, niet meer volgens het vlees zullen strijden voor de Heer, dit woord van de zalige Apostel met onze werken uitroepend: Wij echter zijn burgers van de hemel (2Kor. 10,3; Fil. 3,20). Aan deze drie verzakingen beantwoorden precies de drie boeken van Salomon. Bij de eerste verzaking passen de Spreuken, waardoor de begeerte naar het vleselijke en de aardse ondeugden worden afgesneden; bij de tweede verzaking de Prediker, waar alles wat onder de zon geschiedt, ijdelheid wordt genoemd; bij de derde het Hooglied, waarin de geest boven al het zichtbare uitstijgt en reeds met het Woord Gods wordt verenigd door de beschouwing van het hemelse.

Terug naar de index

7. HOE MEN ZICH ELK DER DRIE VERZAKINGEN VOLKOMEN EIGEN MOET MAKEN

1. Het zou ons niet veel baten de eerste verzaking met de totale inzet van ons geloof te ondernemen indien wij de tweede niet met eenzelfde ijver en vurigheid volbrachten. En als wij dan ook deze verworven hebben, kunnen wij tot die derde geraken, waardoor wij de blik van onze geest geheel op het hemelse richten, na te zijn uitgegaan uit het huis van onze eerste vader, die - wij weten het - onze vader was naar de oude mens vanaf onze geboorte, toen wij van nature kinderen van toorn waren, zoals de anderen (Ef. 2,3).

2. Over deze vader ook wordt gezegd tot Jeruzalem, dat haar ware vader, God, had veracht: Uw vader is een Ammoniet en uw moeder een Hittietische (Ez. 16,3), en in het evangelie: De vader uit wie gij zijt is de duivel, en gij verkiest te volbrengen wat uw vader verlangt (Joh. 8,44). Als wij hem hebben verlaten, door van het zichtbare naar het onzichtbare over te gaan, kunnen wij met de Apostel zeggen: Wij weten het: als de tent die onze aardse woning is, wordt neergehaald, ontvangen wij een woonplaats van God, een huis niet door mensenhand gemaakt, maar een eeuwig in de hemel (2Kor. 5,l); en eveneens wat wij zojuist al aanhaalden: Wij echter zijn burgers van de hemel, vanwaar wij dan ook de Verlosser verwachten, Jezus de Heer, die ons armzalig lichaam zal herscheppen, gelijk aan zijn verheerlijkt lichaam (Fil. 3,20-21), en dit woord van de zalige David: Een zwerver ben ik op aarde en een vreemdeling, zoals al mijn vaderen (Ps. 119,19; Ps. 39,13). Zo worden wij gelijk aan hen van wie de Heer in het evangelie dit tot de Vader zei: Zij zijn niet van deze wereld, zoals ook Ik niet van deze wereld ben (Joh. 17,16), en tot de apostelen zelf: Als gij van de wereld zoudt zijn, zou de wereld liefhebben wat haar toebehoort. Daar gij echter niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u (Joh. 15,19).

3. De volmaaktheid in deze derde verzaking zullen wij dàn waarachtig bezitten, wanneer onze geest door geen grofheid van het vlees meer wordt bezwaard, maar in een kundige bewerking van alle aardse gesteltenis en gehechtheid ontdaan is: wanneer hij door voortdurende overweging van de dingen van God en geestelijke beschouwing zózeer in het onzichtbare is opgegaan, dat hij, gericht op het hogere en onlichamelijke, niet meer voelt, omgeven te zijn door het broze vlees, te leven in een lichaam. Hij wordt dan in zulke verrukkingen opgenomen, dat hij stemmen van buiten niet meer hoort, dat het niet meer tot hem doordringt als er mensen voorbijkomen, ja dat hij zelfs grote voorwerpen vlak voor zijn ogen niet ziet.

4. Deze toestand kan alleen hij waarachtig en ten volle begrijpen die wat ik zeg door ervaring heeft geleerd, wiens innerlijk oog de Heer zozeer van al het tegenwoordige heeft afgetrokken, dat hij het niet meer als voorbijgaand beschouwt, maar als reeds voorbijgegaan en als een ijdele rook vervlogen tot niets. Hij wandelt als Henoch met God, en van de menselijke levenswijze weggenomen vindt men hem niet meer in de ijdele tegenwoordige wereld. Bij Henoch geschiedde dit ook lichamelijk, zoals het boek van de Schepping vermeldt: En Henoch wandelde met God, en men vond hem niet meer, want God nam hem weg (Gen. 5,24). En de Apostel zegt: Door het geloof werd Henoch weggenomen, zodat hij de dood niet heeft gezien (Hebr. 11,5). Over deze dood spreekt de Heer in het evangelie: Wie leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven (Joh. 11,26).

5. Haasten wij ons dus, als wij de ware volmaaktheid verlangen te bereiken, om zoals wij ons lichamelijk van ouders, vaderland, wereldse rijkdommen en genoegens hebben afgewend, ons ook met het hart van dat alles los te maken en niet meer door het verlangen terug te keren naar wat wij verlaten hebben, zoals zij deden die door Mozes waren uitgeleid: zij keerden terug naar Egypte, niet lichamelijk maar met het hart, door namelijk God, die hen met zulke machtige tekenen had uitgeleid, te verlaten en de afgoden van Egypte die zij eerst hadden verlaten te vereren; zoals de Schrift zegt: En zij keerden met hun hart terug naar Egypte, en zeiden tot Aäron: Maak ons goden die voor ons uit zullen gaan (Hand. 7,39-40). Wij zouden dezelfde veroordeling oplopen als zij die in de woestijn na het hemels manna de walgelijke en armzalige spijzen van de ondeugd verlangden; en wij zouden morren zoals zij: Wij hadden het goed in Egypte, waar wij bij de vleespotten zaten, waar wij uien en knoflook aten, en komkommers en meloenen (Num. 11,18; Ex. 16,3; Num. 11,5).

