Bronteksten

Elfde gesprek, eerste van abt Cheremon: De volmaaktheid

(Johannes Cassianus)

U kunt deze tekst ook in Latijn-Nederlands als pdf downloaden.

INHOUDSOPGAVE

  1. Beschrijving van de stad Thennesus
  2. Bisschop Archebius
  3. Beschrijving van de woestijn waar Cherernon, Nesteros en Joseph woonden
  4. Abt Cheremon. Zijn verontschuldiging tegenover het door ons gevraagde onderricht
  5. Ons wederwoord op zijn verontschuldiging
  6. Stelling van abt Cheremon. de ondeugden worden op drie manieren overwonnen
  7. Langs welke treden men op kan klimmen tot de hoogte van de liefde. De standvastigheid in de liefde
  8. Hoe voortreffelijk degenen zijn die uit genegenheid van liefde het kwaad vermijden
  9. De liefde maakt niet alleen van slaven zonen, maar schenkt ook Gods beeld en gelijkenis
  10. Het is de volmaaktheid van de liefde, voor zijn vijanden te bidden. Het teken waaraan men de nog niet gelouterde ziel kent
  11. Vraag: waarom hij de gevoelens van vrees en hoop onvolmaakt heeft genoemd
  12. Antwoord: de verscheidenheid in de volmaaktheid
  13. De vrees die voortkomt uit de grootheid van de liefde
  14. Vraag over de volmaakte kuisheid
  15. Uitstel van de gevraagde uiteenzetting

1. BESCHRIJVING VAN DE STAD THENNESUS

Toen wij in het klooster in Syrie na het eerste onderricht in het geloof enige voortgang hadden gemaakt, begonnen we naar een grotere volmaaktheid te verlangen. Wij besloten, dadelijk naar Egypte te trekken en zelfs tot in de uiterst afgelegen woestijn van Thebaïs door te dringen, om daar verschillende heiligen, wier bekendheid hun roem over de hele wereld verspreid had, te bezoeken, uit verlangen, zo niet om hen na te volgen, dan toch om hen te leren kennen. Na voltooide bootreis kwamen wij dan aan in een stad van Eygpte die Thennesus heet. Zij wordt dusdanig van alle kanten door de zee en door zoutmeren omspoeld, dat haar bewoners zich louter aan zaken wijden, bij gebrek aan land ; zij hebben hun vermogen en bestaan van de zeehandel. Het is zelfs zo sterk, dat als ze huizen willen bouwen, de grond daarvoor per schip van verre moet worden aangevoerd, aangezien deze bij hen ontbreekt.

Terug naar de index

2. BISSCHOP ARCHEBIUS

1. Toen wij daar aankwamen, had God, die onze verlangens begunstigde, gezorgd voor de gelijktijdige komst van een heilig en bijzonder man, bisschop Archebius. Hij was weggehaald uit de kring der anachoreten en bisschop gemaakt van de stad Panephysis ; maar hij hield altijd zo strikt vast aan het ideaal van de woestijn, dat hij niets van zijn vroegere nederigheid liet varen en geen behagen had in de hem geschonken eer. Hij getuigde, niet tot dit ambt geroepen te zijn omdat hij er geschikt voor was; maar als een onwaardige, zo beklaagde hij zich, was hij uitgestoten uit het kluizenaarsleven, omdat hij in de zevenendertig jaar die hij erin had doorgebracht, totaal niet tot de zuiverheid die deze hoge staat eiste, was kunnen komen. Hij was in Thennesus op dat moment voor de keuze van een bisschop. Vol liefde en zeer gastvrij nam hij ons op. Toen hij ons verlangen vernomen had om de heilige Vaders tot in de verstafgelegen streken van Egypte te gaan opzoeken,

2. sprak hij: Komt intussen eerst een bezoek brengen aan de Vaders die niet ver van ons klooster af wonen. Hun ouderdom is zichtbaar in hun reeds gekromde lichaam en hun heiligheid straalt al wanneer men hen ziet, zodat zelfs het loutere kijken naar hen iemand heel wat kan leren. Dat wat ik tot mijn verdriet verloren heb en wat ik niet kan overleveren omdat ik het niet meer heb, zult gij van hen mogen leren, niet zozeer door woorden als wel door het voorbeeld van hun heilig leven. Ik hoop, door deze zorg mijn armzaligheid enigszins goed te maken, doordat ik u die de parel uit het evangelie zoekt die ik zelf niet heb, tenminste wijs waar gij haar gemakkelijk kunt verwerven.

Terug naar de index

3. BESCHRIJVING VAN DE WOESTIJN WAAR CHERERNON, NESTEROS EN JOSEPH WOONDEN

1. Hij nam dus staf en ransel zoals die daar gebruikelijk zijn bij alle monniken die op reis gaan, en bracht ons zelf als gids naar zijn stad, Panephysis. De grond daarvan, en ook van een groot gedeelte van de streek eromheen, was ééns buitengewoon rijk: alle spijzen voor het hof werden, naar men zegt, vandaar geleverd. Maar door een plotselinge aardbeving werd de zee geschokt: zij is haar grenzen te buiten gegaan en heeft het land overstroomd; bijna alle dorpen zijn vergaan en de vroeger vruchtbare grond is overdekt met zoutmoeras. Dat wat in de psalm in geestelijke zin wordt gezongen: Rivieren maakte hij tot steppen en waterbronnen tot dorstige grond; vruchtbaar land tot een zoutwoestijn om de boosheid van zijn bewoners (Ps. 106, 33-34), wordt als letterlijk voorzegd beschouwd van deze streek.

