Bronteksten
Tweede gesprek, tweede van abt Mozes: Het onderscheid
(Johannes Cassianus)
U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.
INHOUDSOPGAVE
- Inleiding van abt Mozes over de genade van het onderscheid
- Over wat alleen het onderscheid de monnik schenken kan. Toespraak hieromtrent van de zalige Antonius
- Over de dwaling van Saul en Achab, waarin zij geraakten door hun gebrek aan onderscheid
- Wat in de heilige Schrift wordt gezegd over het goed van het onderscheid
- De dood van de grijsaard Hero
- De val van twee broeders door gebrek aan onderscheid
- Hoe nog een ander door gebrek aan onderscheid werd misleid
- Misleiding en val van een monnik van Mesopotamië
- Vraag: Hoe het ware onderscheid te verwerven
- Antwoord: Hoe men het ware onderscheid verwerft
- Woorden van abt Sarapion. Over de machteloosheid van eenmaal geopenbaarde gedachten en over het gevaar van het zelfvertrouwen
- Bekentenis van onze schaamte om onze gedachten aan de Ouden te openbaren
- Antwoord: Men moet de valse schaamte verachten; over het gevaar van gebrek aan medelijden
- De roeping van Samuel
- De roeping van de apostel Paulus
- Het zoeken naar het oordeel des onderscheids
- Het overdreven vasten en waken
- Een vraag over de maat van voedsel en onthouding
- De beste maat voor het dagelijks voedsel
- Opwerping: een onthouding die twee broodjes toestaat is gemakkelijk
- Antwoord: ervaring van de gestrengheid en het gewicht van deze onthouding
- De maat van onthouding en voedsel in het algemeen
- Hoe de overvloed van bepaalde sappen wordt beperkt
- Over de inspanning welke dit gelijkmatige regiem kost. De gulzigheid van broeder Benjamin
- Vraag: hoe kan men steeds één en dezelfde maat houden?
- Antwoord: men moet de maat van het eten niet te buiten gaan
1. INLEIDING VAN ABT MOZES OVER DE GENADE VAN HET ONDERSCHEID
1. Toen wij, na in de vroege ochtend wat geslapen te hebben, tot onze vreugde het eerste daglicht zagen doorbreken, begonnen wij aanstonds om het beloofde onderricht te vragen. De zalige Mozes nam hierop het woord. Ik zie u zo vol vurig verlangen, dat ik niet geloof, dat zelfs het korte ogenblik, dat ik aan het geestelijk gesprek wilde onttrekken om het aan de rust van het lichaam te besteden, u heeft verkwikt. Nu rust ook op mij, gezien die ijver, een groter verantwoordelijkheid. Want ik moet in het aflossen van mijn schuld ook een des te groter zorg en toewijding aan de dag leggen, naarmate ik er met meer aandrang om zie vragen, overeenkomstig het woord: Wanneer gij aanzit aan de tafel van een machtige, let dan goed op wat u wordt voorgezet; en wanneer gij uw hand ernaar uitsteekt, weet dat gij iets dergelijks zult moeten bereiden (Spr. 23,1-2 LXX).
2. Wij gaan dus spreken over het goed van het onderscheid en over zijn kracht; we hebben daar vannacht al een begin mee gemaakt aan het eind van ons gesprek. Het dunkt ons geschikt, eerst de voortreffellijkheid ervan te tonen door de uitspraken der Vaders, om daarna, als wij weten wat zij erover hebben gedacht en gezegd, verschillende gevallen aan te halen, lang of kort geleden, van personen die door een tekort aan onderscheid ongelukkig ten val zijn gekomen. Vervolgens zal ik naar best vermogen het nut en voordeel van het onderscheid behandelen. Na dit alles besproken te hebben, kunnen wij ten slotte, doordrongen van de verhevenheid en de schoonheid van het onderscheid, ook doeltreffender leren hoe wij het onderscheid moeten zoeken en in ons ontwikkelen.
3. Want het is geen middelmatige deugd, die zo maar door menselijke toeleg wordt verworven, zonder dat Gods vrijgevigheid haar schenkt. Wij lezen toch immers, dat de Apostel haar opnoemt onder de edelste gaven van de heilige Geest: Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven, aan de ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest; aan een ander door dezelfde Geest het geloof; aan een ander een gave om zieken te genezen in de ene Geest; en even verder: aan een ander de onderscheiding van geesten. En na de opsomming der geestesgaven voegt hij toe: Dit alles is het werk van een en dezelfde Geest, die ieder uitdeelt zoals Hij het wil (1Kor. 12, 8-11).
4. Gij ziet dus, dat de gave des onderscheids niets aards of gerings is, doch een allergrootst geschenk van Gods genade. Indien de monnik niet met zijn gehele toeleg hiernaar streeft en de bij hem binnenkomende geesten zeker weet te onderscheiden, zal hij dwalen als in een donkere nacht en afschuwelijke duisternis, en noodzakelijk zal hij in gevaarlijke kuilen en diepten vallen, ja zelfs op effen en rechte wegen menigmaal struikelen.
2. OVER WAT ALLEEN HET ONDERSCHEID DE MONNIK SCHENKEN KAN. TOESPRAAK HIEROMTRENT VAN DE ZALIGE ANTONIUS
1. Ik herinner mij, hoe eens, nog in de jaren van mijn jeugd, in het land van Thebaïs, waar de zalige Antonius verbleef, de Ouden bij hem waren samengekomen ter bestudering van de volmaaktheid. Het gesprek duurde voort van de avonduren tot de morgen en het grootste deel van de nacht werd door onze kwestie in beslag genomen. Langdurig vroeg men zich af, welke deugd, welke praktijk de monnik steeds van de strikken en het bedrog van de duivel kan vrijwaren en hem met vaste tred naar de top der volmaaktheid voeren.
2. Een ieder bracht zijn mening naar voren zoals hij het inzag. Sommigen zochten het in de ijver voor het vasten en waken, omdat de geest namelijk hierdoor verfijnd en in het bezit van een zuiver hart en lichaam, gemakkelijker met God verenigd wordt; anderen in de verachting van alle dingen, want indien de geest zich totaal daarvan ontdoet, houdt geen enkele band hem nog vast en komt hij ongehinderd bij God. Anderen achtten de anachorese, dat is de afzondering en de eenzaamheid van de woestijn, noodzakelijk: daar kan men vertrouwelijker bidden tot God en Hem inniger aanhangen. Weer anderen noemden de werken van de liefde, ik bedoel van de gastvrijheid, want daaraan heeft de Heer in het evangelie bijzonder het rijk der hemelen beloofd, toen Hij zeide: Komt, gezegenden van mijn Vader, neemt bezit van het rijk dat voor u gereed is van de grondvesting der wereld af. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven enzovoorts (Mt. 25,34-35). Toen zij het zo dus aan verschillende deugden toekenden een zekerder weg naar God te vormen, en het grootste deel van de nacht door dit onderzoek in beslag was genomen, nam ten slotte de zalige Antonius het woord:
3. Alles wat gij opgenoemd hebt is noodzakelijk en nuttig voor hen die dorsten naar God en verlangen tot Hem te geraken. Maar de eerste plaats eraan toekennen, dat staan de ervaring en de val van velen niet toe. Want hoe vaak hebben wij het niet gezien: monniken, die uiterst streng vastten en waakten, die in een verbazingwekkende afzondering leefden in de woestijn, die zich zozeer op de armoede toelegden, dat zij nog niet het eten voor één dag of één tienling voor zich wilden behouden, of die met de grootste toewijding de gastvrijheid beoefenden: doch die plotseling zijn misleid en het begonnen werk niet hebben weten te voltooien, die de vurigste ijver en een loffelijk leven met een afschuwelijk einde hebben besloten. Wat ons echter in de eerste plaats naar God leidt, zullen wij nu duidelijk leren kennen, als wij zorgvuldig nagaan, wat de oorzaak was, dat zij zijn misleid en ten val gekomen.