6. Dit alles is bij dat volk als een voorafboeiding geschied. Maar we zien het nu nog dagelijks in de kringen van onze staat vervuld worden. Want eenieder die na zijn verzaking aan de wereld tot zijn oude neigingen en vroegere verlangens terugkeert, roept door zijn daden en gedachten datzelfde met hen uit: Ik had het goed in Egypte. Ik vrees dat dezulken even talrijk zullen zijn als de menigten afvalligen toen onder Mozes. Ofschoon zeshonderddrieduizend gewapenden geteld werden bij de uittocht uit Egypte zijn er slechts twee het land van belofte ingegaan.

7. Daarom dus moeten wij ons haasten een voorbeeld te nemen aan de deugden van de weinigen, van het zeer kleine getal; want overeenkomstig de verhaalde voorafbeelding heet het ook in het evangelie(vgl. Mt. 22,14): Velen geroepen, weinigen uitverkoren.Een louter lichamelijke verzaking, een uitwendig verlaten van Egypte, zal ons dus niets baten, zo wij niet daarbij, wat hoger en nuttiger is, met het hart weten te verzaken. Over die lichamelijke verzaking spreekt de Apostel aldus: Al geef ik mijn hele vermogen tot spijs voor de armen en al lever ik mijn lichaam over aan de vuurdood, als ik de liefde niet heb, baat het mij niets (1Kor. 13,3).

8. Dit zou de zalige Apostel nooit gezegd hebben als hij niet in de geest had voorzien, hoe sommigen, na al hun goederen tot spijs voor de armen te hebben uitgedeeld, de evangelische volmaaktheid en de moeilijke top van de liefde niet zouden vermogen te bereiken, doordat zij hun vroegere ondeugden en onbeheerstheid, hetzij uit hoogmoed hetzij uit ongeduld, in hun hart laten voortbestaan en zich niet in het minst daarvan trachten te zuiveren, waardoor zij Gods liefde, die nooit vergaat, niet bereiken.

9. Zij blijven duidelijk beneden de tweede graad van verzaking, en bereiken dus nog veel minder de derde, die zonder twijfel hoger is. Let er bij dit alles ook op, dat de Apostel niet eenvoudig heeft gezegd: Al geef ik mijn vermogen. Want dan had het de schijn kunnen hebben, dat hij gesproken had over degene die niet eens het gebod van het evangelie volbrengt, maar een gedeelte voor zich behoudt, zoals sommige lauwen doen. Neen, hij heeft gezegd: Al geef ik mijn hele vermogen tot spijs voor de armen, dat is, al verzaak ik volledig aan de aardse rijkdom.

10. En aan deze verzaking voegt hij nog iets groters toe: Al lever ik mijn lichaam over aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Het is, als had hij met andere woorden gezegd: Al geef ik mijn hele vermogen tot spijs voor de armen, overeenkomstig het gebod van het evangelie dat luidt: Zo gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop al wat ge bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel bezitten (Mt. 19,21), zó volledig verzakend dat ik niets, volstrekt niets voor mijzelf behoud: en al voeg ik aan dat wegschenken nog het martelaarschap toe door de vuurdood zodat ik mijn lichaam overlever voor Christus: zo ik daarbij evenwel ongeduldig, driftig, afgunstig, hoogmoedig ben en beledigingen mij doen branden, zo ik mijzelf zoek of het kwade denk, of niet geduldig en gaarne alles verdraag wat men mij aan kan doen:

11. dan baat de verzaking en verbranding van de uitwendige mens mij niets, zolang de inwendige nog in zijn oude ondeugden is verstrikt. Ik heb dan wel de dingen zonder meer van deze wereld veracht, die niet goed en niet kwaad zijn maar onverschillig, doch ik heb verzuimd mij van de kwalijke rijkdom van een boos hart te ontdoen en de goddelijke liefde te bereiken, die geduldig is, die goedertieren is, die niet afgunstig is, niet verwaand, niet toornig wordt, niet onedel handelt, het zijne niet zoekt en het kwade niet denkt, die alles verdraagt en alles uithoudt (1Kor. 13,4-7), die, ten slotte, haar getrouwen nimmer laat vallen in de strik van de zonde.

Terug naar de index

8. DE EIGEN RIJKDOM VAN DE ZIEL, WAARDOOR ZIJ SCHOON OF LELIJK IS

1. Wij moeten er dus ten zeerste voor ijveren dat onze inwendige mens de rijkdom aan ondeugden die hij in zijn vroeger leven heeft opgedaan, spoedig weer afwerpt en doet verdwijnen. Hardnekkig verbonden aan ziel en lichaam is deze werkelijk ons eigendom, en zo wij hem niet wegwerpen en van ons afsnijden terwijl wij nog in het lichaam zijn, zal hij ook na de dood niet ophouden ons te vergezellen. Zoals immers de nu verworven deugden, en vooral de liefde die er de bron van is, ook na dit leven haar minnaar schoonheid en luister verlenen, zo zullen de ondeugden de geest ontluisterd en als met afzichtelijke kleuren bedekt naar dat eeuwig verblijf vervoeren.

