Bronteksten
Dertiende gesprek, derde van abt Cheremon: De bescherming van God
(Johannes Cassianus)
U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.
INHOUDSOPGAVE
- Inleiding
- Vraag: Waarom zou men de verdienste van de deugd niet toeschrijven aan de ijver van degene die zich erop toelegt
- Antwoord: Zonder de hulp van God is niet alleen de volmaakte kuisheid onmogelijk, maar volstrekt geen enkel goed
- An objection: How may the Gentiles be said to have pos-sessed chastity without the grace of God?
- The reply, on the imaginary chastity of the philosophers
- Zonder de genade van God kunnen wij geen enkele poging tot resultaat brengen
- Gods oorspronkelijke opzet en zijn dagelijkse voorzienigheid
- Gods genade en de vrije wil
- De kracht van onze goede wil en die van Gods genade
- De zwakheid van de vrije wil
- Of de genade Gods onze vrije wil volgt of eraan voorafgaat
- That a good will must be attributed neither always to grace nor always to the human being
- That human efforts cannot make up for the grace of God
- That God probes the power of the human will by his trials
- The manifold graces of callings
- That the grace of God transcends the limits of human faith
- De onnaspeurlijkheid van Gods wegen
- Uitspraak van de Vaders, dat de vrije wil niet toereikend is voor het heil
1. INLEIDING
Na een korte slaap kwamen wij terug voor de ochtendbijeenkomst en wachtten op de grijsaard. Abt Germanus had een grote moeilijkheid. Het laatste gesprek had ons een vurig verlangen ingestort naar een tot dan toe ongekende kuisheid. Maar één woord van de heilige grijsaard scheen de verdienste van de menselijke toeleg te niet te doen, toen hij namelijk beweerde dat de mens, al spant hij zich ook in tot het uiterste, nooit de vrucht van het goede kan bemachtigen; dat hij dat slechts kan door de vrijgevigheid van God, en niet door zijn eigen moeite. Wij overwogen deze moeilijkheid zonder eruit te kunnen komen, totdat de zalige Cheremon uit zijn cel kwam en ons tegen elkaar hoorde fluisteren. Hij verkortte het officie van gebeden en psalmen en vroeg wat ons verontrustte.
2. VRAAG: WAAROM ZOU MEN DE VERDIENSTE VAN DE DEUGD NIET TOESCHRIJVEN AAN DE IJVER VAN DEGENE DIE ZICH EROP TOELEGT
Toen zei Germanus: Het gesprek van vannacht heeft ons een hoogte van deugd geopenbaard waarvan wij ternauwernood zelfs maar kunnen geloven dat zij mogelijk is. Maar evenzeer van de andere kant - neemt u ons niet kwalijk - komt het ons ongerijmd voor, het loon van de moeite, de volmaakte kuisheid, die de mens door voortdurend eigen zwoegen verkrijgt, niet bijzonder toe te schrijven aan de ijver van degene die zich erop toelegt. Het zou dwaasheid zijn om bijvoorbeeld wanneer men een boer onvermoeibaar ziet werken om zijn land te bebouwen de oogst niet aan zijn arbeid toe te schrijven.
3. ANTWOORD: ZONDER DE HULP VAN GOD IS NIET ALLEEN DE VOLMAAKTE KUISHEID ONMOGELIJK, MAAR VOLSTREKT GEEN ENKEL GOED
1. Cheremon: Het voorbeeld dat u aanhaalt, bewijst juist duidelijk dat de moeite die men zich geeft, niets tot stand brengt zonder de hulp van God. De boer die al zijn moeite besteed heeft aan het bebouwen van zijn land, kan niet onmiddellijk de opbrengst en de rijkdom van de oogst aan zijn arbeid toeschrijven. Dikwijls ondervindt hij dat hij tevergeefs gewerkt heeft, als de gunstige regen niet komt en als het geen rustig en mooi weer blijft. Gebeurt het niet heel vaak dat wij de oogst die zich ontwikkeld heeft en tot volle rijpheid is gekomen, als het ware ontrukt zien worden aan de handen die hem om zo te zeggen al hielden, en dat alle harde inspanning de werkers niets opbrengt omdat de hulp des Heren haar niet ten goede keert?
2. Het is waar, aan luie landlieden die hun grond niet gestadig omploegen, geeft de goddelijke goedheid geen rijke oogst; maar werken tot in de nacht toe helpt evenmin als de barmhartigheid van de Heer er geen voorspoedig gevolg aan geeft. Doch zelfs in dat geval mag 's mensen hoogmoed zich niet gelijkstellen met Gods genade of zich erin mengen en menen dat hij zijn aandeel heeft in de gaven van God, als zou zijn arbeid de oorzaak zijn van de goddelijke vrijgevigheid, of roemen dat de overvloedige oogst beantwoordt aan de verdiensten van zijn ijver.
3. Laat hij immers bedenkenen door waarheidszoeking bevinden,datook de inspanningen zelfdie hij zichin een ijverovereenkomstig zijn hang naar rijkdomheeft getroost,niet uit eigen krachthad kunnen opbrengenals niet's Heren bewaring en ontferminghem tot het verrichten van alle veldwerkhad gesterkt,en dat zijn wil en volhardingniet hadden volstaan,als niet goddelijke genadeook het volbrengen waar het menigmaal door een teveel aanof droogteof regenniet van komt,had mogelijk gemaakt.
4. Want aangezienén ossenkrachtén gezondheid van lichaamén aller inspanningen resultaaten handelingen zegenzal verleend zijndoor de Heer,moet er gebeden wordendat hem niet overkomtzoals geschreven staat:een bronzen hemel en een aarde van ijzer (Dt. 28,23).en dat nietwat de knaagbek overlaatde spinkhaan opvreet,en wat de sprinkhaan overlaatde langpoot opvreet,en wat de langpoot overlaat,de kaalvreter opvreet (Jl. 1,4). Maar niet alleen hiertoebehoeft de ijver van de zwoegende landbouwergoddelijke bijstand als die niet ook onverhoopte voorvallen afwendt,waardoor al had zijn akker ook volgestaanmet de gewenste overvloed aan vruchten,hij niet alleenin de ijdele verwachting van eigen hoopzal worden bedrogen,maar ook beroofd zal wordenvan de overvloedaan ingeoogsteen al op binnenplaats of in schuur bewaardevruchten.
5. Daaruit volgt zonneklaar dat niet alleen de goede werken, maar zelfs de goede gedachten hun oorsprong hebben in God, die ons ten eerste het begin van de goede wil ingeeft en vervolgens de kracht en de mogelijkheid schenkt om onze heilige verlangens ten uitvoer te brengen. Want: Elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven, van de Vader der lichten (Jak. l,17), die het goede in ons begint, voortzet en voltooit. De Apostel zegt immers:Hij die de zaaier het zaad verschaft, zal ook het brood geven om te eten en Hij zal uw zaad vermenigvuldigen en de vruchten van uw gerechtigheid doen groeien (2Kor. 9,10).
6. Het is aan ons om de genade die ons dagelijks trekt, nederig te volgen ofwel met onbuigzame nek en onbesneden oren (Hand. 7,51) haar te weerstaan en daarom de woorden van Jeremias te horen: Staat hij die valt, soms niet weer op? Komt hij die zich afkeert soms niet weerom? Waarom heeft dit volk van Jerusalem zich dan hardnekkig blijvend van Mij afgekeerd? Zij hebben zich schrap gezet en willen niet terugkeren (Jer. 8,4-5).