4. Welnu, de werken van deugd die gij hebt opgesomd, waren overvloedig in hen aanwezig: alleen het gebrek aan onderscheid belette hen ten einde toe te volharden. Er is immers geen andere oorzaak aan te wijzen voor hun val, dan dat zij, te weinig onderricht door de Ouden, het oordeel des onderscheids niet verwierven. Deze deugd, die zich van beiderlei overdrijving onthoudt, leert de monnik steeds de koninklijke weg te gaan en staat hem niet toe af te wijken, noch naar rechts doordat hij dwaas en vermetel in een overdreven ijver de grenzen van de matigheid overschrijdt, noch naar links, naar verslapping en ondeugd doordat hij onder voorwendsel van voorziening van het lichaam, traag en lui wordt van geest.
5. Dit is het oordeel des onderscheids, dat in het evangelie het oog en de lamp van het lichaam wordt genoemd, in deze uitspraak van de Zaligmaker: De lamp van uw lichaam is uw oog. Als dus uw oog helder is, zal heel uw lichaam verlicht zijn. Is echter uw oog troebel, dan is heel uw lichaam duister (Mt. 6,22-23). Het onderscheidt inderdaad alle gedachten en daden van de mens: alles wat gedaan moet worden, doorzoekt en doorziet het.
6.Indien dit troebel is in de mens, dat wil zeggen, niet steunt op gezond inzicht en kennis, en door dwaling en inbeelding wordt bedrogen, dan maakt het heel ons lichaam duister, vertroebelt onze daden en alle helderheid van onze geest door de verblinding van ondeugd en hartstocht. Want, zegt Hij, zo het licht dat in u is, duisternis is, hoe erg zal dan de duisternis zijn! (Mt. 6,23). Niemand twijfelt eraan, dat als het oordeel van ons hart in dwaling is en gedompeld in de nacht der onwetendheid, ook onze gedachten en werken, die uit het beraad van het onderscheid voortkomen, gehuld zullen zijn in de grotere duisternis der zonde.
3. OVER DE DWALING VAN SAUL EN ACHAB, WAARIN ZIJ GERAAKTEN DOOR HUN GEBREK AAN ONDERSCHEID
1. Zo was het met hem die door Gods beschikking als eerste het koningschap over het volk van Israël verwierf: omdat hij dit oog van het onderscheid niet bezat, was hij als het ware over zijn gehele lichaam in duisternis, en hij werd van het koningschap beroofd. Door de duisternis en de dwaling van zijn lamp werd hij bedrogen. hij achtte zijn offers aangenamer aan God dan gehoorzaamheid aan het bevel van Samuel en vond zo daar ongenade, waar hij gehoopt had Gods majesteit met zich te verzoenen (zie 1Sam. 15).
2. Ditzelfde gebrek aan onderscheid bracht Achab, koning van Israël, ertoe, na de grootse zegepraal hem door Gods gunst geschonken, zijn eigen barmhartigheid beter te achten dan de strikte uitvoering van Gods bevel, dat hij wreed vond. Deze gedachte maakte hem zwak: omdat hij er de voorkeur aan gaf door zachtzinnigheid de bloedige overwinning te temperen, geraakte hij wegens zijn onjuiste barmhartigheid als het ware over zijn gehele lichaam in duisternis en werd tot een onherroepelijke dood veroordeeld (zie 1Kon. 20).
4. WAT IN DE HEILIGE SCHRIFT WORDT GEZEGD OVER HET GOED VAN HET ONDERSCHEID
1. Dit is het oordeel des onderscheids, dat niet alleen de lamp van het lichaam, doch ook de zon wordt genoemd door de Apostel die zegt: De zon mag over uw toorn niet ondergaan (Ef. 4,26).Het heet voorts het stuur van ons leven, naar wat geschreven staat:Zij die zonder besturing zijn, dwarrelen als bladeren (Spr. 11,14 LXX). Het heeft ook de zeer juiste naam van beraad, zonder hetwelk wij, naar het gezag van de Schrift, absoluut niets mogen doen, zó sterk, dat wij zelfs de geestelijke wijn, die het hart van de mens verblijdt (Ps. 103,15), niet zonder de matigheid van het beraad mogen drinken: Doe alles met beraad, drink de wijn met beraad (Spr. 31,3 LXX); en ook: Als een stad met vernielde muren en zonder bescherming, zo is de man die handelt zonder beraad (Spr. 25, 28).
2. Het beeld van deze laatste tekst zegt ons duidelijk, hoe gevaarlijk gebrek aan onderscheid voor de monnik is, door hem te vergelijken met een ontmantelde stad. In het onderscheid is wijsheid gelegen, verstand en begrip, zonder welke ons innerlijk huis niet kan worden gebouwd of geestelijke rijkdom vergaard, zoals geschreven staat., Door wijsheid wordt een huis gebouwd, opgetrokken door verstand, door begrip worden de kamers vol van allerlei kostbare en heerlijke schatten (Spr. 24,3-4).
3. Dit is de vaste spijs die slechts door volwassenen en sterken kan worden genuttigd, naar dit woord: Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, voor hen die door de gewoonte geoefende zintuigen hebben om goed en kwaad te onderscheiden (Hebr. 5,14). Zo nuttig en noodzakelijk is het onderscheid voor ons, dat het zelfs wordt gelijkgesteld met het woord en de kracht van God: Want levend is het woord Gods en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard; het dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, en van gewrichten en merg, en onderscheidt de gedachten en bedoelingen van het hart (Hebr. 4, 12).
4. Deze teksten verklaren het duidelijk. zonder de genade van het onderscheid kan geen deugd volmaakt zijn of stand houden. Zo stelden de zalige Antonius en alle anderen eenparig vast dat het onderscheid de deugd is die de monnik met vaste tred en veilig naar God leidt en die de bovengenoemde deugden voortdurend gaaf bewaart; dat men door haar met minder moeite de hoge top der volmaaktheid kan beklimmen, welke velen zonder haar, hoewel zij harder zwoegden, niet vermochten te bereiken. Want de moeder, bewaakster en bestuurster van alle deugden is de deugd van onderscheid.
5. DE DOOD VAN DE GRIJSAARD HERO
1. En om deze uitspraak, lang geleden door de heilige Antonius en de andere Vaders gedaan, door een recent voorbeeld te bevestigen, overeenkomstig mijn belofte: denkt aan wat gij onlangs voor uw ogen hebt zien gebeuren:hoe de grijsaard Hero door de duivel is bedrogen en van de hoogste toppen in de afgrond neergestort. Terwijl hij toch 50 jaar lang - ik weet het -in deze woestijn had gewoond, bijzonder stipt in de strenge onthouding, en hij de afzondering en de eenzaamheid meer dan iemand hier had gezocht, met een wonderbaarlijke ijver!