2. De schoonheid of lelijkheid van de ziel komt voort uit haar deugd of ondeugd. Zij krijgt daardoor òf een kleur die haar zo schitterend maakt dat zij van de profeet mag horen: En de Koning zal uw schoonheid begeren (Ps. 45,12); òfwel een zwarte, een walgelijke, een zo afzichtelijke dat zij zelf bekent van haar eigen vuil te walgen en zegt: Mijn wonden zijn verrot en bedorven, vanwege mijn verdwazing (Ps. 37,6). En de Heer zelf zegt haar: Waarom is de wond van de dochter van mijn volk niet verbonden? (Jer. 8,22).

3. Dit is dus onze eigen rijkdom; hij vergezelt de ziel voortdurend; geen koning, geen vijand kan hem ons geven of ontnemen. Dit is onze eigen rijkdom waarvan zelfs de dood ons niet kan scheiden.Als wij eraan verzaken, zullen wij de volmaaktheid bereiken; blijven wij eraan gebonden, dan worden we met de eeuwige dood gestraft.

Terug naar de index

9. DE DRIE SOORTEN RIJKDOM

1. In drie betekenissen wordt in de heilige Schrift het woord rijkdom gebruikt: slechte, goede en onverschillige. Slecht is de rijkdom waarvan gezegd wordt: De rijken leden gebrek en honger (Ps. 34,1l), en: Wee u, rijken, want ge hebt uw troost al ontvangen (Lc. 6,24). Aan deze rijkdom verzaakt te hebben, is de hoogste volmaaktheid. Een tegenstelling daarmee vormen de armen die in het evangelie door de stem van de Heer geprezen worden: Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen (Mt. 5,3); en in de psalm: Deze arme riep en de Heer heeft hem verhoord (Ps. 34,7), en: De arme en behoeftige zullen uw naam loven (Ps. 74,21).

2. Er is ook een goede rijkdom, en deze te hebben verworven betekent grote deugd en hoge verdienste. De rechtvaardige die hem bezit, wordt door David geprezen, die zegt: Het geslacht der rechtvaardigen zal gezegend worden. Eer en rijkdom bewonen zijn huis, en zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand (Ps. 112,2-3). Eveneens: De rijkdom van een man is de losprijs voor zijn leven (Spr. 13,8). Over deze rijkdom wordt ook in de Apokalyps gesproken, waar degene die hem niet heeft, om zijn armoede en naaktheid wordt gelaakt: Ik zal u uitspuwen uit mijn mond. Gij zegt: Ik ben rijk, ik heb overvloed en heb aan niets gebrek; en ge beseft niet, dat ge ellendig zijt en erbarmelijk, arm, blind en naakt. Ik raad u aan goud van Mij te kopen, door vuur gelouterd, om rijk te worden en u met witte kleren te bekleden opdat de schande van uw naaktheid niet aan de dag komt (Op. 3,16-18).

3. Ten slotte is er de onverschillige rijkdom, dat wil zeggen, die zowel goed als kwaad kan zijn. Naar beide kanten kan hij gaan, naargelang de wil en de gesteltenis van wie hem gebruikt. Hiervan zegt de zalige Apostel: Vermaan de rijken van deze wereld niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet te stellen op de ongewisse rijkdom, maar op God, die ons alles rijkelijk te genieten geeft. Zeg hun dat zij goed moeten doen, vrijgevig en mededeelzaam zijn; dan verzamelen zij een schat voor de toekomst, grondslag waarop zij het ware levenbereiken (1Tim. 6,17-19). Deze rijkdom ook hield de rijke van het evangelie voor zich zonder iets te geven aan de noodlijdenden, terwijl de arme Lazarus neerlag aan zijn deur en begerig was zijn honger met de kruimels te stillen: hij werd overgeleverd aan het ondraaglijke hellevuur en de eeuwige gloed (Lc. 16,19 e.v.).

Terug naar de index

10. NIEMAND KAN DOOR DE EERSTE VERZAKING ALLEEN VOLMAAKT ZIJN

1. Als wij dus de zichtbare rijkdom van de wereld verlaten, doen we geen afstand van eígen goed, maar van dat van anderen - al roemen wij er ook op dat wij hem door eigen inspanning verworven hebben of van onze ouders geërfd. Niets immers, zoals ik zei, is van ons tenzij datgene wat door ons hart wordt bezeten en aan onze ziel is gebonden, wat niemand ons kan ontnemen. Tot hen die de zichtbare rijkdom voor zich houden als was het hun eigendom en er niet van willen meedelen aan de noodlijdenden, zegt Christus verwijtend: Als gij in het goed van een ander niet trouw zijt geweest, wie zal u dan het uwe geven? (Lc. 16,12). Dat deze rijkdom duidelijk van anderen is leert dus niet alleen de dagelijkse ervaring: ook de uitspraak van de Heer zegt het met evenzoveel woorden.

2. Over de onzichtbare slechte rijkdommen zegt Petrus tot de Heer: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, wat zullen wij dus krijgen? (Mt. 19,27). En zij verlieten toch niet meer dan wat armzalige gescheurde netten. Wanneer wij dat alles niet verstonden van dit verzaken aan de ondeugd, hetgeen pas waarlijk groot en hoogstaand is, dan was er niets kostbaars te vinden dat de apostelen zouden hebben verlaten en zouden wij de reden niet zien waarom de Heer hun een zó grote glorie en zaligheid toekende, dat zij van Hem mochten horen: Bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon zal zetelen op de troon zijner heerlijkheid, zult ook gij zetelen op twaalf tronen en oordelen over de twaalf stammen van Israël (Mt. 19,28).

