Bronteksten
Eerste gesprek, eerste van abt Mozes: De opzet en het doel van de monnik
(Johannes Cassianus)
U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.
INHOUDSOPGAVE
- De bewoners van Scetis en de levenswijze van abt Mozes
- Vraag van abt Mozes over de opzet en het doel van de monnik
- Ons antwoord
- Een nieuwe vraag van Mozes over hetzelfde onderwerp
- Vergelijking met de schutter
- Over hen die de wereld verzaken, maar zonder liefde naar de volmaaktheid streven
- Het zoeken naar de vrede des harten
- Ons voornaamste streven geldt de beschouwing der goddelijke dingen. Vergelijking met Maria en Marta
- Een vraag: of de werken der deugden niet altijd met de mens blijven voortbestaan
- Niet het loon maar de werkzaamheid zal verdwijnen
- De eeuwigheid van de liefde
- Een vraag over de volharding in de geestelijke beschouwing
- Antwoord: De gerichtheid van het hart op God. Het rijk van God en dat van de duivel
- De onsterfelijkheid van de ziel
- De beschouwing van God
- Een vraag over de beweeglijkheid van onze gedachten
- Antwoord: Wat de ziel wel en wat zij niet kan met betrekking tot haar gedachten
- Vergelijking van de ziel met een molen
- De drie bronnen van onze gedachten
- Het onderscheiden der gedachten.Vergelijking met de bekwame wisselaar
- Hoe abt Joannes bedrogen werd
- Het viervoudig onderzoek
- Het onderricht van een leraar is overeenkomstig de verdiensten van zijn toehoorders
1. DE BEWONERS VAN SCETIS EN DE LEVENSWIJZE VAN ABT MOZES
In de woestijn van Scetis verbleven de voortreffelijksten onder de Vaders van het monnikenleven en alle volmaaktheid was daar te vinden. Doch te midden van die heerlijke bloemen verspreidde abt Mozes een nog liefelijker geur, zowel door zijn werkzaam deugdenleven als door zijn beschouwing. Vol verlangen door zijn onderricht gevormd te worden, zocht ik hem op, samen met de heilige abt Germanus. - Vanaf het eerste begin van onze geestelijke krijgsdienst waren wij onafscheidelijk en onze omgang in het klooster en in de woestijn was van die aard, dat iedereen, om onze vriendschap en gelijkheid van leven te karakteriseren, sprak van één ziel en één geest in twee lichamen. Samen vroegen wij onder tranen genoemde abt om een woord van stichting, want wij kenden zijn gestrengheid heel goed; wij wisten dat hij de deur der volmaaktheid slechts wilde openen voor hen die haar volhardend verlangden en met een geheel vernederd hart zochten. Hij zou gevreesd hebben zich schuldig te maken aan de ondeugd van ijdelheid of aan de zonde van verraad, als hij zonder onderscheid aan onwilligen of tragen, onwaardigen en afkerigen, bekend maakte, wat alleen zij die naar volmaaktheid verlangen behoren te ontvangen. Vermoeid door ons aanhoudend smeken, sprak hij ons eindelijk toe.
2.VRAAG VAN ABT MOZES OVER DE OPZET EN HET DOEL VAN DE MONNIK.
1. Alle kunsten en ambachten, zo sprak hij, hebben een bepaalde opzet of bepaald oogmerk en een eigen einddoel, waarop ieder die zich op een bepaald ambacht toelegt, de blik gericht houdt en omwille waarvan hij alle moeiten, gevaren en offers met gelijkmoedigheid en blijdschap verduurt. De boer trotseert nu eens de hete zon, dan weer koude en ijs: onvermoeibaar scheurt hij de grond open en legt de weerbarstige aarde dikwijls om met zijn ploeg, alles volgens zijn opzet, om er namelijk alle dorens en onkruid uit te halen en haar zo los te maken als zand. Zijn doel hierbij is het verkrijgen van veel vruchten en een overvloedige oogst. Hij is overtuigd dat hij niet anders datgene kan bereiken wat hem een onbezorgd leven of vermeerdering van zijn bezit zal schenken.
2. Bereidwillig ook maakt hij zijn volle schuren leeg en vertrouwt ze in noeste arbeid toe aan de losgemaakte voren en hij voelt het huidige verlies niet door het vooruitzicht van de toekomstige oogst. Zo ook zij die handel drijven: zij vrezen de wisselvalligheden van de zee niet, zij schrikken niet terug voor gevaren, wanneer de hoop op winst, hun doel, hen voortstuwt. Ook degenen die hun eer in de aardse krijgsdienst zoeken, houden het doel, roem en macht, voor ogen en voelen dan geen verre tochten en gevaren; leed en strijd van thans breekt hen niet, daar zij de waardigheid verlangen te verwerven, die zij zich ten doel hebben gesteld.
3. Zo heeft ook onze levensstaat haar eigen opzet en haar eigen doel, waarvoor wij alle moeiten op ons nemen, onvermoeibaar en zelfs gaarne. De derving van het vasten put ons niet uit, de last van het waken verheugt ons, het aanhoudend lezen en overwegen van de Schrift staat ons nimmer tegen, de langdurige arbeid schrikt ons niet af, noch de naaktheid en het gebrek aan alles, noch ook deze barre, onmetelijke woestijn. Voor dit doel hebt gij zelf zonder twijfel de genegenheid van uw ouders versmaad tezamen met de vaderlandse grond en de genietingen van de wereld, zijt gij zovele landen doorgetrokken om tot ons, eenvoudige onontwikkelde mensen, te komen in deze onherbergzame woestijn. Antwoord mij dus, wat is uw opzet, wat uw doel, dat u aanspoort om dat alles met graagte te verduren?
3. ONS ANTWOORD
Toen hij aanhield om ons antwoord op deze vraag te vernemen, zeiden wij, dat wij dit alles verduurden omwille van het rijk der hemelen.
4. EEN NIEUWE VRAAG VAN MOZES OVER HETZELFDE ONDERWERP
1. Uitstekend, hernam abt Mozes, gij hebt scherpzinnig uitgedrukt wat het uiteindelijk doel is, maar gij moet vooral ook weten wat onze opzet, ons oogmerk is, dat wij voortdurend moeten nastreven om ons eigenlijke doel te bereiken. Toen wij eenvoudig onze onkunde bekenden, ging hij voort: Zoals ik zei, begint elke kunst en elk ambacht met een opzet, dat wil zeggen een vaste gerichtheid van de ziel, een voortdurende toeleg van de geest, en indien men daar niet met alle inspanning en volharding aan vasthoudt, geraakt men niet tot het verlangde einddoel.
2. Het doel van de boer is, zoals ik heb uiteengezet, onbezorgd en ruim te leven door overvloedige oogsten. Zijn opzet, zijn oogmerk is het daarom zijn land te zuiveren van alle dorens, het te ontdoen van elk onkruid; want hij is ervan overtuigd, dat hij zijn doel, een onbezorgde overvloed, niet anders kan bereiken dan wanneer hij door zijn werken en zijn hopen in zekere zin reeds bezit wat hij later metterdaad verlangt te krijgen. Ook de koopman laat niet af van de begeerte om zich goederen te verschaffen, waarmee hij door de groei van zijn winst rijkdom kan vergaren. Hij zou immers tevergeefs verlangen naar winst zo hij de weg daarheen niet koos. En zij die naar bepaalde waardigheden dezer wereld dingen, overwegen tevoren aan welke funktie of ambt zij zich moeten wijden, om zo langs de weg van een wettige hoop ook tot de verlangde waardigheid te geraken.
3. Zo heeft ook onze weg een einddoel: het rijk Gods. Wij moeten echter aandachtig onderzoeken, welke zijn opzet is, want zo wij die niet eveneens vinden, vermoeien wij ons met vergeefse pogingen, want hij die geen bepaalde weg volgt, heeft wel de inspanning van het lopen, maar hij komt niet vooruit. Toen de oude man onze verbazing zag, vervolgde hij: Het doel van onze levensstaat is, zoals ik zei, het rijk Gods of het rijk der hemelen; het oogmerk echter, de opzet, is de zuiverheid des harten, zonder welke iemand onmogelijk tot dat doel kan geraken.