4. AN OBJECTION: HOW MAY THE GENTILES BE SAID TO HAVE POSSESSED CHASTITY WITHOUT THE GRACE OF GOD?
Germanus:This tends toward the destruction of free will and seems to stand in opposition to a good understanding of it that we cannot hastily reject. For we see that many Gentiles, who certainly do not deserve the grace of divine assistance, shine with the virtues not only of temperance and patience but even -which is more wonderful -with that of chastity. How can it be believed that their free will was fettered and that these things were bestowed on them by the gift of God when they were in fact followers of worldly wisdom and not only completely ignorant of the grace of God but even of the true God himself, as we know from the course of our reading and from the teaching of certain per-sons? They are said to have possessed the purest chastity thanks to their own laborious efforts.
5. THE REPLY, ON THE IMAGINARY CHASTITY OF THE PHILOSOPHERS
1. Chaeremon: I am pleased that, although you are inflamed with the greatest love for a truth that should be known, you nonetheless propose some foolish things, the response to which will make the power of the Catholic faith more evident and - as I would say - more fïrmly established. For what wise person would make such contradictory statements, asserting as you did yesterday that the heavenly purity of chastity could not be bestowed on any mortal, and now believing that even the Gentiles have pos-sessed it by their own power?
2. But since you are doubtlessly - as has been said - suggesting these things out of a zeal to uncover the truth, pay attention to what we should hold in this regard. First, it should never be believed that the philosophers attained to the kind of chastity of mind that is demanded of us, who are enjoined against mentioning not only fornication but even impurity among ourselves. They had a certain merikhn, or small portion of chastity - that is, abstinence of the flesh - whereby they merely curbed their wanton desire from sexual intercourse. They were unable, however, to attain to an interior purity of mind and an enduring purity of body either in act or - I would say - in thought.
3. Socrates, the most famous of them, did not blush to confess this about himself, as they themselves assert. For one time a certain expert in physiognomy saw him and said: ommata paiderastoi - that is: These are the eyes of a corruptor of boys. When his disciples rushed upon the man, wanting to avenge the insult to their teacher, it is said that he restrained their anger with these words: pausasqe, etairoi eimi gar, epecw de - that is: Calm yourselves, my friends. For I am such, but I contain myself. It is very clear, then, not only from our assertion but even from their own say-so that they only repressed actual immoral behavior - that is, wicked intercourse - by main force, but that desire for and delight in this passion had not been cut out from their hearts.
4. With what horror should the words of Diogenes be recounted: For what he did, which the philosophers of this world are not embarrassed to recount as something memorable, can be neither spoken of nor listened to by us without shame. As the story is told, he said to a person who was to be punished for the crime of adultery: to dwrean pwloimenon qanatw mh agoraze - that is: You should not purchase with your death what is freely sold. It is obvious, then, that they did not know the virtue of true chastity to which we aspire. Therefore, it is quite certain that our circumcision, which is in the spirit, can only be possessed by the gift of God, and that it only exists in those who are devoted to God with utter contrition of spirit.
6. ZONDER DE GENADE VAN GOD KUNNEN WIJ GEEN ENKELE POGING TOT RESULTAAT BRENGEN
1. En zo is het niet moeilijk om aan te tonen dat de mens in vele, neen in alle omstandigheden Gods hulp nodig heeft. Wat het heil betreft kan de mens in zijn zwakheid niets tot stand brengen uit zichzelf, zonder de hulp van God. Maar nergens komt dit zo duidelijk uit als bij het verwerven of het bewaren van de kuisheid. De kwestie hoe moeilijk het is haar volmaakt te bezitten, stellen we even uit. We zullen eerst kort de middelen behandelen waarmee men haar verkrijgt.
2. Ik vraag het u: Kan iemand, hoe vurig ook van geest, uit eigen kracht en zonder de steun van de lof der mensen de barre woestenij en het dagelijkse vasten op droog brood of zelfs de verzadiging ermee verdragen? Wie kan zonder dat de Heer hem verkwikt een voortdurende dorst verdragen? Aan zijn menselijke ogen de zoete en aangename morgenslaap ontzeggen en onverbiddelijk zijn slaap voor altijd tot vier uur beperken? Wie kan zonder Gods genade zich gestadig aan de lezing wijden en aan onvermoeide arbeid, waar hij voor dit leven niets mee verdient?
3. Evenmin als wij al deze dingen zonder de inspiratie van God voortdurend kunnen verlangen, zijn wij in staat ze zonder zijn hulp te volbrengen. Dit weten we uit ondervinding en we kunnen het met zekere bewijzen staven. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat we iets nuttigs willen doen: we zijn met de vurigste verlangens en de beste wil vervuld. Maar de een of andere zwakheid verijdelt onze wensen en er komt niets terecht van onze besluiten, tenzij de barmhartigheid van de Heer ons de kracht van het volbrengen geeft. Ontelbaar zijn degenen die zich eerlijk op de deugd willen toeleggen; maar die erin slagen of die volharden, die vindt ge er maar weinig.
4. I am not even speaking of the cases where no sickness at all binders us but the ability to do everything that we want does not lie in our grasp. For we do not keep to solitary silence or strict fasting or intense reading by our own will even when we are able to, but even against our own will we are frequently distracted from beneficial practices by conflicting interests, so that we are obliged to beseech the Lord for ample space or time in which to carry out these things.
5. And certainly it is not enough for us to have the ability unless the Lord also grants us the opportunity of doing the things that in fact we can. About this the Apostle says: We wanted to come to you time and again, but Satan hindered us (1Tes. 2,18). Thus we sometimes feel ourselves called away for a good reason even from spiritual concerns, so that, as the intensity of our pursuit is unwillingly interrupted and we give in somewhat to the weakness of our flesh, we may learn - even against our will - a salutary patience. The blessed Apostle says something similar about this plan of God:Therefore I asked the Lord three times that this would leave me. And he said to me: My grace is sufficient for you, for strength is perfected in weakness (2Kor. 12,8-9). And again: We do not know what to pray for as we ought (Rom. 8,26).
7. GODS OORSPRONKELIJKE OPZET EN ZIJN DAGELIJKSE VOORZIENIGHEID
1. God heeft de mens niet geschapen voor zijn ondergang, maar om eeuwig te leven, en die bedoeling blijft onveranderd. Zodra Hij in ons het kleinste vonkje goede wil op ziet springen, of wanneer Hij het zelf uit de harde steen van ons gemoed te voorschijn slaat, beschermt Hij het met zijn goedheid; Hij wakkert het aan en versterkt het met zijn inblazing; want: Hij wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis der waarheid komen (l Tim. 2,4). Uw hemelse Vader, zegt de Heer, wil niet dat een van deze kleinen verloren gaat (Mt. 18,14). En elders: God wil niet dat er een ziel verloren gaat, en komt terug op zijn besluit, opdat hij die verworpen is, niet voorgoed ten onder ga (2Sam. 14,14).
2. Hij is waarachtig en Hij liegt niet als Hij onder ede verklaart: Zowaar Ik leef, zegt de Heer God, Ik wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert van zijn weg en leeft (Ez. 33,11). Want als Hij niet wil dat een der kleinen verloren gaat, hoe zou men dan zonder grote heiligschennis kunnen menen dat Hij niet het heil van allen zonder uitzondering wil, maar alleen dat van enkelen in plaats van allen? Dus al degenen die verloren gaan, gaan verloren tegen zijn wil. Zonder ophouden roept Hij ieder hunner toe: Bekeert u van uw slechte wegen; want waarom zoudt gij sterven, huis van Israël? (Ez. 33,11). Ofwel: Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels; maar gij hebt niet gewild (Mt. 23,57). En: Waarom heeft dit volk van Jerusalem zich zo hardnekkig van mij afgekeerd? Zij hebben hun gezicht verhard en willen niet terugkomen (Jer. 8,5 en 5,3).