3. Indien nu degenen die volkomen afstand doen van de aardse zichtbare goederen, soms door bepaalde oorzaken niet vermogen de liefde der apostelen te bereiken en met een door niets weerhouden kracht op te klimmen tot de hoge derde graad van verzaking, waartoe slechts weinigen komen: wat moeten zíj dan niet van zichzelf denken die nog niet eens de eerste verzaking, die zo gemakkelijk is, ten volle uitvoeren en het oude slijk van hun geld mèt de ontrouw van hun vroeger leven behouden, die menen op de loutere náám van monnik te mogen roemen.

4. De eerste verzaking geldt dus het goed van anderen en daarom kan zij op zich de volmaaktheid niet schenken, tenzij men ook de tweede bereikt, waardoor men eerst werkelijk aan eigen goed verzaakt. Wanneer wij deze bereikt hebben door alle ondeugd te verdrijven, zullen we opklimmen tot de toppen van de derde verzaking. Hierdoor verheffen we ons en verachten we met hart en ziel niet alleen al wat er in de wereld gedaan wordt en wat de mensen persoonlijk bezitten, maar zelfs de heerlijk schijnende dingen van de natuur in al hun volheid als onderworpen aan de ijdelheid en spoedig voorbijgaand. Wij kijken dan, naar het woord van de Apostel, niet naar het zichtbare, maar naar het onzichtbare; het zichtbare toch is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig (2Kor. 4,18); om zo ten slotte dat hoogste te mogen horen, dat tot Abraham werd gezegd: En kom naar het land dat Ik u tonen zal (Gen. 12,l).

5. Hiermede wordt duidelijk aangetoond dat al wie niet vooraf de drie verzakingen met al de vurigheid van zijn ziel volbrengt, niet tot dit vierde kan komen dat als beloning en prijs aan hem die volledig verzaakt, wordt geschonken: dat hij namelijk het land der beloften mag binnengaan, dat geen distels en doornen van ondeugd meer voortbrengt, dat men, na verdrijving van alle hartstochten, door een zuiver hart in dìt leven bezit, dat niet de deugd of de inspanning van de werker doet vinden maar dat de Heer zelf beloofd heeft te zullen tonen, zeggend: Kom naar het land dat Ik u tonen zal.

6. Hiermee wordt duidelijk bewezen, dat zowel het begin van ons heil door de roeping van de Heer tot stand komt, die zegt: Trek weg uit uw land, als ook dat de voltooiing in de volmaaktheid en zuiverheid door Hem wordt geschonken, wanneer Hij zegt: Kom naar het land dat Ik u tonen zal. Niet uit uzelf kunt gij dit kennen noch door eigen inspanning vinden, maar Ik zal het u tonen, die het niet kent en zelfs niet zoekt. Duidelijk is het dus: zoals wij door ’s Heren ingeving de weg van het heil zijn opgegaan, zo komen wij ook door zíjn leiding en verlichtingtot de voleinding in het hoogste geluk.

Terug naar de index

11. VRAAG OVER DE VRIJE WIL VAN DE MENS EN DE GENADE VAN GOD

Germanus: Waarin bestaat dan de vrije wil? Hoe wordt het dan aan onze inspanning toegekend, dat wij een loffelijk leven leiden, indien God in ons alles wat onze volmaaktheid betreft, zowel begint als voltooit?1

Terug naar de index

12. ANTWOORD: IN HET BESTEL VAN GODS GENADE BLIJFT DE VRIJHEID VAN DE WIL

1. Pafnutius: Dit zou u terecht in beweging hebben gebracht, als er bij al wat gedaan of geleerd wordt, slechts een begin en een einde zou zijn, en niet ook nog een zeker midden daartussen.Zoals God op verschillende manieren de gelegenheid schenkt om tot het heil te komen, zo is het aan ons om aan de door God geboden kansen met ijver te beantwoorden dan wel met laksheid. Zoals God riep en voorstelde Trek weg uit uw land, zo gehoorzaamde Abraham en tròk weg; en zoals de woorden kom naar het land wijzen op het werk van hem die gehoorzaamt, zo duidt hetgeen volgt, dat Ik u tonen zal, op de genade van God die het bevel gaf en de belofte deed.

2. Laten wij er evenwel zeker van zijn, dat wij ondanks onvermoeibare toeleg op alle deugden de volmaaktheid nooit door eigen inspanning en ijver kunnen bereiken en dat menselijke aktiviteit de hoge prijs der zaligheid niet door eigen inspanning vermag te verwerven, tenzij de Heer met ons medewerkt en ons hart naar het goede leidt. Daarom moeten wij eik ogenblik met David bidden: Bevestig mijn schreden op uw paden, opdat mijn voeten niet wankelen (Ps. 17,5); en: Hij plaatste mijn voeten op de rots, en Hij heeft mijn schreden gericht (Ps. 40,3); opdat de onzichtbare Bestuurder van de menselijke geest zich gewaardigt onze wil, die tot het kwade geneigd is omdat hij het goede niet kent of door de hartstocht wordt verlokt, weer naar de liefde voor de deugd te keren.