2. Hoe was het mogelijk dat hij, na zo grote werken, door de belager werd bedrogen en zó verschrikkelijk kwam te vallen, dat wij allen in deze woestijn door smart en droefheid werden getroffen? Was het niet omdat hij de deugd van onderscheid onvoldoende bezat en zich liever liet leiden door zijn eigen inzichten, dan gehoorzaamde aan de raad en het onderricht der broeders en aan de regels der Vaders? Hij legde zich een zó volstrekt en onveranderlijk vasten op, zó voortdurend zocht hij de afzondering en eenzaamheid van zijn kluis, dat zelfs de eerbiedwaardige dag van Pasen nooit van hem kon verkrijgen, dat hij deelnam aan de maaltijd van de broeders.
3. Elk jaar bleven op dat feest alle broeders in de kerk bijeen, alleen hij sloot zich nooit bij hen aan, bevreesd als hij was, in zijn opzet verslapt te zullen schijnen wanneer hij met hen wat groente zou gebruiken. Deze eigenzinnigheid werd oorzaak van zijn verblinding. Met de grootste eerbied ontving hij de engel van Satan als een engel des lichtsen onmiddellijk aan diens bevelen gehoorzamend stortte hij zich voorover in een put, waarvan de bodem niet te zien was, zonder een ogenblik te twijfelen aan de verzekering van zijn engel, dat hij voortaan vanwege zijn deugden en werken aan geen gevaar meer zou blootstaan.
4. De waarheid van deze verzekering zou hij door een proef van zijn onkwetsbaarheid gaan bewijzen; in het holst van de nacht wierp hij zich daarom in die put: dat hij daar ongedeerd weer uitkwam, zou de grote verdienste van zijn deugd doen blijken. Met grote moeite wisten de broeders hem er halfdood uit te trekken en hij stierf de derde dag. Maar het ergst van alles is, dat hij koppig vasthield aan zijn waan dat zelfs de proef die hem het leven kostte, hem niet kon overtuigen, door duivelse list bedrogen te zijn.
5. Daarom konden zij die door het diepste medelijden waren getroffen bij zijn einde, ternauwernood van de priester, abt Pafnutius, verkrijgen - met een beroep op zijn grote werken en de lange jaren die hij in de woestijn volbracht - dat hij niet onder de zelfmoordenaars werd gerekend en aldus de gedachtenis en het offer voor de overledenen onwaardig geacht.
6. DE VAL VAN TWEE BROEDERS DOOR GEBREK AAN ONDERSCHEID
1. Wat zal ik zeggen van die twee broeders die aan de andere kant van de woestijn van Thebaïs woonden, waar eens de zalige Antonius had verbleven, en die, op een reis door die eindeloze woestijn, onvoorzichtig en zonder verstand besloten hadden geen enkele spijs te nemen dan die welke de Heer zelf hun zou geven?
2. Zij doolden door de woestijn en stierven reeds bijna van honger toen de Mazieken hen van verre in het oog kregen. Dit volk is woester en wreder dan haast alle wilde volken: zij vergieten geen bloed uit verlangen naar buit, zoals andere stammen, doch louter uit wreedaardigheid. Toen dezen nu, in strijd met hun wilde natuur, hun met broden tegemoet kwamen, nam één van hen beiden wien het onderscheid te hulp kwam, ze met vreugde en dankbaarheid aan, als reikte de Heer ze hem toe. Hij geloofde dat deze spijs hem van Godswege geschonken werd en dat het niet zonder God geschiedde, dat zij die steeds hun vreugde vonden in mensenbloed, nu aan uitgeputte, bijna bezweken reizigers levensmiddelen brachten. De ander echter weigerde de spijs, als door mensen aangeboden en stierf van de honger.
3. Beiden begonnen met een berispelijke waan. De één kwam het onderscheid te hulp, hij verbeterde wat hij roekeloos en zonder verstand had opgevat; de ander echter volhardde in zijn dwaze eigenzinnigheid, de deugd van onderscheid bleef hem volkomen vreemd; hij bracht zichzelf de dood toe, die de Heer van hem wilde afwenden, want hij weigerde te geloven, dat het op Gods ingeving geschiedde, dat de wilde barbaren hun wreedheid vergaten om hun met broden in plaats van zwaarden tegemoet te komen.
7. HOE NOG EEN ANDER DOOR GEBREK AAN ONDERSCHEID WERD MISLEID
Wat moet ik voorts van hem zeggen - omdat hij nog leeft, wil ik zijn naam niet noemen - die lange tijd de duivel in de klaarheid van een engel ontving? Door talloze openbaringen bedrogen beschouwde hij hem als een bode der gerechtigheid, want bovendien verlichtte de ander elke nacht zijn cel zonder een enkele lamp. Ten slotte beval de duivel hem, dat hij zijn zoon, die met hem in het klooster woonde, aan God zou offeren, om hierdoor de aartsvader Abraham in verdiensten te evenaren. Zózeer verleidde deze inblazing hem, dat hij de kindermoord metterdaad zou hebben uitgevoerd, als niet de jongen, die hem zijn mes extra scherp zag slijpen en touwen zoeken om hem voor het offer vast te binden, vol schrik voor de misdaad die hij voorvoelde, op de vlucht geslagen was.
8. MISLEIDING EN VAL VAN EEN MONNIK VAN MESOPOTAMIË
1. Het zou te lang duren, ook nog volledig te verhalen, hoe die monnik van Mesopotamië werd bedrogen, wiens onthouding zó streng was, dat slechts zeer weinigen in dat land hem vermochten na te volgen. Vele jaren volhardde hij daarin, eenzaam in zijn kluis verborgen. Maar ten slotte is hij zózeer door de duivelse openbaringen en dromen bedrogen, dat hij, na zo grote werken en deugden, waarin hij alle monniken aldaar had overtroffen, rampzalig tot het jodendom en de besnijdenis verviel. De duivel wilde hem door herhaalde visioenen verleiden om geloof te slaan aan het bedrog dat hij van plan was. Nadat hij hem lange tijd allerlei echte waarheden had geopenbaard, als een bode van de waarheid, toonde hij hem ten slotte het christenvolk, tezamen met de vorsten van onze godsdienst en ons geloof, de apostelen en martelaren: duister, en afzichtelijk, uitgemergeld, wanstaltig. Daarentegen het joodse volk, met Mozes, de aartsvaders, en de profeten: dansend in de grootste vreugde, stralend in het schitterendste licht. Daarbij ried de verleider hem aan om, wilde hij in hun verdiensten en zaligheid delen, met spoed de besnijdenis te ontvangen. Van al deze monniken zou stellig niemand zo treurig bedrogen zijn, als zij zich hadden ingespannen om de deugd van onderscheid te verwerven. Veler val en verschrikkelijk voorbeeld toont ons, hoe gevaarlijk het is, de genade van het onderscheid niet te bezitten.