3. De genade van Christus staat dus altijd voor ons klaar. Hij wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis der waarheid komen (l Tim. 2,4), en daarom roept Hij ze allen zonder enige uitzondering en zegt: Komt allen tot Mij die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken (Mt. 11,28). Als Hij ze niet allen gemeenschappelijk, maar er alleen enkelen riep, zou daaruit volgen dat zij niet allen beladen zijn met de erfzonde of met persoonlijke zonde. Dan zou het woord van de Apostel niet waar zijn: Allen hebben gezondigd en zijn verstoken van de glorie van God (Rom. 3,23) en zou men niet moeten gelovendat over alle mensen de dood is gekomen (Rom. 5,12).
4. En het is zó waar dat allen die verloren gaan, tegen de wil van God verloren gaan, dat er gezegd is dat God de dood zelf niet gemaakt heeft, in dit Schriftwoord: God heeft de dood niet gemaakt en Hij vindt geen vreugde in de ondergang van de levenden (Wijsh. l,13). Daarvan komt het dat dikwijls, wanneer wij verkeerde dingen vragen in plaats van wat goed voor ons is, ons gebed met vertraging of helemaal niet verhoord wordt. Daarentegen geeft de Heer ons vaak wat ons tegenstaat, om ons eigen bestwil, zoals een goed geneesheer dat doet, ook al stribbelen wij tegen, en meermalen verhindert Hij de dodelijke afloop van onze slechte neigingen en bemoeiingen en zonder dat wij het weten, redt Hij ons van een wisse dood en uit de greep van de hel.
8. GODS GENADE EN DE VRIJE WIL
1. Deze zorg van zijn voorzienigheid voor ons wordt heel mooi weergegeven in de heilige Schrift door de profeet Osee onder het beeld van het ontuchtige Jerusalem, dat zich met noodlottige ijver aan de dienst der afgoden wijdt. Ik zal mijn minnaars achterna lopen, zegt zij, die mij mijn brood en mijn water geven, mijn wol en mijn linnen, mijn olie en mijn drank (Hos. 2,7). En de goddelijke goedheid, die meer op haar heil bedacht is dan op haar lusten, antwoordt: Zie, Ik zal haar wegen met dorens afsluiten; Ik zal haar insluiten met een muur, zodat zij haar wegen niet meer kan vinden. Zij zal achter haar minnaars aanlopen, en ze niet bereiken; zij zal ze zoeken, en ze niet vinden, zodat ze zal zeggen: Ik zal maar naar mijn eerste man terugkeren, want toen had ik het beter dan nu (Hos. 2,8-9).
2. En opnieuw beschrijft hij de eigenzinnigheid en de smaad waarmee deze opstandige geest zijn uitnodiging tot een reddende terugkeer verwerpt, met de volgende vergelijking: En Ik zeide: Gij zult Mij vader noemen en gij zult Mij voor altijd volgen. Maar zoals een vrouw ontrouw wordt aan haar minnaar, zo is het huis van Israël Mij ontrouw geworden, zegt de Heer (Jer. 3,19-20). Vervolgens, na eerst Jerusalem vergeleken te hebben met een ontrouwe echtgenote die haar man verlaat, vergelijkt Hij heel juist zijn eigen liefde en volhardende genegenheid met die van een man die geheel en al verliefd is op een vrouw.
3. Nooit had Hij de genegenheid en de liefde die Hij de mensen onophoudelijk bewijst, beter kunnen uitdrukken en er een gelukkiger vergelijking voor vinden. Nooit laat Hij zich door onze beledigingen overwinnen: Hij ziet niet af van de zorg voor ons heil en nooit laat Hij, als 't ware gedwongen door onze ongerechtigheden, zijn oorspronkelijke opzet varen. Zo doet inderdaad een man die met de vurigste liefde een vrouw bemint. Hoe meer hij voelt dat zij hem versmaadt en veracht, hoe heviger zijn jaloerse liefde voor haar ontvlamt. De goddelijke bescherming blijft ons dus onafscheidelijk volgen, en de genegenheid van de Schepper voor zijn schepsel is zó groot, dat zijn voorzienigheid het niet alleen vergezelt, maar het voortdurend voorkomt. De profeet heeft dat ondervonden en zegt het met evenzoveel woorden: De barmhartigheid van mijn God voorkomt mij (Ps. 59,11).
4. Zodra Hij in ons een begin van goede wil waarneemt, verlicht Hij die wil aanstonds, versterkt hem en spoort hem aan ten goede; hij geeft groei aan hetgeen Hij zelf geplant heeft of ziet ontluiken door onze inspanning. Want voordat zij roepen, zegt Hij, zal Ik hen horen, (Ik zal hen horenterwijl zij nog spreken) (Jes. 65,24),en: Zodra Hij uw geroep heeft gehoord, zal Hij u aanstonds antwoorden (Jes. 30,19). En niet alleen stort Hij ons welwillend heilige verlangens in, maar Hij schept de gelegenheden voor ons om het leven te winnen en de gunstige omstandigheden om goede resultaten te bereiken en Hij toont ons het rechte pad als wij verdwaald zijn.
9. DE KRACHT VAN ONZE GOEDE WIL EN DIE VAN GODS GENADE
1. Maar nu wordt het voor het menselijk verstand niet gemakkelijk om te begrijpen hoe van de ene kant de Heer geeft aan wie vraagt, zich laat vinden door wie zoekt en opendoet aan wie klopt, en hoe Hij van de andere kant gevonden wordt door wie Hem niet zoeken, openlijk verschijnt aan wie Hem niet ondervragen, terwijl Hij voortdurend zijn handen uitstrekt naar een ongelovig en weerspannig volk; dat Hij sommigen roept die veraf zijn en Hem weerstaan, weerspannigen tegen hun wil tot het heil brengt; anderen die willen zondigen, daartoe de gelegenheid ontneemt, en weer anderen die zich naar het kwaad spoeden, in de weg treedt.
2. En zo is er méér moeilijk te verklaren. Het gehele werk van ons heil wordt aan de vrije wil toegeschreven, waarvan staat: Als gij wilt en naar Mij luistert, zult gij het goede der aarde eten (Jes. l,19). Maar er staat ook: Het hangt niet af van hem die wil of die zich inspant, maar van Gods ontferming (Rom. 9,16). Wat betekent: God zal eenieder vergelden naar zijn werken (Rom. 2,6) met daarnaast: God is het die in u zowel het willen als het werken teweegbrengt uit louter goedheid (Fil. 2,13), en: Dat dankt gij niet aan uzelf, maar het is Gods gave: niet aan de werken, opdat niemand zich zou beroemen (Ef. 2,8-9). Opnieuw staat er geschreven: Nadert tot de Heer, en Hij zal tot u naderen (Jak. 4,8); en daar weer tegenover: Niemand komt tot Mij als niet de Vader die Mij gezonden heeft, hem trekt (Joh. 6,44).
3. Hoe kan men van de ene kant zeggen: Maak rechte schreden met uw voeten en richt uw eigen wegen (Spr. 4,29), en van de andere kant bidden: Richt mijn weg voor uw aanschijn (Ps. 5,9) en: Volbreng mijn schreden op uw paden, opdat mijn voeten niet wankelen (Ps. 17,5)? Van de ene kant worden wij aldus aangespoord: Maakt u een nieuw hart en een nieuwe geest (Ez. 18,31), en van de andere kant belooft men ons: Ik zal hun één hart geven en hun een nieuwe geest schenken in hun binnenste. Ik zal het stenen hart uit hun lichaam nemen en hun een hart van vlees geven, opdat zij wandelen naar mijn geboden en mijn voorschriften bewaren (Ez. 11,19-20).
