Bronteksten
Preken C jaar, vanaf de16e Zondag door het jaar
16e Zondag C-jaar Het beste deel
Lucas 10,38-42: In die tijd kwam Jezus in een dorp, en een vrouw die Martha heette, ontving Hem in haar woning. Ze had een zuster, Maria die - gezeten aan de voeten van de Heer - luisterde naar zijn woorden. Martha werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen, maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei.- "Heer, laat het u onverschillig dat mijn zuster mij alleen laat bedienen ? Zeg haar dan dat ze mij moet helpen." De Heer gaf haar ten antwoord: "Martha, Martha, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden."
Preek door André Louf (uit: "Mijn liefde is U genoeg", 1985).
Het waren twee gezusters, en Jezus hield van de twee. Zoals meer voorkomt, geleken die twee zusters helemaal niet op elkaar. Speciaal in hun manier van Jezus te onthalen. Wat niet zeggen wil dat er meer of minder was in hun liefde voor Jezus, iets wat het evangelie ook niet vermeldt. Maar hun liefde, die groot was, drukte zich verschillend uit. Martha is de verantwoordelijke voor het huishouden. Ze wordt altijd op de eerste plaats genoemd. Zij is het die Jezus verwelkomt, zij voelt zich verantwoordelijk voor de receptie. Actief, ijverig, druk als ze is, laat ze zich in beslag nemen door de vele taken van haar dienst. Maria wordt altijd op de tweede plaats genoemd, en zal wel de jongste geweest zijn. Geboeid door Jezus' woorden is zij aan zijn voeten gaan neerzitten, onbekommerd en gelukkig omdat zij er mag blijven, in de schaduw van zijn blik. Martha schenkt aan Jezus haar werkzaamheden; Maria haar liefdevolle aanwezigheid. Tot hiertoe verloopt alles zonder moeilijkheid. Jezus maakt Martha geen verwijten omdat zij werkt; en ook Maria niet omdat zij bij hem blijft zitten. Martha wordt echter ongeduldig. Zij zou liever zien dat Jezus haar zuster van zich losmaakt opdat ook zij een handje uit de mouwen zou steken. De ijver van Martha komt ons erg sympathiek over, alhoewel ze minder neiging heeft om zich gans aan de liefde te wijden zonder meer: liefde uitspreken, blij en rustig blijven in de vreugde van de liefde. Wanneer liefde een zekere diepte bereikt, wordt zij zelf het voornaamste werk. Liefde heeft genoeg aan zichzelf, zij is het Unum necessarium, het enige wat noodzakelijk is. Wanneer liefde een zekere diepgang bereikt, mag men altijd onvoorwaardelijk voor haar kiezen. Men is dan vrij om al het andere te laten schieten om zich geheel en al aan de liefde te wijden. Zij is immers het beste deel, dat niet zal afgenomen worden, en dat voortduurt tot in eeuwigheid.
Wanneer liefde een zekere diepgang bereikt, wordt ze gratuit. Telkens als Jezus zulke gratuiteit opmerkt, toont hij zich blij verrast. Hij aanvaardt dit gratuite, hij neemt het voor haar op. Denken we aan de albasten vaas van die andere Maria, en aan het kostbare reukwerk dat op de voeten van Jezus verkwanseld werd, en waarvan de dure prijs in de ogen van sommigen van de armen als het ware gestolen was. Maar armen hebben meer nood aan liefde dan aan geld. En liefde is onbetaalbaar. En nu ook deze Maria, die aan de voeten van Jezus knielde, werkeloos, nutteloos, en zo weinig behulpzaam voor haar zuster. Maar niets is nooit zo dringend als de liefde, niets zo nuttig. Indien de liefde mij ontbreekt, zegt Paulus, ben ik niets, zelfs indien ik al mijn bezit uitdeel, of mijzelf inzet voor de anderen, zelfs als ik mijn lichaam aan de vlammen zou uitleveren (1 Kor. 13). Niets is nooit zo dringend en zo nuttig, dan tijd te nemen om lief te hebben.