4. Met deze opzet dus vast voor ogen zullen wij onze weg richten als langs een vaste lijn; en indien onze aandacht daar een weinig van is afgeweken, moeten wij terstond weer onze blik erop vestigen en zo als naar een zuiver richtsnoer onze afwijking herstellen. Dit richt al onze pogingen steeds weer op dit éne punt en het waarschuwt ons onmiddellijk zodra onze geest ook maar het minste afwijkt van de gestelde richting.
5. VERGELIJKING MET DE SCHUTTER
1. Het is ermee als met hen die de wapens hanteren, wanneer zij voor een koning van deze wereld hun vaardigheid willen tonen. De prijzen staan afgebeeld op kleine schildjes. Zij trachten nu deze met hun spiesen of pijlen te treffen. Zij weten dat zij, als ze de roos niet raken, niet komen tot hun doel, de begeerde prijs; deze wordt immers slechts hun bezit, als zij erin slagen het gestelde doelwit te raken. Maar onttrekt men eens het doelwit aan hun blik: hoever zij er dan ook naast mikken, zij merken het niet, want zij hebben geen enkel vast punt, dat hun toont of zij goed richten of niet. Zij schieten hun pijlen doelloos de lucht in en zij kunnen niet uitmaken waar hun fout in gelegen is, omdat niets hun aanwijst hoe ver zij zijn afgeweken en hun onbestemde blik hun de juiste richting niet kan leren.
2. Zo is van onze staat het doel het eeuwig leven, volgens de Apostel die aldus spreekt: Gij hebt als vrucht de heiligheid, als einddoel echter het eeuwig leven (Rom. 6,22). De opzet ervan is de zuiverheid des harten, die hij niet ten onrechte de heiligheid noemt, zonder welke men het einddoel niet kan bereiken. Hij heeft met andere woorden gezegd: Uw opzet is de zuiverheid des harten, uw einddoel het eeuwig leven. Over deze opzet spreekt de Apostel elders aldus: Ik vergeet wat achter mij ligt, ik werp mij voorwaarts en ijl naar het doel: de kampprijs van de hemelse roeping van de Heer (Fil. 3,13-14).
3. In het Grieks staat het nog duidelijker:kata skopon diookoo, mij richtend naar mijn oogmerk ijl ik voort. Het is als zegt hij: Door mijn oogmerk, te vergeten wat achter mij ligt, dat wil zeggen de ondeugden van de oude mens, tracht ik te komen tot het einddoel, de hemelse prijs. Al wat ons dus kan helpen naar wat onze opzet is, de zuiverheid des harten, moeten wij met heel onze kracht najagen, wat ons ervan weerhoudt als verderfelijk en schadelijk vermijden. Daarvoor verdragen wij alles en doen wij alles. Daarvoor verachten wij ouders, vaderland, waardigheden, rijkdom, genietingen van deze wereld en alle genot, om de zuiverheid des harten blijvend te bezitten.
4. Wanneer wij ons deze opzet voor ogen houden, zullen onze daden en onze gedachten er volkomen op gericht zijn deze zuiverheid te verkrijgen. Doen wij dit niet voortdurend, dan zal niet alleen al onze inspanning ijdel en onstandvastig zijn, zonder enig voordeel, maar het zal ook oorzaak zijn van alle mogelijke tegenstrijdige gedachten. Want als de geest niets heeft waartoe hij telkens terugkeert, waarnaar hij bij voorkeur streeft, zal hij noodzakelijk voortdurend met elke wind meewaaien naargelang de verscheidenheid van wat in hem opkomt; en uitwendig zal hij zich laten beheersen door de eerste indruk die hem treft.
6. OVER HEN DIE DE WERELD VERZAKEN, MAAR ZONDER LIEFDE NAAR DE VOLMAAKTHEID STREVEN
1. Zo komt het dat sommigen de grootste rijkdommen van deze wereld, grote sommen goud en zilver en zelfs prachtige landgoederen verlaten en daarna hun rust verliezen om een mesje, een schrijfstift, een naald of een pen. Als ze hun oog gericht gehouden hadden op de zuiverheid des harten, zouden zij voorwaar nooit die onrust over kleine dingen bij zich hebben toegelaten, zij die grote en kostbare schatten hebben opgegeven om er geen stoornis van te ondervinden.
2. Er zijn er die zo jaloers een boek bewaren, dat zij niet kunnen hebben dat een ander daar maar even in leest of het zelfs maar met de vinger aanraakt. Zo wordt voor hen een aanleiding tot ongeduld en dood, wat hun juist gelegenheid geeft om te groeien in het geduld en de liefde en al hebben zij al hun rijkdom uitgedeeld ter liefde van Christus, zij blijven hun vroegere gehechtheid behouden, nu aan kleinigheden waarover zij zich gemakkelijk opwinden. Omdat hun de liefde ontbreekt waarover Sint Paulus spreekt, wordt hun leven volkomen onvruchtbaar en leeg. De zalige Apostel voorzag dit in de geest, toen hij zei: Al geef ik ook mijn hele vermogen tot spijs aan de armen en al lever ik mijn lichaam over aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het mij niets (1 Kor. 13,3).
3. Daaruit blijkt duidelijk, dat men niet aanstonds volmaakt is door het feit zelf der naaktheid, door alle rijkdom op te geven en waardigheden te verachten, indien men niet werkelijk die liefde bezit, waarvan de Apostel de verschillende delen beschrijft en die enkel bestaat in de zuiverheid van hart. Want (vgl. 1 Kor. 13,4-6): niet afgunstig zijn, niet verwaand, niet toornig worden, niet onedel handelen, niet het zijne zoeken, zich niet verheugen over de boosheid, het kwade niet denken enzovoorts, wat is dat anders dan voortdurend een volmaakt en geheel zuiver hart aan God opdragen en het smetteloos bewaren voor alle onrust?
7. HET ZOEKEN NAAR DE VREDE DES HARTEN
1. Voor deze zuiverheid moeten wij handelen, daarnaar verlangen. Daarvoor moeten wij de eenzaamheid zoeken, het vasten beoefenen, het waken, de arbeid, de naaktheid van het lichaam, de lezing en de andere werken van deugd, om namelijk daardoor ons hart voor alle schadelijke hartstochten onkwetsbaar te maken en te bewaren en langs deze treden tot de volmaakte liefde op te klimmen. En wanneer wij, door een passende en noodzakelijke bezigheid belet, onze gewone gestrengheden en oefeningen niet hebben kunnen volbrengen, laten wij dan daarom niet bedroefd, toornig of verontwaardigd worden, want juist om deze ondeugden uit te roeien zouden wij gedaan hebben wat nu achterwege moest blijven.
2. Want het voordeel van het vasten is niet zo groot als het nadeel van de toorn en wij winnen niet zoveel door een lezing als wij verliezen door het verachten van een broeder. Wij moeten dus het minder gewichtige, het vasten, het waken, de eenzaamheid, de overweging van de heilige Schrift, beoefenen omwille van onze voornaamste opzet, de zuiverheid des harten, die de liefde is en deze niet te kort doen omwille van die dingen. Want als zíj maar volkomen en ongerept in ons blijft bestaan, dan geeft het niet of er iets van het minder belangrijke uit noodzaak achterwege blijft. Het baat immers niets alles te hebben gedaan, als de hoofdzaak ontbreekt omwille waarvan alles moet worden gedaan.
3. Zo verschaft iemand zich ook geen gereedschappen voor een vak enkel om ze te hebben, en het voordeel dat hij beoogt zoekt hij niet in het louter bezit ervan, neen, maar met behulp ervan wordt hij bekwaam in het vak waartoe zij dienen en bereikt hij het doel van dat vak.Dus het vasten, het waken, de overweging van de heilige Schrift, de naaktheid en de armoede zijn niet de volmaaktheid, maar de werktuigen van de volmaaktheid, zij vormen niet het doel van ons ambacht, maar door middel ervan komt men tot het doel.
4. Tevergeefs beoefent dus iemand dit alles, als hij zich hiermee als met het hoogste goed tevreden stelt, als de toeleg van zijn hart zich hiertoe beperkt, in plaats dat hij de gehele inspanning van zijn deugd erop richt het doel te bereiken waartoe men deze oefeningen zoekt. Hij heeft dan wel de werktuigen van dit ambacht, maar het doel waarin alle vrucht is gelegen, kent hij niet. Al wat dus de zuiverheid en de vrede van onze geest kan verstoren, moeten wij - al lijkt het nog zo nuttig en nodig - als schadelijk vermijden. Door deze regel kunnen wij aan verstrooiende dwalingen en omzwervingen ontsnappen en regelrecht ons verlangde doel bereiken.