3. Beide dingen lezen we in één vers van de profeet: Ik ben geslagen en gestoten om te vallen: hier wordt de zwakheid van de vrije wil aangeduid; maar de Heer heeft mij gestut (Ps. 118,13):dat is de hulp die de Heer hem voortdurend schenkt. Opdat wij niet door onze vrije wil totaal te gronde gaan, reikt de Heer ons, zodra Hij ons ziet wankelen, als het ware de hand om ons vast te houden en te steunen. Elders zegt de profeet: Als ik zei: mijn voet wankelt:door de onbestendigheid namelijk van de wil kwam uw barmhartigheid, Heer, mij te hulp (Ps. 94,18). Opnieuw verbindt hij met zijn eigen onbestendigheid de hulp van God: hij belijdt dat de voet van zijn geloof niet door zijn eigen werkzaamheid onwankelbaar bleef, maar door de barmhartigheid van de Heer.

4. En nogmaals zegt hij: Naar de maat van de benauwenissen in mijn hart die gewis uit mijn vrije wil waren voortgekomen hebben uw vertroostingen mijn ziel verblijd (Ps. 94,19). Door uw instorting kwamen zij in mijn hart en, de beschouwing ontsluitend van het toekomstig goed dat Gij hùn hebt bereid die lijden voor uw naam, namen zij niet alleen elke angst weg uit mijn hart,maar schonken mij zelfs de grootste vreugde. En wederom: Als de Heer mij niet had geholpen, had mijn ziel welhaastin de onderwereld gewoond (Ps. 94,17). Hij getuigt dus dat hij door de boosheid van zijn vrije wil in de onderwereld zou hebben gewoond, zo hij niet door 's Heren hulp en bescherming was gered.

5. Immers door de Heer: niet door de vrije wil, worden de schreden van de mens gericht; en wanneer de rechtvaardige valt:namelijk door zijn vrije wil, zal hij niet worden verpletterd. Waarom? Omdat de Heer ondersteunt met zijn hand (Ps. 37,23-24). Dat is duidelijk zeggen: Geen enkele rechtvaardige kan uit zichzelf de rechtvaardigheid verwerven, tenzij Gods barmhartigheid hem bij zijn wankelen en vallen met haar hand ondersteunt, opdat hij, na door de zwakheid van zijn vrije wil te zijn gestruikeld, niet geheel neervalt en ten onder gaat.

Terug naar de index

13. DE LEIDING VAN ONZE WEG KOMT VAN GOD

Nooit inderdaad hebben de heiligen de weg die zij gingen bij hun streven naar de deugd en de volmaaktheid, aan hun eigen inspanning toegeschreven, maar veeleer smeekten zij deze van de Heer, zeggend: Richt mij in uw waarheid (Ps. 25,5), en: Richt mijn weg voor uw aanschijn (Ps. 5,9). Een ander verklaart dat hij dit niet alleen door het geloof weet, maar het ook door ervaring en als het ware in de natuur zelf van de dingen heeft ontdekt: Ik weet, Heer, dat de mens zijn weg niet bepaalt: de gang van de mens ligt niet in zijn macht en hij kan zelf zijn schreden niet richten (Jer. 10,23).En de Heer zegt tot Israël: Ik richt hem op als een altijd groene den, door Mij draagt gij vrucht (Hos. 14,9).

Terug naar de index

14. DE KENNIS VAN DE WET WORDT DOOR HET ONDERRICHT EN DE VERLICHTING VAN DE HEER GESCHONKEN

Ook de kennis van zijn wet verlangen zij dagelijks niet door ijverige lezing, maar door Gods onderricht en verlichting te verwerven, en zij zeggen tot Hem: Toon mij, Heer, uw wegen en maak mij uw paden bekend (Ps. 25,4), en: Neem de sluier van mijn ogen, opdat ik de wonderen van uw wet beschouwe (Ps. 119,18), en: Leer mij uw wil te doen, want Gij zijt mijn God (Ps. 143,10), en nog: Gij, die de mens de kennis leert (Ps. 94,10).

Terug naar de index

15. HET BEGRIP WAARDOOR WIJ GODS GEBODEN KUNNEN KENNEN EN DE NEIGING VAN DE GOEDE WIL WORDEN DOOR DE HEER GESCHONKEN

1. Zelfs het begrip om Gods geboden te kunnen kennen, vraagt de zalige David van de Heer, terwijl hij toch wist dat deze in het boek van de Wet geschreven stonden. Uw dienaar, zegt hij, ben ik: geef mij begrip, opdat ik uw geboden lere (Ps. 119,25). Zeker, hij bezat ook het verstand dat de natuur hem eenmaal geschonken had; ook had hij de kennis van Gods geboden die in de Wet geschreven stonden, tot zijn beschikking. En toch bad hij de Heer om ze vollediger te begrijpen, wetend dat het natuurlijk verstand volstrekt niet kan volstaan, als het niet dagelijks door ’s Heren licht wordt verlicht om de wet geestelijk te begrijpen en haar geboden met groter helderheid te kennen. Het uitverkoren werktuig leert wat wij hier zeggen eveneens, in duidelijke termen: God is het immers die in u én het willen én het handelen bewerkt, om zijn heilsplan te verwezenlijken (Fil. 2,13).