2. Deze overstroming heeft meerdere dorpjes die op hoogten gelegen waren, tot eilanden gemaakt en de bewoners verjaagd; zij bieden nu de heiligen die de afzondering zoeken, de verlangde eenzaamheid. Daar woonden de drie Vaders Cheremon, Nesteros en Joseph, hoogbejaarde kluizenaars.

Terug naar de index

4. ABT CHEREMON. ZIJN VERONTSCHULDIGING TEGENOVER HET DOOR ONS GEVRAAGDE ONDERRICHT

1.De zalige Archebius gaf er de voorkeur aan, ons eerst naar Cheremon te brengen, omdat deze dichter bij zijn klooster woonde en ook verdergevorderd in leeftijd was dan de twee anderen. Hij was zijn honderdste jaar gepasseerd, alleen van geest nog levendig; want van ouderdom en door zijn voortdurend bidden was zijn rug dermate gekromd, dat hij, als tot zijn eerste kinderjaren teruggebracht, zich slechts met z'n handen tot op de grond uitgestrekt kon voortbewegen.

2.Wij keken met bewondering naar zijn gelaat en naar zijn manier van lopen: al zijn ledematen hadden het begeven en waren reeds als dood, maar de maat van zijn vroegere gestrengheid had hij volstrekt niet laten varen! Deemoedig vroegen we hem om een woord en een onderrichting, getuigend dat enkel het verlangen naar geestelijke vorming de oorzaak van onze komst was. Hierop sprak hij met een diepe zucht: Wat kan ik u geven aan onderricht? De zwakheid van de ouderdomheeft mijn gestrengheid van vroeger verslapt en mij daarmee ook het recht van spreken ontnomen.

3. Want hoe zou ik het wagen, te leren wat ik zelf niet doe? Hoe kan ik een ander instrueren in praktijken waarvan ik weet dat ik ze zelf niet of lauw volbreng? Om die reden heb ik aan niemand van de jongeren toegestaan om bij mij tot op deze leeftijd te blijven wonen, opdat andermans gestrengheid niet door mijn voorbeeld zou verslappen. Nooit zal de raad van een meester gevolg hebben, als hij hem zijn hoorder niet door de kracht van zijn daden op het hart bindt.

Terug naar de index

5. ONS WEDERWOORD OP ZIJN VERONTSCHULDIGING

Hierop antwoordden wij, niet weinig beschaamd: Tot al onze lering moest het zien kunnen volstaan van deze ruige plaats en van een nog eenzaam leven, dat zelfs een krachtige jeugd nauwelijks uit zou houden. Het leert ons, ook al zwijgt gij, reeds heel veel en maakt een diepe indruk op ons. Niettemin vragen wij u om zo goed te zijn uw stilzwijgen liever een ogenblik op te geven en woorden tot ons te spreken waardoor wij de deugd die wij in u zien, in ons op kunnen nemen, niet zozeer door navolging als wel door bewondering. Al verdient onze lauwheid, die u duidelijk is, dan niet, te krijgen wat wij vragen: gij moet het ons tenminste toch geven om de inspanning van de grote reis die wij hebben ondernomen; van de beginschool van het klooster te Betlehem hebben wij ons hierheen gespoed uit verlangen naar uw onderricht, begerig naar onze vooruitgang.

Terug naar de index

6. STELLING VAN ABT CHEREMON. DE ONDEUGDEN WORDEN OP DRIE MANIEREN OVERWONNEN

1. Toen sprak de zalige Cheremon: Er zijn drie dingen die de mensen ertoe brengen zich van de ondeugden af te houden: de vrees voor de hel of voor aardse wetten, de hoop en het verlangen naar het rijk der hemelen, of de genegenheid voor het goede zelf en de liefde voor de deugden. We lezen inderdaad dat de vrees de besmetting van het kwaad verfoeit: De vreze des Heren haat de boosheid (Spr. 8,13). De hoop eveneens slaat de aanval van iedere ondeugd af, want: _niet zullen zondigen allen die op hem hopen_ (Ps. 33,23). De liefde tenslotte vreest het ongeluk der zonde niet, want: de liefde valt nimmer (1 Kor. 13,8), en eveneens: de liefde bedekt tal van zonden (1 Petr. 4,8).

2. Daarom ook vat de zalige Apostel het gehele heil samen in het volbrengen van die drie deugden: Nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie (1 Kor. 13,13). Het is het geloof, dat krachtens de vrees voor het toekomstig oordeel en de straffen de besmetting van de ondeugden doet vermijden; de hoop, die onze geest van de tegenwoordige dingen wegroept en door de verwachting van de hemelse beloning alle begeerten van het lichaam minacht; de liefde, die onze geest in vuur ontsteekt om Christus te beminnen en geestelijke deugden te oogsten, en die al wat daarmee in strijd is, met alle haat doet verfoeien. Maar al zijn deze drie kennelijk op één doel gericht - ze zetten ons namelijk ertoe aan, ons van ongeoorloofde dingen te weerhouden – ze verschillen onderling sterk in graad van verhevenheid.