8. ONS VOORNAAMSTE STREVEN GELDT DE BESCHOUWING DER GODDELIJKE DINGEN. VERGELIJKING MET MARIA EN MARTA
1. Het moet dus ons voornaamste streven, de onwrikbare, standvastige toeleg van ons hart zijn, dat onze geest voortdurend God aanhangt en de dingen van God. Al het andere, hoe gewichtig ook, moet worden beschouwd als minder belangrijk of onbelangrijk of zelfs schadelijk. Deze houding van denken en doen wordt in het evangelie prachtig uitgedrukt door Maria en Marta. Marta was bezig met haar dienstwerk, dat ongetwijfeld heilig was, want zij diende de Heer zelf en zijn leerlingen. Maria had slechts aandacht voor Jezus' geestelijke leer: zij bleef aan zijn voeten, die zij kuste en zalfde met de balsem van een goede belijdenis. Aan haar geeft de Heer de voorkeur omdat zij het beste deel heeft gekozen, een deel dat haar niet kan worden ontnomen.
2. Toen Marta zich vol vrome bezorgdheid uitsloofde in haar werk en bemerkte dat zij alleen de grote bediening niet aankon, vroeg zij de Heer de hulp van haar zuster en zei: Hindert het U niet dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dus dat zij mij helpt (Lc. 10, 40). Zij riep haar ongetwijfeld niet voor een minderwaardig werk, maar voor een eervol dienstbetoon. En toch, wat krijgt zij van de Heer te horen? Marta, Marta, gij zijt bezorgd en bekommerd over vele dingen, doch slechts weinig is nodig of eigenlijk maar één ding. Maria heeft het goede deel gekozen, dat haar niet zal worden ontnomen (Lc. 10,41-42). Gij ziet dus dat de Heer het voornaamste goed alleen in de »theoria« heeft gesteld, dat wil zeggen in de goddelijke beschouwing.
3. Daaruit besluiten wij dat de andere deugden, die wij noodzakelijk en nuttig en goed verklaren, slechts op de tweede plaats mogen komen, want alleen om haar worden zij beoefend. Want door te zeggen: Gij zijt bezorgd en bekommerd om vele dingen, doch slechts weinig is nodig of eigenlijk maar één ding,stelde de Heer het hoogste goed niet in de aktieve werkzaamheid, hoe prijzenswaardig en overvloedig vruchtbaar zij ook is, doch in de beschouwing van Hem en deze beschouwing is enkelvoudig en één. Weinig is er nodig voor de volmaakte zaligheid, zei Hij, doelend op de beschouwing in haar aanvang, die bestaat in de overweging van de voorbeelden van een paar heiligen. Van hieruit opklimmend zal de gevorderde met Gods hulp tot dat enige komen, tot de schouwing van God alleen. De bewonderenswaardige daden en verrichtingen van de heiligen zal hij achter zich laten om enkel nog gevoed te worden door de schoonheid en de kennis van God.
4. Maria dus heeft het goede deel gekozen, dat haar niet zal worden ontnomen. Ook deze woorden verdienen onze aandacht. Ofschoon Hij zwijgt over Marta en geenszins de indruk wekt haar af te willen keuren, verklaart Hij haar minder dan Maria, doordat Hij deze prijst, waar Hij zegt: Maria heeft het goede deel gekozen. En door te zeggen dat haar niet zal worden ontnomen, geeft Hij te kennen dat Marta haar deel wél kan worden ontnomen (een lichamelijke dienst kan inderdaad immers niet altijd met de mens blijven voortbestaan); doch Maria's bezigheid, zo leert Hij, zal nimmer een einde nemen.
9. EEN VRAAG: OF DE WERKEN DER DEUGDEN NIET ALTIJD MET DE MENS BLIJVEN VOORTBESTAAN
Hierop vroegen wij zeer bewogen: Hoe nu? Zullen dan de inspanning van ons vasten, onze ijver voor de lezing, onze werken van barmhartigheid, rechtvaardigheid, naastenliefde en gastvrijheid ons worden ontnomen en niet blijven met hen die deze goede werken hebben volbracht? Te meer daar toch de Heer zelf het rijk der hemelen als loon voor deze werken heeft beloofd: Komt gezegenden van mijn Vader, neemt bezit van het rijk dat voor u is bereid vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, enz. (Mt. 25, 34-35). Hoe zal dus datgene worden ontnomen wat ons binnenleidt in het rijk der hemelen?
10. NIET HET LOON MAAR DE WERKZAAMHEID ZAL VERDWIJNEN
1. Mozes: Ik heb ook niet gezegd dat het loon der goede werken zal worden weggenomen, want dezelfde Heer zegt: Wie ook maar een beker koud water te drinken geeft aan een van deze kleinsten, omdat hij een leerling is, voorwaar Ik zeg u, hij zal zijn loon niet missen (Mt. 10, 42). Maar ik zeg dat de werkzaamheid zal worden weggenomen, die nu vereist wordt door de behoeften van het lichaam, door de strijd van het vlees en door de ongelijkheid in deze wereld. De ijver voor de lezing en de kastijding van het vasten hebben hun taak ter zuivering van het hart en beteugeling van het vlees slechts in dit leven, zolang het vlees begeert tegen de geest (Gal. 5,17). Soms zien we zelfs mensen, die door overmatige arbeid of ziekte of ouderdom zijn uitgeput, nu reeds deze oefeningen staken en men kan ze dus niet altijd blijven verrichten.
2. Hoeveel te meer zullen zij dus ophouden in de toekomst, wanneer dit vergankelijke met het onvergankelijke is bekleed (1Kor. 15,53) en dit lichaam, dat nu ongeestelijk is, als geestelijk zal verrijzen (1Kor. 15, 44), wanneer het vlees niet meer zo zal zijn, dat het begeert tegen de geest. De zalige Apostel zet het duidelijk uiteen: Oefening van het lichaam is slechts van beperkt nut, maar godsvrucht (waaronder men zonder twijfel de liefde moet verstaan) is nuttig voor alles, daar zij een belofte inhoudt zowel voor dit leven als het toekomstige (1Tim. 4,8). Wat van beperkt nut wordt genoemd, zal kennelijk niet altijd worden beoefend en het zal niet in staat zijn uit zichzelf alleen de hoogste volmaaktheid te schenken aan wie erin werkt.
3. Het woordje »beperkt« kan immers op alle twee slaan: ofwel op de korte tijd dat namelijk de lichamelijke oefening niet én nu én in de toekomst met de mens eeuwig kan blijven; ofwel op de geringheid van het nut, dat deze oefening oplevert, omdat de lichaamskastijding wel een zeker begin van de vooruitgang vormt, maar niet de volmaakte liefde voortbrengt, die een belofte inhoudt zowel voor dit leven als het toekomstige. Wij houden het beoefenen van genoemde werken dus voor nodig, omdat men zonder hen niet tot de toppen der liefde kan opklimmen.
4. Ook de werken van naastenliefde en barmhartigheid die gij noemt, zijn nodig in deze tijd, nu er nog ongelijkheid heerst, maar deze werken zou men hier zelfs niet verwachten als er niet zo'n menigte armen, behoeftigen en zwakken was. De oorzaak daarvan is de boosheid der mensen, van hen namelijk die de aardse goederen, door de gemeenschappelijke Schepper aan allen geschonken, slechts tot eigen voordeel naar zich toehalen, zonder ze evenwel te gebruiken.
5. Zolang en dergelijke ongelijkheid op deze wereld bestaat, zullen die liefdewerken nodig zijn en nuttig voor wie ze beoefent, en zij zullen aan de goede genegenheid en de toegewijde wil de eeuwige erfenis als beloning schenken. In de toekomstige wereld echter zal gelijkheid heersen; die werken zelf zullen dan ophouden, omdat er geen ongelijkheid meer zal zijn, die de oorzaak is waarom ze moeten worden beoefend; en allen zullen van de menigvuldigheid der aktieve werkzaamheid overgaan naar de liefde Gods en de beschouwing van de dingen van God in een voortdurende zuiverheid van hart. Hieraan hebben zich reeds op aarde met inspanning van al hun krachten diegenen gegeven wier enige zorg de kennis betreft en de zuiverheid van geest. Terwijl zij nog in dit vergankelijke vlees verkeren, wijden zij zich reeds aan de taak die de hunne zal blijven wanneer zij het zullen hebben afgelegd. Zo hebben zij deel aan de belofte van onze Heer en Verlosser: Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien (Mt. 5,8).