2. Wat had duidelijker kunnen zijn dan zeggen dat zowel onze goede wil als ook het volbrengen van het werk door de Heer in ons tot stand wordt gebracht? En eveneens zegt hij: U is het gegeven, niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden (Fil. 1,29). Hier verklaart hij nogmaals dat zowel het begin van onze bekering en van ons geloof alsook het dragen van ons lijden ons door de Heer wordt geschonken. David, die dit eveneens begreep, bad op soortgelijke wijze, dat 's Heren erbarming het hem geven zou: Bevestig, God, wat Gij in ons bewerkt hebt (Ps. 68,29). Hierdoor toont hij, dat het begin van het heil, door Gods gave en genade geschonken, nog niet voldoende is, zo het niet door diezelfde goedheid van Hem, door zijn dagelijkse hulp, wordt voltooid. Immers, niet de vrije wil, maar de Heer maakt de geboeiden los; niet onze kracht, maar de Heer richt de geslagenen op; niet de ijverige lezing, maar de Heer verlicht de blinden(volgens het Grieks wordt hier gezegd: De Heer maakt de blinden wijs); niet onze zorg, maar de Heer behoedt de zwervers; niet onze kracht, maar de Heer herstelt (of ondersteunt) hen die vallen (Ps. 146,7-9; Ps. 145,14). Dit alles zeggen wij niet om onze ijver en moeite en inspanning hun waarde te ontnemen, als waren die ijdel en overbodig, maar opdat wij weten dat wij zonder Gods bijstand geen poging kunnen doen en onze pogingen niet doeltreffend zijn om de overgrote prijs van de zuiverheid te verwerven, zo niet Gods hulp en barmhartigheid haar ons schenkt. Want: Het paard wordt getuigd voor de dag van de strijd: maar van de Heer komt de hulp, want de mens is niet sterk door eigen kracht (Spr. 21,31; 1Sam. 2,9).

4. Steeds moeten wij dus met de zalige David zingen: Mijn kracht en mijn lof is niet mijn vrije wil, maar de Heer: en Hij is mij geworden tot heil (Ps. 118,14). Ditzelfde roept ook de Leraar der heidenen uit, die zich bewust is dat hij niet door zijn verdienste en zijn zweet, maar door Gods erbarming bekwaam is geworden voor de bediening van het Nieuwe Verbond: Niet dat wij bekwaam zijn, zegt hij, om zelf iets te bedenken, alsof het voortkwam van onszelf; maar onze geschiktheid is uit God (voor dit laatste kan men, in een minder goed Latijn, maar duidelijker van betekenis, zeggen: ons bekwaam zijn is uit God. Dan volgt er: die ons bekwaam heeft gemaakt dienaars te zijn van een nieuw verbond (2Kor. 3,5-6).

Terug naar de index

16. HET GELOOF ZELF WORDT DOOR DE HEER GESCHONKEN

1. Zozeer beseften de apostelen, dat al wat tot het heil behoort hun door de Heer werd geschonken, dat zij ook het geloof zelf van de Heer vroegen te verkrijgen zeggend: Vermeerder ons geloof (Lc. 17,5). De volheid daarvan verwachtten zij niet van hun vrije wil, maar zij vertrouwden dat Gods gave hun die zou schenken. Trouwens, de Bewerker van ’s mensen heil zelf leert ons hoe wankel en zwak ons eigen geloof is en volstrekt ontoereikend als het niet door de hulp van de Heer is gesterkt. Tot Petrus zegt Hij: Simon, Simon, weet dat de Satan heeft geëist u te ziften als tarwe: Maar Ik heb mijn Vader gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken (Lc. 22,31-32).

2. Toen een ander dit laatste bij zich voelde gebeuren en zijn geloof als het ware door de golven van het ongeloof naar gevaarlijke klippen zag gesleurd en op de rand van de schipbreuk gebracht, smeekte hij de Heer om hulp voor zijn geloof: Heer, kom mijn ongeloof te hulp (Mk. 9,23). Zozeer dus beseften de mannen van het evangelie en de apostelen, dat al wat goed is door de hulp van de Heer wordt volbracht, en zo weinig vertrouwden zij, zelfs maar hun geloof ongerept te kunnen bewaren uit hun eigen kracht en vrijheid van wil, dat zij de Heer smeekten het in hen te helpen of het hun te schenken.

3. Als nu het geloof in Petrus om niet te bezwijken de hulp van de Heer behoefde, wie zal er dan zo vermetel en blind zijn te menen dat hij de dagelijkse hulp van de Heer niet nodig heeft om het zijne te bewaren? Te meer omdat de Heer zelf in het evangelie het zo duidelijk heeft gezegd :Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo gij evenmin, als gij niet blijft in Mij (Joh. 15,4), en nogmaals: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh. 15,5).

4. Deze uitspraak van de Heer,dat niemand zonder zijn ingeving en medewerking geestelijke vruchten kan voortbrengen, bewijst duidelijk, hoe dwaas en heiligschennend het dus is, ook maar iets van zijn goede werken aan eigen inspanning toe te schrijven in plaats van aan de hulp van Gods genade. Want: Elke goede gave, elk volmaakt geschenk, daalt neer van boven, van de Vader der lichten (Jak. 1,17). Zacharias zegt eveneens: Als er iets goeds is, is het van Hem en is er iets uitmuntends, het komt van Hem (Zach. 9,17 LXX). In overeenstemming hiermee vraagt de Apostel: Wat bezit gij dat gij niet gekregen hebt? En als gij het gekregen hebt, wat beroemt gij u er dan op alsof gij het niet gekregen had? (1Kor. 4,7).