3. De eerste twee zijn eigen aan de mensen die wel naar vooruitgang streven maar nog niet tot genegenheid voor de deugden zijn gekomen. De derde is kenmerkend voor God en voor degenen die het beeld en de gelijkenis van God in zich ontvangen hebben. Hij alleen immers werkt het goede zonder dat enige vrees of aantrekkingskracht van een beloning Hem ertoe aanzetten, maar louter uit goedheid. Alles immers, zoals Salomon zegt, heeft de Heer gewerkt voor zichzelf (Spr. 16,4). Omwille van zijn goedheid schenkt Hij de overvloed van alle goed aan waardigen en onwaardigen; door geen beledigingen laat Hij zich vermoeien, door geen ongerechtigheden van de mensen zich verbitteren, altijd de volmaakte goedheid blijvend, de onveranderlijke natuur.

Terug naar de index

7. LANGS WELKE TREDEN MEN OP KAN KLIMMEN TOT DE HOOGTE VAN DE LIEFDE. DE STANDVASTIGHEID IN DE LIEFDE

Als iemand dus naar de volmaaktheid streeft, moet hij van de eerste trap, dat is de vrees, die wij een slaafse staat genoemd hebben en waarvan gezegd is: Wanneer gij alles gedaan hebt, zegt dan: wij zijn onnutte knechten (Lk. 17,10), opklimmen, en zich verheffen tot de hogere weg van de hoop. Dan wordt hij niet meer met een slaaf vergeleken, maar met een loonarbeider, omdat hij de uitbetaling van loon verwacht. Hij is als zeker van de vergeving van zijn zonden en gerust op het punt van de vrees voor straf, zich bewust van goede werken. Hij is op de overeengekomen beloning uit; maar tot de genegenheid van het kind, dat vertrouwt op de milde vrijgevigheid van zijn vader en er niet aan twijfelt dat alles wat van zijn vader is, ook het zijne is: dáártoe is hij nog niet kunnen komen.

2. Juist zo durfde ook de verloren zoon, die mèt het vermogen van zijn vader ook de naam van zoon had verspeeld, daar niet naar verlangen: Ik ben niet meer waard uw zoon te heten (Lk. 15,19). Na de schillen van de varkens, waarmee hij zich niet mocht verzadigen, dat is, de bezoedelde spijzen van de ondeugd, keerde hij in zichzelf, en door een heilzame vrees getroffen, begon hij een afschuw te krijgen van de onreine varkens en duchtte hij de verschrikkelijke kwelling van de honger. Daardoor is hij reeds als 'n slaaf geworden. Maar denkend aan het loon van de arbeiders, verlangt hij ernaar arbeider te worden en zegt: Hoeveel arbeiders van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten: neem mij aan als een van uw loonarbeiders (Lc. 15,17-19).

3. Maar zijn vader snelde hem tegemoet en nam dat woord van nederig berouw met nog groter liefde aan dan waarmee het was uitgesproken. Hij was niet tevreden hem iets minders te geven.- hij sloeg de beide lagere trappen onmiddellijk over en herstelde hem in zijn vroegere waardigheid van zoon. Ook wij moeten ons haasten om door de genade van een onverbrekelijke liefde tot de derde trap op te klimmen, die van kinderen, die geloven dat alles wat van hun vader is, ook het hunne is, om aldus het beeld en de gelijkenis van de hemelse Vader te mogen ontvangen en in navolging van zijn waarachtige Zoon te kunnen uitroepen: Alles wat de Vader heeft, is het mijne (Joh. 16,15).

4. Ditzelfde woord past de Apostel ook op ons toe: Alles is het uwe, of het nu Paulus is of Apollos of Kefas, wereld, leven of dood, heden of toekomst: alles is het uwe (1 Kor. 3, 21-22). Tot deze gelijkenis roept ons het voorschrift van de Verlosser zelf op. Weest volmaakt, zoals ook uw hemelse Vader volmaakt is (Mt. 5,48). Want op de eerste twee trappen wordt gewoonlijk de genegenheid voor het goede af en toe onderbroken, wanneer de geestkracht verslapt door luiheid of vrolijkheid of genot, en aflaat van de vrees voor de hel of het verlangen naar het toekomstige.

5. Maar toch zijn het trappen van een zekere vooruitgang, die ons iets leren: doordat we uit vrees voor de straf of uit hoop op de beloning de ondeugden beginnen te vermijden, zijn we in staat om over te gaan naar de trap van de liefde. Vrees, zo staat er, is er in de liefde niet, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want vrees veronderstelt straf, en wie vreest is niet volmaakt in de liefde.