11. DE EEUWIGHEID VAN DE LIEFDE
1. En wat zijt gij verbaasd, dat al de bovengenoemde werken voorbij zullen gaan, waar toch de heilige Apostel zelfs van de charismen van de heilige Geest, die toch verhevener zijn, schrijft, dat zij zullen voorbijgaan, terwijl hij slechts de liefde blijvend zonder einde noemt. Profetieën, zij houden op, talen, zij zullen verstommen, kennis, zij zal vergaan. Maar van de liefde zegt hij: De liefde vergaat nimmer (1Kor. 13,8).
2. Inderdaad, al de gaven worden ons geschonken tot ons nut en naar onze behoeften, voor een tijd, en zullen met het verdwijnen van het huidige bestel ongetwijfeld ook vergaan. De liefde echter, daaraan maakt geen enkele tijd een einde, want niet alleen in deze wereld werkt zij nuttig in ons: ook in de toekomstige, wanneer de last van de lichamelijke behoeften is afgelegd, zal zij blijven bestaan, veel krachtiger nog en heerlijker. Nimmer aan enig bederf onderhevig zal zij God in eeuwige onvergankelijkheid vuriger en inniger aanhangen.
12. EEN VRAAG OVER DE VOLHARDING IN DE GEESTELIJKE BESCHOUWING
Germanus: Wie kan er, nog met het zwakke vlees omkleed, steeds zo door deze beschouwing worden geboeid, dat hij nooit in zijn gedachten bezig is met de komst van een broeder of een ziekenbezoek, met de handenarbeid of met de zorgen van de gastvrijheid welke men vreemdelingen en bezoekers moet verlenen? Wie ten slotte wordt in zijn aandacht niet onderbroken door het onderhoud en de verzorging van zijn lichaam? Wij zouden graag vernemen, op wat voor wijze, door welke middelen, de geest met de onzichtbare, ongrijpbare God verenigd kan blijven.
13. ANTWOORD: DE GERICHTHEID VAN HET HART OP GOD. HET RIJK VAN GOD EN DAT VAN DE DUIVEL
1. Mozes: Inderdaad, voortdurend God aanhangen, Hem onafgebroken beschouwen op de manier die gij zegt, dat is voor een mens in het zwakke vlees onmogelijk. Maar wij moeten weten waar wij de aandacht van onze geest op gevestigd moeten houden, op welk oogmerk wij de blik van onze ziel telkens weer moeten richten. Heeft onze geest hieraan weten vast te houden, laat ons dan verheugd zijn; is hij ervan afgeleid, treuren en zuchten wij dan. En telkens wanneer wij bemerken dat onze blik daarvan is afgewend, moeten wij beseffen van het hoogste goed te zijn afgeweken; en zelfs maar een ogenblik aflaten van de beschouwing van Christus moeten wij zien als een geestelijke ontucht.
2. Als onze geest daar een weinig van is afgeweken, keren wij dan de ogen van ons hart opnieuw naar Hem en geven wij zo de aandacht van onze geest weer haar juiste gerichtheid. Alles bevindt zich in het verborgene van de ziel. Als dus de duivel er is uitgedreven en de ondeugden er niet meer heersen, dan wordt als gevolg daarvan het rijk Gods in ons gevestigd. Het is zoals de Evangelist zegt: De komst van het rijk Gods kunt ge niet waarnemen. Men kan niet zeggen: Kijk, hier is het, of: daar is het. Want voorwaar Ik zeg u: het rijk Gods is in u (Lc. 17,20-21). In ons kan echter niets anders zijn dan het kennen of het niet kennen van de waarheid, de vriendschap met het kwaad of met de deugd; daardoor bereiden wij in ons hart het rijk óf voor de duivel óf voor Christus.
3. De hoedanigheid van dit rijk wordt door de Apostel aldus beschreven: Het rijk Gods bestaat niet in spijs en drank, maar in gerechtigheid, vrede en vreugde in de heilige Geest (Rom. 14,17). Als dus het rijk Gods in ons is en als dat rijk bestaat in gerechtigheid, vrede en vreugde, dan volgt daaruit dat wie in deze deugden verblijft, zonder twijfel in het rijk Gods is. Degenen daarentegen die leven in ongerechtigheid en tweedracht en in de droefheid die de dood bewerkt, hebben hun plaats in het rijk van de duivel, in de hel en in de dood: door deze tekenen immers onderscheidt men het rijk Gods van het rijk van de duivel. Richten wij dus de blik van onze geest omhoog, naar de staat waarin de verheven hemelse machten, die eerst waarlijk in het rijk van God zijn, zich bevinden: hoe ons deze staat anders in te denken dan als een onafgebroken vreugde zonder einde!
4. Wat is er immers zo eigen aan de ware zaligheid, wat past haar zozeer als de bestendige rust en eeuwige vreugde? Maar opdat ge vast overtuigd zijt van de waarheid van mijn woorden en niet steunt op mijn veronderstellingen, doch op het gezag van de Heer, luistert hoe Hijzelf zeer duidelijk de aard en de hoedanigheden van dat rijk beschrijft: Zie, zegt Hij, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en aan de vroegere zal men niet meer denken, zij komen in geen hart meer op; maar gij zult u verheugen en juichen in eeuwigheid over wat Ik schep (Jes. 65,17-18). En ook: Vreugde en blijdschap zal in haar gevonden worden, dankzegging en lofgezang; dat zal zijn van maand tot maand, van sabbat tot sabbat (Jes. 51,3; 66,23). En nogmaals: Vreugde en blijdschap zullen zij deelachtig worden, smart en gezucht zullen vluchten (Jes. 35,10).
5. En als gij nog groter klaarheid verlangt over dat leven en die stad van de heiligen, luistert dan naar wat de stem des Heren zegt tot dat Jerusalem: Ik stel tot uw bewaker de vrede aan en tot heersers de gerechtigheid. Niet langer zal in uw land gehoord worden van onrecht, van verwoesting en vernieling binnen uw grenzen. Het heil zal uw muren bezetten en lofzang uw poorten. De zon zal uw licht niet meer zijn overdag, de glans van de maan zal u niet meer beschijnen: maar de Heer zal u zijn tot eeuwig licht en uw God tot uw luister. Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan zal niet afnemen, want de Heer zal u zijn tot eeuwig licht, en de dagen van uw rouw zullen ten einde zijn (Jes 60,17-20).
6. Geheel in overeenstemming hiermee spreekt de zalige Apostel. Hij noemt niet elke vreugde zonder meer, in het algemeen, het rijk Gods; nauwkeurig omschrijft hij haar en bepaalt haar nader: alleen de vreugde die in de heilige Geest is.Want hij weet dat er ook een andere, laakbare vreugde bestaat, waarvan gezegd wordt: Deze wereld zal zich verheugen (Joh. 16,20); en: Wee u die lacht, want ge zult wenen (Lc. 6,25). Het rijk der hemelen ten slotte kan men op drie manieren verstaan: òfwel het heersen van de heiligen over de andere onderdanen, zoals er geschreven staat: Ontvang de macht over vijf steden en gij over tien (Lc. 19,19 en 17); en overeenkomstig dat woord tot de leerlingen: Gij zult zetelen op twaalf tronen en oordelen over de twaalf stammen van Israël (Mt. 19,28). Ofwel het rijk der hemelen betekent dat de hemelen door Christus beheerst zullen worden, wanneer namelijk alles aan Hem zal zijn onderworpen en God alles in allen is (1Kor. 15,28). Ofwel het betekent, dat de heiligen in de hemel met de Heer zullen heersen.
14. DE ONSTERFELIJKHEID VAN DE ZIEL
1.Laat een ieder het nu reeds goed weten, nu hij nog in dit sterfelijk lichaam is: hij wordt bestemd voor dat verblijf, voor dat werk, dat hij in dit leven als zijn deel heeft gekozen en waaraan hij zich heeft gewijd; in eeuwigheid zal hij die koning volgen die hij nú verkoos te dienen en aan te hangen, naar 's Heren woord: Wil iemand Mij dienen dan moet hij Mij volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn (Joh. 12,26). Zoals men het rijk van de duivel krijgt door zijn ogen te sluiten voor het kwaad, verwerft men het rijk van God door de deugd te beoefenen, door de zuiverheid van hart en de geestelijke kennis.