4. Hoe kan de Heer voorschrijven: Was uw hart van het kwaad, Jerusalem, om gered te worden (Jer. 4,14), terwijl de profeet juist datzelfde van de Heer vraagt met de woorden: Schep in mij een zuiver hart, o God, en: Gij zult mij wassen, en ik zal witter worden dan sneeuw (Ps. 51,12.9). Er wordt tot onszelf gezegd: Ontsteekt in u het licht van de kennis (Hos. 10,12 LXX), en dan weer van God: Die de mens de kennis leert (Ps. 94,10), en: De Heer verlicht de blinden (Ps. 146,8), of bidden wij met de profeet: Verlicht mijn ogen, opdat ik niet inslape in de dood (Ps. 13,4). Wat is dit alles anders dan een bevestiging van zowel Gods genade als onze vrije wil? Want al kan de mens zich somtijds uit eigen beweging verheffen tot het verlangen naar de deugd, tegelijkertijd heeft hij altijd de hulp van God nodig.
5. Niet ieder die wil is gezond en niet ieder die verlangt wordt genezen van een ziekte. En wat helpt het, de genade der gezondheid te verlangen, als God, die ons het gebruik van het leven geeft, ons niet tevens de kracht geeft om gezond te zijn? Dat er anderzijds uit het goed van de natuur, ons door de weldaad van de Schepper geschonken, soms een begin van goede wil voorkomt die echter niet tot het voltooien van de deugd kan komen als hij niet door de Heer wordt geleid - dat wordt onderstreept door dit getuigenis van de Apostel: Het willen ligt binnen mijn bereik, maar tot het volbrengen van het goede kom ik niet (Rom. 7,18).
10. DE ZWAKHEID VAN DE VRIJE WIL
1. De heilige Schrift bevestigt inderdaad de vrijheid van onze wil met de woorden: Bewaar uw hart met alle zorg (Spr. 4,23); maar de Apostel toont er de zwakheid van aan door te zeggen: De Heer beware uw hart en uw verstand in Christus Jesus (Fil. 4,7). De kracht van de vrije wil wordt door David aangegeven met de woorden: Ik heb mijn hart geneigd tot het doen van uw gerechtigheden, maar zijn zwakheid beschrijft hij door te bidden: Neig mijn hart tot uw geboden (Ps. 119,112a)en niet tot de hebzucht (Ps. 119,36b). Ook Salomon zegt: Moge de Heer onze harten tot zich neigen, opdat wij wandelen op al zijn wegen en wij zijn geboden, zijn ceremonieën en zijn voorschriften onderhouden (l Kon. 8,58).
2. De psalmist geeft de macht van onze vrije wil aan met de woorden: Weerhoud uw tong van het kwaad en laat uw lippen geen bedrog spreken (Ps. 34,14); zijn zwakheid wordt beleden wanneer wij bidden: Stel, Heer, een wacht voor mijn mond en een deur voorde opening van mijn lippen (Ps. 141,3). Het vermogen van de vrije wil wordt door de Heer bevestigd als Hij zegt: Slaak de boeien van uw hals, gevangen dochter van Sion (Jes. 52,2); zijn broosheid wordt door de profeet bezongen met de woorden: De Heer maakt de geboeiden los (Ps. 146,7), en: Gij hebt mijn boeien verbroken; U zal ik opdragen een offer van lof (Ps. 116,16-17).
3. In het evangelie horen wij de Heer ons roepen om door onze vrije wil tot Hem te komen: Komt allen tot Mij die belast en beladen zijt en Ik zal u verkwikken (Mt. 11,28). Maar dezelfde Heer benadrukt de zwakte van die vrije wil door te zeggen: Niemand kan tot Mij komen als niet de Vader die Mij gezonden heeft, hem trekt (Joh. 6,44). De Apostel toont onze vrije wil aan door de woorden: Loopt zó dat gij de prijs behaalt (lKor. 9,24), maar Joannes de Doper wijst op zijn onvermogen als hij zegt: Een mens kan niets van zichzelf bezitten als het hem niet van de hemel gegeven is (Joh. 3,27).
4. De profeet beveelt ons, onze ziel zorgvuldig te bewaren, met de woorden: Bewaart uw ziel (Jer. 17,21); maar door dezelfde Geest verklaart een andere profeet: Als de Heer de stad niet bewaart, waakt tevergeefs hij die haar bewaakt (Ps. 127,1). De Apostel, in zijn brief aan de Filippenzen, om hun op hun vrije wil te wijzen, zegt: Bewerkt uw heil met vrezen en beven (Fil. 2,12); maar om er de zwakte van aan te tonen voegt hij toe: God is het die in u zowel het willen als het werken teweegbrengt (…) (Fil. 2,13).
11. OF DE GENADE GODS ONZE VRIJE WIL VOLGT OF ERAAN VOORAFGAAT
1. En zo zijn deze twee dingen als 't ware onoplosbaar vermengd en zozeer versmolten, dat het voor velen een grote strijdvraag is welk van de twee van de ander afhangt: Heeft God medelijden met ons omdat wij een begin van goede wil betonen, of betonen wij een begin van goede wil omdat God medelijden met ons heeft? Velen kiezen voor één van deze alternatieven en gaan dan te ver met hun beweringen, zodat ze in onderling verschillende en tegenstrijdige dwalingen verwikkeld raken.
2. Als wij zeggen dat het begin van goede wil van onszelf komt, waar was het dan bij de vervolger Paulus en bij de tollenaar Matteüs? Zij zijn tot het heil getrokken terwijl de één begerig was naar bloed en het martelen van onschuldigen, de ander naar afpersing en publieke diefstal! Maar als wij daarentegen zeggen dat het begin van goede wil altijd een gevolg is van de genade, hoe verklaren we dan het geloof van Zacheüs en het goede gevoelen van de moordenaar op het kruis, die door hun verlangen geweld hebben aangedaan aan het rijk der hemelen en zo de bijzondere aansporingen van de goddelijke roeping zijn vóórgeweest? Als wij van de andere kant het volkomen maken van de deugd en het volbrengen van Gods geboden aan onze vrije wil toeschrijven, hoe kunnen wij dan bidden: Bevestig, o God, wat Gij in ons bewerkt hebt? (Ps. 68,29); Wij weten dat Balaam was omgekocht om Israël te vervloeken, maar wij zien dat het hem niet werd toegestaan, al wilde hij het (vgl. Num. 22,5 ev.). God bewaart Abimelek ervoor Rebekka aan te raken en zo tegen God te zondigen (Gen. 20,6). Josef wordt door de afgunst van zijn broeders weggevoerd om het de kinderen van Israël mogelijk te maken naar Egypte te trekken: zij beraamden de dood van hun broeder, en bereidden daarmee het geneesmiddel tegen de hongersnood die komen zou.
3. Josef zelf verklaart dit aan zijn broeders als hij zich bekend maakt: Weest niet bang en maakt u er niet bezorgd over dat gij mij verkocht hebt naar dit land: voor uw heil juist heeft God mij voor u uit gezonden om u op aarde in leven te houden en om u voedsel te geven voor uw onderhoud. Niet door uw overleg, maar door de wil van God is dit gebeurd: Hij heeft mij als de vader van Farao gemaakt en heer over heel zijn huis en vorst over het hele land van Egypte (Gen. 45,5-8). En toen zij na de dood van hun vader opnieuw bevreesd waren, zei hij hun, om alle vrees uit hun hart te bannen: Weest niet bevreesd. Kunnen wij soms aan Gods wil weerstaan? Gij hebt kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft in goed veranderd, om mij te verheffen, zoals gij thans aanschouwt, teneinde veel volkeren te redden (Gen. 50,19-20).