Martha en Maria zijn twee zusters die altijd samengaan. Men kan ze niet scheiden. Martha heeft Maria nodig, en Maria zou het niet halen zonder Martha. Samen vormen ze de Kerk van Jezus, waar ieder zijn deel heeft, maar aandacht moet hebben voor het deel van de ander. Maar ook waar niets nooit zo dringend is dan zich van alles los te maken om bij Jezus te blijven, uitsluitend bezig met het opnemen van het Woord van de Liefde.
Ook in onszelf zijn Martha en Maria onafscheidbaar. Zij zijn het tweevoudig gelaat van ons wezen, zodra het zich openzet voor Jezus. Gewoonlijk komt Martha eerst. Wanneer we Jezus pas ontdekt hebben, voelen we ons vaak geroepen om grote dingen voor hem te ondernemen, om hem onze beste krachten en tijd toe te wijden. Martha echter heeft een zuster in ons, die gewoonlijk pas later op de voorgrond treedt: Maria, in ons diepe hart. Maria zou graag de tijd vergeten, dicht bij Jezus blijven, zich in hem verdiepen, in hem rusten, putten uit zijn blik, dronken worden van zijn Woord. Geruime tijd probeert Martha zich hiertegen te verzetten en wil haar zuster naar buiten meetrekken waar zoveel werk wacht. Deze verscheurdheid kan soms een heel mensenleven lang doorgaan. Beetje bij beetje neemt Maria echter de overhand. Zij is alleen maar liefde, loutere liefde, omdat het goed is lief te hebben en zomaar bij de geliefde te verblijven.
Daarom is werk ook niet uitgesloten. Vaak is het onvermijdelijk. Maar het werk wordt dan van binnenuit gewijzigd. Het verstikt de liefde niet meer; het is zelf door de liefde gedragen. Omdat er tijd genomen werd om niets anders te doen dan lief te hebben. Het werk wordt ook veel lichter, want eigenlijk zijn zo weinig dingen noodzakelijk, is één ding echt noodzakelijk. Al het overige begint nu meer op nutteloze verstrooiing te lijken. De liefde laat het spontaan vallen, zonder moeite noch lijden, omdat liefde eenvoudig is en al het andere vereenvoudigt: omdat liefde tot verzadiging toe alleen maar bezig is met de rust van de liefde. Zonder het te weten, kiest men dan almaar door voor de liefde, het beste deel. Het gaat als vanzelf. Want de liefde brandt in ons, de liefde heeft ons uitverkoren. Omdat God de eerste was om ons lief te hebben toen we nog zondaars waren, en alles enkelvoudig en eenvoudig wordt voor hem die liefheeft, in God, die de Enige en Unieke is.
Elke Eucharistie brengt ons terug naar het beste deel en naar het enig noodzakelijke. Wij beluisteren het Woord van Jezus, wij nuttigen zijn Lichaam en zijn Bloed. Wij proberen een beetje bij Hem te blijven. Wij zien reeds uit naar het Rijk dat komt. Moge de Heer zelf ons hiermee onaflatend bezig houden, in de volheid van de rust, die Hij alleen ons schenken kan.
17e Zondag C-jaar De vreugde van de ander
Lucas 11,1-11: Op een keer was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij ophield zei een van zijn leerlingen tot Hem: "Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft." Hij sprak tot hen: "Wanneer ge bidt, zeg dan: Vader, uw naam worde geheiligd, uw Rijk kome. Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in bekoring." Hij vervolgde: "Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden, want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten. Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: Val me niet lastig; de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het u te geven ? Ik zeg u, als hij niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vind; en voor wie klopt doet men open. Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?"
Preek door André Louf (uit: "Mijn liefde is U genoeg", 1985).
Een grotere vreugde dan iets te mogen geven aan wie liefheeft, is er niet: de vader aan zijn zoon, de echtgenoot aan zijn vrouw, een vriend aan zijn vriend. Zulke vreugde wordt gedeeld, want iets geven is zichzelf ervan ontdoen om het te maken tot vreugde van de ander. Kleine geschenkjes doen de vriendschap steeds weer opflakkeren, en de vreugde die eruit voortvloeit is een van de meest zelfloze en zuivere vruchten van de liefde. Ook God kent deze vreugde: "Indien gij goede dingen weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw hemelse Vader niet geven aan wie het hem vragen". Is zijn definitie niet: liefde te zijn en onweerstaanbare barmhartigheid? De vreugde van God is te geven aan wie Hem iets vraagt, te openen voor wie aanklopt, zich te laten vinden door wie Hem zoekt.