2. Waar echter het rijk van God is, daar heeft men zonder twijfel ook het eeuwige leven; en waar het rijk van de duivel is, lijdt het geen twijfel, dat dood en hel daar zijn. Wie daar is kan de Heer niet loven, volgens het woord van de profeet: Niet de doden zullen U loven, noch zij allen die neerdalen in de hel - zonder twijfel: van de zonde -.Maar wij die leven - namelijk: niet voor het kwaad of voor deze wereld, maar voor God – wij zegenen de Heer, van nu af tot in eeuwigheid (Ps. 115,17-18). Want in de dood is er niemand die God indachtig is, en in de hel - van de zonde - wie zal daar de Heer belijden? (Ps. 6,6).
3. Bedoeld wordt: Niemand. Geen mens immers, al zegt hij ook duizend maal dat hij christen is of monnik, belijdt de Heer als hij zondigt. Niemand die doet wat de Heer verafschuwt, is God indachtig, noch toont hij zich waarlijk de dienaar van Degene wiens geboden hij hooghartig en vermetel veracht. In deze dood is de weduwe die in genietingen leeft, zoals de zalige Apostel verklaart: De weduwe die in genietingen leeft, is levend dood (1Tim. 5,6). Er zijn er dus velen, die levend in dit lichaam, dood zijn en in de hel liggen en God niet kunnen prijzen. Anderzijds zijn er die dood zijn naar het lichaam, doch naar de geest God zegenen en prijzen, volgens het woord: Zegent, geesten en zielen der rechtvaardigen de Heer (Dan. 3,86); en: Alle geest prijze de Heer (Ps. 150,6).
4. En in het boek der Openbaring wordt gezegd, dat de zielen der gedoden niet alleen de Heer loven, maar dat zij zelfs roepen tot Hem (vgl. Opb. 6,9-10). En in het evangelie zegt de Heer nog duidelijker tot de Sadduceeën: Hebt gij niet gelezen wat God u gezegd heeft: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaäk en de God van Jakob? Hij is geen God van doden, maar van levenden (Mt. 22,31-32). Zij leven inderdaad immers voor Hem. Van hen zegt ook de Apostel: Daarom schaamt God zich niet, hun God te worden genoemd, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd (Hebr. 11,16). Dat de zielen na de scheiding van het lichaam niet werkeloos zijn en zonder bewustzijn, blijkt ook uit de parabel van het evangelie over de arme Lazarus en de rijke die in purper gekleed ging: de één verwerft een troon van geluk, de rust in de schoot van Abraham; de ander wordt door de ondragelijke gloed van het eeuwig vuur verzengd (zie: Lc. 16,18 e.v.).
5. Letten wij ook eens op hetgeen tot de moordenaar gezegd werd: Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs (Lc. 23,43). Wat anders betekent dit duidelijk, dan dat in de zielen haar vroegere kennis blijft en bovendien dat zij een passend loon genieten overeenkomstig haar verdiensten en daden? De Heer zou hem dit immers niet beloofd hebben, als Hij wist, dat zijn ziel na de scheiding van het vlees elk bewustzijn zou missen of tot niets zou vergaan. Want niet zijn vlees, maar zijn ziel zou met Christus het paradijs binnengaan.
6. Men wachte zich hier wel voor de boosaardige zinsverdeling die bepaalde ketters maken; zij verdient onze afschuw. Omdat zij niet geloven, dat Christus dezelfde dag waarop Hij ter helle nederdaalde, ook in het paradijs kon zijn, verdelen zij de zin aldus: Voorwaar, Ik zeg u heden,en hier de scheiding gij zult met Mij zijn in het paradijs. Zij verstaan er dan onder, dat die belofte niet aanstonds na zijn dood werd vervuld, maar dat zij nog moet worden vervuld bij de opstanding, bij de wederkomst. Zij begrijpen het woord van Christus niet dat Hij vóór de dag van zijn verrijzenis, tot de joden richtte, die meenden dat Hij evenals zij binnen de nauwe grenzen van het menselijke en de zwakheid van het vlees was opgesloten: Niemand is opgeklommen ten hemel dan Hij die is afgedaald van de hemel, de Mensenzoon, die is in de hemel (Joh. 3,13).
7. Dit alles bewijst duidelijk dat de zielen van de overledenen niet beroofd zijn van hun geestvermogens, en dat zij evenmin van gevoelens van hoop en droefheid, vreugde en vrees verstoken zijn. Voorts dat zij nu reeds een voorsmaak bezitten van wat voor hen is weggelegd voor na het laatste oordeel. En ten slotte, dat zij niet, zoals sommige ongelovigen menen, tot niets vergaan na hun scheiding uit dit leven, maar integendeel intenser leven en zich vuriger wijden aan de lof van God.
8. En inderdaad, om nu even de uitspraken van de heilige Schrift buiten beschouwing te laten en een ogenblik over de natuur van de ziel te redeneren, naar de maat van ons zwakke verstand: Is het geen toppunt van dwaasheid, ja van krankzinnigheid, ook maar het minst te veronderstellen, dat het kostbaarste deel van de mens, dat volgens de zalige Apostel het beeld en de gelijkenis van God draagt, na het afleggen van de last van het lichaam, waardoor het thans wordt bezwaard, gevoelloos zou worden, terwijl het juist alle verstandelijke kracht in zich bevat en door mededeling van zichzelf de stomme, dode materie levend maakt? De logica en het gezond verstand zeggen ons toch juist het tegendeel: dat de geest, eenmaal ontdaan van het trage vlees, waardoor hij nu is afgestompt, zijn verstandelijke krachten beter zal herkrijgen, helderder en scherpzinniger, in plaats van ze te verliezen.
9. De zalige Apostel is zozeer overtuigd van de waarheid van hetgeen wij hier zeggen, dat hij zelfs verlangt van dit vlees te scheiden om los daarvan, inniger met de Heer verbonden te kunnen worden:Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn, zegt hij, want dat is verreweg het beste (Fil. 1,23), want zolang wij in het lichaam zijn, zijn wij ver van de Heer (2Kor. 5,6). En daarom durven wij vol vertrouwen er de voorkeur aan geven, uit het lichaam te verhuizen en inwonend te zijn bij de Heer. Daarom ook, inwonend of niet, spannen wij ons in, Hem te behagen (2Kor. 5,8-9). Zo verklaart hij dus dat het verblijf van de ziel in het vlees een ballingschap is, ver van de Heer en een gescheiden zijn van Christus; en hij heeft het volle vertrouwen dat scheiden van het vlees tegenwoordig zijn bij Christus betekent.
10. Nog duidelijker spreekt hij over deze staat van intens leven waarin de zielen verkeren: Maar gij zijt toegetreden tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemels Jeruzalem, tot de tienduizenden engelen, tot de feestvergadering van eerstgeborenen die opgeschreven staan in de hemel, tot de geesten der rechtvaardigen die hun voleinding hebben bereikt (Hebr. 12,22-23). Van deze geesten zegt hij elders: Onze aardse vaders hebben ons opgevoed en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij ons dan niet veel meer onderwerpen aan de Vader van de geesten, en leven? (Hebr. 12,9).