4. De zalige David verklaart eveneens in de honderd vierde psalm met welk beleid dit gebeurd is: Hij riep een hongersnood over het land, en alle steun van brood vernielde Hij. Hij zond een man voor hen uit: Josef, die als slaaf verkocht werd (Ps. 105,16-17). Deze twee dingen, de genade Gods en de vrije wil, schijnen met elkaar in strijd te zijn. In werkelijkheid zijn ze met elkaar in overeenstemming en de vroomheid gebiedt, ze beide te aanvaarden, want door de mens van een van beide te beroven, zouden we tekort doen aan de normen van het geloof der Kerk.
5. Want als God ziet dat wij ons tot het goede willen keren, komt Hij ons aanstonds tegemoet, leidt ons en sterkt ons, want: Zodra Hij de stem van uw geroep vernomen heeft, antwoordt Hij u (Jes. 30,19), en: Roep Mij aan, zegt Hij, op de dag der beproeving, en Ik zal u bevrijden, en gij zult Mij verheerlijken (Ps. 50,15). Ziet Hij daarentegen dat wij niet willen of dat wij verflauwen, dan richt Hij heilzame vermaningen tot ons hart, waardoor de goede wil in ons wordt vernieuwd of gevormd.
12. THAT A GOOD WILL MUST BE ATTRIBUTED NEITHER ALWAYS TO GRACE NOR ALWAYS TO THE HUMAN BEING
1. For it must not be believed that God made the human being in such a way that he could never will or be capable of the good. He has not allowed him a free will if he has only conceded that he will what is evil and be capable of it but not of himself either will the good or be capable of it. And how will those words of the Lord stand, which he spoke after the sin of the first man:Behold, Adam has become like one of us, knowing good and evil (Gen. 3,22)?
2. For we must not think that he was such as to have been completely ignorant of the good previously. Otherwise it will have to be said that he was fashioned like a kind of irrational and senseless animal, which is quite absurd and utterly foreign to the Catholic faith. Rather, in the words of the most wise Solomon: God made man upright (Sir. 7,29a LXX), that is, so that he would continually enjoy knowledge only of the good. But they sought out many thoughts (Sir 7,29b LXX), for they came to know, as has been said, good and evil. After his sin, therefore, Adam conceived a knowledge of evil that he had not had, but he did not lose the knowledge of good that he had received.
3. Finally, in the words of the Apostle it is very clearly stated that after Adam's sin the human race did not lose the knowledge of the good: When the Gentiles, who do not have the law, naturally do the things of the law, they who do not have the law are a law unto themselves. They show the work of the law written in their hearts, their conscience bearing witness to them and their thoughts within them accusing or defending them, on the day when God will judge the secrets of men (Rom. 2,14-16). It is with this understanding that through the prophet the Lord also rebukes the willful, not natural blindness of the jews, which they brought upon themselves by their own obstinacy. Listen, you deaf, he says, and look, you blind, so that you may see. Who is deaf but my servant? And who is blind but the one to whom I have sent my messengers? (Jes. 42,18-19).
4. And so that no one would be able to ascribe this blindness of theirs to nature and not to will, he says elsewhere: Lead out the people who are blind and who have eyes, who are deaf and who have ears (Jes. 43,8). And again he says: You who have eyes and do not see, and ears and do not hear (Jer. 5,21). The Lord says in the Gospel too: Seeing they do not see, and hearing they do not hear, nor do they understand (Mt. 13,13). In them there is fulfïlled the prophecy of Isaiah that says: Hearing you shall hear, and you shall not understand, and seeing you shall see,and you shall not see. For the heart of this people has grown heavy, and their ears are dull of hearing, and they have shut their eyes, lest at some time they see with their eyes and hear with their ears and understand with their heart and be converted and I heal them (Jes. 6,9-10 LXX).
5. Finally, in order to indicate that the possibility for good lay in them, he said when he rebuked the Pharisees: Why do you not of yourselves judge what is just? (Lc. 12,57). He certainly would not have said this to them if he had not known that they could discern what was correct by natural judgment. Therefore, we must be on the watch lest we attribute all the good works of holy persons to the Lord in such a way that we ascribe nothing but what is bad and perverse to human nature. Herein, indeed, we are refuted by the testimony of the most wise Solomon, or rather by that of the Lord, whose words these are. For when the building of the Temple was finished, he prayed and said: David my father wished to build a house to the name of the Lord God of Israël. And the Lord said to David my father: You have done well to think in your heart about building a house to my name, and to reflect on this in your mind. But you shall not build a house to my name (1Kon. 8,17-19).
6. Should it be said, then, that this thought and this reflection of King David was good and from God or bad and from man? For if this thought was good and was from God, why was its being brought to fulfillment denied by the one by whom it was inspired? But if it was bad and was from man, why was it praised by the Lord? It remains, then, that it should be believed to be both good and from man. This is the way that we too can judge our daily thoughts. For it was not given to David alone to think good of himself, nor is it denied us by nature ever to perceive or to think what is good.
7. It cannot be doubted, therefore, that the seeds of virtue exist in every soul, having been placed there by the kindness of the Creator. But unless they have been germinated by the help of God they will not be able to increase in perfection, because, according to the blessed Apostle, neither is the one who plants anything, nor the one who waters, but God who gives the increase (1Kor. 3,7). The book entitled THE SHEPHERD also teaches very clearly that freedom of will is at a human being's disposal to a certain degree. In it two angels - that is, a good one and a bad one - are said to be attached to each one of us, but it is up to the human being to choose which to follow (vgl. 6.2).
8. Consequently there always remains in the human being a free will that can either neglect or love the grace of God. For the Apostle would not have commanded and said: Work out your salvation with fear and trembling (Fil. 2,12), if he had not known that it could be either tended or neglected by us. But lest they believe that they do not stand in need of the divine help for the work of salvation, he adds: It is God who works in you both to will and to accomplish, for the sake of his good pleasure (Fil. 2,13). And therefore he warns Timothy, saying: Do not neglect the grace of God that is in you (1Tim. 4,14). And again: For this reason I exhort you to stir up the grace of God that is in you. (2Tim. 1,6).
9. Hence he also writes to the Corinthians, encouraging and admonishing them not to show themselves unworthy of the grace of God because of fruitless works, saying: We, helping, exhort you not to receive the grace of God in vain (2Kor. 6,1). Doubtless the reception of saving grace was of no value to Simon because he had received it in vain. For he did not choose to obey the precepts of the blessed Peter, who said: Repent of your wickedness, and pray God if perhapsthis thought of your heart may be forgiven you. For I see that you are in the gall of bitterness and in the fetters of iniquity (Hand. 8,22-23).
10. It anticipates a human being's will, then, since it is said: My God will go before me with his mercy (2Tim. 1,6; Ps. 59,11). On the other hand, our will anticipates God when he lingers and as it were stands still with the salutary intent of testing our will, as it says: In the morning my prayer shall come before you (Ps. 88,14). And again: I anticipated the dawn, and I cried out (Ps. 119,147). And: My eyes have anticipated the break of day (Ps. 119,148).