Juist omdat God geen God meer zou zijn zonder de vreugde anderen te mogen verhoren, vraagt Hij dat men Hem zou bidden, dat men aan zijn deur zou kloppen, dat men Hem onvermoeibaar zou zoeken. Na de vreugde van het schenken, is er voor God geen grotere vreugde dan dat men Hem bidt en iets vraagt. Zijn liefde wil dat men Hem vraagt, want Hij is geheel en al gave van zichzelf. Hij dorst ernaar verlangd te worden. Hij toont zelfs verbazing en Hij klaagt er zachtjes over in het evangelie, wanneer men vergeet Hem iets te vragen: "Tot hiertoe hebt ge nog niets gevraagd! Vraagt en ge zult verkrijgen" (Joh. 16,24).
Ons gebed is nog dringender geworden sinds Jezus zelf hier beneden gebeden heeft, ja zelfs heel en al gebed was gedurende zijn verblijf in deze wereld. Dit gebed van Jezus was belangrijker dan het gebed van wie ook, hoognodig zelfs voor het hart van God de Vader. Jezus was zijn enige Zoon, zijn unieke Liefde. Welke vader zou een slang geven wanneer zijn zoon hem een vis vraagt? In het hartje van de Drieëenheid wordt de Zoon voortdurend door de Vader verhoord, Hij is eeuwig in staat van verhoring. Toen hij op aarde was, zette Jezus dit gebed voort, zonder ophouden, en wachtte alles af van zijn Vader, alles wat hij was en wat hij deed, en schonk Hem voortdurend alle eer en alle vreugde. Was hij zelf niet de Zoon in wie al de Liefde en de vreugde was van de Vader?
Het gebed van Jezus was de onuitsprekelijke vreugde van de Vader, het kostbaarste geschenk dat de aarde aan de hemel kon aanbieden. Ons gebed volgt zijn gebed hierin op en zet het voort tot aan het einde der tijden. Ook ons gebed heeft geen andere bedoeling dan de vreugde te worden van God, dan Hem in staat te stellen ten volle Vader te zijn, telkens als Hij in ons de wonderen van zijn barmhartigheid mag herhalen. Ons gebed is nodig opdat de liefde van God zich volledig zou kunnen ontplooien, het geeft aan God de vreugde ons te kunnen verhoren.
Allemaal goed en wel: maar wat, indien God ons niet verhoort? Ondanks de plechtige beloften van Jezus in het evangelie hebben we toch vaak de indruk dat ons gebed zonder resultaat blijft. Indien het waar is dat gebed de levende band is tussen God en de mens, de vreugde van de mens zowel als van God, dan is er ongetwijfeld geen pijnlijker beproeving van ons geloof dan deze: als ons gebed door nacht en twijfel omgeven blijft, als wij zelf niet meer in staat zijn te zien hoezeer het al verhoord is.
Wellicht is dat veel vaker nodig voor ons dan we denken. God laat niet van zich houden zoals wij het soms zouden willen dromen. Ons gebed, hoe vurig en dringend ook, mag nooit een druk uitoefenen op het hart van God. Het moet eerst vrij worden van elke pretentie, verzaken aan welke zekerheid ook. Het moet gans overgeleverd staan aan de barmhartigheid, en willen samenvallen met Gods vrije wil: "Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel". Ons gebed wordt het gebed van een kind dat rustig ademhaalt in de schaduw van zijn vader, dat van de tollenaar die geen uitkomst meer ziet buiten de steeds onverdiende barmhartigheid. Dan kan ons gebed binnentreden in het gebed van Jezus, de welbeminde Zoon: "Vader, ik dank U dat Gij mij verhoord hebt. Ik weet dat Gij mij altijd verhoort!"