6.Laten wij liefhebben omdat God ons het eerst heeft liefgehad (1Joh. 4,18-19). Onmogelijk dus kunnen we tot de ware volmaaktheid opklimmen, tenzij, zoals Hij ons om geen andere reden dan ons geluk het eerst heeft bemind, ook wij Hem beminnen om niets anders dan enkel zijn liefde. We moeten ons derhalve beijveren om met volkomen vurigheid van geest, van de vrees op te klimmen naar de hoop, van de hoop naar de liefde Gods en naar het van de deugden houden. We moeten overgaan tot de genegenheid voor 't goede zelf, ons onveranderlijk- voorzover dat de menselijke natuur mogelijk is - vasthechten aan wat goed is.

Terug naar de index

8. HOE VOORTREFFELIJK DEGENEN ZIJN DIE UIT GENEGENHEID VAN LIEFDE HET KWAAD VERMIJDEN

1. Er bestaat een heel verschil tussen iemand die uit vrees voor de hel of uit hoop op de toekomstige beloning het vuur van de ondeugden in zich blust, en iemand die uit genegenheid van de goddelijke liefde het kwaad en de onreinheid verafschuwt; die het goed van de zuiverheid enkel bezit omdat hij de kuisheid liefheeft en verlangt; die niet meer kijkt naar het loon dat voor de toekomst beloofd is, maar zijn geluk vindt in het besef van het goed dat al aanwezig is; die in alles handelt niet met het oog op de straf, maar om 't genot dat de deugd met zich meebrengt.

2. Iemand in deze gesteldheid zal de gelegenheid tot zonde niet misbruiken, ook al is er geen mens getuige van, en hij laat zich niet door verborgen genietingen in zijn gedachten overweldigen. Omdat de liefde voor de deugd zelf tot in zijn merg is doorgedrongen, laat hij niets wat daarmee in strijd is, toe in zijn hart, neen, verfoeit het met de grootste afschuw.

3. Het is inderdaad iets anders, de smetten van de ondeugd en van het vlees te verafschuwen omdat men z'n behagen vindt in een goed dat aanwezig is, dan zich met het oog op een toekomstige belóning van de ongeoorloofde begeerten te weerhouden. Een onmiddellijke schade vrezen is iets anders dan bang zijn voor een toekomstige straf. Kortom, het is veel méér, omwille van het goede zelf het goede niet op te geven, dan uit vrees voor het kwaad niet met het kwade in te stemmen. In het eerste geval is het goede vrij gewild, in het tweede als het ware gedwongen en met geweld afgeperst van een onwillige, door de vrees voor straf of door de begeerte naar beloning. Iemand die zich krachtens vrees afhoudt van de verleiding van de ondeugd, zal zodra het beletsel van de vrees vervalt, weer terugkeren naar wat hij bemint. Om die reden zal hij nooit vastheid in het goede verwerven. Hij zal zelfs nooit met rust gelaten worden door de aanvechtingen, omdat hij de sterke, blijvende vrede van de zuiverheid ten enen male niet bezit.

4. Want waar het gewoel van de oorlog is, daar kan het gevaar gewond te worden, niet uitblijven. Iemand die in een gevecht is gewikkeld, hoe krijgslustig hij ook is en hoeveel dodelijke wonden hij dapper vechtend zijn tegenstanders ook toebrengt, zal noodzakelijk ook zelf soms geraakt worden door de wapens van de vijand. Maar iemand die de aanvechtingen van de ondeugden heeft overwonnen en daardoor veiligheid en vrede geniet, die tot de liefde voor de deugd zelf is overgegaan: zo iemand zal de staat van het goede, waaraan hij reeds geheel toebehoort, blijvend handhaven, want hij acht niets erger dan schade aan zijn innerlijke reinheid.

5. Niets is hem dierbaarder en kostbaarder dan de zuiverheid die hij heeft. Voor hem is de kwalijke inbreuk op de deugden of de giftige besmetting van de ondeugd zelf een zware straf. Bij zo iemand voegt het ontzag voor de aanwezigheid van mensen niets toe aan zijn eerbaarheid, en het alleen zijn doet er niets af; maar overal en altijd draagt hij de rechter van zijn daden en zelfs van zijn gedachten met zich mee, zijn geweten: daarnaar zoekt hij zich te richten, en hij weet dat dit niet is te strikken of bedriegen of te ontwijken.

Terug naar de index

9. DE LIEFDE MAAKT NIET ALLEEN VAN SLAVEN ZONEN, MAAR SCHENKT OOK GODS BEELD EN GELIJKENIS

1. Als iemand, vertrouwend op Gods hulp en niet op zijn eigen inspanning, deze staat mag bezitten, dan begint hij over te gaan van de hoedanigheid van slaaf, waarin de vrees heerst, en van de baatzuchtige begeerte van de hoop, waarin men niet zozeer de goedheid van de gever zoekt als wel de beloning die gegeven wordt, naar de aanneming tot kinderen, waar geen vrees meer is, geen begeerte, doch waarin de liefde die nimmer vergaat, voortdurend aanhoudt. Van die vrees en die liefde toont de Heer, in een verwijt dat Hij uitspreekt, wát aan wélke persoon toekomt: De zoon eert zijn vader, de slaaf vreest zijn meester. Maar zo Ik dan een Vader ben, waar is dan mijn eer? En zo Ik een Meester ben, waar is dan de vrees voor Mij? (Mal. 1,6).