11. He also calls and invites us when he says: The whole day I have stretched out my hands to a people who do not believe in me and who gainsay me (Rom. 10,21). And he is invited by us when we say to him: The whole day I have stretched out my hands to you (Ps. 88,10). He waits for us, as is said through the prophet: Therefore the Lord waits to have mercy on you (Jes. 30,18). And he is waited for by us when we say: I have waited, I have waited for the Lord, and he turned to me (Ps. 40,2). And: I have waited for your salvation, Lord (Ps. 119,166). He strengthens us when he says: I instructed and strengthened their arms, and they devised evil against me (Hos. 7,15). And he exhorts us to strengthen ourselves when he says: Strengthen your weak hands and steady your feeble knees (Jes. 35,3).
12. Jesus cries: If anyone thirsts, let him come to me and drink (Joh. 7,37). The prophet also cries to him: I have labored with crying, my throat has become hoarse. My eyes have grown weak as I hope in my God (Ps. 69,4). The Lord seeks us when he says: I sought, and there was no man. I called, and there was no one who responded (Hgl. 5,6). And he himself is sought by his bride, who mourns tearfully: In my chamber at night I sought him whom my soul loved. I sought him and I did not find him, I called him and he did not answer me (Hgl. 3,1 LXX).
13. THAT HUMAN EFFORTS CANNOT MAKE UP FOR THE GRACE OF GOD
1. And so the grace of God always works together with our will on behalf of the good, helping it in everything and protecting and defending it, so that sometimes it even demands and expects from it certain efforts of a good will, lest it seem to bestow its gifts wholly on one who is asleep or relaxed in lazy sluggishness. It seeks occasions whereby the torpor of human slothfulness may be shattered and its own munificent generosity may not appear unreasonable, dispensing it under the pretext of a certain desire and toil. But the grace of God nonetheless remains free, since with inestimable generosity it confers on meager and small efforts such immortal glory and such gifts of everlasting blessedness.
2. For because the faith of the thief on the cross came first, it must not therefore be asserted that a blessed life in paradise was not freely promised him. Nor should it be believed that it was the repentance of King David, expressed in the brief phrase: I have sinned against the Lord (2Sam. 12,13a), that removed those two so very serious sins of his, and not rather the mercy of God, so that he deserved to hear through the prophet Nathan: The Lord has removed your iniquity. You shall not die (2Sam. 12,13b). That he added murder to adultery was indeed due to free will, but that he was reproached by the prophet was a matter of the grace of divine condescension.
3. Again, that he humbly acknowledged his sin was his doing, but that he was so quickly promised forgiveness for such great crimes was a gift of the merciful Lord. And what shall we say of this very brief confession and of the incomparable immensity of the divine reward, when it is so easy to reflect on the blessed Apostle as he gazes on the vastness of his future reward and speaks about his innumerable persecutions? For this momentary and light tribulation of ours, he says, works in us an immeasurable and incomparable eternal weight of glory (2Kor. 4,17). About this he also speaks firmly elsewhere when he says: The sufferings of the present time are not worthy of the future glory that will be revealed in us (Rom. 8,18).
4. However much human weakness may strive, then, it will be unable to reach the level of the future reward, nor will it diminish divine grace by its own labors in such a way that it would not always remain free. Therefore, the aforesaid teacher of the Gentiles, although testifying that he has received the rank of an apostle by the grace of God when he says: By the grace of God I am what I am (1Kor. 15,10a), nonetheless also declares that he has responded to divine grace when he says: His grace in me was not in vain, but I have labored more abundantly than all of them -yet not I, but the grace of God with me (1Kor. 15,10b).
5. When he says: I have labored, he is indicating the effort of his own will. When he says: Yet not I, but the grace of God, he is pointing to the power of the divine protection. When he says: with me, he is declaring that it has worked together not with a lazy or careless person but with one who labors and toils.
14. THAT GOD PROBES THE POWER OF THE HUMAN WILL BY HIS TRIALS
1. We read that the divine righteousness also provided for this in the case of Job, his very experienced athlete, when the devil sought him out for single combat. For if he had engaged the enemy not by his own strength but with the protection of God's grace alone, and if he had borne that manifold burden of trial and destruction, refined by all the enemy's cruelty, supported not by any patient virtuousness of his own but only by the divine assistance, how would the devil not have repeated justly those slanderous words that he had uttered against him previously: Does Job worship God for nothing? Have you not hedged him and all his property round about? But remove your hand - that is, let him fight against me by his own strength - and he will curse you to your face (Job 1,9-11 LXX).
2. But since the slanderous enemy did not dare to repeat any complaint of this sort after the conflict, he confessed that he had been conquered not by God's power but by Job's. Yet it must not be believed that the grace of God was in any way wanting to him either: It gave the one who tried him as much power to try him as he also knew that he had the strength to resist, without protecting him from his attack in such a way that there would be no room for human virtue. Instead it only provided that the raging enemy would not drive him mad and overcome him in his weakened condition by the unequal and wicked burden of the struggle.
3. We are taught by the story of the centurion in the Gospel that the Lord occasionally tries our faith, so that it may become stronger and more glorious. Although the Lord certainly knew that he was going to heal his servant by the power of his word, he chose rather to offer his bodily presence, saying: I will come and heal him (Mt. 8,7). But the ardent fervor of the man's faith transcended his offer, and he said: Lord, I am not worthy that you should enter under my roof, but only say a word and my servant shall be healed (Mt. 8,8). At this the Lord marveled at him and praised him, singling him out from all the people of Israël who had believed, say-ing: Amen, I say to you, I have not found such great faith in Israël (Mt. 8,10).
4. It would not have been praiseworthy or meritorious if Christ had singled out in him what he himself had given. We read that the divine righteousness also probed the faith of that most magnificent patriarch, when it is said: It happened that after these words God tried Abraham (Gen. 22,1 LXX). For the divine righteous-ness wished to test not the faith that the Lord had inspired in him but that which he who had once been called and enlightened by the Lord could display by his own free will. Hence it was not without reason that the steadfastness of his faith was proved. And when the grace of God, which had left him for a time so that he might be tried, came to help him, he was told: Do not lay your hand on the boy or do anything to him, for now I know that you fear the Lord and that for my sake you did not spare your beloved son (Gen. 22,12).
5. It is foretold quite clearly by the Lawgiver in Deuteronomy that this kind of trial can befall us as well for the sake of proving us: If a prophet or someone who says that he has seen a dream arises among you and he foretells a sign and a won-der, and what he has spoken comes to pass, and he tells you: Let us go and serve foreign gods that you do not know, do not listen to the words of that prophet or dreamer. For the Lord your God is trying you with a trial, to see whether you love him with all your heart and are keeping his commandments or not (Dt. 13,2-4).
6. What then? When God permits this prophet or dreamer to arise, should it be believed that he is going to protect those whose faith he plans to test, such that he leaves to their free will no room whatsoever wherein they may confront with their own strength the one who is trying them? And why must those be tried at all who he knows are so weak and frail that they are utterly unable to resist by their own power the one who is trying them? But the righteousness of the Lord would certainly not have permitted them to be tried if he had not known that there was a commensurate power of resistance in them, whereby they could be fairly judged in either case as guilty or praiseworthy.
7. Such is what is said by the Apostle: Therefore, whoever thinks that he is standing should see that he not fall. No trial has seized you except what is common to humanity. But God is faithful, who will not permit you to be tried beyond your capacity. But with the trial he will also provide a way out, so that you may be able to endure (1Kor. 10,12-13). When he says: Whoever is standing should see that he not fall, he is alerting free will, which he had certainly known could, once it had received grace, either stand by its own effort or fall by its own negligence. But when he says: It is nothing but a human trial that has overtaken you, he is reproaching the weakness and inconstancy of their as yet frail mind, with which they were still unable to resist the throngs of evil spirits, against which he knew that he himself and those who are perfect are in daily combat. About them he says to the Ephesians: Our struggle now is not against flesh and blood but against principalities, against powers, against the world rulers of this darkness, against spirits of evil in heavenly places (Ef. 6,12). But when he adds: But God is faithful, who will not permit you to be tried beyond your power, he certainly does not want the Lord not to permit them to be tried, but rather that they not be tried more than they are able to bear.