15. DE BESCHOUWING VAN GOD
1. Om nu op de beschouwing van God terug te komen: men kan haar op velerlei wijzen verstaan. Want men kent God niet alleen door het bewonderen van zijn ondoorgrondelijk wezen, wat nu echter nog verborgen is in de hoop der belofte: men kent Hem ook in de grootheid van zijn schepselen, in zijn rechtvaardigheid, in zijn voorzienigheid, die Hij dagelijks toont in het bestuur van de wereld: dit is het geval, wanneer wij met zuivere geest beschouwen hoe Hij met zijn heiligen handelde van geslacht tot geslacht; wanneer wij met een hart vol ontzag de almacht bewonderen, waarmee Hij alles bestuurt en leidt en regelt, alsmede zijn onmetelijke kennissen die blik waarvoor geen hartsgeheimen verborgen kunnen blijven; wanneer we bedenken, dat Hij de zandkorrels aan de zee heeft geteld en het getal van haar golven, en wanneer wij in stomme bewondering overwegen, dat elke regendruppel, elk der dagen en uren, waaruit de eeuwen zijn samengesteld, al wat geweest is en wat nog komen moet, tegenwoordig is aan zijn kennis;
2. wanneer wij de verbazingwekkende, onuitsprekelijke goedertierenheid beschouwen, waarmee Hij de ontelbare misdaden, die elk ogenblik voor zijn ogen geschieden, met een onvermoeibare lankmoedigheid verdraagt; wanneer wij letten op onze roeping, waardoor Hij ons, zonder enige voorafgaande verdienste, door de genade van zijn ontferming de zijnen heeft gemaakt; wanneer wij zien, hoevele gelegenheden tot heil Hij ons schenkt om ons te brengen tot het kindschap Gods. Want Hij wilde ons in zulke omstandigheden geboren laten worden, dat ons reeds vanaf de wieg zijn genade en de kennis van zijn wet werden gegeven; en na zelf in ons de tegenstander overwonnen te hebben, met enkel de instemming van onze goede wil, begiftigt Hij ons met een eeuwig geluk, beloning zonder einde. Wij leren God kennen ten slotte, wanneer wij zien hoe Hij voor ons heil het grote werk van zijn Menswording heeft ondernomen en de wonderlijke rijkdom van zijn mysteriën over alle volkeren heeft uitgebreid.
3. Er zijn nog andere soortgelijke beschouwingen, ontelbaar vele. Zij zullen in onze gedachten opkomen naar de mate van onze heiligheid van leven en onze zuiverheid van hart. Hierdoor ziet en bezit men God in zuivere beschouwing. Maar niemand zal erin slagen deze blijvend te behouden, als er in hem nog iets leeft van vleselijke neigingen. De Heer zegt immers: Gij zult mijn aanschijn niet kunnen zien: want geen mens kan mij zien en leven (Ex. 33,20),namelijk voor de wereld en de aardse begeerten.
16. EEN VRAAG OVER DE BEWEEGLIJKHEID VAN ONZE GEDACHTEN
Germanus: Hoe komt het toch, dat de nutteloze gedachten, tegen onze wil en zelfs zonder dat wij het weten, zó sluw en heimelijk onze geest binnensluipen, dat het geen geringe moeilijkheid is, niet alleen om ze te verwijderen, maar zelfs om er ons van bewust te worden en ze te herkennen? Is het mogelijk dat onze geest daar ooit van wordt bevrijd en niet meer door dergelijke begoochelingen wordt geplaagd?
17. ANTWOORD: WAT DE ZIEL WEL EN WAT ZIJ NIET KAN MET BETREKKING TOT HAAR GEDACHTEN
1. Mozes: Het is onmogelijk dat de geest niet wordt lastig gevallen door velerlei gedachten, maar het staat een ieder die wil, vrij, ze te aanvaarden of af te wijzen. Haar ontstaan hangt niet geheel van ons af, maar het is wel aan ons, ze te verwerpen of aan te nemen. Maar al noemden wij het onmogelijk dat de geest niet door vele gedachten wordt bestormd, men moet ze daarom toch niet alle aan het toeval wijten of aan de boze geesten die ze ons trachten in te blazen; want dan hield de vrije wil in de mens op te bestaan en werd onze inspanning om ons te verbeteren, onmogelijk.
2. Integendeel, ik verzeker U, dat het voor een groot deel van ons afhangt, onze gedachten op een hoger peil te brengen en of zij heilig en geestelijk worden, dan wel aards en vleselijk. Daartoe dient de veelvuldige lezing en de voortdurende overweging van de Schrift, waardoor we gelegenheid hebben om geestelijke gedachten in ons geheugen vast te leggen, terwijl het veelvuldig psalmgezang ons moet brengen tot een voortdurende inkeer. Daartoe dient ook de ijver in het waken en vasten en bidden, opdat de geest, hierdoor verfijnd, zijn smaak voor het aardse verliest om slechts het hemelse te beschouwen. Zijn wij daarentegen nalatig en verwaarlozen wij deze oefeningen, dan zal noodzakelijk onze geest, bezwaard door het vuil van de ondeugden, weldra hellen naar de kant van het vlees en diep vallen.
18. VERGELIJKING VAN DE ZIEL MET EEN MOLEN
1. Men zou deze werkzaamheid van het hart niet te onpas kunnen vergelijken met een molen, die door een snelle beek in beweging wordt gebracht. Die molen kan daarmee niet ophouden, het water stuwt het rad steeds voort; maar wàt de molen maalt, hangt af van de molenaar: tarwe, gerst of dolik. Want feilloos maalt de molen wat erin geworpen wordt door degene aan wie de zorg voor dat werk is toevertrouwd.
2. Zo wordt ook de geest in de stroom van dit leven door het onstuimige water van allerlei bekoringen rondgedraaid en geen ogenblik ontbreekt het hem aan bruisende gedachten. Maar aan zijn ijver en nauwlettendheid is de zorg toevertrouwd, te zien welke hij moet afwijzen en welke aannemen. Wanneer wij, zoals ik zei, voortdurend onze toevlucht nemen tot de overweging van de heilige Schrift en ons geheugen verheffen tot de gedachte aan geestelijke dingen, tot het verlangen naar de volmaaktheid en tot de hoop op de toekomstige zaligheid, dan zullen daaruit noodzakelijk geestelijke gedachten ontstaan, die de ziel doen leven op het niveau van hetgeen zij heeft overwogen.
3. Laten wij ons echter overwinnen door traagheid en nalatigheid en houden wij ons op met verkeerde dingen en ijdel gepraat, of geraken wij in wereldse en overbodige beslommeringen, dan schiet hierdoor als het ware een soort onkruid op, dat aan de molen van ons hart een schadelijke bezigheid zal bezorgen; en naar het woord van onze Heer en Zaligmaker zal dan, waar de schat is van onze werken en onze toeleg, noodzakelijk ook ons hart verblijven (vgl. Mt. 6,21).
19. DE DRIE BRONNEN VAN ONZE GEDACHTEN
1. Wij dienen vóór alles te weten, dat er drie bronnen zijn waaruit onze gedachten voortkomen: God, de duivel en wijzelf. Zij komen van God, wanneer Hij zich gewaardigt ons te bezoeken door een verlichting van de heilige Geest en ons verheft tot een hogere weg; wanneer Hij ons kastijdt door een genezende boete, omdat wij minder ons best deden of ons door traagheid lieten overwinnen; of wanneer Hij ons hemelse geheimen onthult en het streven en het begeren van ons hart keert naar een betere levenswandel. Aldus koning Assuerus (Est. 6). Door de Heer gekastijd, werd hij aangezet om zijn jaarboeken in te zien, waardoor hij werd herinnerd aan de goede diensten van Mardocheüs: hij verhief hem tot de hoogste eer en aanstonds herriep hij het wrede bevelschrift, waarin de uitroeiing van het volk der joden bevolen werd.
2. Aldus ook de profeet, wanneer hij zegt:Ik zal luisteren naar wat God de Heer in mij spreekt (Ps. 85,9); en een andere profeet verklaart: De engel die in mij sprak, zei… . (Zach. 1,14). Zo is het voorts wanneer de Zoon Gods belooft, dat Hij tezamen met de Vader tot ons zal komen en zijn verblijf bij ons zal nemen (Joh. 14,23). En elders: Gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader die spreekt in u (Mt. 10, 20). En het uitverkoren werktuig: Gij verlangt het bewijs dat Christus in mij spreekt (2 Kor. 13,3).
3. De loop van onze gedachten komt van de duivel, wanneer hij tracht ons te doen vallen, door de aanlokkelijkheid van het kwaad of door verborgen hinderlagen, waarbij hij ons met de meest geraffineerde sluwheid het slechte voorhoudt onder de schijn van het goede en voor ons de gedaante aanneemt van een engel van het licht (2Kor. 11,14). Iets dergelijks is hetgeen de evangelist verhaalt: Het avondmaal was begonnen en reeds had de duivel het hart van Judas, zoon van Simon Iskariot,het plan ingegeven om de Heer te verraden (Joh. 13,2).En verderop: Na de bete voer Satan in hem (Joh. 13,27). In dezelfde zin zei Petrus tot Ananias: Waarom heeft Satan uw hart bekoord om te liegen tegen de heilige Geest? (Hand. 5,3). Vervolgens hetgeen we in het evangelie lezen, en wat de Prediker reeds lang tevoren zei: Als de geest van iemand die macht heeft, zich tegen u verheft, verlaat dan uw plaats niet (Pred. 10, 4).