2. Hij die slaaf is, vreest noodzakelijk, want als hij de wil van zijn heer kende, maar dingen heeft gedaan die straf verdienen, zal hij zwaar getuchtigd worden (Lc. 12,47-48). Al wie dus door deze liefde tot Gods beeld en gelijkenis is gekomen, schept voortaan behagen in het goede om het genot van dat goede zelf. Hij zal, beheerst door een overeenkomstig gevoelen van geduld en zachtheid, niet meer toornig worden om de ondeugden van de zondaars, maar veeleer, in mededogen en medelijden voor hun zwakheden, om vergiffenis bidden. Hij zal bedenken dat hij zó lang door de prikkels van soortgelijke hartstochten is aangevochten, totdat hij door de ontferming van de Heer werd bevrijd; dat hij zich niet door eigen toeleg heeft ontdaan van de aanvechting van het vlees, maar er door Gods bescherming uit bevrijd is. Daarom begrijpt hij dat men geen toorn, maar barmhartigheid moet hebben voor de dwalenden. Met een volkomen gerust hart zingt hij dit vers tot God: Gij hebt mijn boeien verbroken; U zal ik een offer van lof opdragen (Ps. 115,16-17). En: Als de Heer mij niet had geholpen, had mijn ziel welhaast in de onderwereld gewoond (Ps. 93,17).

3.In deze nederigheid van geest is hij in staat, het gebod uit het evangelie om volmaakt te zijn, te volbrengen: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen en belasteren (Mt. 6,44). En zo zullen we mogen komen tot de beloning waarvan onmiddellijk daarna sprake is, die inhoudt dat we niet alleen Gods beeld en gelijkenis in ons dragen, maar ook kinderen heten: Opdat gij kinderen moogt zijn, zo zegt Hij, van uw Vader in de hemel, die zijn zon laat opgaan over goeden en slechten en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mt. 6,45). De zalige Joannes was zich ervan bewust dit gevoelen bereikt te hebben toen hij zei: Wij hebben vertrouwen op de Dag van het oordeel, want zoals Hij is, zo zijn ook wij in deze wereld (1Joh. 4,17).

4. Hoe immers kan de zwakke, broze menselijke natuur zijn zoals Hij, tenzij door in navolging van God de welwillende liefde van haar hart steeds te laten uitgaan naar goeden en slechten, naar rechtvaardigen en onrechtvaardigen, en door het goede te doen uit liefde voor het goede zelf? Daardoor komt zij tot de ware aanneming der kinderen Gods, waarvan de reeds genoemde zalige apostel dit verklaart: Al wie uit God is geboren doet geen zonde, want het zaad Gods blijft in hem; en hij kan niet zondigen want hij is uit God geboren (1Joh. 3,9). En nogmaals: Wij weten dat al wie uit God is geboren niet zondigt, maar zijn geboorte uit God behoedt hem, en de Boze heeft geen vat op hem (1Joh. 5,18).

5. Dit woord moet men niet verstaan van iedere soort zonde, maar alleen van de dodelijke vergrijpen. Wie zich hiervan niet wil bevrijden en beteren: voor hem mag zelfs niet gebeden worden, zo verklaart dezelfde apostel op een andere plaats- Wie zijn broeder een zonde ziet bedrijven die niet ten dode is, moet bidden, en God zal hem leven geven, hun die niet ten dode zondigen. Er bestaat een zonde die ten dode is; hiervoor geldt mijn aansporing om te bidden niet (1Joh. 5,16). Maar van de zonden die niet ten dode worden genoemd, waarvan ook zij die Christus trouw dienen niet vrij kunnen blijven, met hoeveel omzichtigheid zij ook op hun hoede zijn: daarvan wordt aldus gesproken: Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons (1Joh. 1,8). En nogmaals: Als wij zeggen dat wij niet hebben gezondigd, maken wij Hem tot een leugenaar en is zijn Woord niet in ons (1Joh. 1,10).

6. Onmogelijk is het dat niet iedere heilige valt in die kleine dingen die geschieden door woorden, door gedachten, door ontwetendheid, door vergeetachtigheid, uit dwang, door wil of bij verrassing. Deze dingen staan veraf van de zonde die ten dode wordt genoemd, doch daarmee zijn wij nog niet vrij van schuld en laakbaarheid.

Terug naar de index

10. HET IS DE VOLMAAKTHEID VAN DE LIEFDE, VOOR ZIJN VIJANDEN TE BIDDEN. HET TEKEN WAARAAN MEN DE NOG NIET GELOUTERDE ZIEL KENT.