8. The former indicates the power of free will, whereas the latter refers to the grace of the Lord, who arbitrates the struggles brought on by trials. In all these instances, then, it is proved that divine grace always rouses a human being's will in such a way as not to protect and defend it in everything. Thus it does not make him fight his spiritual enemies by his own efforts, so that he may appreciate the grace of God when he is the victor and his own weakness when he has been vanquished, and so that he may learn not to hope in his own strength but always in the divine assistance, and ever to turn to his protector. And in order that this might be verified not by our own interpretation but by the still clearer testimonies of divine Scripture, let us recall what is read in Joshua the son of Nun: The Lord, it says, left these nations and did not want to disperse them, so that by them he might test Israël, to see whether it kept the commands of the Lord its God, and so that they might grow accustomed to fighting with their enemies (Ri. 3,1-2).
9. Now let us compare something mortal to the incomparable mercy of our Creator, not because it is equally good but because there is some similarity as far as lovingkindness is concerned. Imagine a good and careful nurse, who carries a small child in her bosom for a long while, so that eventually she might teach him to walk. First she lets him crawl, then holds him upright with her hand so that he will be supported at each step, then leaves him for a little while, only to grasp him at once when she sees that he is wavering, steadies him when he is tottering, picks him up when he has fallen down, and either prevents him from falling or lets him fall lightly and lifts him up after a tumble. But when she has brought him to boyhood or to the strength of adolescence and young manhood, she lays upon him some burdens and hardships by which he will not be oppressed but exercised, and she lets him brave his peers. How much more does the heavenly Father of all know whom to carry in the bosom of his grace and whom to exercise in his sight for virtue's sake by a decision of free will, yet helping him as he struggles, hearing him when he calls, not abandoning him when he looks for him, and occasionally snatching him from danger even unbeknownst to him.
15. THE MANIFOLD GRACES OF CALLINGS
1. Hence it is quite clear that inscrutable are the judgments of God and unsearchable his ways (Rom. 11,33), by which he draws the human race to salvation. We can prove this as well by examples of gospel callings. For by the voluntary condescension of his grace he chose Andrew and Peter and the other apostles, who were not at all thinking of healing and salvation. He not only accepted Zacchaeus, who in his faithfulness was eager to catch a glimpse of the Lord and was making up for his short stature on the sycamore's height, but he even honored him with the blessing of a visit (Lc. 19,2-5).
2. Paul he drew unwilling and opposed. Another he ordered to join him so inseparably that he did not give him the briefest respite when he asked to bury his father (Mt. 8,21-22). To Cornelius, who was ever intent on prayer and almsgiving, the way of salva-tion was shown as a reward, and through the visitation of an angel he was ordered to summon Peter and to hear the words of salva-tion from him, so that he and all his household would be saved (Hand. 10). And so the manifold wisdom of God dispenses the salva-tion of human beings by numerous and inscrutable kindnesses and imparts its generous grace according to the capacity of each person, so that he wills to administer healing not according to the uniform power of his majesty but according to the degree of faith that he finds in each person or that he himself has bestowed on each person.
3. For when someone believed that the will of Christ alone was enough to cleanse him of his leprosy, he cured him by the mere assent of his will, saying: I will it. Be clean (Mt. 8,3). When someone else begged him to come and raise his dead daughter by laying his hand on her, he entered his house and granted what he was asking for in conformity with his expectations (Mt. 9,18-25). When another believed that the sum of wellbeing consisted in his oral command and responded: Only say a word and my servant shall be healed (Mt. 8,8b), he restored the weakened limbs to their former strength by a word of command, saying: Go, and be it done to you as you have believed (Mt. 8,13).
4. When others hoped for healing by touching the hem of his garment, he bestowed the gifts of health abundantly (Mt. 9,20-22). To others he granted healing for their sickness when he was asked. To others he voluntarily offered healing. He encouraged others to hope when he said: Do you wish to be well? (Joh. 5,6). To others who were without hope he brought help. He searched out the desires of others before he satisfied their need, saying: What do you wish me to do for you? (Mt. 20,32). To another who did not know how to obtain what he desired he kindly showed it when he said: If you believe, you shall see the glory of God (Joh. 11,40).
5. So abundantly did he pour forth his healing power among others that the evangelist recalls of them: He healed all their sick (Mt. 14,14). But among others that immense abyss of Christ's good deeds was so stopped up that it is said: Jesus could do among them no powerful deeds because of their lack of faith (Mc. 6,5-6). And God's generosity is shaped according to the capacity of human faith in such a way that he can say to one person: Be it done to you according to your faith (Mt. 9,29); but to another: Go, and be it done to you as you have believed; while to another: Be it done to you as you wish (Mt. 15,28); and to still another: Your faith has saved you (Lc. 18,42).
16. THAT THE GRACE OF GOD TRANSCENDS THE LIMITS OF HUMAN FAITH
1. But no one should think that we have suggested these things in an attempt to say that the whole of salvation is entirely dependent on our faith, according to the godless opinion of some, who ascribe everything to free will and understand that the grace of God is dispensed to each person in conformity with his deserts. We, however, declare firmly and clearly that the grace of God sometimes even overflows and surpasses the limits of human faithlessness.
2. We recall that this was so in the case of that ruler in the Gospel who believed that his sick son could more easily be healed than raised when he was dead, and who in haste beseeched the Lord to come, saying: Come down before my son dies (Joh. 4,49). Although Christ rebuked his lack of faith with these words: Unless you see signs and wonders, you do not believe (Joh. 4,48), still he did not exercise his divine grace in conformity with the man's weak faith; he expelled the deadly feverish disease not by his bodily presence, according to the man's belief, but by his powerful word, when he said: Go, your son lives (Joh. 4,50).
3. We also read that the Lord poured out his overflowing grace in the case of the healing of the paralytic, when he first brought health of soul to one who was only asking for a cure of the sickness with which his body was afflicted. Son, be of good cheer, he said, your sins are forgiven you (Mt. 9,2). Whereupon, when the scribes did not believe that he could forgive human sins, he also unbound the man's limbs with a word and destroyed the power of the paralysis in order to confound their unbelief, saying : Why do you think evil in your hearts? What is easier, to say: Your sins are forgiven, or to say: Arise and walk? But that you may know that the Son of Man has power on earth to forgive sins, he said then to the paralytic: Arise, take your bed and go home (Mt. 9,4-6).
4. He also displayed the breadth of his spontaneous generosity in the case of the man who for thirty-eight years had been lying helpless by the side of the pool, hoping for healing from the movement of the water. He wished to arouse in him a desire for the healing of salvation, and so he said to him: Do you wish to be well? (Joh. 5,6). And when the man complained about the lack of human assistance and said: I have no one to put me in the pool when the water has been stirred up (Joh. 5,7), the Lord forgave his unbelief and ignorance and in his mercy restored to him his former health, not in the way that he had expected but as he himself willed, saying: Arise, take your bed and go home (Joh. 5,8).