18e Zondag C-jaar Echte rijkdom
Lucas 12,13-21 In die tijd zei iemand uit het volk tegen Jezus: "Meester, zeg aan mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt". Maar Jezus antwoordde hem: "Man, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld ? " En Hij sprak tot hem: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit, - al is dit nog zo overvloedig - kan uw leven veilig stellen".
Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: "Het land van een rijk man had een grote oogst opgeleverd. Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen ? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren opbergen. Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan! Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God."
Preek door André Louf (uit: "Mijn liefde is U genoeg", 1985).
Iemand doet een beroep op Jezus opdat hij hem zou bijstaan in een gerechtszaak. Het gaat om een verdeling van goederen of van geld. Aan één van beide kanten zal het recht wel verwrongen geweest zijn. Tot onze verbazing onttrekt Jezus zich aan dit beroep. Hij weigert zelfs met alle gewenste duidelijkheid. Het is voor hem de gelegenheid iets te zeggen over zijn verhouding tot de aardse goederen, een verhouding die hij ook van zijn leerlingen verwacht.
Toch werd de rechtvaardigheid hier gekwetst, werd aan een goed recht tekortgedaan. Mag Jezus zich aan zulke vraag onttrekken, zijn steun weigeren aan wie onrecht werd aangedaan? En zagen we niet hoe vaak Jezus in andere omstandigheden het opneemt voor de armen en voor hen die onrecht leden?
Deze keer echter lijkt Jezus niet getroffen door het geval van armoede dat hem werd voorgelegd. In plaats van het hart van die arme vrij te maken en voor iets anders open te stellen, heeft de armoede zijn hart gesloten. Hij werd er hard en bitter van. Zulke armoede is vals. Zij laat alleen maar zien hoezeer iemand aan rijkdom gehecht is: even gehecht als de rijke die hij veroordeelt, maar tevens ook benijdt.
In zijn antwoord aan die man heeft Jezus het dan ook niet over de armen, maar direct over de rijken. Jezus heeft allang door dat die armoede, waarover hij komt klagen, geen vruchten kan dragen. Hij spoort hem dus aan op de hoede te zijn voor de rijkdom, waarvan hij zijn deel kwam vragen, zelfs al komt dit deel hem rechtmatig toe.
Want het leven van de mens is niet te vinden in rijkdom. Jezus dringt zelfs aan. Rijkdom wordt voortdurend bedreigd door de dood. Hoe ouder iemand wordt, hoe dichter hij komt bij de dood. Die man die zo gehecht is aan zijn bezittingen, die er als het ware wortel in schoot en er in dreigt te vergaan, krijgt van die rijkdommen al een voorsmaak van de dood mee. Want waar de schat is, daar is ook het hart, zij men arm of rijk.
Het ware leven van de mens is elders. Hij zal niet vergaren voor zichzelf, maar hij zal rijk zijn in God. Jezus wendt de blik van zijn leerling naar een andere overvloed, een andere rijkdom, een ander leven. Hij zal in God rijk zijn. Zijn schat zal door geen wormen kunnen opgegeten worden, en door geen dieven gestolen worden. Zijn leven zal dit zichtbare leven overleven, en is op dit eigenste ogenblik reeds eeuwig leven.
Elke armoede die in vreugde aanvaard wordt, elke onrechtvaardigheid die in vrede geleden wordt, kan ons op weg zetten van deze schat, die reeds de onze is, en die ons hart reeds volledig heeft ingepalmd. Deze schat is niets anders dan het glorieuze leven waarvoor ons hart reeds openstaat, het leven van God zelf in de verrezen Heer Jezus. Zonder dit leven van Jezus zou armoede even zinloos en ijdel zijn als rijkdom: "Broeders, gij zijt verrezen met Christus. Zoekt dus de dingen van hierboven. Daar is Christus gezeten aan de rechterhand van God. Streef naar de rijkdommen van hierboven, niet naar de goederen van de aarde" (Kol. 3, 1 -11).
De aanwezigheid van Jezus is het die elke aardse hiërarchie onderste boven gegooid heeft. Jezus legt aan alles een nieuwe maatstaf op. Hij herwaardeert armoede, hij veredelt kleinheid, hij herschept misère tot rijkdom. Voor het ogenblik echter speelt zich dit af in het verborgene. Want ons leven is voorlopig nog verborgen met Christus in God. Wanneer Christus zich zal openbaren, die ons leven is, dan zullen wij samen met hem verschijnen in volle glorie. Dan zal Christus alles in allen zijn.