Wanneer dus iemand genoemde genegenheid voor het goede en navolging van God heeft bereikt, dan zal hij, bekleed met 's Heren lankmoedige liefde, ook voor zijn vervolgers bidden, zoals Deze: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen (Lc. 23,34). Het is overigens een duidelijk teken dat een ziel nog niet van het vuil van de ondeugden is gezuiverd, als zij bij de zonden van anderen geen gevoelens van barmhartigheid en medelijden toont, maar de harde kritiek heeft van iemand die oordeelt. Want hoe zal iemand de volmaaktheid van hart kunnen bereiken als hij niet datgene heeft waarin de Apostel de vervulling van de volheid van de wet heeft gelegd? Draagt, zo zegt hij, elkanders lasten, en zo zult gij de Wet van Christus volbrengen (Gal. 6,2). Hoe zal hij haar bereiken als hij niet de deugd van liefde bezit die niet toornig wordt, niet verwaand, het kwade niet denkt; die alles verdraagt, alles uithoudt? (1Kor. 13, 4-7). Want: De rechtvaardige ontfermt zich nog over zijn vee; maar het hart der bozen is zonder erbarming (Spr. 12,10). Het is derhalve volstrekt zeker dat een monnik behept is met diezelfde ondeugden die hij in een ander met onverbiddelijke en onmenselijke gestrengheid veroordeelt. Want: Een hardvochtige koning zal in het kwade geraken (Spr. 13,17 LXX), en Wie zijn oren dichtstopt om de zwakke niet te horen, zal ook zelf roepen en niemand zal naar hem luisteren (Spr. 21,13).

Terug naar de index

11. VRAAG: WAAROM HIJ DE GEVOELENS VAN VREES EN HOOP ONVOLMAAKT HEEFT GENOEMD

Germanus: We hebben een machtige en verheven uiteenzetting mogen horen over de volmaakte liefde tot God. Eén ding evenwel verontrust ons: terwijl gij haar met zo'n lof hoog hebt verheven, hebt ge de vreze Gods en de hoop op de eeuwige beloning onvolmaakt genoemd. Maar de profeet schijnt toch heel anders daarover gedacht te hebben, waar hij zegt: Vreest de Heer, al zijn heiligen: want niets ontbreekt hun die Hem vrezen (Ps. 33,10). En elders verzekert hij, dat hij zich op het onderhouden van Gods geboden heeft toegelegd met het oog op de beloning: Ik heb mijn hart erop gezet, uw geboden altijd te volbrengen, omwille van de beloning (Ps. 118,112). En de Apostel zegt: Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd de zoon van Farao's dochter te zijn; hij wilde liever met Gods volk mishandeld worden dan een kortstondig voordeel trekken uit de zonde; hij achtte de smaad van Christus groter rijkdom dan de schatten der Egyptenaren, want hij hield het oog gericht op de beloning (Hebr. 11,24-26). Hoe moet men dan daarvan denken dat ze onvolmaakt zijn, aangezien de zalige David zich erop beroemt 's Heren geboden volbracht te hebben met het oog op de beloning, en er van de Wetgever wordt gezegd dat hij, uitziende naar de toekomstige prijs, de aanneming tot de koninklijke waardigheid heeft afgewezen en de ergste mishandeling heeft geprefereerd boven de schatten der Egyptenaren?

Terug naar de index

12. ANTWOORD: DE VERSCHEIDENHEID IN DE VOLMAAKTHEID

1. Cheremon: De goddelijke Schrift roept onze vrije wil naargelang van ieders gesteltenis en maat tot verschillende graden van volmaaktheid. Dat had ook niet gekund, aan allen dezelfde kroon van volmaaktheid in uitzicht te stellen, want allen hebben ook niet dezelfde deugd en wil en vurigheid. Daarom stelt de heilige Schrift om zo te zeggen verschillende orden en verschillende maten vast van volmaaktheid.

2. Een duidelijk bewijs hiervan geeft de verscheidenheid van de zaligheden uit het evangelie. Ofschoon zíj zalig worden genoemd aan wie het Rijk der hemelen behoort, en zij zalig die de aarde zullen bezitten, en zij zalig die troost zullen ontvangen, en zij zalig die verzadigd zullen worden: toch is er, geloven wij, een groot verschil tussen het wonen in het Rijk der hemelen en het bezit van de aarde, wat deze ook zijn moge, tussen het ontvangen van troost en de volheid en verzadiging van gerechtigheid: is er een groot verschil tussen hen die barmhartigheid zullen ondervinden en degenen die de heerlijke aanschouwing Gods zullen mogen genieten.

3. Want de luister van de zon is anders dan die van de maan, en die van de sterren is wéér anders; zelfs de ene ster verschilt van de andere in schittering. Zo is het ook met de opstanding der doden (1Kor. 15, 41-42). Aldus spreekt de goddelijke Schrift nu ook hier. Ofschoon zij degenen die God vrezen prijst en zegt: Zalig allen die de Heer vrezen (Ps. 127,1) en hun daarmee de volkomen zaligheid belooft, zegt zij toch anderzijds ook: Vrees is er in de liefde niet, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want vrees veronderstelt straf, en wie vreest is niet volmaakt in de liefde (1Joh. 4,18).

4. En eveneens, ofschoon God dienen eervol is en er wordt gezegd: Dient de Heer in vreze (Ps. 2,11), en: Het is een eer voor u, mijn dienaar te worden genoemd (Jes. 49,6 LXX.), en: Gelukkig die dienaar als zijn heer bij zijn komst hem daarmee bezig vindt (Mt. 24,46), toch wordt er tot de apostelen gezegd: Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet; maar Ik noem u vrienden, want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord (Joh.15,15), en ook dit: Gij zijt mijn vrienden als gij doet wat Ik u gebied (Joh. 15,14).