9. VRAAG: HOE HET WARE ONDERSCHEID TE VERWERVEN
Hierop zei Germanus: De recente voorbeelden zowel als de uitspraken der Ouden hebben het overduidelijk gemaakt: het onderscheid is in zekere zin de bron en de wortel van alle deugden. Wij zouden u daarom willen vragen, ons uiteen te zetten, hoe men het kan verwerven en hoe men het ware onderscheid, dat uit God is, kan herkennen en hoe het valse, dat van de duivel is. Overeenkomstig de gelijkenis uit het evangelie, die gij in uw vorige uiteenzetting hebt besproken en waarin ons wordt bevolen, bekwame wisselaars te worden, zouden wij gaarne, wanneer een munt met het beeld van de ware koning ons onder ogen komt, kunnen zien of zij soms niet in de wettige rijksmunt is geslagen, om haar in dat geval als valse munt zoals gij het gisteren noemde af te wijzen. Zo zouden wij de vaardigheid bezitten, waarvan gij zo uitvoerig en juist hebt uiteengezet, dat zij de eigenschap moet zijn van de geestelijke wisselaar, naar het voorbeeld van het evangelie. Wat zou het ons immers baten, de waarde van de deugd en genade van het onderscheid te kennen, zo wij niet weten. hoe haar te zoeken en te verwerven
10. ANTWOORD: HOE MEN HET WARE ONDERSCHEID VERWERFT
1. Toen sprak Mozes: Het ware onderscheid verwerft men niet dan door ware nederigheid. Het eerste bewijs van deze nederigheid zal zijn, dat men zijn daden en zelfs zijn gedachten aan het oordeel der Ouden voorlegt, zodat men niet op eigen inzicht vertrouwt, doch zich in alles bij hun uitspraken neerlegt en van hen leert wat men als goed of kwaad dient te beschouwen.
2. Deze handelwijze zal de jonge monnik niet alleen leren, recht de ware weg van het onderscheid te gaan, zij zal hem ook ongedeerd voor alle bedrog en list van de duivel bewaren. Want iemand die niet naar eigen inzicht, doch naar het voorbeeld der Vaders leeft, kan niet bedrogen worden en de sluwe vijand vermag niet iemand in onwetendheid te bedriegen, die geen enkele gedachte die in zijn hart opkomt, weet te verbergen uit valse schaamte, maar ze verwerpt of aanvaardt naargelang het rijpe oordeel der Ouden.
3. Want zodra een slechte gedachte wordt geopenbaard, verliest zij haar venijn, en nog voordat het onderscheid zijn oordeel heeft uitgesproken, heeft de afzichtelijke slang, die door de kracht der bekentenis als het ware uit haar donkere, onderaardse hol ontmaskerd en beschaamd te voorschijn is getrokken, de vlucht genomen. Want zó lang heersen haar verderfelijke inblazingen in ons, als wij deze in ons hart verborgen houden. Om u beter te doordringen van de waarde van dit woord, zal ik u een gebeurtenis van abt Sarapion verhalen, die hij zelf dikwijls de jongeren voorhield ter onderrichting.
11. WOORDEN VAN ABT SARAPION. OVER DE MACHTELOOSHEID VAN EENMAAL GEOPENBAARDE GEDACHTEN EN OVER HET GEVAAR VAN HET ZELFVERTROUWEN
1. Toen ik nog, zo sprak hij, een knaap was en bij abt Theon woonde, wist de vijand mij tot de gewoonte te brengen om dagelijks na de maaltijd van het negende uur met de grijsaard, heimelijk een broodje te nemen en in mijn boezem te verbergen, dat ik dan ‘s avonds stilletjes opat, zonder dat hij het wist. Door de toegevendheid van mijn wil en de eenmaal ingewortelde hartstocht hield ik niet op met deze diefstal. Wanneer ik evenwel na de voldoening van mijn bedrieglijke begeerte weer tot mijzelf kwam, werd ik meer door de begane diefstal gekweld dan ik genoegen had gehad in het eten.
2. Ik werd als het ware door Farao’s bazen tot dit allerzwaarste werk gedwongen, in plaats van de tichelstenen,en het was mij een pijn in het hart Toch kon ik mij niet aan hun wrede dwingelandij ontrukken en ook schaamde ik mij, de verholen diefstal aan de grijsaard te belijden. Nu gebeurde het, naar het welgevallen Gods, die mij van dit slavenjuk wilde bevrijden, dat enkele broeders de cel van de grijsaard bezochten, om zich aan hem te stichten.
3. Na het eten volgde het geestelijk gesprek. Toen de grijsaard in antwoord op de gestelde vragen sprak over het kwaad der gulzigheid en de heerschappij van de verborgen gedachten en de aard daarvan uiteenzette en de wrede macht die zij hebben zolang men ze verborgen houdt, ging de kracht van deze woorden mij door de ziel, en door mijn luid sprekend geweten verschrikt meende ik, dat de grijsaard ze daarom zeide, dat de Heer hem mijn hartsgeheim had geopenbaard. Aanvankelijk was het een verborgen zuchten, maar met het toenemen van het berouw in mijn hart barstte ik weldra in snikken en tranen uit en haalde het broodje, dat ik naar mijn boze gewoonte had weggenomen om het heimelijk op te eten, te voorschijn uit mijn boezem, deelgenoot en heler van mijn diefstal, en toonde het aan allen. Plat ter aarde liggend beleed ik, smekend om vergiffenis, hoe ik dagelijks heimelijk had gegeten, en onder overvloedige tranen vroeg ik allen de Heer voor mij te bidden om bevrijding uit deze harde slavernij.
4. Toen sprak de grijsaard: Heb vertrouwen, mijn kind. Zonder een woord van mij heeft reeds uw belijdenis u van deze slavernij verlost. Uw tegenstander en overwinnaar hebt gij vandaag overwonnen: door uw belijdenis werpt gij hem krachtiger ter aarde, dan hij u door uw zwijgen had neergeworpen. Doordat gij hem nooit door een woord van uzelf of van een ander hebt beschaamd, liet gij hem tot nu toe over u heersen naar het woord van Salomon: Omdat men hen die kwaad doen, niet tegenspreekt, is het hart der mensenkinderen vervuld om kwaad te doen (Pred. 8,11 LXX). En daarom kan die boze geest u, nu gij hem ten toon hebt gesteld, niet meer verontrusten en voortaan zal de afzichtelijke slang geen schuilplaats meer in u hebben, nu zij door uw heilzame bekentenis uit de duisternis van uw hart te voorschijn is getrokken.
5. Hij was nog niet uitgesproken of zie, een brandende fakkel kwam uit mijn boezem te voorschijn en vervulde de cel van zwavelstank, zo hevig dat wij er nauwelijks konden blijven zitten. De grijsaard hernam de vermaning: Zie, de Heer geeft u een zichtbaar bewijs van de waarheid van mijn woorden, opdat gij met eigen ogen zou zien, dat gij door uw heilzame bekentenis de aansteker van die hartstocht uit uw hart hebt verdreven, en opdat gij door deze openlijke uitdrijving zou weten, dat de vijand nu hij is ontdekt, voortaan geen plaats meer bij u heeft. En het was zoals de grijsaard zei. Door de kracht van mijn bekentenis was die duivelse tirannie vernietigd en voorgoed verdwenen. Nimmermeer trachtte de vijand mij zelfs maar te doen denken aan deze begeerte en nooit heb ik sindsdien nog het verlangen gevoeld om te stelen.
6. Bij de Prediker vinden wij deze waarheid zeer schoon uitgedrukt in een beeld: Als de slang bijt zonder te sissen, dient de bezweerder nergens toe (Pred. 10,11 LXX). Hiermee geeft hij aan, hoe gevaarlijk de beet van een stille slang is; dat wil zeggen, indien men de duivelse inblazingen niet openbaart aan een bezweerder, dat is, een geestelijk man die door de zangen van de Schrift de slangenbeet aanstonds weet te genezen en het rampzalige gif uit het hart te verwijderen, kan die niet helpen in het gevaar of redden van de ondergang.