Terug naar de index

17. DE HEER MATIGT DE BEKORINGEN EN GEEFT HET ONS ZE TE DRAGEN

Het gehele geduld ook, waarmee wij de bekoringen die over ons komen kunnen doorstaan, berust niet zo zeer op onze kracht als wel op de barmhartigheid van God en op het feit dat Hij ze matigt. De zalige Apostel drukt dit als volgt uit: Gij staat aan geen enkele beproeving bloot die de menselijke maat overschrijdt. En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat gij boven uw krachten beproefd wordt; maar met de beproeving bepaalt Hij al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan (1Kor. 10,13). Ook leert hij dat God onze zielen bereid maakt en versterkt tot ieder goed werk, en in ons uitwerkt wat Hem behaaglijk is: De God van de vrede, die de grote Herder der schapen, Jezus Christus, uit de dood heeft doen opstaan door het bloed van een eeuwig verbond, make u bereid tot al het goede, uitwerkend in u wat Hem behaagt (Hebr. 13,20-21).Ook voor de Tessalonicenzen bidt hij dat dit geschieden mag: Moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God onze Vader die ons heeft liefgehad en door zijn genade eeuwige troost en goede hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds in woord en daad (2Tess. 2,16-17).

Terug naar de index

18. DE BESTENDIGHEID IN DE VREZE GODS WORDT ONS DOOR DE HEER GESCHONKEN

De vreze Gods, ten slotte, waardoor wij Hem standvastig kunnen bezitten, wordt ons eveneens door de Heer ingestort, zoals de profeet Jeremia duidelijk getuigt, als hij God aldus laat spreken: En Ik maak hen één van hart en één van zin, om Mij voor immer te vrezen: opdat het hun goed ga en hun kinderen na hen. En Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten en Ik zal niet ophouden hun goed te doen. En de vrees voor Mij zal Ik in hun hart leggen, opdat zij zich niet van Mij verwijderen (Jer. 32,39-40). Ezechiël zegt eveneens: En Ik maak hen één van hart, en een nieuwe geest zal Ik hun schenken in hun binnenste, het stenen hart uit hun lichaam nemen en hun een hart van vlees geven, opdat zij volgens mijn geboden wandelen en mijn wetten onderhouden en ten uitvoer brengen. Zo zullen zij mijn volk, en zal Ik hun God zijn (Ez. 11,19-20).

Terug naar de index

19. HET BEGIN VAN DE GOEDE WIL ÈN ZIJN VOLTOOIING ZIJN VAN DE HEER

1. Door dit alles wordt het ons met de grootste helderheid geleerd: èn het begin van de goede wil wordt ons door 's Heren ingeving geschonken,wanneer Hij ons of door zichzelf of door de aansporing van een mens of door een noodzaak trekt naar de weg van het heil; èn ook de volmaking der deugden is een gave van Hem. Aan òns is echter dit: dat wij Gods uitnodiging en hulp met ijver volgen dan wel met laksheid, en loon of straf verdienen naargelang wij verzuimd of ons beijverd hebben aan de uiterst goedgunstige gaven van zijn voorzienigheid jegens ons door een toegewijde gehoorzaamheid onzerzijds te beantwoorden.

2. Glashelder wordt dit in Deuteronomium beschreven: Wanneer de Heer uw Godu het land heeft binnengeleid dat ge in bezit gaat nemen, en vóór u vele volken heeft verdelgd, de Chittieten, Girgasjieten, Ammonieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten, zeven volken veel talrijker en sterker dan gij: wanneer Hij hen aan u heeft overgeleverd, moet gij hen tot vernietigens toe verslaan. Gij moogt geen verbond met hen aangaan en geen huwelijken met hen sluiten (Dt. 7,1-3). Dat zij dus het beloofde land worden binnengeleid, dat vóór hen vele volken worden verdelgd, dat volken veel talrijker en sterker dan Israël, in hun handen worden overgeleverd, noemt de Schrift genade van God.

3. Maar of Israël hen verslaat tot vernietigens toe dan wel hen in leven laat en spaart, of het met hen een verbond aangaat of niet en of het huwelijken met hen sluit of niet, verklaart de Schrift van hen afhankelijk. Door dit getuigenis onderscheiden we duidelijk, wat we aan de vrije wil en wat aan de genade en dagelijkse hulp van de Heer moeten toeschrijven: dat het aan Gods genade is, ons de gelegenheid om tot het heil te komen en een voorspoedige groei en de overwinning te schenken: maar aan óns, met de door God geschonken weldaden ijverig of traag mee te werken. Deze verkondiging zien wij ook heel duidelijk uitgedrukt in de genezing van die blinden. Dat Jezus langs hen komt, is genade van Gods voorzienigheid en goedheid; dat zij roepen: Ontferm U over ons, Heer, zoon van David is het werk van hun geloof (Mt. 20, 31).

4. Dat zij het gezicht ontvangen is het geschenk van Gods ontferming. Het voorbeeld van de tien melaatsen die tegelijk genezen werden (Lc. 17,11 e.v.), laat zien dat ook na het ontvangen van een geschenk zowel Gods genade als de vrije wil blijft bestaan. Wanneer één van hen door de goedheid van zijn wil dank komt brengen, prijst de Heer hem, maar vraagt tevens naar de negen anderen:hierdoor toont Hij, zijn zorg om te helpen te blijven bewaren, zelfs voor degenen die zijn weldaden niet gedachtig zijn. Want beide is een gave van zijn bezoek: dat Hij de dankbare aanneemt en prijst en dat Hij naar de ondankbaren vraagt en hen laakt.