5. Ge ziet dat er dus graden van volmaaktheid zijn en dat de Heer ons van het hoge oproept tot het nog hogere. Hij die in de vreze Gods zalig en volmaakt is, wordt uitgenodigd om, naar het Schriftwoord, te gaan van deugd tot deugd (Ps. 83,8), van volmaaktheid tot volmaaktheid, dat wil zeggen met blijde geest op te klimmen van de vrees naar de hoop en vervolgens naar de zaliger staat die de liefde is. Hij die een getrouwe en verstandige dienaar (Mt. 24,45) is, mag overgaan naar de intimiteit van de vriendschap en de aanneming tot kinderen.

6. In die zin moet u dus ook mijn woorden verstaan. Ik noem het overwegen van de eeuwige straf of van het gelukzalige loon dat de heiligen wordt beloofd, niet van generlei belang; het is integendeel nuttig, het leidt hen die er zich aan wijden, in tot het begin van de zaligheid. Maar de liefde, die een voller vertrouwen en reeds een eeuwige vreugde bezit, neemt hen op uit de slaafse vrees en de baatzuchtige hoop en brengt hen over naar het beminnen van God en naar de aanneming tot kinderen. Zij maakt om zo te zeggen reeds volmaakten nog volmaakter. Er zijn veel woningen bij mijn Vader, zegt de Verlosser (Joh. 14,2). Ofschoon alle hemellichamen zichtbaar zijn aan het firmament, toch is er een groot verschil tussen de helderheid van de zon en de maan of de morgenster, en de overige sterren.

7. Daarom stelt de zalige Apostel de liefde hoger dan de vrees en de hoop en zelfs aan alle geestesgaven, die als groot en buitengewoon worden beschouwd, en toont hij de weg van de liefde die ver boven alles verheven is. Toen hij na de opsomming van de gehele lijst van geestesgaven de voortreffelijke eigenschappen van de liefde wilde beschrijven, sprak hij aldus: Maar eerst wijs ik u een weg die veel verhevener is. Al spreek ik de talen van engelen en mensen, al heb ik de gave der profetie en ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof zodat ik bergen verzet, al geef ik ook mijn hele vermogen tot spijs aan de armen en al lever ik mijn lichaam over aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb. baat het mij niets (1Kor. 12,31; 13,1-3).

8. Ge ziet, er is niets kostbaarders, niets volmaakters, niets verheveners en om zo te spreken niets eeuwigers dan de liefde. Profetieën, zij houden op, talen, zij zullen verstommen, kennis, zij zal vergaan. De liefde echter zal nimmer vergaan (Joh. 13, 8). De voortreffelijkste geestesgaven, ja zelfs de heerlijkheid van het martelaarschap, zijn zonder haar waardeloos.

Terug naar de index

13. DE VREES DIE VOORTKOMT UIT DE GROOTHEID VAN DE LIEFDE

1. Wie in de volmaaktheid van deze liefde is gevestigd, gaat vanzelf hogerop naar de edele vrees uit liefde, die niet voortkomt uit schrik voor straf of uit begeerte naar beloning, doch uit de grootheid zelf van de liefde. Deze vrees is de bezorgde genegenheid waarmee een zoon zijn geliefde vader bejegent, een broer zijn broer, een vriend zijn vriend, echtgenoten elkander. Zij vrezen geen slaag of gekijf, maar wel de minste krenking van de liefde, en zijn in hun daden en woorden steeds vol toegewijde zorg dat het vuur van die liefde voor hen absoluut niet vermindert.

2. De voortreffelijkheid van deze vrees heeft een van de profeten als volgt raak onder woorden gebracht: De rijkdom van het heil zijn wijsheid en kennis; de vreze des Heren is de schatkamer ervan (Jes. 33, 6). Hij had de waarde en betekenis van die vrees niet duidelijker kunnen uitdrukken dan door te zeggen dat de rijkdom van ons heil, die in de ware wijsheid en kennis van God bestaat, niet kon worden bewaard tenzij door de vreze des Heren. Tot deze vrees worden niet de zondaars maar de heiligen uitgenodigd door de uitspraken van de profeten: Vreest de Heer, al zijn heiligen, zegt de psalmist, want niets ontbreekt hun die Hem vrezen (Ps. 33, 10).

3. Inderdaad kan er aan de volmaaktheid van hem die de Heer vreest met deze vrees, onmogelijk iets ontbreken. Maar van de vrees voor de straf zegt de apostel Joannes duidelijk: Wie vreest is niet volmaakt in de liefde, want vrees veronderstelt straf (1Joh. 4, 18). Er is dus een groot verschil tussen deze vrees waaraan niets ontbreekt, die de schatkamer is van wijsheid en kennis, en die volmaakte vrees, die het begin van de wijsheid wordt genoemd (Ps. 110,10), en die, daar zij straf veronderstelt, uit de harten der volmaakten wordt verjaagd als de volheid van de liefde komt. Vrees is er in de liefde niet, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit (1Joh. 4, 18).