7. Wij kunnen dus gemakkelijk tot de kennis van het ware onderscheid geraken door het voetspoor der Ouden te volgen en niet vermetel iets nieuws in te voeren en naar eigen inzicht te oordelen, doch door in alles te handelen naar wat hun onderricht en heilig leven ons hebben geleerd. Door deze degelijke vorming zal men niet alleen tot het volmaakte onderscheid geraken, doch bovendien beveiligd zijn tegen alle hinderlagen van de vijand. Door geen enkel kwaad anderzijds brengt de duivel de monnik zózeer ten val en stort hem in de dood, als de verachting van de raad der Ouden en het vertrouwen op eigen oordeel en inzicht. Want, wanneer men alle kunsten en ambachten die het menselijk vernuft heeft uitgevonden en die slechts voor het tijdelijk leven nuttig zijn, niet kan leren zonder de lessen van een meester, hoewel zij toch tastbaar en zichtbaar zijn: hoe dwaas is het dan te menen, dat déze kunst - onzichtbaar en verborgen, enkel waar te nemen door een zuiver hart, waarin een tekort geen tijdelijke schade voortbrengt die gemakkelijk te herstellen is, doch de ondergang van de ziel en de eeuwige dood - dat déze kunst alleen géén leraar zou behoeven!
8. Het is immers een strijd van dag en nacht, niet tegen zichtbare doch onzichtbare en meedogenloze vijanden; een geestelijke strijd, niet tegen een of twee, maar tegen talloze benden; een nederlaag is hier zoveel rampzaliger dan overal elders, als ook de vijand hardnekkiger is en het treffen verborgener. En daarom moeten wij steeds het voetspoor der Ouden uiterst zorgvuldig volgen en hun alles wat in ons hart opkomt, zonder de sluier der valse schaamte openbaren.
12. BEKENTENIS VAN ONZE SCHAAMTE OM ONZE GEDACHTEN AAN DE OUDEN TE OPENBAREN
Germanus:De aanleiding tot die gevaarlijke schaamte, waardoor wij slechte gedachten zoeken te verbergen, is vooral gelegen in feiten als het volgende, dat wij hebben vernomen. Zeker monnik, in Syrië, werd als de voortreffelijkste der Vaders beschouwd. Een broeder openbaarde hem in eenvoud zijn gedachten. Doch toen hij nadien eens een ogenblik toornig werd, verweet hij ze de broeder bitter. Het gevolg van dergelijke voorbeelden is, dat wij onze gedachten verborgen houden en ons schamen ze de Ouden te openbaren, waardoor wij de middelen ter genezing niet kunnen verkrijgen.
13. ANTWOORD: MEN MOET DE VALSE SCHAAMTE VERACHTEN; OVER HET GEVAAR VAN GEBREK AAN MEDELIJDEN
1. Mozes: Zoals niet alle jongen even vurig zijn van geest, even goed onderricht en welopgevoed, zo worden ook onmogelijk alle Ouden even volmaakt en goed bevonden. Want de rijkdom van de oude mensen is niet in hun grijze haren gelegen, maar in de ijver van hun jeugd en de verdiensten van hun vroegere werken. Immers: Wat gij niet hebt vergaard in uw jeugd, hoe zult gij dat vindenin uw ouderdom? (Sir. 25,3). Want niet om lange levensduuris de ouderdom eervol en niet naar het aantal jaren wordt hij berekend: maar wijsheid is voor de mens grijze haren, en een smetteloos leven ouderdom (Wijsh. 4,8-9).
2. En daarom moeten wij niet van alle Ouden, wier hoofden het grijze haar bedekt, maar wier enige aanbeveling lengte van leven is, het voetspoor volgen of het onderricht en de raad aanvaarden; doch enkel van hen wier jeugd ons als lofwaardig en goed bekend is, die niet naar eigen wijsheid zijn gevormd, maar door het onderricht der Vaders. Want verschillenden zijn er, ja helaas de meerderheid, die oud worden in de lauwheid en slapheid, welke zij in hun jeugd hebben opgedaan, en hun gezag niet in de rijpheid van hun zeden zoeken, maar in het aantal van hun jaren.
3. Op hen is het verwijt zeer wél van toepassing, dat de Heer uitspreekt door de profeet: Vreemden hebben zijn kracht verslonden en hij heeft het niet geweten; zijn haar is grijs geworden en hij heeft het niet bemerkt (Hosea 7,9). Dezulken, zei ik, stelt enkel de leeftijd de jongeren ten voorbeeld, niet de goedheid van hun leven noch de getrouwheid aan hun ideaal, die achting en navolging zouden verdienen. Hun grijze haren stelt de sluwe vijand, om de jongeren te bedriegen, als een waarborg bij voorbaat voor hun gezag. In zijn geraffineerde sluwheid haast hij zich om door hun voorbeelden zelfs diegenen te doen vallen en te bedriegen, die op de weg der volmaaktheid gebracht hadden kunnen worden, door de raad van anderen of uit eigen goede inborst. Door hun leer en hun leefwijze brengt hij zijn slachtoffers tot een rampzalige lauwheid of een dodelijke wanhoop.
4. Ik zal u hiervan een voorbeeld geven, maar ik zal de naam van de persoon niet noemen, om niet dezelfde fout te begaan als de man van wie gij sprak, die het kwaad dat zijn broeder hem beleden had, bekend maakte. Ik verhaal dus enkel het feit, dat een nuttige les voor u kan bevatten. Op zekere dag kreeg een grijsaard, die ik goed ken, een jonge monnik op bezoek, die niet van de lauwsten was. Deze kwam bij hem vooruitgang en genezing zoeken. In eenvoud openbaarde hij, hoe hij door de prikkels van het vlees en de geest van onkuisheid werd geplaagd, hopend door het gebed van de grijsaard troost te zullen vinden in zijn moeilijkheden en genezing van zijn wonden. Maar de ander voer tegen hem uit met bittere woorden en noemde hem een ellendige en onwaardige, die de naam van monnik niet verdiende, omdat hij nog door een dergelijke ondeugd en begeerte werd geprikkeld. Deze verwijten verwondden de jongeman zózeer, dat hij daarop in de somberste wanhoop en een dodelijke droefheid de cel verliet.
5. In deze toestand van neerslachtigheid dacht hij al niet meer aan genezing van zijn kwaal, doch enkel om toe te geven aan de hartstocht die hij had opgevat. Aldus peinzend ontmoette hij abt Apollo, de voortreffelijkste onder de Vaders. Zijn moedeloosheid ziende, die op zijn gelaat stond te lezen, vermoedde deze de moeilijkheden en de hevige strijd, die zwijgend omgingen in zijn hart en met zachte aandrang vroeg hij naar de oorzaak van een zo grote onrust. Toen nu de ander geen woord kon uitbrengen, begreep de grijsaard meer en meer, dat hij niet zonder reden de oorzaak van zijn droefheid, die hij zelfs op zijn gelaat niet kon ontveinzen, wilde verbergen en begon hem met groter klem te vragen naar de oorzaak van zijn verholen smart.