4. En voorts wat de onreine geest tot God sprak, tegen Achab, in het derde boek der Koningen: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten (1Kon. 22,22). Onze gedachten komen ten slotte uit onszelf, als wij terugdenken, hetgeen natuurlijk is, aan wat wij doen of gedaan of gehoord hebben. Hierover zegt de zalige David: Ik dacht aan de vroegere dagen, en eeuwige jaren had ik in mijn geest; ik peinsde, ik tobde mijn hart af des nachts, en ik doorzocht mijn geest (Ps. 77,6-7). En elders: De Heer kent de gedachten van de mensen, Hij weet dat zij ijdel zijn (Ps. 94,11), en: De gedachten der rechtvaardigen zijn recht (Spr. 12,5).Ook zegt de Heer in het evangelie tot de farizeeën: Waarom denkt gij kwaad in uw hart? (Mt. 9,4).
20. HET ONDERSCHEIDEN DER GEDACHTEN. VERGELIJKING MET DE BEKWAME WISSELAAR
1. Wij moeten voortdurend letten op deze drievoudige bron van onze gedachten, en alle die in ons hart opkomen, aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Wij gaan aanstonds na waar zij vandaan komen, wat haar oorzaak is, wie haar bewerker, om naar de verdiensten van hem die ze ingeeft, onze houding er tegenover te kunnen bepalen. Zo worden wij, volgens het gebod des Heren, bekwame wisselaars (Agrapha, Logion 43). De hoogste bekwaamheid en kunst van deze mensen bestaat in(1) het onderscheiden tussen volkomen zuiver goud dat in de volksmond ook 'obrizum' heet,en goud dat minder gelouterd is door het vuur. Wanneer een gewone koperen tienling door zijn schitterende goudglans ook al gelijkt op een kostbare munt, hun geoefend oog wordt daardoor niet bedrogen. (2) Zij weten voorts niet enkel de munten te herkennen met de beeltenis van een tyran erop: (3) ook de munten die wel de beeldenaar van de wettige koning dragen, doch vervalst zijn, onderscheidt hun scherpe blik. (4) Zij onderzoeken ten slotte ook met de weegschaal, of er niets ontbreekt aan het juiste gewicht.
2. Dit alles moeten ook wij in acht nemen op geestelijk terrein en daarom wijst het evangelie ons op het voorbeeld van deze geldwisselaars. (1) Als er een gedachte in ons hart opkomt of men houdt ons een stelling voor, dan dienen wij vooreerst uiterst nauwkeurig te onderzoeken, of zij gelouterd is door het hemelse vuur van de heilige Geest; òf dat zij veeleer behoort tot het bijgeloof van de joden, of afkomstig is van de opgeblazen wereldse wijsbegeerte met enkel de schijn van godsvrucht. Wij zullen dit doen als wij te werk gaan volgens het woord van de Apostel: Vertrouw niet iedere geest, maar onderzoek de geesten, of zij uit God zijn (1Joh. 4,1).
3. Een dwaling van deze aard heeft diegenen bedrogen die na hun professie als monnik te hebben gedaan, verleid werden door mooie woorden en wijsgerige stellingen, die op het eerste gezicht wel iets hadden van vrome gevoelens en geheel in overeenstemming geleken met het geloof, maar die hen misleidden als door de glans van goud. Toen zij hen eenmaal door de schijn, als koperen valse munten, hadden bedrogen, maakten zij hen voor immer arm en ellendig door hen terug te lokken naar het gewoel van de wereld of door hen te verleiden tot ketterse dwalingen en vermetele stellingen. Dat was ook het ongeluk van Achor, gelijk wij lezen in het boek Jozua (Joz. 7). Hij begeerde een gouden staaf uit de legerplaats der Filistijnen en stal haar, maar hij verdiende daardoor met de banvloek te worden getroffen en veroordeeld tot de eeuwige dood.
4. (2) Ten tweede moeten wij zorgvuldig onderzoeken, of soms niet een verkeerde uitleg, gemaakt van het zuivere goud van de Schrift, ons door de kostbaarheid van het metaal bedriegt. Zo heeft ook de sluwe duivel getracht om zelfs onze Heer en Verlosser te misleiden, alsof hij slechts met een gewoon mens te doen had. Wat van alle rechtvaardigen in het algemeen moet worden verstaan, heeft hij door een boosaardige verklaring verdraaid en trachten uitsluitend toe te passen op diegene die de bescherming van de engelen niet nodig had. Want, zei hij, God zal aan zijn engelen omtrent u een bevel geven, dat zij u bewaren op al uw wegen; en op hun handen zullen zij u dragen, opdat ge uw voet niet zult stoten aan een steen (Mt. 4,6; Ps. 91,11-12). Aldus verdraait hij door een listig verkeerd gebruik de kostbare uitspraken van de Schrift tot de tegenovergestelde, verderfelijke betekenis, om ons onder de bedriegende schijn van goud de beeldenaar van de dwingeland aan te bieden. (3) Hij tracht ons verder te bedriegen met valse munten, door ons aan te sporen tot een of ander goed werk, dat niet het wettig stempel draagt van de Ouden, en onder het voorwendsel van deugd wil hij ons brengen tot de ondeugd. Door onmatig en ontijdig vasten, door te lange nachtwaken, door ongeregelde gebeden of ongeschikte lezing tracht hij ons te bedriegen en tot een ongelukkig einde te brengen.
5. Of ook spoort hij ons aan, ons uit liefde met anderen bezig te houden en bezoeken af te leggen, om ons te verdrijven uit het heilig slot van het klooster en de verborgenheid van de vrede, onze vriend. Hij geeft ons in, de zorg voor godgewijde, van hulp verstoken vrouwen op ons te nemen en ons aldus te verstrikken in een net, waar men niet meer uitkomt, en te verstrooien in allerlei verderfelijke zorgen. Ofwel hij spoort ons aan, te verlangen naar de heilige bedieningen van de geestelijke stand, onder het voorwendsel velen te stichten en geestelijke winst te behalen, om ons af te brengen van onze nederige en strenge levenswijze.
6. Hoewel al deze werken in strijd zijn met ons heil en onze professie, zijn zij bedekt met een waas van barmhartigheid en godsdienstigheid, waardoor onervarenen en onvoorzichtigen gemakkelijk worden bedrogen. Zij gelijken op munten van de ware koning, want voor het ogenblik schijnen zij vol godsvrucht; maar zij zijn niet geslagen door de wettige munters, dat is, door de beproefde en katholieke Vaders, zij zijn niet afkomstig van de wettige rijksmunt van hun onderricht, doch heimelijk gemaakt door bedrog van de duivels, die ze onervarenen en onwetenden in handen stoppen, zulks niet zonder schade. Hoe nuttig en noodzakelijk zij ook schijnen voor het ogenblik: indien zij naderhand de kracht van onze professie aantasten en het hele gestel van ons leven ondermijnen, dan vraagt ons heil, dat wij ze wegwerpen en afsnijden als een lidmaat dat ons ergert, al is dit ons noodzakelijk en schijnt het dienst te doen als rechterhand of -voet (vgl. Mt. 18,8).
7. Want het is beter één lidmaat minder te hebben, dat is, het werk en de vrucht van één gebod, en in het andere gezond en sterk te blijven, om aldus mank het rijk der hemelen binnen te gaan, dan met onderhouding van alle geboden in een of andere ergernis te vallen. Want hieruit kan een verderfelijke gewoonte ontstaan, die ons afbrengt van de regel van onze strengheid en van de tucht van het leven dat wij gekozen hebben, om ons ten slotte zozeer te schaden, dat de vroegere verdiensten niet meer opwegen tegen de latere verliezen en zij, met het gehele lichaam onzer werken, aan de vlammen van de hel worden prijsgegeven.
8. Van dit soort bedrog wordt in de Spreuken raak gezegd: Er zijn wegen die de mens recht toeschijnen, maar die uitkomen in het diepst van de hel (Spr. 16,25). En verder: De boze schaadt wanneer hij zich verenigt met wat rechtvaardig is (Spr. 11,15a), dat wil zeggen, de duivel bedriegt wanneer hij zich bekleedt met de mantel der heiligheid. Hij haat echter het woord dat beschermt (Spr. 11,15b), dat is, de kracht van het onderscheid, dat voortkomt uit de woorden en raadgevingen der Ouden.