4. En inderdaad, als het begin van de wijsheid is gelegen in de vrees, waarin zal dan haar volmaaktheid bestaan tenzij in de liefde tot Christus, welke die vrees van het volmaakte beminnen in zich bevat en daarom niet meer het begin maar de schatkamer wordt genoemd van wijsheid en kennis? Er zijn dus twee graden van vrees. De eerste is die van de beginnelingen, dat wil zeggen van degenen die zich nog bukken onder het juk van de slaafse angst. Van hen wordt gezegd: En de slaaf zal zijn heer vrezen (Mal. 1, 6); en in het evangelie: Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet (Joh. 15, 15).

5. En daarom staat er ook: De slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis; de zoon blijft er voor eeuwig (Joh. 8, 35). Dit laatste brengt ons ertoe om van de vrees voor de straf over te gaan naar de volle vrijheid van de liefde, naar het vertrouwen van vrienden en kinderen van God. De zalige Apostel tenslotte, die reeds lang door de kracht van 's Heren liefde de graad van de slaafse vrees achter zich had gelaten, verklaart, terwijl hij neerziet op het lagere, dat hij door de Heer met groter gaven is verrijkt:God heeft ons niet een geest geschonken van vrees, maar van kracht en liefde en bezonnenheid (2Tim. 1, 7).

6. En hij spoort hen die branden van de volmaakte liefde voor de hemelse Vader en die de goddelijke aanneming al van slaven kinderen heeft gemaakt, aan met deze woorden: Gij hebt geen geest van slavernij ontvangen om weer in vrees te leven; maar gij hebt de Geest van het kindschap ontvangen, in wie wij roepen: Abba, Vader! (Rom. 8, 15). Over deze vrees uit liefde spreekt ook de profeet, wanneer hij de zevenvoudige geest beschrijft, die, naar het bestel van de menswording, met zekerheid is neergedaald op de Godmens:. En de Geest des Heren, zo zegt hij eerst, zal op Hem rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en godsvrucht; en dan ten slotte, als iets bijzonders: En de Geest van de vreze des Heren zal Hem vervullen (Jes. 11,2-3).

7. Hierbij lette men er wel op, dat hij niet zegt: En de Geest van de vreze des Heren zal op Hem rusten, zoals hij van de voorgaande gaven had gezegd, maar: De Geest van de vreze des Heren zal Hem vervullen. De overvloed van deze Geest is zó groot, dat hij iemand die hij eenmaal in zijn macht heeft gekregen, niet gedeeltelijk maar totaal bezit. En dat is logisch. Omdat hij verbonden is aan de liefde die nimmer zal vergaan, vervult hij niet slechts degene die hij in bezit heeft genomen, maar legt hij blijvend en zonder onderbreking voorgoed beslag op hem; hij wordt door geen genot van aardse vreugde of begeerte aangetast, wat gewoonlijk met de vrees die uitgedreven wordt, af en toe wèl het geval is. Dit is dus de vrees van de volmaaktheid, waarvan de Godmens, die niet alleen het menselijk geslacht heeft verlost, maar die ook het model van volmaaktheid en het voorbeeld van alle deugden is komen brengen, was vervuld, zoals de Schrift zegt. Maar de slaafse vrees voor de straf kon Hij niet hebben, de waarachtige Zoon van God, die geen zonde heeft gedaan en in wiens mond geen bedrog is gevonden (1Pt. 2, 22).

Terug naar de index

14. VRAAG OVER DE VOLMAAKTE KUISHEID

Germanus: U heeft ons een uiteenzetting over de volmaakte liefde gegeven. Mogen wij nu zo vrij zijn, u ook het een en ander te vragen over de volkomen kuisheid. Want wij twijfelen er niet aan dat die verheven hoogte van de liefde, waarlangs men zich verheft, zoals u heeft betoogd, tot het beeld en de gelijkenis van God, volstrekt niet kan bestaan zonder een volmaakte kuisheid. Maar kan men hierin zó'n standvastigheid verwerven dat nooit de prikkel van de lust de gaafheid van ons hart bedreigt? Kunnen wij, levend in het vlees, zózeer van deze vleselijke hartstocht verre blijven dat nooit de hitte van dat vuur ons schroeit? Dat zouden wij graag van u vernemen.

Terug naar de index

15. UITSTEL VAN DE GEVRAAGDE UITEENZETTING

Cheremon: Het zou een groot geluk zijn en bijzonder verdienstelijk, voortdurend zijn aandacht te richten - als leerling of als leraar – op dat gevoelen dat ons met de Heer verbindt. De overweging daarvan zou, naar het woord van de psalmist (Ps. 1,2), al de dagen en nachten van ons leven in beslag nemen; onze geest, onverzadelijk hongerend en dorstend naar de gerechtigheid, zou zich voeden door altijd weer deze hemelse spijs te genieten. Maar we moeten ook rekening houden met het lastdier van ons lichaam, dat het niet bezwijkt onderweg: iets waarop de overgoede voorzienigheid van onze Verlosser heeft gewezen want de geest is gewillig, maar het vlees is zwak (Mt. 26, 41). We moeten er nu voor gaan zorgen, door een bescheiden maaltijd. Nadat het zich heeft verkwikt, zal ook de toeleg van onze geest groter kunnen zijn om met meer ijver te onderzoeken wat u gevraagd hebt.

Terug naar de index

Terug

zoeken