6. Hierdoor als gevangen bekende de jonge monnik alles. Aangezien hij, volgens de grijsaard die hij had geraadpleegd, tòch geen monnik kon zijn en hij zijn vlees niet kon beheersen en middelen tegen de bekoring verkrijgen, ging hij naar het dorp om een vrouw te nemen en verliet hij het klooster om in de wereld terug te keren. Apollo begon hem met zachte woorden te troosten, verzekerend dat hij dagelijks door dezelfde vlammen en hartstochten werd geprikkeld. Hij moest zich dus niet overgeven aan de wanhoop, noch zich verwonderen over de gloed van de bekoring, die men overigens niet zozeer door eigen inspanning overwon, als wel door de barmhartigheid en de genade van de Heer. Hij verlangde van hem slechts één dag uitstel en smeekte hem naar zijn cel terug te keren. Zelf begaf hij zich met spoed naar de woning van de genoemde grijsaard.
7. Toen hij deze genaderd was, bad hij met uitgestrekte armen onder tranen: Heer, die alleen de barmhartige getuige en onzichtbare geneesheer zijt van de verborgen krachten en de menselijke zwakheid, laat de bekoring van de jongeman op deze grijsaard overgaan, opdat hij tenminste nog in zijn ouderdom begrip leert hebben voor de zwakheden der beproefden en medelijden met de broosheid van de jeugd. Nauwelijks had hij onder zuchten zijn gebed besloten, of hij zag een afzichtelijke Ethiopiër voor de cel van de grijsaard staan, gloeiende pijlen op hem afschietend. Aanstonds werd hij gewond, kwam uit zijn cel naar buiten en begon als een waanzinnige en een dronkeman in alle richtingen rond te lopen. Naar buiten, weer naar binnen, doch daar kon hij het niet meer houden, en met spoed ging hij dezelfde weg op waarlangs de jongeman was heengegaan.
8. Toen Apollo hem zo zag, als waanzinnig geworden, voortgedreven door razernij, begreep hij dat de gloeiende pijl van de duivel die hij had gezien, hem in het hart getroffen had: de ondraaglijke gloed verwarde zijn geest en bracht zijn zinnen in beroering. Hij ging naar hem toe en sprak hem aan: Wat doet u de ernst die bij uw leeftijd past, vergeten, dat gij gelijk een kind niet meer stil kunt zitten en onrustig rondloopt?
9. De ander, door zijn geweten aangeklaagd en door de beschamende hartstocht verward, geloofde dat de brand van zijn binnenste was ontdekt; en ziende dat zijn hartsgeheim voor de grijsaard bloot lag, dorst hij in het geheel geen antwoord te geven. Keer terug naar uw cel, ging Apollo voort en begrijp eindelijk dat de duivel u tot nu toe òf niet heeft gekend òf heeft veracht en niet gerekend onder hen tegen wie hij dagelijks wordt geprikkeld te strijden door hun voortuitgang en ijver, u, die na de vele jaren welke gij in het monniksleven hebt gesleten, de éne pijl die hij op u afschoot, niet vermocht, ik zeg niet af te weren, doch zelfs maar een dag op te houden! De Heer heeft toegelaten dat gij werd gewond, opdat gij tenminste nog in uw ouderdom door eigen voorbeeld en ervaring medelijden met andermans zwakheden leert hebben en begrip voor de broosheid van de jeugd, gij, die de jongeman, die leed onder de aanval van de duivel, verre van hem te troosten, in een rampzalige wanhoop hebt overgeleverd aan de handen van de vijand, die hem voorzover het van u afhing, verschrikkelijk zou hebben verslonden!
10.Zeer zeker zou hij zo hevig niet door de vijand zijn aangevallen, indien deze die dit tot nu toe bij u beneden zich achtte, niet jaloers was geweest op zijn toekomstige vooruitgang en zich had gehaast om de deugd die hij in hem zag, in de kiem te smoren en door zijn gloeiende pijlen te bederven. Zonder twijfel hield hij hem voor sterker, aangezien hij het de moeite waard heeft geacht hem zo hevig aan te vallen. Leer dus uit eigen voorbeeld medelijden te hebben met de beproefden en hen die in gevaar zijn niet te brengen tot angst en rampzalige wanhoop of te verbitteren door harde woorden, maar hen veeleer op te beuren met zachte en vriendelijke woorden van troost. Leer naar het voorschrift van de wijze Salomon hén te redden die men ter dood gaat brengen; span u in, hen te bevrijden wie men het leven wil ontnemen (Spr. 24,11). Naar het voorbeeld van onze Zaligmaker zult ge het geknakte riet niet breken en de kwijnende vlaspit niet doven (Mt.12,20). Vraag de Heer de genade om vol vertrouwen metterdaad te kunnen zingen: De Heer heeft mij een kundige tong gegeven, om door mijn woord de ontmoedigden te kunnen sterken (Jes.50,4). 1
1. Niemand zou immers de aanslagen van de vijand kunnen doorstaan, noch de gloed van het vlees, waarvan het vuur in zekere zin van nature in ons brandt, kunnen doven of onderdrukken, zo Gods genade onze zwakheid niet hielp, of beschutte en beschermde. Nu heeft Gods heilzame beschikking haar doel bereikt: Hij heeft de jongeman van de gevaarlijke gloed willen bevrijden en tevens u onderrichten, hoe hevig de bekoring kan zijn en hoe wij medelijden moeten gevoelen. Smeken wij Hem nu tezamen, dat Hij de gesel, die Hij tot uw nut over u liet komen, op laat houden. Hij immers verwondt, en geneest weer; Hij slaat, en zijn hand herstelt (Job 5,18). Hij vernedert en verheft, Hij doodt en maakt levend, voert naar de onderwereld en daaruit terug (1Sam. 2,6-7). Dat Hij door de overvloedige dauw van zijn Geest de gloeiende pijlen dooft, die Hij, naar ik zie, toeliet op u af te schieten. 1
2. Op een enkel gebed van de grijsaard nam de Heer de bekoring, met dezelfde snelheid als waarmee Hij haar liet komen, weer weg. De ervaring was niettemin een duidelijke les, dat men niet alleen nooit iemand de fouten die hij openbaart, moet verwijten, maar zelfs zijn geringste moeilijkheid niet mag verachten.Laten we dus nooit de onkunde en lichtvaardigheid van één of enkele Ouden, wier grijze haren de sluwe vijand misbruikt om de jongeren te bedriegen, u afhouden en verwijderen van de heilzame weg waarover wij spraken, en het onderricht der Vaders. Maar openbaart de Ouden alles, zonder enige sluier van valse schaamte, en zoekt vol vertrouwen bij hen de middelen ter genezing van uw wonden en voorbeelden voor uw leven. Daarvan zullen wij steeds passende hulp en overeenkomstig voordeel ondervinden, als wij niets naar eigen oordeel en inbeelding ondernemen.
14. DE ROEPING VAN SAMUEL
Deze leer trouwens blijkt God zozeer te behagen, dat wij haar uitdrukkelijk in de Schrift vinden opgenomen. Zo wilde de Heer de jonge Samuël, door zijn beschikking uitverkozen, niet door zichzelf in een rechtstreeks gesprek onderrichten, doch eenmaal en andermaal liet Hij hem zich tot een grijsaard wenden; en hij dien God riep om tot Hem te spreken, moest worden onderricht, zelfs door iemand die God had beledigd, enkel omdat het een Oudere was. Hij wilde liever, dat hij die Hij zo’n roeping had waardig geoordeeld, door de lessen van een Oudere werd gevormd, eerstens om de nederigheid te beproeven van hem die tot de goddelijke dienst werd geroepen, voorts om door zijn voorbeeld de jongeren een model van onderwerping te tonen.