Uiteindelijk zal het de dood zijn die ons echt van alles zal losmaken, zoals in het evangelie dat we vandaag beluisterden, om ons definitief open te zetten naar onze enige rijkdom: Jezus zelf. De dood mag ons echter niet onverwacht overvallen. Vandaag reeds zal de christen moeten kunnen aantonen dat hij vrij is van de aardse goederen, en op die manier verkondigen dat hij Jezus werkelijk aanhangt, en dat zijn liefde gans geïnvesteerd werd in het Rijk dat komt. Daar waar zijn schat is, daar is ook zijn hart.
Alleen de armen kunnen antwoorden op de uitnodiging van Jezus en binnentreden tot het eucharistisch feestmaal, zoals we het elke zondag mogen doen. Zij die rijk zijn voor zichzelf blijven doof voor zijn oproep. Jezus neemt ons slechts op als armen. Onze armoede is het die hij verwacht, armoede die het luidkeels uitschreeuwt tot bij hem, omdat hij de enige is die kan uitverkiezen; omdat alleen de armen van zijn volheid zullen ontvangen, genade op genade.
19e Zondag C jaar VAN VREES NAAR GELOOF
Lucas 12,32-48 In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: " Weest niet bevreesd, kleine kudde, het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken. Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen; verschaft u beurzen die niet verslijten, en verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief komt en geen mot hem bederft. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend! Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun heer die naar de bruiloft is om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen. Gelukkig de dienaars die de heer bij zijn komst wakende zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal zich omgorden en hij zal hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om te bedienen. Al komt hij ook in de tweede of de derde nachtwake, gelukkig die dienaars die hij zo aantreft. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen zou hij niet laten inbreken in zijn huis. Weest ook gij bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht. Petrus vroeg Hem nu: "Heer, bedoelt Gij deze gelijkenis voor ons of voor iedereen ?" De Heer sprak: " Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn, die de heer over zijn dienstvolk zal aanstellen om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven ? Gelukkig de knecht die de heer bij zijn aan- komst daarmee bezig vindt. Waarlijk, Ik zeg u: Hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. Maar zegt die knecht bij zichzelf: Mijn heer blijft nog wel een poosje weg, en begint hij de knechten en dienstmeisjes te slaan, en gaat hij zich te buiten aan spijs en drank, dan zal de heer van die knecht komen op een dag dat hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet kent; en hij zal hem met het zwaard straffen en hij zal hem zo het lot doen ondergaan van de ontrouwen. De knecht die de wil van zijn heer kende, maar geen beschikkingen trof noch handelde volgens diens wil, zal zwaar getuchtigd worden. Wie echter in onwetendheid dingen heeft gedaan die tuchtiging verdienen, zal slechts licht gestraft worden. Van ieder aan wie veel is gegeven zal veel worden geëist; en van hem aan wie veel is toevertrouwd zal des te meer worden gevraagd. "
Preek door André Louf (uit: "Mijn liefde is U genoeg", 1985).
De woorden van Jezus, die we zoëven mochten beluisteren, konden verschillend klinken in onze oren: als een verwittiging of als een aanmoediging. Als een verwittiging wanneer ze op de eerste plaats vrees bij ons wakker riepen. Als een aanmoediging, indien ons hart begon te kloppen van vreugde.
Want Jezus spreekt voor de goede zowel als voor de slechte dienaars. Deze laatsten vrezen het uur van Jezus' komst. De eersten hopen op dit uur en zien er met vreugde naar uit. Voor beiden is dit uur echter verborgen: alleen de Vader kent het. Het is een geheim dat voor de enen vreesaanjagend is, een bron van voortdurende onrust. Voor de anderen is het een vreugdevol geheim, voorgevoel van een nog onbekend geluk. Eenzelfde woord, eenzelfde geheim behoort voor de enen tot de taal van de angst, voor de anderen tot de taal van de liefde. Hoe is het voor ons? Jezus zal onverwachts komen aankloppen. Zijn wij hier ongerust over? Of behoren we tot hen die naar Jezus uitzien? Terwijl we dit evangelie beluisterden, klopte ons hart van vreugde, of van angst?