5. What is so wonderful if these deeds accomplished by the Lord's power are told of, when divine grace also worked similar things through his servants? When Peter and John were going into the Temple and the man who was lame from his mother's womb, who could not walk a single step, asked for an alms, they did not give the paltry coins that the sick man requested but rather the ability to walk, and one who was hoping for the relief provided by a small offering they enriched with the prize of an unhoped-for well-being. In the words of Peter: Silver and gold I do not have, but what I have I give to you. In the name of Jesus Christ of Nazareth, rise and walk (Hand. 3,6).
17. DE ONNASPEURLIJKHEID VAN GODS WEGEN
1. Uit de voorbeelden die we in de evangelies vinden kunnen we duidelijk opmaken dat God het heil aan de mensen schenkt op oneindig gevarieerde wijze en langs onnaspeurlijke wegen. De goedwilligen en begerigen zet Hij aan tot nog groter ijver, de onwilligen en weerspannigen dwingt Hij zelfs. Nu eens helpt Hij ons om de verlangens die we hebben gevormd, ten uitvoer te brengen; dan weer geeft Hij ons zelfs het begin van die heilige verlangens en schenkt ons zowel het begin van het goede werk als de volharding.
2. Dat is de reden waarom wij in onze gebeden de Heer niet alleen als beschermer en zaligmaker aanroepen, maar ook als helper en bijstand. Inzoverre Hij ons het eerst roept en ons zonder dat wij het weten of willen tot het heil trekt, is Hij beschermer en zaligmaker. Inzoverre Hij ons bij onze pogingen te hulp komt en ons opneemt en beschermt als wij onze toevlucht tot Hem nemen, verdient Hij de naam van helper en bijstand. Bij het overwegen van de veelzijdige vrijgevigheid Gods in al deze beschikkingen, voelt de zalige Apostel zich verzinken in de oneindig wijde en diepe oceaan van Gods goedheid en roept uit: O diepte der rijkdommen van de wijsheid en de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn de oordelen Gods en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want wie heeft de gedachten des Heren gekend?(Rom. 11,33-34).
3. Deze bewondering voor de goddelijke wijsheid, die de zo grote en verheven leraar der heidenen buiten zichzelf bracht, zou worden teniet gedaan als men meent de diepte van deze onpeilbare afgrond met het menselijke verstand te kunnen meten. Wie gelooft dat hij de beschikkingen, waardoor God het heil der mensen bewerkt, ten volle kan begrijpen en verklaren, is in tegenspraak met de woorden van de Apostel en beweert met goddeloze vermetelheid dat de oordelen Gods te doorgronden zijn en zijn wegen naspeurlijk, terwijl toch ook de Heer zelf aan dezulken verklaart: Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, zegt de Heer. Want zover als de hemel verheven is boven de aarde, zo liggen mijn wegen boven uw wegen en mijn gedachten boven uw gedachten (Jes. 55,8-9).
4. Deze liefdevolle zorg die de Heer ons met onuitputtelijke goedheid wil bewijzen, heeft Hij willen uitdrukken met behulp van menselijke gevoelens, en omdat Hij in de schepping geen liefde kon vinden waarmee Hij de zijne beter kon vergelijken, heeft Hij haar vergeleken met de zo tedere moederliefde. Hij gebruikt dit voorbeeld omdat het het tederste is dat er in de menselijke natuur is te vinden, en Hij zegt: Kan een vrouw haar kind vergeten en zonder barmhartigheid zijn voor de zoon van haar schoot? (Jes. 49,15). Maar, niet tevreden met deze vergelijking, gaat Hij nog verder en voegt eraan toe: En al zou zij vergeten, Ik zal u niet vergeten (Jes. 49,15).
18. UITSPRAAK VAN DE VADERS, DAT DE VRIJE WIL NIET TOEREIKEND IS VOOR HET HEIL
1. Voor hen die zich niet door woorden, maar door de ondervinding laten leiden als zij de grootheid van de genade vergelijken met de kleinheid van het menselijk vermogen, is het door al wat gezegd is, duidelijk dat de wedloop niet is aan de vluggen, de strijd niet aan de sterken, het brood niet aan de wijzen, de rijkdom niet aan de verstandigen, de gunst niet aan de geleerden (Pred. 9,11), maar dat dit alles het werk is van één en dezelfde Geest, die aan ieder uitdeelt zoals Hij het wil (1Kor. 12,11).
2. Zo valt er dus niet aan te twijfelen en staat het door een bij wijze van spreken tastbare ondervinding vast, dat, volgens de Apostel, de God van het heelal, als een meest liefhebbende vader en een welwillendste geneesheer, zonder onderscheid alles in allen bewerkt (vgl. 1Kor. 12,6). Nu eens inspireert Hij het begin van het heil en stort in elk het vuur van de goede wil; dan weer geeft Hij het, tot daden over te gaan en de deugden te volbrengen. Nu eens weerhoudt Hij ons van een dreigende misstap, van de rand van de afgrond, zonder dat wij het willen of het weten; dan weer schept Hij de aanleiding en de gelegenheid tot heil en verhindert Hij de dodelijke afloop van verderfelijke en gewelddadige ondernemingen. Hen die vrijwillig naar Hem toesnellen, neemt Hij op, en hen die niet willen en weerspannig zijn, trekt Hij toch en dringt hen tot goede wil.
3. Alles wordt ons dus door God geschonken, als wij tenminste niet altijd tegenstreven en niet volharden in onze wil. Ons gehele heil moet niet aan de verdienste van onze werken, maar aan de hemelse genade toegeschreven worden. Dat leren ons de woorden van de Heer zelf: Gij zult terugdenken aan uw gedrag en aan al uw misdaden, waardoor gij verontreinigd werd; dan zult gij uzelf mishagen om al het kwaad dat gij bedreven hebt. En gij zult weten dat Ik de Heer ben, als Ik u goed zal doen omwille van mijn naam, en niet volgens uw slecht gedrag en volgens uw afschuwelijke misdaden, huis van Israël (Ez. 20,43-44).
4. Hierom hebben al de katholieke Vaders, die de innerlijke volmaaktheid niet door ijdele woordenstrijd, maar door werken en daden hebben verworven, het volgende vastgesteld: Ten eerste: het is de gave van God die in ons het verlangen ontsteekt naar al wat goed is, maar zo dat onze wil volkomen vrij is om voor de ene of voor de andere kant te beslissen. Ten tweede: het is door de goddelijke genade, dat de beoefening van de deugden, waarover we gesproken hebben, mogelijk is, maar zonder dat het vermogen van de vrije wil wordt teniet gedaan. Ten derde: het is de gave van God, in de verkregen deugd te volharden, maar zó dat onze vrijheid die zich geeft, geen dwang ondergaat.
5. De God van het heelal werkt inderdaad alles in allen, maar dat moet zo verstaan worden, dat Hij opwekt, bijstaat en bevestigt, niet dat Hij de vrije wil, die Hij eenmaal gegeven heeft, wegneemt. En als er, tenslotte, een of andere gevolgtrekking, die met al te handige menselijke redeneerkunst is verkregen, dit gevoelen schijnt tegen te spreken, dan moet men haar vermijden, liever dan haar naar voren brengen tot afbraak van het geloof. Want het geloof komt niet van het inzicht, maar het inzicht komt van het geloof, zoals er geschreven staat: Zo gij niet gelooft, zult gij niet begrijpen (Jes. 7,9 LXX). Het is nu eenmaal onmogelijk om met onze menselijke zin en verstand ten volle te begrijpen, hoe van de ene kant God alles in ons bewerkt en van de andere kant toch alles aan de vrije wil wordt toegeschreven. Nadat de zalige Cheremon ons met deze spijs had gesterkt, voelden wij de vermoeienis van onze moeilijke reis niet meer.