15. DE ROEPING VAN DE APOSTEL PAULUS
1. Aldus ook Paulus. Zelf roept Christus hem en spreekt hem toe; maar ofschoon Hij hem ook onmiddellijk de weg der volmaaktheid had kunnen openbaren, zendt Hij hem liever naar Ananias en laat hem van deze de weg van de waarheid vernemen: Sta op en ga de stad in; daar zal u gezegd worden wat ge moet doen (Hand 9,6). Ook hem zendt Hij dus naar een Oudere en geeft er de voorkeur aan, hem door diens lessen te laten onderrichten, liever dan dit zelf te doen, opdat zo niet wat bij Paulus terecht zou zijn geschied, in de toekomst een slecht voorbeeld tot aanmatiging zou zijn, doordat eenieder zich zou wijsmaken, dat hij insgelijks door het onderricht en de lering van God alleen moet worden gevormd, liever dan door de lessen van de Ouderen.
2. De Apostel leert zelf ook, in zijn brieven zowel als door zijn daden en voorbeelden, dat een dergelijke aanmatiging alleszins verfoeilijk is. Hij verzekert, slechts daarom naar Jerusalern te zijn opgegaan, om het evangelie dat hij onder bijstand van de genade van de heilige Geest de heidenen verkondigde, met zijn rnede-apostelen en voorgangers in een soort privé en vertrouwelijk onderzoek te vergelijken. En ik legde hun, zegt hij, het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig, om zeker te zijn dat ik niet voor niets had gewerkt of zou werken (Gal. 2,2).
3. Wie is er dan zo aanmatigend en verblind, dat hij zich op eigen oordeel en onderscheid durft verlaten, terwijl het uitverkoren werktuig heeft getuigd dat hij een gesprek met zijn rnede-apostelen nodig heeft gehad? Allerduidelijkst wordt dus bewezen, dat de Heer aan niemand de weg der volmaaktheid toont, die, terwijl hij iemand heeft die hem kan onderwijzen, de leer en de lessen der Ouden versmaadt, dìt woord geringschattend, dat nochtans met ijver moet worden onderhouden: Vraag uw vader, en hij zal het u verkondigen, uw Ouden, en zij zullen het u zeggen (Dt. 32,7).
16. HET ZOEKEN NAAR HET OORDEEL DES ONDERSCHEIDS
1. Uit alle macht dus moeten wij, door de deugd van nederigheid, streven naar het goed van het onderscheid, dat ons ongedeerd zal bewaren voor overdrijving naar twee kanten.Het oude spreekwoord zegt immers: a\krovthte~ i\sovthte~ :de uitersten raken elkaar. Overdreven vasten en gulzigheid leiden tot hetzelfde; onmatig waken schaadt de monnik evenzeer als de versuffing van een langdurige slaap. Overdreven onthouding immers verzwakt en brengt iemand noodzakelijk tot dezelfde staat als waarin de nalatige door zijn onverschilligheid is gevangen. Meermalen hebben wij gezien, hoe mensen die zich door gulzigheid niet lieten verleiden, door overdreven vasten ten onder werden gebracht en door hun zwakte in de hartstocht vielen die zij hadden overwonnen.
2. Onredelijke nachtwaken ook en hele nachten zonder slaap wierpen hèn terneer die de slaap niet kon overwinnen. Wij moeten dus, volgens de Apostel (2Kor. 6,7), door de wapenen der gerechtigheid wat ter rechter- en ter linkerzijde is, door een juiste matiging voorbijgaan en, geleid door het onderscheid, tussen beide overdrijvingen wandelen, zodat wij ons inzake de onthouding niet van het ons geleerde pad laten afbrengen noch anderzijds door een rampzalige verslapping in de begeerten van de gulzigheid en van de buik terugvallen.
17. HET OVERDREVEN VASTEN EN WAKEN
1. Ik herinner mij dat ikzelf herhaaldelijk zo volledig het verlangen naar spijs heb onderdrukt dat na twee of drie dagen zonder eten zelfs de gedachte om iets te gebruiken niet in mij opkwam. Door een duivelse bekoring heb ik soms ook zozeer de slaap aan mijn ogen onttrokken dat ik verschillende nachten en dagen de Heer moest bidden mijn ogen een weinig slaap te schenken. Ik heb daarbij ondervonden, dat die afkeer van slaap en spijs gevaarlijker voor mij was dan de aanvechtingen van gulzigheid en slaaplust.
2. Zoals wij ons dus moeten beijveren om niet door begeerte naar lichamelijk genot tot een gevaarlijke verslapping te vervallen en ons voedsel te veroorlovenvóór de gestelde tijd of boven de maat die passend is, zo moeten wij evenzeer, wanneer het uur daartoe is aangebroken, spijs en slaap genieten, zelfs wanneer het ons tegenstaat. Want beide aanvechtingen ontstaan door ’s vijands toedoen, en overdreven onthouding doet nog ernstiger vallen dan onbeperkte verzadiging. Van de laatste immers kan men, door tussenkomst van een heilzaam berouw, weer tot de maat der gestrengheid opklimmen, van de eerste niet.
18. EEN VRAAG OVER DE MAAT VAN VOEDSEL EN ONTHOUDING
Germanus: Welke is dan de maat der onthouding, waaraan wij ons in juiste matiging moeten houden om ongedeerd tussen beide overdrijvingen door te kunnen gaan?
19. DE BESTE MAAT VOOR HET DAGELIJKS VOEDSEL
Mozes: Ik weet dat onze Vaders meermalen over deze kwestie hebben gehandeld. Zij hebben de praktijk besproken van verschillende monniken die steeds op louter peulvruchten of groenten of fruit leefden, doch gaven de voorkeur aan het gebruik van enkel brood en stelden als de geschiktste maat vast: twee broodjes, die tezamen het pond zeker niet te boven gaan.
20. OPWERPING: EEN ONTHOUDING DIE TWEE BROODJES TOESTAAT IS GEMAKKELIJK
Wij namen dat gaarne aan en antwoordden dat wij deze maat allerminst als onthouding beschouwden, daar wij zoveel niet eens op zouden kunnen.
21. ANTWOORD: ERVARING VAN DE GESTRENGHEID EN HET GEWICHT VAN DEZE ONTHOUDING
1. Mozes: Als gij de kracht van dit regiem wilt ervaren, houdt dan deze maat voortdurend aan, zonder er op zondag of zaterdag of wanneer een broeder u opzoekt enig gekookt gerecht aan toe te voegen. Want hierdoor gesterkt kan het lichaam op de andere dagen met een mindere hoeveelheid volstaan en zonder moeite zelfs de hele maaltijd uitstellen, dank zij de kracht van de toegevoegde spijzen.
2. Maar wie zich altijd tot de voornoemde maat beperkt, zal hiertoe niet in staat zijn en kan zijn maal van brood niet uitstellen tot de volgende dag. Ik herinner mij, dat onze Vaders -en het is ook mijzelf herhaaldelijk overkomen - zoveel last en moeite hadden om dit schrale regiem vol te houden, en met zoveel inspanning en honger deze maat trouw moesten blijven, dat zij in zekere zin ongaarne en niet zonder zuchten en droefheid zich deze beperking van hun maaltijd oplegden.