21. HOE ABT JOANNES BEDROGEN WERD
Op dergelijke wijze werd onlangs abt Joannes, die te Lyco woont, bedrogen. Met een uitgeput en verzwakt lichaam had hij zijn vasten twee volle dagen verlengd. Toen hij daags daarna zijn maaltijd ging gebruiken, kwam de duivel, in de gedaante van een afzichtelijke Ethiopiër, en wierp zich aan zijn voeten met de woorden: Vergeef mij, want ik heb u deze moeite aangedaan. De grote man, die zo volmaakt was in de deugd van onderscheid, begreep dat hij zich onder de schijn van onthouding, doch te onpas beoefend, door de sluwe duivel had laten misleiden en in beslag nemen door een vasten die zijn uitgeput lichaam een vermoeienis had opgelegd, welke onnodig was en zelfs schadelijk voor zijn ziel. Hij had zich laten bedriegen door een vals geldstuk en eerbied betoond voor het beeld van de ware koning dat het droeg, zonder erop te letten of het wettig geslagen was.
2. (4) De laatste verrichting van de bekwame wisselaar bestond - zoals boven gezegd - in het onderzoek naar het juiste gewicht. We gaan hierbij aldus te werk: Al wat onze gedachte ons ingeeft te doen, overwegen we met de grootste zorg, we zetten het op de weegschaal van ons hart en wegen het uiterst nauwkeurig. Is het vol door zijn algemene eerbaarheid? Is het zwaar door de vreze Gods? Is het zuiver van bedoeling? Of is het licht door menselijk vertoon of door een vermetele nieuwheid? Heeft geen ijdele eer geknaagd aan de verdienste en het gewicht verminderd? En wij moeten onze plannen wegen met een geijkt gewicht, dat wil zeggen, wij moeten ze vergelijken met het leven en de leer van de profeten en apostelen. Zijn zij volkomen en van het zuivere en juiste gewicht, houden wij ze dan; zijn zij echter onvolkomen en schadelijk en onder het vereiste gewicht, verwerpen wij ze dan zorgvuldig en met spoed.
22. HET VIERVOUDIG ONDERZOEK
1. Op de bovengenoemde vier manieren moeten wij dus onderzoeken. Eerst vergewissen wij ons, of wij met echt of vals goud te doen hebben. Ten tweede wijzen wij als valse munten de gedachten af die bedrieglijk de schijn van goede werken aannemen: zij dragen wel het beeld van de koning, doch vals: zij zijn niet wettig geslagen. Vervolgens onderscheiden en verwerpen wij de munten, die in het kostbaarste goud van de Schriften, door een verdraaide en ketterse zin, niet het beeld van de wettige koning dragen, doch van de dwingeland. Weigeren wij ten slotte te lichte en nadelige, te weinig wegende munten, waarvan de roest der ijdelheid het gewicht en de waarde heeft aangevreten en ongelijk gemaakt aan de standaard der Ouden. Aldus zullen wij het ongeluk vermijden waartegen het gebod des Heren ons waarschuwt uit alle macht op onze hoede te zijn, om niet al de verdiensten en alle loon voor onze werken te verliezen: Verzamelt u geen schatten op aarde, waar roest en mot ze verteren en waar dieven ze opgraven en stelen (Mt. 6, 19).
2. Al wat wij immers met het oog op menselijke eer verrichten, is volgens 's Heren woord het verzamelen van een schat op aarde en deze in de grond verbergen en begraven. Daar zullen de duivels hem plunderen, de roest der ijdelheid hem verteren, of de motten der hoogmoed hem opvreten, zodat hij tot geen nut of voordeel zal strekken aan wie hem daar heeft verborgen. Wij moeten dus voortdurend alle schuilhoeken van ons hart doorzoeken en met de grootste aandacht letten op al wat daar binnengaat, of er niet een of ander geestelijk monster, een leeuw of een draak, is geweest, dat heimelijk zijn verderfelijke sporen heeft ingedrukt, waardoor ook anderen toegang tot het heiligdom van ons binnenste wordt verschaft, door veronachtzaming van onze gedachten. Doordat wij zo elk uur, elk ogenblik, de aarde van ons hart met de ploeg van het evangelie, dat is met de voortdurende herinnering aan het kruis van de Heer, doorploegen, zullen we erin slagen, de schuilplaatsen van de wilde dieren en de holen van de giftige slangen op te ruimen.
23. HET ONDERRICHT VAN EEN LERAAR IS OVEREENKOMSTIG DE VERDIENSTEN VAN ZIJN TOEHOORDERS
1. Wij waren sprakeloos bij deze woorden en in een onverzadelijke gloed ontstoken. De oude man keek ons aan en verwonderd bij het zien van ons verlangen hield hij even op; toen hernam hij: Uw gespannen aandacht, mijn zonen, heeft mij tot een zo lange toespraak gebracht en door uw verlangen geeft een geheimzinnig vuur aan ons gesprek meer warmte en bezieling. Maar om duidelijk te zien of gij waarlijk dorst naar de leer der volmaaktheid, wil ik u nog in het kort onderhouden over de verhevenheid en schoonheid van het oordeel des onderscheids, dat onder alle deugden de kroon en de heerschappij bezit. Ik wil zijn voortreffelijkheid en nut niet alleen door voorbeelden uit het dagelijkse leven bewijzen, maar ook door de oude raden en uitspraken der Vaders.
2. Ik denk eraan, hoe het mij herhaaldelijk is overkomen, dat men mij onder tranen en zuchten om een dergelijke onderrichting vroeg en ik hun ook gaarne iets van de leer mededeelde, maar dat ik het niet kon; het ontbrak mij aan gedachten en woorden, zodat ik gedwongen was hen weer te laten vertrekken zonder hun ook maar enige vertroosting te hebben geschonken. Hieruit blijkt duidelijk, dat 's Heren genade de spreker bezielt naargelang de verdiensten en verlangens van zijn hoorders. Maar het weinige dat er nog van de nacht overblijft, staat mij niet toe mijn uiteenzetting af te maken. Wij kunnen beter die tijd besteden aan wat rust. Het lichaam is immers zó, dat het alles opeist als men het dat weinige, waarop het recht heeft, weigert. Wij zullen dus de volledige bestudering en uiteenzetting van onze stof uitstellen tot morgen of tot de volgende nacht.
3. Goede meesters in het onderscheid past het immers, eerst hun eigen bekwaamheid daarin te tonen en hun vermogen te bewijzen, doordat zij niet, terwijl zij spreken over de deugd die de moeder is van de gematigdheid, toegeven aan de ondeugd, die er tegenover staat, de overdrijving: dan zouden zij met hun daden schenden, wat zij met hun woorden verheerlijken. Het goed van het onderscheid, waarover wij nog zullen spreken zoveel de Heer het ons geeft, moge dus eerst onszelf hierin van nut zijn, dat wij, sprekend over zijn voortreffelijkheid en over de gematigdheid als zijn eerste vrucht, zelf beginnen met de maat niet te overschrijden in de duur van onze uiteenzetting.
4. Hiermee beëindigde de zalige Mozes het gesprek. Wij waren nog vol begeerte en hingen nog aan zijn lippen, maar hij spoorde ons aan, wat te slapen en te gaan liggen op de matjes waarop wij gezeten waren. Hij gaf ons een embrimium als hoofdkussen. Deze embrimia zijn gemaakt van heel grof papyrus, in lange smalle bundels, met anderhalve voet tussenruimte aan elkaar gebonden. Het zijn tegelijk lage stoeltjes die de broeders bij de synaxis tot zitbankje dienen, en kussens, niet te hard, praktisch en geschikt, waarop zij hun hoofd laten rusten tijdens de slaap. Tot dit gebruik door de monniken lenen zij zich uitstekend, want zij zijn tamelijk zacht, gemakkelijk te maken en goedkoop, want papyrus groeit overal langs de oevers van de Nijl. Bovendien zijn ze gemakkelijk mee te dragen vanwege hun handige vorm en gering gewicht. Zo legden wij ons dan, op verlangen van de grijsaard, ter ruste om wat slaap te genieten. Maar het viel ons zwaar, want onze ziel was vol vreugde over het voorbije gesprek en in gespannen verwachting van het beloofde.