Maar hoe kunnen we wijs worden uit het kloppen van ons hart ? Hoe kunnen we zeker zijn dat we behoren tot de slechte of tot de goede dienaars? Wie kan zeggen of hij liefde of haat waardig is? Hoe kunnen we met zekerheid beweren zonder zonde te zijn, wanneer zelfs de rechtvaardige volgens de Schrift zeven keer per dag zondigt?
Het probleem is echter niet dat we zouden gerekend worden tot de goeden of tot de slechten, tot de rechtvaardigen of tot de zondaars. De vraag is alleen maar te weten of wij bang zijn van Jezus, ofwel of we naar hem durven uitzien in vreugde. Allen zijn wij zondaars min of meer, maar indien we bang zijn van het uur van Jezus' komst, dan betekent dit dat we hem nog niet echt kennen, dat we nog nooit door zijn barmhartigheid onderste boven werden gegooid.
Nog eens: wij zijn allen zondaars, min of meer. Indien we echter ondanks alles met vreugde durven uitzien naar het uur van zijn komst, dan is dit geen teken van vermetelheid, maar alleen maar het bewijs dat we ooit in alle waarheid werden opgenomen in zijn vergiffenis, onvoorwaardelijk, boven alles wat we konden verdienen of wat we hadden durven hopen of vragen. Zoals Jezus alle zondaars en zondaressen uit het evangelie heeft opgenomen, alle tollenaars en prostituees, die ons zullen voorgaan, zei hij, in het Rijk der Hemelen; wij allen zonder uitzondering, zelfs niet zonder die ene, die nog minder dan de anderen vergiffenis waardig was, de goede moordenaar, die tot nog toe geen aandacht verleend had, en aan wie Jezus slechts één ding kwam vragen: niet aandacht verlenen, maar alleen maar zich blindelings overgeven aan de liefde van Jezus: "Heer! Gedenk u mijner wanneer ge komen zult met uw Koninkrijk". Hij was de allerlaatste, en hij werd de eerste: "Vandaag nog, vóór alle anderen, zult gij bij mij zijn in het Paradijs".
Hij was de goede dienaar. Niet hij die dacht in orde te zijn en rechtvaardig, maar hij die, ondanks alles, met vreugde naar Jezus durft uit te zien, en zich overgeeft aan zijn liefde: "Gelukkig de dienaars die de Meester bij zijn thuiskomst bezig zal vinden met te waken".
Dan heeft het geen belang meer of Jezus al dan niet op het onverwachts komt, en of we zijn uur op voorhand zullen weten. Dit element van verrassing maakt deel uit van de liefde. Het geeft meer charme aan de verhouding. Jezus wil nooit vrees aanjagen. Hij wil alleen maar een verrassing doen, zoals de welbeminde voor zijn geliefde wanneer hij het wachten even laat aanhouden om van te voren al de vreugde van het weerzien te verdubbelen. Zodra ziekte ons treft, zij het een voorbijgaande ziekte, of zij het de laatste, het is Jezus die nabij komt. Je kunt zijn stem beluisteren achter de gebeurtenissen. De wereld wordt dan doorzichtig, en de ganse schepping staat overgoten met een nieuw en ongekend licht. Ook ons wachten wordt nu dringender. Jezus staat voor de deur. Maar of we ziek zijn of gezond: Jezus staat altijd voor de deur. Wij moesten eigenlijk altijd in dit klimaat leven, gans opgeslorpt door zijn nabijheid. Alleen een zeer doorzichtige sluier scheidt ons nog van hem af.
Het gebed brengt ons Jezus nabij, in geloof en communie. Het verzadigt ons gedeeltelijk, en scherpt opnieuw onze honger aan. Het geeft ons vreugde voor een ogenblik, en jaagt ons weer voort op de weg van de definitieve ontmoeting met Jezus. Gelukkig zij die zo mogen waken en uitzien naar hem.