22. DE MAAT VAN ONTHOUDING EN VOEDSEL IN HET ALGEMEEN
1. Als algemene regel inzake de onthouding geldt, dat ieder zich, overeenkomstig zijn krachten en leeftijd, zoveel voedsel moet veroorloven als het onderhoud van zijn lichaam, niet het verlangen naar verzadiging, vereist. Want wie onregelmatig is en zijn middel nu eens doet krimpen door uiterst streng vasten, dan weer uitzetten door overdaad van spijzen, lijdt in beide gevallen grote schade.
2. Voedseltekort vermoeit de geest: hij verliest de kracht om te bidden, omdat de al te grote vermoeidheid hem drukt en tot slapen brengt. Doch overmatig eten drukt hem evenzeer en maakt het hem onmogelijk, zuiver en licht tot God te bidden. Maar de kuisheid zal al evenmin ongerept bewaard kunnen blijven: want zelfs op de dagen dat hij zijn vlees door strenge onthouding schijnt in te tomen, zal toch de overdaad van de vorige dag het vuur der begeerte nog onderhouden.
23. HOE DE OVERVLOED VAN BEPAALDE SAPPEN WORDT BEPERKT
1. Wat zich door overvloed van spijzen eenmaal in het merg heeft gevormd, moet worden afgevoerd en uitgedreven door de wet zelf van de natuur, die geen overtollig vocht, als schadelijk en nadelig, in zich duldt. Daarom moeten wij steeds ons lichaam door een redelijke, gelijkmatige soberheid in toom houden: opdat wij aldus, zo wij dan al, in het vlees verblijvend, niet geheel aan deze noodzaak der natuur kunnen ontsnappen, tenminste slechts zelden, niet vaker dan driemaal per jaar, door deze vloeiing worden bezoedeld. En het geschiede dan zonder enige prikkeling, in een rustige slaap, niet uitgelokt door een drogbeeld, dat zou wijzen op een verborgen lust.
2. Om dit alles is de bovengenoemde gelijkmatige en passende onthouding ingesteld, welke ook door het oordeel der Vaders is bekrachtigd: dagelijks namelijk één maaltijd van brood, waarbij nog honger overblijft, maar waarbij ziel en lichaam bestendig in dezelfde staat worden gehouden, zodat het vasten de geest niet uitput, noch de verzadiging hem bezwaart. Bij een dergelijke soberheid kan het ten slotte gebeuren, dat men soms na de avond niet meer voelt of zich herinnert dat men gegeten heeft.
24. OVER DE INSPANNING WELKE DIT GELIJKMATIGE REGIEM KOST. DE GULZIGHEID VAN BROEDER BENJAMIN
1. En zózeer geschiedt dit niet zonder inspanning, dat zij die het volmaakte onderscheid niet bezitten, liever een dag langer vasten en het brood van vandaag bewaren voor morgen, om wanneer zij gaan eten, zich toch maar naar hun verlangen te kunnen verzadigen. Gij weet, dit was kort geleden ook de hardnekkige praktijk van Benjamin, uw landgenoot. Om niet de voortdurende soberheid en steeds gelijkmatige beperking van twee broodjes per dag te hebben, vastte hij liever twee dagen achtereen, zodat hij, wanneer hij ging eten, met een dubbel rantsoen aan zijn gulzigheid kon voldoen. Met zijn vier broodjes genoot hij de verlangde verzadiging, en de twee dagen vasten vormden bij wijze van spreken de prijs die hij betaalde om zijn maag eens goed te kunnen vullen.
2. Koppig hield hij vast aan zijn eigen zin, boven het onderricht der Ouden, en zonder twijfel herinnert gij u hoe het met hem is afgelopen, hoe hij de woestijn verlaten heeft en weer is afgezakt tot de lege wijsheid van deze wereld en tot de aardse ijdelheden. Het voorbeeld van zijn val pleite voor de genoemde uitspraak der Ouden en lere aan allen dat niemand die op eigen inzicht en oordeel vertrouwt, ooit de top der volmaaktheid vermag te bereiken, doch dat hij zelfs onmogelijk aan het verderfelijk bedrog van de duivel kan ontsnappen.
25. VRAAG: HOE KAN MEN STEEDS ÉÉN EN DEZELFDE MAAT HOUDEN?
Germanus: Maar hoe kunnen wij deze maat zonder onderbreking onderhouden? Want soms krijgt men na reeds het vasten beëindigd te hebben op het negende uur broeders op bezoek en is men genoodzaakt om óf om hunnentwille iets toe te voegen aan de gestelde, gewone maat, òf volkomen te kort te schieten in de gastvrijheid, die wij verplicht zijn allen te bewijzen.
26. ANTWOORD: MEN MOET DE MAAT VAN HET ETEN NIET TE BUITEN GAAN
1. Mozes: Beide behoort men op gelijke wijze, met dezelfde zorg, te onderhouden. Omwille van de matigheid en zuiverheid moeten wij ons nauwgezetaan de maat van het voedsel houden, en uit hoofde der naastenliefde moeten wij evenzeer de broeders die ons bezoeken, onze gastvrijheid bieden en hen aanzetten; want het zou dwaas zijn, een broeder, ja Christus zelf, aan tafel te ontvangen zonder zelf met hem mee te eten en bij zijn maaltijd zich te gedragen als een vreemde.
2. Maar wij zullen in beide onberispelijk zijn als wij ons aan de volgende gewoonte houden: Laten wij op het negende uur van de twee broodjes waar de gestelde maat ons recht op geeft, er slechts één gebruiken en het andere tot de avond bewaren, met het oog op mogelijk bezoek. Komt er inderdaad een broeder, dan nuttigen wij dit, samen met hem etend, en voegen wij niets aan de gewone hoeveelheid toe. En op deze wijze zal het bezoek van een broeder, dat ons een grote vreugde moet zijn, ons niet in het minst bedroeven, aangezien wij hem de dienst van onze gastvrijheid kunnen tonen zonder in de gestrengheid van onze onthouding te verslappen. Komt er echter niemand, dan kunnen wij het toch gerust opeten, want krachtens de gestelde maat komt het ons toe.
3. Door deze kleine maaltijd zal de maag ‘s avonds niet bezwaard zijn (we hebben immers op het negende uur al één broodje genuttigd); hetgeen gewoonlijk wél het geval is bij hen die, in de mening zo strenger te vasten, hun hele maaltijd tot de avond uitstellen. Want de kort te voren gebruikte spijzen beletten de geest helder en fris te zijn in de avond- zowel als in de nachtgetijden. Daarom is het praktisch en nuttig dat ons is toegestaan op het negende uur te eten. Niet alleen in de nachtwake is de monnik dan fris en onbezwaard, maar zelfs bij de avondgetijden is hij in een uitstekende gesteltenis, daar de spijsvertering reeds heeft plaatsgehad.
4. Zo had de zalige Mozes ons tweemaal met zijn geestelijke leer gevoed. In dit gesprek toonde hij ons de schoonheid en de kracht van het oordeel des onderscheids; in het eerste de aard van onze verzaking en de opzet en het doel van ons leven. Datgene waar wij vroeger als het ware met gesloten ogen, enkel met onze vurigheid en de ijver Gods, naar streefden, liet hij ons klaarder zien dan het licht; en hij deed ons beseffen, hoezeer wij totdien hadden gedwaald, ver van de juiste richting, de zuiverheid des harten: want zelfs de zichtbare kunsten en ambachten dezer wereld kunnen niet zonder een bepaalde opzet bestaan, en men geraakt daar niet toe zonder zijn doel vast voor ogen te hebben.