Terug naar de index

20. NIETS IN DEZE WERELD GESCHIEDT ZONDER GOD

1. Wij behoren trouwens onwrikbaar vast te geloven dat er zonder God totaal niets in deze wereld geschiedt. Men moet zeggen dat alles òf door zijn wil òf door zijn toelating gebeurt: het goede namelijk door zijn wil en hulp, het kwade echter door zijn toelating, wanneer om de boosheden en de verstoktheid van ons hart Gods bescherming ons verlaat en gedoogt dat de duivel en de onterende hartstochten van het lichaam over ons heersen.

2. Dit leert ons ook het woord van de Apostel met grote duidelijkheid: Daarom heeft God, zegt hij, hen overgeleverd aan onterende hartstochten (Rom. 1,26); en nogmaals: Daar zij hebben geweigerd God te kennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun ondeugdelijke gezindheid, zodat zij doen wat niet te pas komt (Rom. 1,28). En de Heer zelf zegt door de profeet: En mijn volk heeft nietnaar mijn stem geluisterd, en Israël geen acht op Mij geslagen. Daarom, zegt Hij, gaf Ik hen prijs aan de grillen van hun hart: zij zullen wandelen naar hun eigen grillen (Ps. 81,12-13).

Terug naar de index

21. OPWERPING, OVER DE MACHT VAN DE VRIJE WIL

Germanus: Deze plaats bewijst allerduidelijkst de vrije wil, waar gezegd wordt: Als mijn volk naar Mij had geluisterd (Ps. 81,14), en elders: En mijn volk heeft niet naar mijn stem geluisterd (Ps. 81,12):Want doordat Hij zegt Als het had geluisterd, toont Hij dat het in de macht van het volk lag, al of niet in te stemmen. Hoe kan het dan dat wij ons heil niet van onszelf afhankelijk moeten stellen, als Hij toch zelf ons de macht heeft gegeven om al of niet te luisteren?

Terug naar de index

22. ANTWOORD: ONZE VRIJE WIL HEEFT DE HULP VAN DE HEER VOORTDUREND NODIG

1. Pafnutius: Scherp weliswaar hebt gij gezien wat er gezegd wordt: Als het had geluisterd, maar gij hebt er volstrekt niet op gelet, wie het is die spreekt tot hem die luistert of niet luistert, noch op hetgeen volgt: Als een niets voorwaar had Ik zijn vijanden vernederd, en op zijn verdrukkers had Ik mijn hand doen komen (Ps. 81,15). Laat men dus niet trachten datgene wat wij hebben aangehaald om te bewijzen dat er niets zonder de Heer geschiedt, door een verkeerde uitleg te verdraaien en tot verdediging van de vrije wil aan te wenden, zodat men de mens Gods genade en dagelijkse bijstand poogt te ontnemen door de woorden: En mijn volk heeft niet geluisterd naar mijn stem, en: Als mijn volk naar Mij had geluisterd, als Israël op mijn wegen had gewandeld enzovoorts. Laat men veeleer bedenken dat zoals het vermogen van de vrije wil door de ongehoorzaamheid van het volk wordt bewezen, evenzeer Gods dagelijkse bijstand wordt aangeduid doordat Hij het als het ware toeroept en vermaant.

2. Wanneer Hij immers zegt: Als mijn volk naar Mij had geluisterd, bewijst Hij toch duidelijk dat Hij als eerste tot hen heeft gesproken. En dit spreken doet de Heer niet alleen door de geschreven wet, maar ook door dagelijkse vermaningen, overeenkomstig hetgeen door Jesaja wordt gezegd: De gehele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een volk dat Mij niet gelooft en Mij tegenspreekt (Jes. 65,2). Beide dingen kunnen dus bewezen worden door onze tekst: Als mijn volk naar Mij had geluisterd, als Israël op mijn wegen had gewandeld, als een niets voorwaar had Ik zijn vijanden vernederd, en op zijn verdrukkers had Ik mijn hand doen komen.

3. Zoals de vrije wil door de ongehoorzaamheid van het volk wordt bewezen, zo blijken Gods voorzienigheid en hulp uit het begin en het einde van hetzelfde vers, wanneer Hij te verstaan geeft, dat Hij als eerste had gesproken en dat Hij vervolgens Israëls vijanden zou hebben vernederd als het naar Hem had geluisterd. Neen, wij willen door hetgeen wij hebben aangehaald, de vrije wil van de mens niet opheffen, doch bewijzen dat hij Gods hulp en genade elke dag en elk ogenblik nodig heeft.

4. Na deze onderrichting liet Abt Pafnutius ons vóór middernacht uit zijn cel vertrekken, niet zozeer in opgewektheid als wel met een vernederd hart. Want voordien meenden wij door de eerste verzaking, die we met alle kracht zochten te volbrengen, de toppen der volmaaktheid te zullen bereiken. Maar nu, als eerste vrucht van zijn gesprek, begonnen wij te begrijpen dat wij van de hoogten van het monniksleven zelfs nog niet gedroomd hadden. Over de tweede verzaking had men ons in de cenobietenkloosters nog wel iets geleerd, maar de derde, waarin alle volmaaktheid is vervat en die de beide lagere in zoveel opzichten overtreft, hadden wij tevoren bij ons weten zelfs niet horen noemen.

Terug naar de index

Terug

zoeken